CConstaterende datTerschelling
Koppel je AI →
Document · PDF

7.Bijlage 2 Concept Verordening WMO 2024 Terschelling

Raadscommissie 29 november 2023, gemeente TerschellingBij agendapunt: Verordening WMO 2024 Terschelling13.958 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Op grond van artikel 2.3.9 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om

een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde

ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 8 toegevoegd. Op grond van deze bepaling moet het

college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s

worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de

besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit:

dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder.

Artikel 9. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s gaat een poging dit te ‘voorkomen’ vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de cliënt en

21 / 30

anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.

Het tweede, derde en vijfde lid bevatten grotendeels een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van de wettekst in de verordening

wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte

ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015.

Op grond van het derde lid, onderdeel d, kan het college een beslissing als bedoeld in de artikelen

2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien of intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan een 8

aantal weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg (verder: Wlz) of de Zvw. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling

langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken, indien de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zvw.

Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes

maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college op grond van lid 4 de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Het betreft een verbijzondering van het derde lid onder f.

In de artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo 2015 zijn regels voor het verhaal van kosten

opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van

een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel

2.4.1 Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle

gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde

van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’

In het zesde en zevende lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen.

Artikel 10. Opschorting betaling uit het pgb Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, in combinatie met artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden.

In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een

declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van

artikel 2.3.10 van de wet). Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.

Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot

opschorting aan de verordening toegevoegd. Het college kan een verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat: 1)

de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,

22 / 30

2) 3)

de cliënt niet voldoet aan de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, of de cliënt het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de cliënt niet langer voldoende in staat is op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, de aan een

persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor

geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan

tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wlz.

Op grond van het tweede lid kan het college de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te

beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de

opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8, derde lid, onder d. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik van een

maatwerkvoorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de maatwerkvoorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgbhouder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.

Hoofdstuk 5.

Bijdrage in de kosten

Artikel 11. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen Bijdrage in de kosten De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten: • •

Van maatwerkvoorzieningen en pgb’s;

Van bij verordening aangewezen algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie;

•

Van algemene voorzieningen waarbij geen sprake is van een dergelijke duurzame hulpverleningsrelatie.

De gemeente heeft geen algemene voorzieningen. Daarover komen dus geen bepalingen terug in het artikel over de bijdrage in de kosten.

Wanneer de gemeente ervoor kiest om een eigen bijdrage te heffen, geldt voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s het abonnementstarief. Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze.

De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in lid 5 (door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder). In sub b van het 5e lid is opgenomen dat de

kostprijs van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing ook bepaald wordt

23 / 30

door de wijze van verstrekken van de voorziening te weten bruikleen, huur of eigendom. Het is van

belang dat de eigen bijdrage de kostprijs van de voorziening niet te boven gaat. Dit zal zeker bij de

voorzieningen waar een dienst wordt geleverd nooit het geval zijn. Het zou wel kunnen voorkomen bij

een hulpmiddel of woningaanpassing. Wanneer deze in eigendom wordt verstrekt, kan er een moment komen dat de kostprijs is betaald. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs. De

gemeente mag voor die voorziening dan geen eigen bijdrage meer heffen. Wanneer de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden geheven zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt.

Hoofdstuk 6. Artikel 12.

Kwaliteit en veiligheid

Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van

voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. De eis dat een

voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de

ondersteuning. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015.

Artikel 13.

Meldingsregeling calamiteiten en geweld

In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend

ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een

voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.

In aanvulling op het bovenstaande wordt door het college een regeling opgesteld over het doen van

meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 14. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Algemeen Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en

plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening

regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de

beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de wet in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015gestelde nadere regels Dat artikel bepaalt aan welke

24 / 30

eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten, kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld.

De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in

opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze

diensten kunnen worden gewaarborgd (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet).

Er wordt gerefereerd aan het begrip voorziening, dat op grond van artikel 1.1.1 van de wet zowel een algemene voorziening als een maatwerkvoorziening kan betekenen. Het artikel ziet (daarnaast) enkel

op diensten als onderdeel van een voorziening. Dat betekent een beperking van de reikwijdte van het artikel. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het

Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ziet enkel op diensten die in het kader van een maatwerkvoorziening wordt geleverd. Dit volgt uit artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet.

Voor de volledigheid wordt vermeld dat het artikel alleen toeziet op overeenkomsten die het college

sluit met derden over opdrachten in het kader van de uitvoering van deze wet. Het toekennen van een subsidiebeschikking is niet het sluiten van een overeenkomst voor een opdracht voor een dienst.

Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 14 zien dan ook niet toe op subsidies. Vanzelfsprekend kan bij de bepaling van het toe te kennen subsidiebedrag wel gebruik worden gemaakt van de genoemde kostprijselementen.

Op grond van artikel 5.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dient het college voor het vaststellen van de vaste prijs of reële prijs rekening te houden met de vastgestelde kwaliteit van de

dienst en de continuïteit van de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Met het derde lid van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een vaste prijs of reële prijs nader geconcretiseerd. De

kostprijselementen waar het college ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren staan daarin vermeld en zijn opgenomen in het derde lid van artikel 14.

Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht (derde lid, onderdeel a, - een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer), waaronder de loonkosten en de overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van

wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen

verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke

verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het

leveren van de dienst met zich meebrengt. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder

begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet). Het college zal zich dus een beeld

moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de

betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van

toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op

een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld

gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding),

wordt van het college evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een

algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden

25 / 30

grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtijn is omgezet in

Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit

andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten

bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.

Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte

kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de

sector reële mate van niet productieve uren van beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid, onderdeel e) en kosten als gevolg van

gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f).

Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kunnen het college en derden afspraken maken om bepaalde kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe dienstverlening zijn gerelateerd, zoals

gemeentelijke rapportageverplichtingen, niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Dergelijke afspraken tussen het college en derden kunnen een reële prijs verlagen.

Het vaststellen van een reële prijs door het college sorteert pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs dient te gebruiken. De vastgestelde reële prijs dient zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Er moet na gunning nog een overeenkomst met de betrokken ondernemer worden gesloten. De mededeling van de

gunningsbeslissing betekent immers nog niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen (zie ook

artikel 2:129 van de Aanbestedingswet 2012). Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht te

gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Overigens kan het college in afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 een

overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid, van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de

toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de

inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt

opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis zodat een inschrijving geen prijs

bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking)

waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige

afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college dient ongeldige inschrijvingen ter zijde te leggen, de

betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en

vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van de artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de

Aanbestedingswet 2012. Artikel 5.4 maakt, zoals eerder aangehaald, geen onderscheid tussen diensten in het kader van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening.

26 / 30

Afzonderlijke leden Eerste lid In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als

ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat

inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te

leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

Tweede lid Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder met de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel

2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken

hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw

voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt, moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat

overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Derde lid Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde

kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen. Vierde lid Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de

genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de raad.

Hoofdstuk 7. Waardering mantelzorgers Artikel 15. Jaarlijkse waardering mantelzorgers De bepaling in het eerste lid betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de

Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Artikel 2.1.6 van de wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene

voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding aan het college als

bedoeld in artikel 2.3.2. lid 1 van de wet is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning hebben aangemeld, ook al is daar geen

voorziening op basis van de wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

27 / 30

Hoofdstuk 8. Artikel 16.

Klachten, medezeggenschap en inspraak

Klachtregeling

Het eerste lid regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de wet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige

regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.

In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet een regeling over

klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. De aanbieder is ten aanzien van alle hier in de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).

In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich

bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gebiedsteammedewerker,

bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2. eerste lid van de wet is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de

cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de

kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de

medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de

betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

In het derde lid is bepaald dat het college toeziet op de naleving van de klachtenregeling door de aanbieders.

Artikel 17. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.

Het gaat dus uitdrukkelijk om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. In het verleden moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet

medezeggenschap cliënten zorginstellingen (verder: Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd

inspraak tegenover de aanbieder verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen

28 / 30

van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen.

De aanbieder is ten aanzien van de hier in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo 2015).

In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat die verplichting door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Artikel 18.

Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen Artikel 19. Gegevensverwerking en Privacy

Artikel 20. Pilot Dit artikel maakt het mogelijk om bij wijze van experiment en niet gehinderd door de op dat moment geldende plaatselijke regelgeving de mogelijkheden van de Wmo 2015 zo maximaal mogelijk te benutten. Aan de Wmo 2015 moet dus wel worden voldaan.

De verordening wordt vastgesteld door de raad. Omdat het buiten spel zetten van enkele bepalingen uit deze verordening de rechtszekerheid van de burger kan aantasten, moet met een pilot eveneens worden ingestemd door de raad.

Artikel 21.

Nadere regels en hardheidsclausule

Juist omdat het in de Wmo 2015 om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afweging gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als ondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke

situatie, kan de hardheidsclausule worden toegepast. De aanvrager kan ook een beroep doen op de hardheidsclausule.

Artikel 22.

Intrekken oude verordening en overgangsbepalingen

In het eerste lid is bepaald dat de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 gemeente Terschelling wordt ingetrokken.

29 / 30

In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.

In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van de Verordening

maatschappelijke ondersteuning gemeente Terschelling 2024 zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van deze. Indien er een situatie ontstaat die voor de aanvrager nadelige gevolgen heeft, wordt de aanvraag echter afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 gemeente Terschelling.

In het vierde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 gemeente Terschelling worden afgedaan.

Artikel 23.

Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.

30 / 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Terschelling&id=72b4f351-d169-4430-9ebc-5e1e7b91cc89