CConstaterende datTerschelling
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Toelichting ASV Terschelling 2025

Raadsvergadering 12 december 2024, gemeente TerschellingBij agendapunt: (H) Herziening Algemene Subsidie Verordening4.258 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting Algemene toelichting De Algemene subsidieverordening Terschelling 2025 (hierna: de Asv) geeft algemene regels die gelden bij het subsidieproces van de gemeente Terschelling. Het is de basis voor de behandeling van subsidieaanvragen en de verstrekking daarvan. De Asv geeft verder aan welke bevoegdheid het college heeft bij de uitvoering van de Asv, inclusief de mogelijkheid om van de algemene regels af te wijken of deze verder uit te werken. Deze Asv vervangt de Algemene Subsidieverordening gemeente Terschelling 2011. De belangrijkste redenen om de oude Asv te vervangen: 1. Vereenvoudiging (zowel van de regels als van de werkprocessen voor aanvrager en behandelaar) 2. Actualisatie (de oude verordening sluit niet meer aan bij Europese regelgeving) 3. Verbetering van de kwaliteit van de regels (errata, onduidelijkheden en begrijpelijkheid zijn verbeterd) De basis voor deze Asv is het model subsidieverordening van de VNG. Daarnaast is gekeken naar andere zeer recent vastgestelde subsidieverordeningen van andere gemeenten en natuurlijk naar de Terschellinger situatie voor wat betreft het subsidieproces.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren subsidieregelingen en andere nadere regels. De meeste subsidietypes zoals die in de vorige subsidieverordening werden gehanteerd zijn vervallen. Enkel het onderscheid tussen boekjaarsubsidie (voorheen: “jaarlijkse subsidie”) en projectsubsidie (voorheen: “eenmalige subsidie”) is gehandhaafd, conform modelverordening. Specifieke voorwaarden voor bepaalde subsidies kunnen in de beschikking opgenomen worden, om het proces inzichtelijker te maken. De definities zijn geclusterd en op alfabetische volgorde geplaatst voor betere vindbaarheid.

Onder m wordt de definitie "boekjaarsubsidie" omschreven. In deze omschrijving wordt het woord "ineens" gebruikt. Hiermee wordt bedoeld dat er in één keer voor 4 jaren een subsidie kan worden verstrekt bij een boekjaarsubsidie. Tot het onder i genoemde Europees steunkader behoren onder meer: de Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2017/1084 van de Commissie tot wijziging van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de intern markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 156/1); de Landbouw vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 193/1); en de Visserij vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr.

1388/2014 van de Commissie van van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 369/37). Artikel 2. Reikwijdte Het college krijgt de bevoegdheid om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de Asv van toepassing is. Dit betreft in beginsel alle subsidies, dus ook subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen wettelijke grondslag nodig is. De Asv is niet van toepassing op subsidies waarvoor door de raad een afzonderlijke verordening is vastgesteld. Artikel 3. Bevoegdheden college Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid om in nadere regels of in een subsidiejaarprogramma de te subsidiëren activiteiten te bepalen, hierna subsidieregeling genoemd. Voor zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, dient dit eveneens in de subsidieregeling te gebeuren.

In andere artikelen van de Asv worden bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie en de wijze van verdelen van het subsidieplafond, en worden bevoegdheden gedelegeerd ten aanzien van de wijze van subsidieverstrekking.

Voor zover het college geen gebruikt maakt van de bevoegdheid om een subsidieregeling vast te stellen is subsidieverstrekking door het college ingevolge de Awb slechts in beperkte mate mogelijk: a. in spoedeisende situaties (tijdelijk, vooruitlopend op de vaststelling van een wettelijk voorschrift); b. op grond van een begrotingspost (de begroting dient de subsidieontvanger en het bedrag dat ten hoogste kan worden vastgesteld te vermelden); c. op incidentele basis (voor uitzonderlijke gevallen, en als er in beginsel slechts eenmalig subsidie zal worden toegekend). Artikel 4. Staatssteunregels Om subsidies te laten voldoen aan een Europees steunkader kan het nodig zijn dat er in de subsidieregeling wordt afgeweken van de Asv. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd. Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en – beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld. Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (vierde lid).

Net zoals bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, kunnen ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader (vijfde lid). Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud Het college stelt de subsidieplafonds vast (eerste lid): het maximale bedrag voor het verstrekken van subsidies op grond van een bepaalde subsidieregeling in een bepaalde periode. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt ook de wijze van verdelen vermeld (eerste lid in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). De wijze van verdelen kan ook worden bekendgemaakt door te verwijzen naar de subsidieregeling waarin de wijze van verdeling is vastgelegd. In dat laatste geval zal verwezen moeten worden naar een reeds geldende subsidieregeling. In andere gevallen zal geregeld (moeten) zijn dat of de subsidiereling en het subsidieplafond gelijktijdig in werking treden of dat de subsidieregeling weliswaar voor het vaststellen van het subsidieplafond in werking treedt maar dat aanvragen pas na het vaststellen van het subsidieplafond kunnen worden ingediend. Als dit niet (juist) is geregeld kan het subsidieplafond niet worden tegengeworpen aan aanvragers die hun aanvraag hebben

ingediend voor de bekendmaking (artikel 4:27, lid 2, van de Awb). Het college heeft ook de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen. De raad stelt de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het college vervolgens de subsidieplafonds kan vaststellen. Het college, dat via artikel 2 de bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, lid 1, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik van deze gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken (tweede lid).

Artikel 6. Niet-subsidiabele kosten Het eerste lid van dit artikel ziet erop dat alleen activiteiten worden gesubsidieerd waarvan de kosten in verhouding staan tot het beoogde effect van die activiteit en waarborgt daarmee een efficiënte inzet van subsidiegelden. Het tweede lid sluit uit dat btw zowel kan worden gecompenseerd als worden gesubsidieerd. In subsidieregelingen van het college kunnen ook andere kosten van subsidie worden uitgezonderd, indien dat voor het betreffende doel van die regeling in de rede ligt.

Artikel 7. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om voor subsidiabele kosten aan te geven hoe die kosten worden bepaald, vanuit oogpunt van eenduidigheid en/of van vereenvoudiging. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

Artikel 8. Indexering Bij meerjarige subsidies bestaat op het moment van verlenen nog geen zicht op de algemene stijging van kosten voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend. Dat is voor een projectsubsidie normaliter met een inschatting daarvan en verrekening in de begrote kosten op te vangen. Voor boekjaarsubsidies, zoals aan organisaties waarvoor de subsidie bedoeld is voor de exploitatiekosten, is deze werkwijze minder geëigend en kan het college bij de subsidieverlening bepalen dat de hoogte van de subsidies jaarlijks meestijgt met de algemene stijging van kosten. Daarbij wordt een

gelijke systematiek gevolgd als bij de gemeentebegroting voor het vaststellen van de indexatie in verband met inflatie van de onroerendezaakbelastingen (OZB).

In lid 3 is opgenomen dat bij eerder gemaakte afspraken over indexering met een subsidieaanvrager, van het tweede lid kan worden afgeweken. Het zal dan gaan over subsidieaanvragers aan wie eerder al eens subsidie is verleend.

Hoofdstuk 2. Subsidieverlening Artikel 9. Aanvraag In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan en dat, als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, de aanvraag dan met gebruikmaking van dat formulier gedaan moet worden. Met "schriftelijk" is meer bedoeld dan op papier geschreven. Een aanvraag kan ook digitaal worden ingediend, mits de digitale weg is opengesteld. In het tweede en het derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overgelegd dienen te worden. Van de aanvrager mogen alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag. Voor wat betreft de in het tweede lid, onder b genoemde inkomsten worden daaronder in ieder geval (verwachte) subsidie van anderen begrepen. Bij subsidieregeling kan het college besluiten hiervan af te wijken (vierde lid), bijvoorbeeld door voor aanvragen om bepaalde subsidies minder, meer of andere gegevens en bescheiden te verlangen. In het vijfde lid is opgenomen dat het college voor een zorgvuldige besluitvorming aanvullende gegevens kan opvragen. Dus in de basis de informatie zoals in de eerdere leden van het artikel zijn opgenomen maar mocht het nodig zijn kunnen er ook aanvullende gegevens opgevraagd worden. Artikel 10. Aanvraagtermijn De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het subsidietype.

Er wordt onderscheid gemaakt naar boekjaarsubsidies en projectsubsidies. Dit is een vereenvoudiging van de bestaande praktijk met meerdere soorten subsidietypes. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en het tweede lid.

Het derde lid bepaalt dat alleen subsidie kan worden verleend voor activiteiten die op het moment van de aanvraag nog niet zijn gestart. Het college kan hiervan in een subsidieregeling afwijken en achteraf subsidie verlenen als dat beter past. Artikel 11. Beslistermijn Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college moet beslissen op een aanvraag voor subsidie. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die in dit artikel zijn vastgesteld. De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt opgeschort totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (vijfde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VwEU en vervolgens teruggevorderd dient te worden.

Artikel 12. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4;25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld. Deze algemeen geldende weigeringsgronden zijn: overschrijding van het subsidieplafond of als gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: a. De activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; b. De aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; De aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voorzover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn. De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager: a. In het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of b. Failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden vi een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a).

Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het eerste lid, onder b, gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in de Asv echter neer op een – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat). In het tweede lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar het oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2.

van de Richtsnoeren van de Europese Commissie voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C249/01). Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun- niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart. Ook in het derde lid zijn absolute weigeringsgronden opgenomen. Het college is verplicht in deze gevallen te weigeren. Onderdeel b is opgenomen zodat het college de subsidie ook kan weigeren als de kosten naar het oordeel van het college te hoog zijn in verhouding tot de activiteit of het verwachte resultaat. Onderdeel e geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen. Het vierde lid bevat een weigeringsgrond waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VwEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie.

Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet is geoorloofd vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan deminimissteun. In deze gevallen kan het college of weigeren de subsidie te verstrekken of de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Als het college besluit over te gaan tot melding, dan wordt in verband met de standstillverplichting de beslistermijn verdaagd tot dat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, vierde lid). Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed te keuren, dan zal het college de aanvraag alsnog weigeren (zie eerste lid, onder a). Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd. Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VwEU, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Dit op grond van artikel 3 van

de Wet terugvordering staatssteun. Een bepaling daarover is daarvoor niet nodig, omdat deze verplichting rechtstreeks uit de Wet terugvordering staatssteun voortvloeit. In dit artikel zijn de weigeringsgronden dwingender geformuleerd dan in de vorige verordening ten behoeve van een eenduidige toepassing. Dat neemt niet weg dat, indien nodig, op grond van de hardheidsclausule in artikel 26 van de Asv kan worden afgeweken van deze weigeringsgronden, indien er sprake is van een daarin genoemde situatie. Artikel 13. De subsidieverlening Dit artikel bevat de algemene uitgangspunten voor subsidieverlening door het college. Het eerste lid bepaalt dat een boekjaarsubsidie alleen een aan rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid mag worden verleend. Dus niet aan een natuurlijk persoon. Dit met het oog op de voor de (continuïteit van) de uitvoering van de gesubsidieerde jaaractiviteiten benodigde organisatorische kwaliteit, zeggenschap en aansprakelijkheid. Het tweede lid bepaalt dat ook subsidies voor langer dan 1 jaar kunnen worden verstrekt, maar dit is begrensd tot een periode van 4 jaar. Het derde lid bepaalt dat aan de subsidie-ontvanger duidelijkheid moet worden gegeven over de te verwachten subsidie per jaar. Het vierde lid bepaalt dat de beschikking dient te vermelden hoe de subsidie moet worden verantwoord. Artikel 14.

Bevoorschotting Hier wordt de bevoorschotting geregeld. Subsidies tot en met € 10.000 worden geheel bevoorschot, aansluitend bij het verantwoordingsregime van deze subsidie in artikel 20 (eerste lid). Voor hogere subsidies wordt er geen onderscheid gemaakt naar subsidietype; er kan een voorschot tot 100% worden gegeven (tweede lid ). Bij subsidieregeling kan van het voorgaande worden afgeweken,indien daartoe aanleiding is (derde lid). Het vierde lid bepaalt dat de subsidieontvanger in de verleningsbeschikking het ritme en de hoogte van de bevoorschotting wordt medegedeeld.

Artikel 15. Administratie Dit artikel ziet op het bewaren van bewijsmiddelen om, waar de beschikking dat vraagt, na te kunnen gaan of aan verplichtingen is voldaan en activiteiten, betalingen en ontvangsten overeenkomen met het door de subsidieontvanger gerapporteerde. Ook wordt aangegeven dat op basis van de administratie het college de subsidie lager kan vaststellen of de subsidie kan intrekken. De basis hiervoor is te vinden in o.a. artikel 4:48 van de Awb.

Artikel 16. Meldingsplicht subsidieontvanger De verschillende leden van dit artikel geven aan in welke gevallen het college moet worden geïnformeerd, omdat dit van invloed kan zijn op de subsidie, de hoogte daarvan of de voorwaarden. Indien daartoe aanleiding is kan het college op basis van deze informatie besluiten de subsidie te wijzigen of in te trekken.

Artikel 17. Toestemming Dit artikel gaat verder dan het voorgaande artikel en geeft aan in welke gevallen toestemming van het college nodig is met het oog op het risico van onjuiste besteding van de subsidie en/of het terugontvangen van reeds verleende voorschotten. Indien het college binnen de in lid 2 en 3 gestelde termijnen geen beslissing heeft genomen, is de toestemming van rechtswege verleend (vierde lid). Dit moet worden bekendgemaakt op de voorgeschreven wijze Artikel 18. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde "bijzondere'' verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (artikel 4:37). Wat betreft het eerste lid wordt het creëren van deze mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden geboden door artikel 4:38 van de Awb. Dit lid ziet op de verplichtingen die verband houden met verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit zullen uitvoeren. In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen; -

als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt; als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen; als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd; als de subsidieverlening of- vaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd; of de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.

Deze schadevergoedingsplicht geldt echter alleen als hierin is voorzien in de verordening of subsidieregeling, of – als deze ontbreken- in de subsidiebeschikking. Daarbij moet bepaald zijn hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te Artikel 19. Reserves en voorzieningen Voor subsidieontvangers van boekjaarsubsidies kunnen financiële reserveringen voor toekomstige uitgaven of het opvangen van tegenvallers aan de orde zijn. Het kan in het belang

van de subsidieverstrekker zijn dat dergelijke voorzieningen worden getroffen, maar ook kan het in het belang zijn van de subsidieverstrekker dat de omvang daarvan wordt begrensd of het toevoegen of onttrekken van subsidie daaraan. Het college wordt met dit artikel de mogelijkheid geboden om regels van algemene strekking vast te stellen.

Artikel 20. Vaststelling subsidies tot en met € 10.000 Bij subsidies tot en met € 10.000 wordt niet standaard om verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 16). Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger. Als de subsidieontvanger al (positief) bekend is zal de subsidie bij een dergelijk klein bedrag meestal direct vastgesteld en uitbetaald kunnen worden. In andere gevallen kan er eerst verleend worden, gevolgd door een ambtshalve vaststelling (eerste lid). In zo'n geval wordt een eventueel voorschot in 1 termijn betaald en hoeft de subsidieontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieontvanger als de subsidieverstrekker worden beperkt. Verder wordt in het geval van verlening gevolgd door ambtshalve vaststelling, in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht. Deze bepaling vormt een verlichting van de administratieve lasten ten opzichte van de bestaande situatie, waarbij voor kleine subsidies relatief hoge kosten voor de verantwoording dienden te worden gemaakt dan wel een grote inspanning qua tijd.

De balans is gezocht door de aanvragers wel te verplichten een administratie bij te houden, zodat controle mogelijk is. Artikel 21. Vaststelling subsidies tussen € 10.000 en € 50.000 In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie tussen € 10.000 en € 50.000 aan het college dienen te verantwoorden; er dient een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden (eerste lid), deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan (tweede lid). Ingevolge artikel 13, vierde lid, wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt. Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening worden aangegeven op welke manieren kan worden aangetoond dat activiteiten zijn verricht en aan verplichtingen is voldaan. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen et cetera. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat erom dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voorts kan het college, overeenkomstig het derde lid, in een subsidieregeling aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag.

In lid vier krijgt het college de mogelijkheid in bijzondere gevallen ook een financieel verslag te verlangen voor de vaststelling van de subsidie.

In lid vijf krijgt het college de mogelijkheid om aanvullende gegevens op te vragen voor de vaststelling van de subsidie. Artikel 22. Vaststelling subsidies meer dan € 50.000 Bij subsidies vanaf € 50.000 wordt uitgegaan van de afrekening van subsidies op basis van werkelijk uitgevoerde activiteiten en werkelijk vastgestelde kosten en baten. Wat dat laatste betreft geeft een accountantsverklaring hierover zekerheid. Zo nodig kunnen hiervoor specifieke aanwijzingen worden gegeven met een protocol (derde lid). Het vierde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook andere, waaronder meer of minder, gegevens gevraagd worden. Van de aanvrager worden alleen die gegevens verlangd die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording. Voor deze subsidies geldt het zwaarste regime van verantwoording. Dat past ook bij de hoogte van de subsidie die wordt verleend. Dit betekent ook dat er niet afgeweken kan worden van de verplichting een accountantsverklaring te overleggen, ook al brengt dit voor een aanvrager tijd en kosten met zich mee. Artikel 23. Beslistermijn vaststelling subsidies meer dan € 10.000 Het eerste lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden; wel bestaat de mogelijkheid tot verlengen (tweede lid).

Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn- biedt dan uitkomst. Een besluit tot verlenging op grond van het tweede lid is appellabel. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens worden verlangd die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording. Artikel 24. Toezicht Met dit artikel worden aanvullende bevoegdheden geregeld om steekproefsgewijs te controleren of de rapportages van subsidieontvangers over uitgevoerde activiteiten, verplichtingen en kosten en inkomsten correct zijn en dat hiertoe door het college regels kunnen worden gesteld. Ook wordt hiermee geregeld dat het college regels kan stellen met betrekking tot de financiële en organisatorische gezondheid van organisaties die boekjaarsubsidie krijgen met het oog op hun continuïteit en kwaliteit. Artikel 25. Bijzondere afwijkingsbevoegdheid Ten behoeve van het in samenwerking met andere overheden kunnen verstrekken van subsidie, kan het nodig zijn de uitvoeringspraktijk te uniformeren en daarbij van bepalingen in deze verordening af te wijken.

Een vergelijkbare noodzaak kan ook bestaan als op door het Rijk of de EU aan de gemeente verstrekt gelden specifieke regels of verplichtingen van toepassing zijn. Artikel 26. Hardheidsclausule

De hardheidsclausule is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan een bepaling van de Asv of daarop gebaseerde regels of een subsidieregeling wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn tot de daarmee te dienen belangen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Terschelling&id=4c48ad40-ea21-4b7f-9504-baddc0e8b8f9