Bijlage 1 Paraplubestemmingsplan standplaatsen Terschelling_VA02
Tekst van het document
bestemmingsplan
Paraplubestemmingsplan standplaatsen Terschelling Terschelling
DATUM IMRO IDN
13-07-2022 / / december 2022 NL.IMRO.0093.PH2021STANDPLTSN-VA02
PROJECT PROJECTLEIDER
Thomas de Jong
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Gemeente Terschelling 20210212
AUTEUR STATUS
Mariette Hooftman vastgesteld
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Beschrijving plan
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Plangebied paraplubestemmingsplan
7
1.3
Geldende bestemmingsplan
8
1.4
Planvorm
9
1.5
Opzet bestemmingsplan
9
1.6
Leeswijzer toelichting
10
Beleidskader
11
2.1
Inleiding
11
2.2
Algemene plaatselijke verordening (APV)
11
2.3
Gemeentelijke beleidsnotitie standplaatsen 2006
12
2.4
Planologische vormgeving
13
Omgevingsaspecten
14
3.1
Algemeen
14
3.2
Bedrijven en milieuzonering
14
3.3
Verkeer en parkeren
14
3.4
Overige omgevingsaspecten
15
Hoofdstuk 4
Juridische regeling
17
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
18
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
18
5.2
Economische uitvoerbaarheid
18
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Bijlagen toelichting
19
Bijlage 1
Beleidsnotitie standplaatsen 2006
21
Bijlage 2
Ecologische beoordeling
43
Bijlage 3
Memo stikstofemissie en depositie inclusief Aerius berekening
105
Bijlage 4
Reactienota zienswijzen
123
Vaststellingsbesluit (PM)
3/141
129
Regels Hoofdstuk 1
131 Inleidende regels
132
Artikel 1
Begrippen
132
Artikel 2
Toepassingsregels
133
Hoofdstuk 2
Algemene regels
134
Artikel 3
Anti-dubbeltelregel
134
Artikel 4
Algemene bouwregels
135
Artikel 5
Algemene gebruiksregels
136
Hoofdstuk 3
Overgangs- en slotregels
137
Artikel 6
Overgangsrecht
137
Artikel 7
Slotregel
138
Verbeelding
4/141
140
Toelichting
5/141
Hoofdstuk 1 1.1
Beschrijving plan
Aanleiding
Op Terschelling zijn meerdere locaties voor standplaatsen voor ambulante handel. Deze standplaatsen worden een of meerdere dagen per week gebruikt door kramen of wagens die etenswaren te koop aan bieden (bijvoorbeeld vis of snacks) of die bijvoorbeeld fietsen verhuren. Deze ambulante handel voorziet, met name op plekken die druk bezocht worden door toeristen en waar geen reguliere detailhandel of horeca aanwezig is (zoals op het haventerrein en bij de strandovergangen), in een behoefte . Onder een standplaats wordt verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen en diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel, zoals omschreven in de Algemene Plaatselijke Verordening. Onder een standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een warenmarkt of een vaste standplaats op een evenement. Op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Terschelling is het verboden om zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) een standplaats voor ambulante handel in te nemen.
Het college kan een vergunning verlenen voor het innemen van een standplaats, waarbij wordt getoetst aan de regels die zijn opgenomen in de APV en de beleidsregels die zijn opgenomen in de Beleidsnotitie Standplaatsen. In deze beleidsregels is opgenomen onder welke voorwaarden de vergunning verleend kan worden. In de APV is opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders een standplaatsvergunning weigert indien de standplaats in strijd is met het geldende bestemmingsplan. In een aantal bestemmingsplannen binnen de gemeente Terschelling zijn regels opgenomen die zien op standplaatsen, maar dit geldt niet voor alle bestemmingsplannen. Vanwege de koppeling tussen de APV en de geldende bestemmingsplannen is het nu in principe niet mogelijk om een standplaatsenvergunning te verlenen. In veel bestemmingsplannen zijn namelijk geen regels opgenomen die zien op standplaatsen. Dit betekent dat standplaatsen op grond van het bestemmingsplan niet zijn toegestaan en de standplaatsvergunning daarom geweigerd moet worden. Dit paraplubestemmingsplan moet de geldende bestemmingsplannen aanvullen op het gebied van standplaatsen, zodat vergunningverlening mogelijk blijft. De regels die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, vullen de bestaande bestemmingplannen aan voor zover het gaat om de standplaatsen.
De vergunningverlening via de APV stuit dan niet meer op strijdigheid met het bestemmingsplan.
6/141
1.2
Plangebied paraplubestemmingsplan
Dit paraplubestemmingsplan heeft betrekking op de standplaatsen voor ambulante handel binnen de gemeente Terschelling. De bestaande standplaatsen zijn gelegen binnen de dorpskernen: West-Terschelling, Midsland, Hoorn en Oosterend. Daarnaast is een aantal standplaatsen gelegen op locaties waar conserverende ruimtelijke regimes gelden, namelijk de beheersverordening Natuurgebieden en het bestemmingsplan Buitengebied Polder. Tot slot zijn in Midsland aan Zee enkele standplaatsen toegestaan. Voor zover de standplaatsen zijn gelegen binnen de beheersverordening 'Natuurgebieden' is tegelijkertijd met dit parapluplan een partiële herziening beheersverordening opgesteld. Zie ook paragraaf 1.4 Planvorm. De standplaatsen die met dit parapluplan geregeld worden zijn: Havenplein (1 en 2) Parkeerterrein Duinweg te West De Stilen Passantenhaven Nieuwe Dijk Havenplein (fietsenverhuur) Oosterburen (COOP) Parkeerterrein Midsland aan Zee Parkeerterrein Oosterend
7/141
Figuur: plangebied parapluherziening standplaatsen Terschelling
1.3
Geldende bestemmingsplan
Het voorliggende bestemmingsplan 'Parapluherziening Standplaatsen Terschelling' omvat een parapluregeling voor 6 bestemmingsplannen en vult deze bestemmingsplannen aan met een specifieke regeling voor standplaatsen. Voor het overige blijven de geldende bestemmingsplannen ongewijzigd van toepassing. In de onderstaande tabel volgt een overzicht van de bestemmingsplannen die worden aangevuld met dit bestemmingsplan. Daar waar een beheersverordening geldt is de onderhavige regeling niet van toepassing maar is een aparte regeling opgesteld in de vorm van een (partiële herziening) beheersverordening. Zie ook paragraaf 1.4. Bestemmingsplan Havengebied Terschelling Buitengebied Polder
8/141
Vaststellingsdatum 5 februari 2020 24 november 2015
IMRO-codering NL.IMRO.0093.BP2017HAVENGEBIED-VG02 NL.IMRO.0093.BP2013BUITENGEBIED-VG03
Hoorn en De Duunt West-Terschelling 2012 Midsland aan Zee Midsland 2009
27 januari 2015 22 april 2014 29 mei 2012 12 februari 2011
NL.IMRO.0093.BP2013HOORNDUUNT-VG03 NL.IMRO.0093.086406-VA03 NL.IMRO.0093.10640705-VG01 NL.IMRO.00930000BPMIDSLAND-
De bestemmingsplannen en de beheersverordening zijn overeenkomstig het regime van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tot stand gekomen en vastgesteld en voldoen aan de (digitale) verplichtingen uit de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
1.4
Planvorm
Het is mogelijk om meerdere bestemmingsplannen tegelijkertijd op één of meerdere thema's of onderdelen te wijzigen zodat ze weer zijn voorzien van een goede regeling. Dit kan in de vorm van een zogenaamd paraplubestemmingsplan dat thema's of onderdelen regelt voor de bestemmingsplannen die zijn genoemd in het paraplubestemmingsplan. Omdat de regeling overkoepelend geldt voor een aantal bestemmingsplannen wordt het een paraplubestemmingsplan genoemd. Het voorliggende paraplubestemmingsplan is daarmee een aanvullende regeling voor het onderwerp 'standplaatsen' en herziet de bestaande bestemmingsplannen op dit onderdeel. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een regeling om standplaatsen toe te staan. Om een uniforme regeling voor standplaatsen op Terschelling te verkrijgen ziet dit paraplubestemmingsplan zowel toe op standplaatsen die al planologisch waren toegestaan onder de vigerende regelingen alsmede op standplaatsen die nog niet planologisch waren toegestaan. Daar waar in de vigerende bestemmingsplannen al een regeling voor standplaatsen was opgenomen wordt deze regeling herzien door de regeling uit dit parapluplan. Binnen het gemeentelijk grondgebied van Terschelling is in relatie tot de locatie van standplaatsen één beheersverordening van kracht: Beheersverordening Natuurgebied.
Tegelijkertijd wordt voor hetzelfde onderwerp daarom ook een herziening voor deze beheersverordening opgesteld. Die beheersverordening heeft hetzelfde doel, maar kan juridisch gezien geen onderdeel zijn van een bestemmingsplanherziening, omdat het gaat om verschillende ruimtelijke instrumenten met elk een eigen procedure.
1.5
Opzet bestemmingsplan
Dit paraplubestemmingsplan geeft regels die specifiek zien op standplaatsen. Dit bestemmingsplan is een aanvulling op de bestaande geldende plannen. Het bestemmingsplan 'Parapluherziening Standplaatsen Terschelling' bestaat naast deze toelichting uit een set planregels en een verbeelding. De toelichting geeft een uitleg van het bestemmingsplan de gedachten die hieraan ten grondslag liggen. De toelichting is niet juridisch bindend, maar geeft meer informatie over welke keuzes er zijn gemaakt en is van belang voor een juiste interpretatie van het bestemmingsplan. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. De verbeelding en
9/141
de regels vormen samen het juridisch bindende kader van het plan. Deze onderdelen moeten in samenhang gelezen worden.
1.6
Leeswijzer toelichting
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op het beleidskader. De regeling in de APV, het gemeentelijke beleid en de keuzes voor dit bestemmingsplan worden behandeld. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op omgevingsaspecten. Daarna wordt in hoofdstuk 4 de uitvoerbaarheid besproken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid.
10/141
Hoofdstuk 2 2.1
Beleidskader
Inleiding
Dit bestemmingsplan is opgesteld om het gemeentelijk standplaatsenbeleid goed te kunnen uitvoeren. Op grond van de APV kan namelijk een standplaatsenvergunning verleend worden indien het onder andere passend is binnen het bestemmingsplan. In een aantal bestemmingsplannen zijn regels voor standplaatsen opgenomen, maar dit geldt niet voor alle bestemmingsplannen. Door middel van voorliggende bestemmingsplan, in de vorm van een parapluplan, wordt het standplaatsenbeleid in het kader van een goede ruimtelijke ordening ingebed. Uit het rijks- en provinciaal beleid volgen geen randvoorwaarden voor standplaatsen. In dit hoofdstuk wordt daarom alleen ingegaan op het gemeentelijk beleid.
2.2
Algemene plaatselijke verordening (APV)
In hoofdstuk 5 van De Algemene Plaatselijke Verordening 2016 (APV) van de gemeente Terschelling zijn regels voor standplaatsen opgenomen. In artikel 5:17 APV is omschreven wat wel en wat niet onder een standplaats wordt verstaan: Lid 1: Onder een standplaats wordt verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Wat niet onder een standplaats wordt verstaan, staat in het tweede lid vermeld: Een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160 , eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet, en/of een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV. Het volgende artikel, artikel 5:18, geeft aan in welke gevallen een standplaatsenvergunning verleend dan wel geweigerd wordt door het college van burgemeester en wethouders: 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a.
indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
11/141
Voor het innemen van een standplaats is een standplaatsenvergunning van het college van burgemeester en wethouders nodig. De aanvraag wordt getoetst aan de geldende planologische regels en aan de redelijke eisen van welstand. Hiernaast gelden ook de algemene weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 1:8 van de APV. Is een aanvraag is strijd met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu, ook in die gevallen wordt de aanvraag geweigerd. Het college is bevoegde een standplaatsenvergunning te verlenen of te weigeren. Artikel 5:19 van de APV geeft aan dat het voor de rechthebbende van een perceel verboden is om toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een standplaats wordt of is ingenomen. Er is dus altijd een standplaatsenvergunning van het college nodig. Tot slot regelt artikel 5:20 van de APV in welke twee gevallen artikel 5:18 niet van toepassing is. Dat is indien: 1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
2.3
Gemeentelijke beleidsnotitie standplaatsen 2006
Met goed standplaatsenbeleid kan een gemeente sturen op locatie, aantal en diversiteit (branchering) van standplaatsen. In aanvulling op de regels van de APV is op 28 november 2006 de Beleidsnotitie Standplaatsen vastgesteld. In deze beleidsregels zijn aanvullende voorwaarden voor standplaatsenvergunningen opgenomen. Deze beleidsregels zijn het toetsingskader voor de verlening van standplaatsenvergunningen. Ook kunnen op basis van deze beleidsregels voorwaarden aan de standplaatsenvergunningen worden verbonden. De Beleidsnotitie Standplaatsen is opgesteld om verstoring van de openbare orde en/of ongewenste ruimtelijke ontwikkeling te voorkomen op het gebied van ambulante handel. Terschelling is grotendeels natuurgebied, het heeft waardevolle dorpsgezichten en de verkeersdoorstroming staat niet overal een standplaats toe. De beleidsregels zorgen ervoor om deze waarden te beschermen. In de beleidsnotitie wordt iedere standplaats omschreven. Een standplaatsenvergunning wordt op grond van gemeentelijk beleid in principe verleend aan de standplaatshouder die de standplaats het voorgaande jaar innam, mits de aanvraag voor 15 december van het voorgaande jaar wordt ingediend. Het bestaande standplaatsenbeleid dateert van 2006. Diverse wet- en regelgeving is inmiddels veranderd en ook is er de nodige jurisprudentie ontstaan met betrekking tot standplaatsen.
In 2016 heeft de Raad van State (RvS) uitspraak gedaan omtrent schaarse vergunningen en heeft geoordeeld dat schaarse vergunningen, waaronder standplaatsenvergunningen, niet voor onbepaalde tijd verleend mogen worden. Mede gezien deze ontwikkeling wordt het standplaatsenbeleid binnenkort herzien. De beleidsnotitie standplaatsen 2006 is opgenomen als bijlage 1 bij de toelichting.
12/141
2.4
Planologische vormgeving
De juridische vorm van dit bestemmingsplan is een paraplubestemmingsplan. Door middel van een paraplubestemmingsplan worden meerdere bestaande bestemmingsplannen aangepast of aangevuld op een of meerdere specifieke onderdelen. Dit paraplubestemmingsplan geeft regels die specifiek zien op standplaatsen en de bestaande plannen op dit onderdeel aanvult. Voor het overige blijven de bestaande bestemmingsplannen onverminderd van toepassing. Op grond van de Algemene Plaatselijk Verordening is voor het innemen van een standplaats altijd een standplaatsenvergunning van het college van burgemeester en wethouders nodig. Indien een standplaatsenvergunning in strijd is met het bestemmingsplan, dan wordt deze geweigerd. Op grond van dezelfde APV is een standplaats het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Kenmerk van ambulante handel is dat dit plaatsvindt vanuit een verrijdbaar of verplaatsbaar object: een kraam, een wagen of een tafel. Uit jurisprudentie volgt dat wanneer een standplaats langer dan 31 dagen wordt ingenomen er sprake is van een bouwwerk, mede ook omdat de locatie vastligt en er sprake is van een permanent aan een locatie gebonden bouwwerk.
Naast een algemene gebruiksregel (die het gebruik als standplaats regelt) is in dit paraplubestemmingsplan daarom ook een algemene bouwregel opgenomen. De verbeelding van dit paraplubestemmingsplan bestaat uit de verschillende locaties voor standplaatsen. Deze locatie zijn door dit parapluplan voorzien van de aanduiding 'overige zone - standplaats'. Het maximaal aantal toegestane standplaatsen per locatie bedraagt 1.
13/141
Hoofdstuk 3 3.1
Omgevingsaspecten
Algemeen
Bij het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang om te bekijken in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling gevolgen kan hebben op aspecten als milieu, ecologie, water, archeologie en cultuurhistorie. Deze parapluherziening brengt slechts beperkte gevolgen met zich mee. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan zijn deze aspecten daarom niet opnieuw onderzocht. De aspecten zijn in de afzonderlijke onderliggende bestemmingsplannen behandeld. Wel wordt hierna ingegaan op de milieuaspecten en de verkeersveiligheid.
3.2
Bedrijven en milieuzonering
Een standplaats voor ambulante handel heeft een beperkte invloed op de omgeving en levert niet of nauwelijks hinder naar de omgeving. Voor de beoordeling van hinder van een (bedrijfs-)activiteit op de omgeving wordt gebruik gemaakt van de door de VNG opgestelde Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. De handreiking bevat een lijst met (bedrijfs-)activiteiten met daarbij horende milieucategorieën en richtafstanden op basis van geur, stof, geluid en gevaar. Standplaatsen voor ambulante handel zijn niet als afzonderlijke (bedrijfs)activiteit opgenomen. Wel kent de Handreiking soortgelijke (bedrijfs-)activiteiten. Dit zijn bijvoorbeeld 'detailhandel vlees, wild, gevogelte met roken, koken, bakken' en ' restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons, viskramen'. Deze categorieën zijn qua activiteit en mogelijke hinder vergelijkbaar met de activiteiten die plaatsvinden in een kraam voor ambulante handel. Deze activiteiten vallen onder milieucategorie 1, de minst zware categorie. Dit betekent dat de (bedrijfs)activiteiten plaats kunnen vinden dichtbij andere (gevoelige)functies, zoals de woonfunctie. Hieruit kan worden afgeleid dat standplaatsen geen of slechts beperkte hinder aan de omgeving veroorzaken.
Het aspect milieuzonering staat de vaststelling van het paraplubestemmingsplan dan ook niet in de weg.
3.3
Verkeer en parkeren
Op grond van de APV kan een standplaatsenvergunning geweigerd worden als er sprake is van risico's voor de openbare veiligheid. Hieronder valt ook verkeersveiligheid. Risico's kunnen bijvoorbeeld ontstaan door verkeersaantrekkende werking van standplaatsen. Hierdoor kan gevaar ontstaan voor fietsers en voetgangers. Daarnaast kan er groepsvorming bij een standplaats ontstaan, wat kan leiden tot lawaai, rommel en/of vernieling. In principe heeft een standplaats niet of nauwelijks verkeersaantrekkende werking. In een aantal gevallen zijn standplaatsen op een parkeerterrein toegestaan. Hierdoor zijn op die locatie minder parkeerplekken beschikbaar. Bij de vergunningaanvraag worden omstandigheden als openbare veiligheid, verkeersaantrekkende werking en parkeren beoordeeld. Deze afweging is aan de orde bij de beleidsmatige toetsing aan het gemeentelijk standplaatsenbeleid en is niet aan de orde in de paraplubestemmingsplan.
14/141
3.4
Overige omgevingsaspecten
Standplaatsen voor ambulante handel hebben een beperkte ruimtelijke impact op de omgeving. Door het innemen van standplaatsen treden er geen wezenlijke gevolgen op voor aspecten als bodem, geluid, archeologie, water, externe veiligheid en luchtkwaliteit op. Om die reden zijn deze omgevingsaspecten ten behoeve van dit paraplubestemmingsplan niet onderzocht. Er heeft wel een ecologische beoordeling plaatsgevonden en er is een stikstofdepositie-berekening uitgevoerd. Ecologische beoordeling Ten behoeven van dit paraplubestemmingsplan is een ecologische effectanalyse van het gebruik van standplaatsen in relatie tot de beschermde natuurwaarden van het eiland uitgevoerd. Doel is het gebruik van de standplaatsen te toetsen aan de geldende natuurbeschermingswetgeving. Het gaat daarbij niet alleen om de effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied als gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming (Wnb), maar ook om de soortenbescherming van de Wnb. De ecologische beoordeling is opgenomen als bijlage 2 bij de toelichting. De eindconclusie is dat voor de Natura2000-gebieden geldt dat de plaatsing en het gebruik van de locaties niet leidt tot significant negatieve effecten op alle instandhoudingsdoelen. Er is geen sprake van strijdigheid met de gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming.
Het doen opstellen van een Passende Beoordeling of de aanvraag van een vergunning van de Wet Natuurbescherming is niet nodig. Ten aanzien van de soortenbescherming zijn de conclusies: Schade aan individuen en populaties van strikt beschermde soorten op alle standplaatslocaties blijft achterwege. Er is geen sprake van schade aan de nestlocaties van soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Er is geen sprake van een blijvende verslechtering van de staat van instandhouding van de populaties van soorten in relatie tot de zorgplicht. De plaatsing en het gebruik van de standplaatsen op de locaties leidt niet tot strijdigheid met de Wet Natuurbescherming aangaande de soortenbescherming. Uit het onderzoek blijkt aldus dat er vanuit de gebieds- en soortenbescherming geen belemmeringen zijn voor het alsnog planologisch vastleggen van de bestaande standplaatsen. Stikstofdepositie Ook standplaatsen kunnen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaken. Als dat voor een standplaats het geval is, dan is er mogelijk ook een natuurvergunning van de provincie nodig. Dat is het geval als uit een stikstofberekening blijkt dat de betreffende standplaats stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied veroorzaakt en door die stikstofdepositie significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebied niet uitgesloten kunnen worden.
In die gevallen is een standplaats zonder een natuurvergunning van de provincie niet toegestaan, ook niet als er van de gemeente een standplaatsvergunning is ontvangen. Ook door andere factoren kunnen significante negatieve effecten ontstaan, bijvoorbeeld verkeers- of
15/141
publieksaanrekkende werking. Juist door de situering op knooppunten van waar mensen al bijeen komen en er niet of nauwelijks zelfstandige aantrekkende werking van de kramen uitgaat, is er geen sprake van een negatief effect. In het kader van de parapluherziening heeft een stikstofberekening plaatsgevonden. De stikstofberekening met bijbehorende memo is opgenomen als bijlage 3. Uit de resultaten van het stikstofonderzoek en de berekening blijkt dat er is sprake van een significant effect op hexagonen van Natura 2000-gebied de Duinen van Terschelling. Het gaat hier om hexagonen nabij het parkeerterrein Badweg West aan Zee en Badweg Hoorn. (Beide standplaatsen worden planologisch geregeld met de herziening 'beheersverordening Natuurgebieden'. ) De depositie en het significant effect kan verholpen worden door gasloze standplaatsen te realiseren.
16/141
Hoofdstuk 4
Juridische regeling
In artikel 1 is het begrip standplaats opgenomen die het bestaande begrip uit de geldende bestemmingsplannen vervangt en/of aanvult. De in de geldende bestemmingsplannen opgenomen begrippen vervallen met de inwerkingtreding van het voorliggende bestemmingsplan. Dit is vastgelegd in de toepassingsregels van artikel 2. In dat artikel is ook geregeld dat voor de gebieden waar nu een regeling geldt met betrekking tot standplaatsen, deze wordt vervangen door de nieuwe regeling die in artikel 5 is opgenomen. Dit betreft een (algemeen) gebruiksverbod waarin is geregeld dat het verboden is gronden voor een standplaats te gebruiken, met uitzondering van de gebieden die hiervoor zijn aangewezen. Hiertoe is op de verbeelding de aanduiding 'overige zone - standplaats' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding is het gebruik als standplaats toegestaan voor maximaal 1 standplaats. Een standplaats mag een oppervlakte hebben van maximaal 30 m², inclusief bijbehorend terras. Omdat een standplaats tevens een bouwwerk kan zijn (zie paragraaf 2.4) zijn er in artikel 4 bouwregels gesteld aan de hoogte van een bouwwerk en het aantal. De andere artikelen in dit parapluplan zijn opgenomen omdat dat op basis van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht is. In artikel 3 is de anti-dubbeltelregeling opgenomen.
Deze standaardbepaling is bedoeld om te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie mogelijk is gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruik gemaakt. De overgangsregels (artikel 6) zijn overgenomen van de wettelijk verplichte standaardregels uit het Bro. Tenslotte is er nog een slotregel (artikel 7) opgenomen. Samenvattend worden dus alleen de regels van de plannen genoemd in artikel 2 op een aantal punten herzien, maar blijven de andere regels van deze bestemmingsplannen van kracht. Het gaat om ondergeschikte aanpassingen, die dus geen gevolgen hebben voor de opbouw en de inhoud van die bestemmingsplannen. Omdat de regeling overkoepelend geldt voor een aantal bestemmingsplannen, wordt het een paraplubestemmingsplan genoemd.
17/141
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In artikel 3.1.1. Bro is bepaald dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg wordt gepleegd met de voor het onderwerp betrokken overheden of instanties. In het kader van het vooroverleg is voorliggende parapluherziening is de provincie Fryslân en het Wetterskip om een reactie gevraagd. Wanneer de vooroverlegreacties aanleiding geven tot aanpassing van het paraplubestemmingsplan is dit in het ontwerp-paraplubestemmingslan verwerkt. Het ontwerpbestemmingsplan is met ingang van 11 februari 2022 zes weken ter inzage gelegd voor het indienen van zienswijzen. Er zijn 2 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn samengevat en van een gemeentelijk standpunt voorzien, waarbij is nagegaan óf en hóe het plan bijgesteld moet worden. De 'Reactienota Zienswijzen paraplubestemmingsplan standplaatsen Terschelling' is opgenomen als bijlage 4 bij de toelichting. De zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen in het plan. De regels zijn nauwgezetter afgestemd op de inhoud van de verleende vergunningen en in de toelichting op beide plannen is het ecologisch onderzoek toegevoegd. Het paraplubestemmingsplan standplaatsen is op 13 juli 2022 gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad. Tegen het vaststellingsbesluit is beroep aangetekend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De gemeente komt voorafgaand aan de uitspraak deels tegemoet aan het beroep, omdat de in het plan opgenomen algemene maatvoeringseisen afwijken van de vergunde situatie voor twee standplaatsen op het Veerhaventerrein nabij de terminal. Voor beide standplaatsen is nu een specifieke regeling opgenomen die is afgestemd op de voor die locaties verleende standplaatsvergunningen. Deze specifieke regeling is persoonsgebonden. Het is namelijk de gemeentelijke wens om na het vertrek van de ondernemers die de standplaats exploiteren, deze standplaatsen alsnog in overeenstemming te brengen met het algemene beleid ten aanzien van de maatvoering voor de standplaatsen.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan te besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat bij ieder bestemmingsplan een exploitatieplan wordt vastgesteld, maar hierop zijn uitzonderingen. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, maar vult zes bestaande bestemmingsplannen aan op een specifiek onderwerp, de standplaatsen. Van kostenverhaal in de zin van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is daarom geen sprake. Dit betekent dat voor dit paraplubestemmingsplan geen afzonderlijk exploitatieplan hoeft worden vastgesteld.
18/141
Bijlagen toelichting
19/141
20/141
Bijlage 1
21/141
Beleidsnotitie standplaatsen 2006
Beleidsnotitie Standplaatsen
Sector Burger & Bestuur 28 november 2006
1
Inleiding Uit diverse ontwikkelingen op het standplaats- en ventgebied, die de afgelopen tijd de revue zijn gepasseerd, blijkt dat de huidige Beleidsnotitie Standplaatsen aanpassing behoeft. De Beleidsnotitie Venten is inmiddels al aangepast vastgesteld. Met het huidige standplaatsenbeleid krijgen wij steeds meer te maken met ongewenste ontwikkelingen en ook op vragen uit de markt kunnen wij niet inspelen. In deze notitie trachten wij de noodzaak aan te tonen voor aanpassing van het beleid en geven wij aanzetten voor nieuw beleid De Beleidsnotitie Standplaatsen is (samen met de Beleidsnotitie Venten) een regelinstrument om verstoring van de openbare orde en/of ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen te voorkomen op het gebied van de ambulante handel. In de meest ideale situatie zou iedereen die dat wil een standplaats moeten kunnen innemen. Echter het feit dat ruwweg 80% van Terschelling natuurgebied is, er waardevolle dorpsgezichten zijn, de verkeersdoorstroming niet overal een standplaats toestaat, dwingt ons tot het instellen van een vergunningstelsel waarmee we bovengenoemde waarden kunnen beschermen. Geschiedenis Over het gemeentelijk standplaatsvergunningenbeleid is in het verleden het nodige te doen geweest. In veel gemeenten werden de APV-bepalingen over standplaatsen gebruikt ter bescherming van de plaatselijke middenstand.
De Kroon bepaalde echter dat gemeentelijke belangen niet in het leven geroepen mogen worden om uitsluitend de belangen van een bepaalde groep ingezetenen te behartigen. De problematiek rondom het vent- en standplaatsvergunningenbeleid heeft grote vormen aangenomen bij de intrede van de AROB-rechtspraak in 1976. Bepalingen moesten in het juiste hoofdstuk van de APV worden ondergebracht. Dat is ook gebeurd. Nu staat het onderdeel standplaatsen onder hoofdstuk 5, artikel 5.2.3, "andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente", waardoor ook aan welstand kan worden getoetst. Op grond van dit artikel is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats: a) met een voertuig, een kraam, een tent, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden; b) anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek; Een standplaatsvergunning kan worden geweigerd: a) in het belang van de openbare orde; b) in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c) indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
redelijke eisen van welstand; d) in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; e) wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; f) vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan. Het gemeentebestuur kan beleid vaststellen voor de uitgifte van standplaatsvergunningen aan de hand van de hierboven genoemde gronden. Op 13 mei 1985 is de eerste Beleidsnotitie inzake uitgifte ventvergunningen en standplaatsvergunningen vastgesteld door de raad. Omdat in de loop der jaren de druk op standplaatsen steeds meer opliep, is het deel standplaatsen uit de beleidsnotitie van 1985 gehaald en als een aparte beleidsnotitie opgezet. Op 29 april 1997 en 6 november 2001 heeft het college in de Beleidsnotitie
2
Standplaatsen aanpassingen vastgesteld. Voor het onderdeel venten bleef de notitie uit 1985 het kader. Op 3 augustus 2004 is een geheel herziene Beleidsnotitie Venten vastgesteld. Normaliter is de looptijd van een notitie 5 jaar. In november 2009 zou een "opfrisbeurt" van de Beleidsnotitie Standplaatsen kunnen plaatsvinden. Redenen tot wijziging beleid Recente ontwikkelingen en vragen van zowel standplaatshouders als venters geven aanleiding de beleidsnotitie nu al te herzien, ondanks dat de "geldigheidsduur" van de huidige notitie loopt tot november 2009. Allereerst valt op dat het aantal aanvragen om een vent- en/of standplaatsvergunning de afgelopen twee jaar fors is toegenomen. Duidelijk is dat veel aanvragers zich genoodzaakt zien om economische redenen iets te doen naast hun hoofdwerkzaamheden. Een voordeel is dat standplaatsen bijdragen aan de diversiteit van mogelijkheden tot consumptie van veelal geringe etenswaren, zoals snacks, vis, ijs enz. Omdat in tegenstelling tot het standplaatsenbeleid het ventbeleid getalsmatig minder rigide is, hebben veel aanvragers een ventvergunning aangevraagd. Diverse venters zeggen na een seizoen gedraaid te hebben, dat venten veel minder aantrekkelijk is dan het innemen van een standplaats. Dit vanwege het feit dat het gemakkelijker is om op een goede plek te blijven wachten op klanten dan op zoek te gaan naar nieuwe klanten.
Ook speelt soms de grootte van de ventwagen mee. Verkeerstechnisch veroorzaken die problemen. Dat is op zich niet voldoende reden om de standplaatsnotitie aan te passen. Echter, het steeds weer ongeoorloofd standplaats innemen door diverse venters noodzaakt om te handhaven. Voor handhaving van de APV zijn wij echter grotendeels aangewezen op de politie. Binnen de gemeentelijke organisatie is amper ruimte voor handhaving van de APV. Door meer standplaatsen in het beleid op te nemen, zal hopelijk minder hoeven te worden gehandhaafd bij venters die ongeoorloofd standplaats innemen. Daarnaast zijn er vragen van de bestaande standplaatshouders, die meer mogelijkheden zouden willen hebben. Een tweede argument is dat deze uitbreiding een kwalitatieve en kwantitatieve verbetering kan zijn van het voorzieningenniveau, zowel voor de eigen inwoners als voor onze gasten. Er wordt bijvoorbeeld gesteld dat op het oostelijk deel van het eiland behoefte is aan bepaalde voorzieningen zoals een visverkooppunt. Bovenstaande moet uiteraard worden bezien in een wat groter kader. Bij recente beleidswijzigingen of voornemens tot beleidswijzigingen op dit gebied (stille horeca, "koffie met gebak" bij musea e.d.) is het duidelijk geworden dat de "zittende" horeca niet zit te wachten op uitbreiding van het aantal plekken waar iets genuttigd mag worden.
Bij een teruglopend bestedingspatroon en een teruglopend aantal bezoekers mag verwacht worden dat er vanuit de ondernemerswereld terughoudend wordt gereageerd op de mogelijke uitbreiding van de standplaatsen. Ook moet worden gekeken of uitbreiding van het aantal standplaatsen past in een toeristische visie, bijvoorbeeld of er langs onze toeristische routes voldoende voorzieningen zijn of dat er "witte plekken" op de kaart zijn. Tenslotte nog, kun je stellen dat de uitbreiding van het aantal standplaatsen in lijn is met wat de gemeenteraad heeft vastgesteld in het raadsprogramma 2002-2006. De verbetering van de relatie Burger - Gemeente kan volgens de raad ook gestalte krijgen door: "de gemeentelijke activiteiten (beleid) beter af te stemmen op de activiteiten van de burgers". Nu het fietspadennet sinds een paar jaar is uitgebreid met het fietspad aan de buitenkant van de dijk, zie je dat aan het begin - en eindpunt van de dijk in Oosterend en West-Terschelling verzamelpunten ontstaan. Dat zijn op zich goede plekken om mensen wat te bieden. Kortom het is goed na te denken of het nodig is om onze toeristen wat meer te bieden dan nu het geval is.
3
Bestaande situatie Op Terschelling wordt momenteel op de volgende locaties standplaats ingenomen: 1. Havenplein te West-Terschelling, mobiele snackkiosk van de heer J.H. Lettinga 2. Havenplein te West-Terschelling, mobiele viskiosk van de heer A. Lettinga en mevrouw G. Lettinga-Hogenesch 3. parkeerterrein Duinweg te West-Terschelling, snackwagen van de heren A. en J. van Dijk (winterperiode) 4. bij het pand Oosterburen 2 (C1000) te Midsland, visverkoopwagen van de heer N.J.H. Heetkamp 5. op het parkeerterrein aan de Badweg te Hoorn, snackwagen van de heren A. en J. van Dijk (zomerperiode) 6. op het parkeerterrein te Midsland aan Zee, tractie (ijscokar) van de heer M. Swart 7. op de driesprong van de Badweg West en de Longway, tractie (ijscokar) van de heer M. Swart) 8. op het kruispunt van de Badweg West en het fietspad West-Terschelling-Midsland, tractie (ijscokar) van de heer M. Swart 9. op de strandovergang te West aan Zee, kiosk van de heer A. v.d. Hoek 10. op de strandovergang te Midsland aan Zee, kiosk van de heer G. van Dieren en mevrouw I. van Dieren-Bouwmeester 11. Brandarisplein, visverkoopwagen van de heer A. v.d. Meulen (vervallen) 1. mobiele snackkiosk Havenplein te West-Terschelling (J.H. Lettinga).
In relatie tot de zorg voor het uiterlijk aanzien, geldt voor standplaatsen die gedurende een bepaalde periode permanent worden ingenomen, als beleidsregel dat deze standplaatsen maximaal 9 maanden per jaar mogen worden ingenomen. Op grond van deze beleidsregel mag met de snackkiosk op het Havenplein, standplaats worden ingenomen van 1 maart tot en met 30 november, waarbij geen beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de openingsuren. Uit het oogpunt van een gelijkberechtiging met andere standplaatshouders is het raadzaam om één sluitingsregiem vast te stellen. Daarbij is het raadzaam om juist in de nachtelijke uren de standplaatsen gesloten te hebben. Immers de publieksaantrekkende werking in de nachtelijke uren kan ernstige overlast tot gevolg hebben. In de notitie van 1991 is al vastgelegd dat het uiterlijk aanzien niet is gediend met een verdere uitbreiding van de periode waarin de standplaats mag worden ingenomen. Vooral in de stille winterperiode valt een dergelijke snackkiosk op het Havenplein erg op. 2. mobiele viskiosk Havenplein te West-Terschelling (A. Lettinga/G. LettingaHogenesch). Deze standplaats is wat betreft openingsuren en wat betreft grootte van het verkoopmiddel steeds verder uitgebreid. De mobiele viskiosk mag evenals de snackkiosk van de heer J.H.
Lettinga van 1 maart tot en met 30 november standplaats innemen op het Havenplein, echter verkoop mag slechts plaatsvinden tussen 11.00 - 19.00 uur. Na beëindiging van de verkoop dient de kiosk van het Havenplein te worden verwijderd. Dit is dus een afwijkende bepaling ten opzichte van de voorschriften van de heer J.H. Lettinga. Er ligt al enige tijd een verzoek van de heer en mevrouw Lettinga voor een permanente standplaats voor hun (nieuwe) kiosk in de periode 1 maart - 30 november. Als gevolg van de verscherpte ARBO-eisen hebben zij een grotere viskiosk aangeschaft. Het dagelijks verrijden van deze kiosk geeft veel problemen gezien de verkeersdrukte, moeilijke toegang tot de Pirolastraat (waar hun huis staat en waar zij stroom afnemen voor de wagen) en het gebrek aan parkeerruimte in deze straat. Beoordeeld is of de aanvraag tot verruiming zich verdraagt met de weigeringsgronden in APV-artikel 5.2.3. Door de viskiosk te laten staan in de aangevraagde periode, wordt naar onze mening niet of nauwelijks méér afbreuk gedaan aan het uiterlijk aanzien ter plaatse. De wagen staat immers al een groot deel van de dag op het Havenplein, al of niet open voor verkoop. De viskiosk staat naast de snackkiosk van de heer J.H. Lettinga. Naar onze mening
4
kan niet worden gesteld dat gelijkschakeling van de voorschriften met betrekking tot de uren waarop de wagen mag blijven staan een nadelige invloed zal hebben op de openbare orde voor de nabije omgeving en gebouwen. Het is niet te verwachten dat overlast zal ontstaan voor de omgeving en voor het overige publiek dat op het Havenplein aanwezig is. De viskiosk levert ook geen gevaar op voor de verkeersveiligheid en -vrijheid. De kiosk staat immers op het gedeelte van het Havenplein dat is ingericht en bestemd voor voetgangers. Ter plaatse is voldoende ruimte om de wagen aan de voor- en achterzijde te passeren. De viskiosk vormt dan ook geen belemmering voor de doorstroming van voetgangers. Met betrekking tot het uiterlijk aanzien van de omgeving zal de permanente aanwezigheid van de tweede kiosk nauwelijks méér negatieve invloed hebben. Alles overziend lijkt het ons redelijk om de voorschriften voor beide kiosken gelijk te trekken. Buiten het feit dat het een gelijke behandeling betreft in een gelijke situatie, is het dagelijks rijden met de grote kiosk verkeerstechnisch gezien niet wenselijk, vooral niet in de drukke zomermaanden. Verderop in deze notitie gaan wij verder in op de tenaamstelling van standplaatsvergunning op de naam van de heer en mevr. Lettinga. De vergunde periode is altijd van 1 maart tot 1 december geweest vanwege het uiterlijk aanzien van het Havenplein.
Wij pleiten er voor om ook de maand november geen standplaats toe te staan in verband met het uiterlijk aanzien. Bij het gelijktrekken van beide vergunningen hoort ook het vastleggen van de afmetingen. De afmetingen van het verkoopmiddel van de snackwagen is wel vastgelegd in de vergunning in tegenstelling tot de afmetingen van het verkoopmiddel van de heer en mevr. Lettinga. Hiermee kan worden voorkomen dat er een ongebreidelde uitbreiding qua grootte van de verkoopmiddelen ontstaat. Er blijken problemen te zijn tussen beide uitbaters wat betreft het assortiment eetwaren. Dit heeft geresulteerd in een bijna gelijk eetwaren assortiment bij beide standplaatshouders. Voorheen was er een scheiding tussen snacks, frituur e.d. en vis. Dat is echter een kwestie van concurrentie waar de gemeente zich niet mee bemoeit. De voorschriften voor deze beide standplaatsen worden gelijkgetrokken. Voor alle standplaatsen geldt dat de afmetingen van de standplaats vastgelegd worden in de vergunning.
nieuwe ontwikkelingen Havenplein Er was destijds behoefte van de beide ondernemers op het Havenplein om de verkoop te verbreden over het hele jaar. Een eerste plan betrof een verkoopruimte in de veerbootterminal voor beide ondernemers. Door deze integratie zou het uiterlijk aanzien van het Havenplein worden verbeterd. Ook zou dan de verkoop het hele jaar door kunnen gaan. Het is echter gebleken dat Rederij Doeksen totnogtoe niet wenst mee te werken aan inbouw van een dubbele kiosk in de terminal. Ook is de laatste jaren het terminalgebouw diverse keren onder water gelopen bij extreem hoog water. Dat maakt het voor een ondernemer minder aantrekkelijk om te investeren. Een tweede optie was een gezamenlijk bouwplan van beide ondernemers voor een permanent gebouw op de plaats waar nu de beide kiosken staan. Dit plan is in een later stadium gestrand op onenigheid. Gelet op de toekomstige ontwikkeling van het Havenplein is er wellicht de mogelijkheid om Rederij Doeksen nogmaals te benaderen over een geïntegreerde verkoopkiosk in de terminal. Hiervoor is natuurlijk ook noodzakelijk dat de problemen door hoog water voorkomen worden. Apart aandacht behoeft de fietsenverhuur op het Havenplein. Twee fietsenverhuurders hebben een standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd om vooraf bestelde fietsen af te geven op een bepaald gedeelte van het Havenplein.
Op dat moment nemen zij standplaats in. Rechtszaken rondom andere fietsenverhuurders op dit plein leren dat de gemeente in ieder geval in haar recht staat als het gaat om de vergunningplichtigheid van de activiteiten. Afhankelijk van de mogelijke andere indeling van het Havenplein zal moeten worden bezien hoe de fietsenverhuur hier gestalte kan krijgen.
5
In de huidige Beleidsnotitie Standplaatsen staat het algemene uitgangspunt dat het aantal standplaatsen op de haven in het belang van het uiterlijk aanzien van de omgeving niet wordt uitgebreid ten opzichte van de huidige twee, alsook dat een verdere verruiming van de mogelijkheden om ambulante handel uit te oefenen op het Havenplein, niet zal worden toegestaan. Deze standpunten worden gehandhaafd met uitzondering van de tijdelijke standplaats van de Oerolorganisatie tijdens het Oerolfestival. In overleg met Rederij Doeksen en de standplaatshouders zal opnieuw worden bezien of integratie in de veerhaventerminal in de toekomst mogelijk is. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met extreem hoog water. Eventuele plannen op dit gebied zullen positief worden benaderd, zodat de beide standplaatsen op het Havenplein kunnen verdwijnen. Het uiterlijk aanzien van het Havenplein zal hierdoor een positieve impuls krijgen. Wellicht kan dit worden meegenomen bij de herinrichting van het Havenplein tengevolge van de komst van de nieuwe "Koegelwieck" of bij andere toekomstige havenplannen. Het aantal standplaatsen op het veerhaventerrein wordt niet verder uitgebreid. In overleg met rederij Doeksen zal worden bekeken of integratie in de veerhaventerminal in de toekomst mogelijk is. De huidige standplaatsen zullen dan verdwijnen.
Bij herinrichting van het veerhaventerrein wordt ook de uitgifte van fietsen meegenomen. 3. Snackwagen op het parkeerterrein Duinweg te West-Terschelling. (de heren A. en J. van Dijk) Op het parkeerterrein aan de Duinweg te West-Terschelling mag in de periode van 1 november tot 1 april standplaats worden ingenomen van 16.00 tot 20.00 uur met een snackwagen op de locatie die door het college is aangewezen en door middel van palen met een ketting is gemarkeerd. Zie voor de ten naamstelling van de vergunning verder in deze notitie. De huidige standplaatshouders hebben in december 2005 te kennen gegeven dat zij met ingang van de winter 2005/2006 geen gebruik meer willen maken van deze standplaats. Er is echter geen reden deze standplaats op te heffen. Op het parkeerterrein is 's winters nog voldoende ruimte in de vergunde tijdsperiode voor het overige parkeren. Een snackwagen is een goede aanvulling van het voorzieningenpakket. De standplaats kan opnieuw worden uitgegeven. Vrijgekomen standplaatsen waarvoor nog geen gegadigden zijn, worden middels publicatie opnieuw aangeboden. Bij meerdere gegadigden zal uitgifte plaatsvinden middels loting.
4. Visverkoopwagen in het centrum van Midsland. (de heer N. Heetkamp) In de beleidsnotitie standplaatsen van 1997 is ten aanzien van deze standplaats vastgelegd dat de standplaats bij de Nederlands Hervormde kerk te Midsland het gehele jaar mag worden ingenomen van 10.00 tot 18.00 uur. Bij de herinrichting van de Oosterburen is een standplaats gecreëerd die de karakteristieke waarde van de straat zo min mogelijk aantast. Deze standplaats is gelokaliseerd naast het pand Oosterburen 2. De visverkoopwagen staat hierdoor niet meer prominent in het straatbeeld, waardoor de wagen minder inbreuk maakt op het uiterlijk aanzien van de directe omgeving. De gewijzigde locatie heeft ook gunstige gevolgen voor de verkeersvrijheid en -veiligheid. Het innemen van standplaats op deze locatie heeft verder geen nadelige invloed op de openbare orde in de omgeving en veroorzaakt dus niet of nauwelijks overlast in de zin van APV-artikel 5.2.3. Om te voorkomen dat gestalde fietsen de toegang naar de deur van het pand Oosterburen 2 belemmeren, moet de vergunninghouder een voorziening treffen om deze deur vrij te houden. In vergunningvoorschrift 7 van de heer Heetkamp staat: "de vergunninghouder is te allen tijde verantwoordelijk voor de goede gang van zaken op en bij het verkooppunt.
Dit betekent onder andere dat hij de toegang naar de deur van het pand Oosterburen 2 te allen tijde dient vrij te houden". Uit deze tekst zou 6
kunnen worden opgemaakt dat de heer Heetkamp alleen zijn visverkoopwagen zo moet plaatsen dat de deur vrij blijft. De bedoeling is dat het ook onmogelijk wordt gemaakt dat men fietsen bij of tegen de deur plaatst waardoor de toegang onmogelijk wordt. Als uitgangspunt blijft gelden dat één standplaats in de kern van Midsland zoals deze momenteel is gesitueerd, mogelijk is. het voorschrift over het vrijhouden van de toegangsdeur wordt veranderd waardoor de strekking duidelijker wordt. Het voorschrift wordt nu: voorschrift 7: de vergunninghouder is altijd verantwoordelijk voor de goede gang van zaken op en bij het verkooppunt. voorschrift 8: De vergunninghouder dient voorzieningen te treffen waardoor de doorgang van en naar de deur van het pand Oosterburen 2 wordt vrijgehouden tijdens het innemen van de standplaats. Als geen standplaats wordt ingenomen gedurende een deel van het jaar is hiermee de weg geblokkeerd voor andere ondernemers. Dat is niet de bedoeling. Momenteel (leges 2007) loopt de leges als volgt: Maximaal 1 week € 11,15 Maximaal 1 maand € 34,05 Maximaal 1 kwartaal € 67,05 1 jaar € 134,00 Voor meer dan een kwartaal is de jaarvergunning financieel het gunstigst. Dit houdt in dat iemand die maar ¾ jaar of minder standplaats inneemt, toch een jaarvergunning aanvraagt. Hiermee is de weg afgesloten voor anderen die het gat willen opvullen.
Het voorzieningenniveau zou er mee gebaat zijn als de legesopbouw uitnodigt tot een maatvergunning. De heer H. Starrenburg is uitbater van de viswinkel in de Trompstraat. Hij wordt regelmatig gevraagd of om Oost geen uitbreiding mogelijk is van de visverkoop. In de periode dat de heer Heetkamp geen standplaats inneemt, moeten klanten voor vis naar West. Volgens de heer Starrenburg wordt tot uiterlijk oktober standplaats ingenomen door de heer Heetkamp. De heer Starrenburg wil in de maanden dat geen standplaats wordt ingenomen op deze plaats staan. Het zou in ieder geval een goede uitbreiding van de voorzieningen kunnen zijn. In zijn algemeenheid geldt dat een standplaats moet worden ingenomen. Het niet innemen van een standplaats kan leiden tot intrekken van de vergunning of het niet verlenen voor het volgende jaar . Het voorzieningenniveau is maatgevend. Een vergunninghouder kan vergunning aanvragen voor delen van het jaar. De leges zullen hierop worden aangepast. 5. Snackwagen op het parkeerterrein aan de Badweg te Hoorn (de heren A. en J. van Dijk) Deze standplaats mag worden ingenomen van 12.00 tot 20.30 uur in de periode van 1 april tot 1 november door de heren A. en J. van Dijk. Staatsbosbeheer is eigenaar van het parkeerterrein. Op grond van de gebruiksovereenkomst, die Staatsbosbeheer heeft gesloten met de heren A. en J.
van Dijk, mogen zij de standplaats innemen van 1 april tot 1 november. Hun vergunning sluit aan bij deze periode. Dit beleidsstandpunt blijft vooreerst ongewijzigd. Eventuele wijzigingen dienen eerst met Staatsbosbeheer te worden besproken. 6/7/8. IJsverkoopwagens M. Swart
7
De heer M. Swart heeft drie ijscokarren (tracties genaamd in de vergunning). Twee karren worden door een paard getrokken en één is een motorbakfiets. In feite is de motorbakfiets geen tractie (getrokken voertuig). De paardentracties rijden voornamelijk op het strand. Een vierde wagen betrof een handkar. Hier is de laatste jaren geen vergunning voor aangevraagd. Deze vergunning is dus ambtshalve vervallen. In de beleidsnotitie 1991 wordt overigens nog wel het aantal van vier tracties genoemd. De heer Swart vent naast ijs met frisdrank en snoepgoed. Hij heeft tevens vergunning om standplaats in te nemen op: 1. het parkeerterrein te Midsland aan Zee 2. op de driesprong van de Badweg West en de Longway 3. op het kruispunt van de Badweg West en het fietspad Midsland-West-Terschelling Deze standplaatsen mogen de gehele dag worden ingenomen, maar in de praktijk gebeurt dit niet. De standplaatsen worden ook niet structureel ingenomen, alleen indien de (weers-) omstandigheden daartoe aanleiding geven. De heer Swart neemt een bijzondere positie in bij de standplaatsvergunninghouders, want hij heeft drie standplaatsvergunningen op één naam en neemt in ieder geval bij twee locaties niet persoonlijk standplaats in. Een moeilijk punt blijft dat van de schaarse standplaatslocaties een aantal korttijdelijk wordt ingenomen. Andere ondernemers zouden hier ook wel willen staan.
Voor zover is na te gaan, wordt de locatie kruispunt van de Badweg West en het fietspad Midsland-WestTerschelling zelden ingenomen. Hierover dient een gesprek aangegaan te worden met de heer Swart. Het moet niet zo zijn dat de standplaatsvergunning wordt benut om concurrentie uit te sluiten.
Ambtshalve wordt de benaming voor de verkoopmiddelen van de heer Swart veranderd in: "twee paardentracties en een motorbakfiets ten behoeve van de verkoop van ijs, frisdrank en snoepgoed" 9. Kiosk strandovergang te West aan Zee Algemeen: De kiosken op de strandovergangen van West aan Zee en Midsland aan Zee zijn nooit benoemd in het standplaatsenbeleid omdat ze worden gerekend tot verlengstukken van de strandpaviljoens. De strandpaviljoens zelf vallen ook buiten de Beleidsnotitie Standplaatsen, want dit is geregeld in de Beleidsnotitie Strandpaviljoens. De aparte kiosken zijn opgenomen in de vergunning van de strandpaviljoens en worden dus niet apart vergund. Deze kiosken horen eigenlijk wel thuis in de Beleidsnotitie Standplaatsen. De kiosk te West aan Zee wordt al een aantal jaren niet meer geplaatst. De eigenaar heeft aangegeven de plaats wel te willen handhaven in verband met een eventuele opvolger. Hij geeft aan dat hij hiervoor ook elk jaar betaalt. Zelf zal hij geen kiosk meer neerzetten. 10. Kiosk strandovergang te Midsland aan Zee De kiosk te Midsland aan Zee staat alle jaren op het hoogste punt van de strandovergang.
De standplaatsen voor de kiosken bij de strandpaviljoens vallen onder deze standplaatsennotitie en deze zullen apart worden vergund. Het beleid is dat een standplaats moet worden ingenomen, anders wordt de vergunning ingetrokken. Dit geldt dus ook voor deze standplaatsen. De heer Hoek moet hierop worden gewezen.
8
11. Visverkoopwagen Brandarisplein te West-Terschelling In de beleidsnotitie van 6 november 2001 staat dat deze standplaats niet opnieuw zal worden uitgegeven op het moment dat de vergunninghouder zijn activiteiten beëindigt. De heer Van der Meulen heeft gedurende de laatste jaren geen standplaats meer ingenomen zonder opgaaf van redenen. Hij heeft ook geen vergunning meer aangevraagd. Omdat in deze jaren geen verzoek meer is geweest voor een vergunning, is deze vergunning ambtshalve vervallen. conclusie: Deze permanente standplaats is opgeheven.
Werkwijze met betrekking tot de vergunningverlening. Hieronder zullen wij puntsgewijs een aantal aanbevelingen doen met betrekking tot de vergunningverlening. Hoe duidelijker de grenzen liggen, hoe minder werk er is om ad-hoc aanvragen te beoordelen. Jaarlijks aanvragen Het college gebruikt als vaste beleidsregel dat standplaats- en ventvergunningen jaarlijks moeten worden aangevraagd. De argumenten waarop deze beleidsregel is gebaseerd, zijn nog steeds van toepassing. Vergunningverlening voor langere tijd geeft natuurlijk enige vermindering van werkzaamheden, zowel voor de aanvrager als voor de gemeentelijke medewerkers. Daar staat echter tegenover dat de situatie onoverzichtelijker wordt. In het huidige systeem is duidelijk welke ondernemer in het betreffende jaar in aanmerking wenst te komen voor een vergunning en daar normaal gesproken ook gebruik van zal maken. Bij meerjarige vergunningen is dit niet het geval. Gebleken is dat vergunninghouders die geen gebruik meer wensen te maken van hun vergunning, dit niet altijd melden bij de gemeente. Een ander die gebruik van de locatie zou willen maken, heeft dan -in ieder geval gedurende een bepaalde periode- geen kans. Als laatste punt wijzen wij op het feit dat elke standplaatslocatie in de toekomst in theorie een wijziging kan ondergaan (b.v. door bouwplannen).
Vergunningen vervallen elk jaar waarbij natuurlijk wel rekening moet worden gehouden met opgebouwde rechten. Wij zijn dan ook van mening dat het niet wenselijk is het huidige systeem dat uitgaat van het jaarlijks aanvragen van vergunningen, te wijzigen. De vergunning wordt in principe verleend aan degene die het voorgaande jaar de standplaats innam. Indien een vergunninghouder er mee stopt, dan kan de vergunning niet worden overgedragen aan iemand die is aangewezen door de vergunninghouder. De stoppende vergunninghouder kan wellicht een regeling treffen (zo dat is gewenst) met de nieuwe aanvrager voor eventuele overname van het verkoopmiddel. De nieuwe aanvrager is vrij om daar op in te gaan of niet. Hiermee wordt voorkomen dat vergunningen worden doorgeschoven naar familie of bekenden en voor een lange reeks van jaren anderen geen kans krijgen een standplaats in te nemen. De datum waarvoor nieuwe aanvragen moeten worden ingediend komt verder in deze notitie aan bod.
Vergunningen worden per jaar verleend. . De vergunning wordt in principe verleend aan degene die het voorgaande jaar de standplaats innam, indien de vergunninghouder ermee stopt, kan de vergunning niet worden doorverkocht. Deze is immers persoonsgebonden.. Bij eventueel verlies van een vaste standplaats door een wijziging van de standplaatslocatie zal de gemeente medewerking verlenen voor het zoeken naar een alternatieve standplaats. Er wordt geen recht opgebouwd voor een specifieke locatie. Een vergunning is niet overdraagbaar. De uitgifte van de nieuwe standplaatsen en het opnieuw uitgeven van bestaande standplaatsen waarvoor zich nog geen gegadigde heeft gemeld,, worden gepubliceerd. Uitgifte vindt plaats aan de hand van schriftelijke aanvragen. Er wordt geen wachtlijst opgesteld indien het aantal aanvragen de beschikbare 9
locaties overtreft.. Voor de inschrijving voor een nieuwe of vrijgekomen standplaats wordt een termijn gegeven. Bij meer belangstellenden voor een standplaats, beslist loting.
Oude beleid met betrekking tot de overdracht van vergunningen. In de beleidsnotitie van 2001 zijn een aantal regels ontwikkeld voor overdracht van de vergunning. Deze regels zijn: De vergunninghouder dient het voornemen om zijn standplaats over te willen dragen tijdig kenbaar te maken aan de gemeente. De gemeente maakt het vrijkomen van de standplaats bekend in de lokale krant. Gegadigden moeten zich binnen 2 weken na de bekendmaking schriftelijk melden. Gegadigden die overeenstemming hebben met degene die de opstallen, goodwill, etc. wil overdragen en akkoord gaat met de condities die de gemeente ter zake stelt, hebben voorkeur in de toewijzing. Deze regels zijn tot op heden nog niet toegepast op een feitelijke overdracht van "gewone" standplaatsen. Wel is deze regeling toegepast bij de overdracht van de standplaatsvergunningen voor strandpaviljoens. Dit is niet geheel correct. Op pagina 13 van de huidige Beleidsnotitie Standplaatsen wordt uitdrukkelijk gesteld dat het beleid niet is bedoeld voor de standplaatsen van de strandpaviljoens, daar dit is vastgelegd in de Beleidsnotitie Strandpaviljoens. Maar het feit dat het is gebeurd, heeft ons wel de praktijk van dergelijke regels geleerd. Deze regeling is in het leven geroepen onder andere om te voorkomen dat er handel zou worden gedreven in standplaatsvergunningen.
Het feit dat de vergunning persoonsgebonden is, voorkomt deze mogelijkheid. Daarnaast werd gesteld dat het ook in het voordeel van de vertrekkende vergunninghouder was, omdat hij had geïnvesteerd, maar ook in het belang van derden, dat het vrijkomen van de standplaats algemeen kenbaar werd gemaakt. In de praktijk van de overdracht van strandpaviljoens is geen meerwaarde gebleken uit deze regeling voor overdracht. Nieuw beleid. Gezien het feit dat deze regeling al niet bedoeld was voor de overdracht van strandpaviljoens en er geen meerwaarde uit is gebleken, zal deze regeling komen te vervallen, zowel voor strandpaviljoens als voor gewone standplaatsen. Om de standplaatshouder gelegenheid te geven zijn verkoopwagen door te verkopen, zal de standplaats in eerste instantie worden aangeboden aan de aanvrager die het recht heeft of het recht verwerft op de opstal. Dat kan dus de ( potientiële) koper zijn, of bijvoorbeeld bij overlijden de partner van de vergunninghouders. Om in het bezit te komen van een vergunning moet de aanvrager uiteraard wel aan de overige criteria, gesteld in deze notitie voldoen. Mocht de verkoopwagen niet worden doorverkocht, maar de standplaats wel vrijkomen, omdat de standplaatshouder er mee stopt, zal de standplaats via een advertentie in de Terschellinger worden aangeboden.