9.a.a. addendum raadscie verordening
Tekst van het document
Addendum Raadsvoorstel Onderwerp: Jaar/nummer: In behandeling bij:
Verordening op de heffing en invordering van riool- en waterzorgheffing 2026/178 Wethouder Wassink
Toevoeging na bespreking in de raadscommissie Het onderwerp is behandeld in de raadscommissie van 15 oktober. Hierin is een discussie gevoerd en zijn een aantal vragen gesteld. De discussie en vragen hebben betrekking op de volgende onderwerpen: 1. Gebruik van de heffing riool- en waterzorgheffing 2. De objectafbakening van een perceel 3. Inzet van de objectafbakening in de Wet WOZ 4. Maatwerk en uitzonderingen op deze objectafbakening 5. Belastingplicht bij een schuur op stuk land zonder rioolaansluiting In dit addendum komen wij hier schriftelijk op terug. 1. Als gemeente leggen we eigenaren en gebruikers een rioolheffing op om die manier de kosten die samenhangen met het afvoeren van afvalwater, hemelwater en grondwater op ons eiland te kunnen financieren. Als gemeente hoeven we en mogen we daaraan niets verdienen. Maar de uitgaven zijn er (zie: Water- en rioleringsplan) en als de financiering niet (volledig) via de rioolheffing tot stand kan komen, zal een andere belasting verhoogd moeten worden (OZB, Toeristenbelasting). Je zou kunnen zeggen, dat de rioolheffing gebaseerd is op het principe ‘de vervuiler betaalt’. De raad heeft nadrukkelijk uitgesproken, dat het uitgangspunt daarbij 100% kostendekkend is.
De waterschapslasten die het Wetterskip Fryslan in rekening brengt hebben betrekking op waterzuivering (zuiveringsheffing of verontreinigingsheffing van afvalwater zodat dit weer schoon en veilig geloosd kan worden op het oppervlaktewater) en op de waterhuishouding (watersysteemheffing, ter voorkoming van wateroverlast). In de commissievergadering is de vraag aan de orde geweest of we niet over kunnen schakelen op een geheel nieuw systeem door in de toekomst te werken met een opslag op het OZB-tarief en de rioolheffing af te schaffen. Als de raad die wens heeft zouden we dat voorafgaande aan het belastingjaar 2027 kunnen (laten) onderzoeken. De voorliggende verordening is gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Daarmee zijn wij van mening dat we een verordening hebben die juridisch goed in elkaar zit. Het is een risico daar naar eigen inzicht van af te wijken. 2. In de commissievergadering is verder gevraagd naar de objectafbakening van een perceel.
2
Vanuit de VNG wordt geadviseerd om bij de heffing van gemeentelijke belastingen, welke is gebaseerd op een object, de objectafbakening zoveel mogelijk te harmoniseren. Dit maakt het voor de belastingplichtigen duidelijker als het belastingobject voor zowel de onroerende zaakbelasting, de afvalstoffenheffing als ook de rioolbelasting hetzelfde is. 3&4 De VNG adviseert om bij die harmonisatie zoveel mogelijk aan te sluiten bij de objectafbakening uit de Wet WOZ en de onroerende zaakbelasting omdat deze in de wetgeving is vastgelegd. Het is een objectieve en eensluidende opsomming, die middels jurisprudentie verder is gespecificeerd en inmiddels een bekend, duidelijk en eenvoudig uitlegbaar middel is. Door aan te sluiten bij deze objectafbakening zijn maatwerk of individuele uitzonderingen niet mogelijk. De heffingsgrondslag dient voor iedere belastingplichtige op gelijke wijze tot stand te komen; uitzonderingen en maatwerk gaan in tegen de rechtszekerheid en het gelijkheidsbeginsel. Deze voorgestelde objectafbakening zoekt naar de “kleinst mogelijke zelfstandige eenheid” en daarbij gaan we meestal via een stappenplan te werk, waarbij: allereerst wordt bepaald of er sprake is van een gebouwd of van een ongebouwd eigendom. Bij een gebouwd eigendom wordt vervolgens bepaald of het gebouw in zelfstandige gedeelten is op te splitsen.
Een zelfstandig gedeelte is een deel dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Tenslotte worden de zelfstandige gedeelten samengevoegd tot een samenstel als die dezelfde eigenaar hebben en bij dezelfde gebruiker in gebruik zijn en naar omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen. Het wettelijk kader voor de rioolheffing is artikel 228a van de Gemeentewet. Er is in dit artikel niet bepaald hoe een object moet worden afgebakend en wat het voorwerp van de belasting is. Daarom is gezocht naar een omschrijving van het voorwerp van de belasting dat de “lading dekt”. Er is voor gekozen dit te omschrijven als “perceel” omdat dit de breedste omschrijving is van alle voorwerpen die belastingplichtig kunnen zijn voor de rioolheffing. In de Verordening wordt in artikel 3 een nadere omschrijving gegeven op dat wat als een perceel voor deze heffing wordt aangemerkt. Hierbij wordt verwezen naar de omschrijving zoals die is opgenomen in de Wet WOZ. De harmonisatie van de objectafbakening wordt in de praktijk ook al gebruikt voor de afvalstoffenheffing. Daar wordt immers per huishouden een heffing afvalstoffen opgelegd, waarbij geldt dat een huishouden blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt.
Daarbij geldt dat een woning met 4 inpandige recreatieappartementen dus voor 5 x afvalstoffenheffing wordt aangeslagen. In het voorstel rioolheffing wordt de heffing van de gebruikers nog steeds gebaseerd op het daadwerkelijke waterverbruik, en de (nieuwe) eigenarenheffing wordt gebaseerd op 5 zelfstandige gedeelten of percelen. Zoals het belastbaar feit stelt in artikel 2 van de Verordening wordt de gebruikersheffing opgelegd indien er sprake is van het afvoeren van water (niet zijnde hemelwater) via de gemeentelijke riolering. Een eigenarenheffing betreft alleen het in eigendom hebben van een perceel. 5. Het in de raadscommissie gevraagde voorbeeld van een stuk grasland met een schuilstal is dus alleen belastbaar voor de eigenarenheffing. De eigenaar van het
3
perceel deelt mee in de kosten die de gemeente maakt voor het inzamelen van afvloeiend hemelwater en de maatregelen die de gemeente neemt om de grondwaterstand op peil te houden. Het onderwerp is als bespreekstuk doorgeleid naar de raadsvergadering van 5 november.
Datum behandeling in B&W + ondertekening Terschelling, 22 oktober 2025 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling, H.M. de Jong, secretaris/directeur
mr. R.S. Cazemier, wnd. burgemeester