CConstaterende datTerschelling
Koppel je AI →
Document · PDF

17.e.5. Beschikking omgevingsvergunning-bijlage 5 Natuurtoets

Raadsvergadering 6 november 2025, gemeente TerschellingBij agendapunt: (B) Definitieve VVGB voor Permanent Strandpaviljoen in Formerum, Badweg Formerum 615.037 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Het strandpaviljoen van Formerum aan Zee, Terschelling. De bouw van een nieuw permanent strandpaviljoen op het Noordzeestrand van Terschelling met een oppervlak van 1000 m² en de mogelijkheden tot het gebruik van het paviljoen. Een ecologische beoordeling.

P.J.Zumkehr

ZUMKEHR ECOLOGISCH ADVIESBUREAU Midsland – Terschelling Februari 2021

Colofon. Zumkehr, P.J., 2021. Het strandpaviljoen van Formerum aan Zee, Terschelling. De bouw van een nieuw permanent strandpaviljoen op het Noordzeestrand van Terschelling met een oppervlak van 1000 m² en de mogelijkheden tot het gebruik van het paviljoen. Een ecologische beoordeling. Zumkehr Ecologisch Adviesbureau, MidslandTerschelling, Februari 2021 Opdrachtgever. Rho Adviseurs Uitvoerder. Zumkehr Ecologisch Adviesbureau. P.J.Zumkehr, Oude Terpweg 3 8891 GE Terschelling-Midsland tel. 0562-449196 mob. 06.50.816.092 e-mail: admin@pzumkehr.nl © Zumkehr Ecologisch Adviesbureau Overname van gegevens uit dit rapport is toegestaan met bronvermelding.

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

2

Het strandpaviljoen van Formerum aan Zee, Terschelling. De bouw van een nieuw permanent strandpaviljoen op het Noordzeestrand van Terschelling met een oppervlak van 1000 m² en de mogelijkheden tot het gebruik van het paviljoen. Een ecologische beoordeling. P.J.Zumkehr.

1. Inleiding. De eigenaar van het strandpaviljoen van Formerum aan Zee op Terschelling heeft een plan opgesteld een nieuw paviljoen te bouwen op een locatie grenzend aan die van het bestaande paviljoen. Het huidige paviljoen staat op enkele meters van de duinvoet – de zeereep – op het Noordzeestrand bij de openbare strandovergang van Formerum aan Zee. Als gevolg van eisen, die aan het beheer van de zeereep worden gesteld, kan het nieuwe paviljoen niet worden gebouwd op de oude locatie, maar komt het te staan op een plateau op palen iets noordelijker van de huidige locatie. De huidige locatie wordt opgeheven en teruggegeven aan de natuur. De gemeenteraad van Terschelling heeft in 2016 ingestemd met de mogelijkheid strandpaviljoens in oppervlak uit te breiden tot 1000 m². De eigenaar van het strandpaviljoen van Formerum aan Zee wil van deze mogelijkheid gebruik maken en heeft een nieuw ontwerp laten maken voor een groter paviljoen dan het huidige. De vraag is nu of met het nieuwe, uitgebreidere plan strijdigheid kan ontstaan met de natuurbeschermingswetgeving. De initiatiefnemer heeft daarom aan Zumkehr Ecologisch Adviesbureau gevraagd een ecologisch onderzoek uit te voeren en een effectanalyse op te stellen. In dit rapport wordt deze effectanalyse gepresenteerd. Dit rapport heeft de status van voortoets volgens het afwegingskader van Natura2000 (gebiedsbescherming).

Het strandpaviljoen ligt binnen Natura2000-gebied Noordzeekustzone en aan de rand van Natura2000-gebied Duinen Terschelling. Tevens worden de relatie met de soortenbescherming van de Wet natuurbeschermingen het Natuur Netwerk Nederland behandeld.

2. Het plangebied en het plan. Het plangebied is een locatie op het Noordzeestrand van Terschelling ten westen de strandovergang van Formerum aan Zee op ongeveer 40 meter van de voet van de zeewerende duinen. Het plan betreft het oprichten van een plateau op palen, waarop een nieuw, permanent strandpaviljoen wordt geplaatst. Het nieuwe ontwerp gaat uit van een oppervlak van het plateau van 1000 m². Ook wordt het nieuwe paviljoen iets hoger dan het huidige. Het nieuwe paviljoen zal ruimte bieden aan meer bezoekers dan het huidige. Het aantal zitplaatsen (binnen en buiten) neemt toe van 350 tot 500. Het paviljoen wordt jaarrond geëxploiteerd en is tevens geschikt voor de ontvangst van grotere groepen bezoekers.Het huidige paviljoen wordt op seizoensbasis geëxploiteerd, en is gesloten jaarlijks van 1 november tot 1 april.

3. Bronnen. Voor het opstellen van dit rapport is gebruik gemaakt van beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde natuurwaarden op Terschelling. Alleen gegevens van na 2010 zijn benut. Oudere gegevens worden als niet relevant beschouwd. De belangrijkste bron voor het toetsen van de effecten aan de eisen van de natuurbeschermingswetgeving is het Beheerplan voor de Natura2000-gebieden van Terschelling dat in 2015 door de Dienst Landelijk Gebied is gepubliceerd (DLG, 2015). Voor het in kaart brengen van de habitattypen in de nabijheid van het plangebied is gebruik gemaakt van de habitattypenkaart, die deel uitmaakt van het Beheerplan. Wat betreft de vegetatiekundige gegevens is gebruik gemaakt van de vegetatiekartering van de Ecologen Groep te Groningen uit 2012 (Ecologen Groep, 2013). De in opdracht van Staatsbosbeheer uitgevoerde inventarisatie van karakteristieke plantensoorten in het duingebied in 2020 (Altenburg & Wymenga, ongepub.) geldt als bron betreffende het voorkomen van beschermde en zeldzame plantensoorten in de omgeving van het plangebied. Vogelkundige gegevens zijn afkomstig van de in opdracht van Staatsbosbeheer uitgevoerde broedvogelinventarisatie (SOVON, 2017). Zie voor andere bronnen de literatuurlijst achter in dit rapport

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

3

4. Wettelijk kader. 4.1. Wet natuurbescherming (Wnb) Per 1 januari 2017 is het oude wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals voorheen neergelegd in de Natuurbeschermingswet1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen door één wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb vormt het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid van het Rijk naar de provincies, waarbij de bevoegdheden en verantwoordelijkheden op het gebied van het natuurbeleid en het landelijk gebied zo veel mogelijk worden overgedragen van het Rijk naar de provincies, overeenkomstig het ‘decentraal-tenzij-beginsel’. Dit is in het verlengde van de bestuursafspraken 2011 – 2015 tussen Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen en het daarop gebaseerde onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur van 20 september 2011, gesloten tussen Rijk en provincies. Het is de bedoeling dat de Wnb over een paar jaar op haar beurt zal opgaan in de Omgevingswet. Op grond van de Wnb worden provinciale staten verplicht voor bepaalde onderwerpen regels op te stellen. Daarnaast hebben provinciale staten de mogelijkheid om op een aantal onderwerpen regels te stellen. Deze regels zijn opgenomen in de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017. Naast de bevoegdheden die provinciale staten hebben, hebben gedeputeerde staten van Fryslân ook haar bevoegdheden.

Dit zijn onder andere bevoegdheden tot het opstellen van beleidsregels op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De beleidsregels in het kader van de Wnb zijn opgenomen in deze beleidsregel: de Beleidsregel Wet natuurbescherming Fryslân 2017. De beleidsregel gaat in op de tegemoetkoming in faunaschade en de toedeling van ontwikkelingsruimte uit segment 2 in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof Fryslân. 4.1.1. Natura2000 De natuurgebieden in Nederland die deel uitmaken van het netwerk van Natura2000 ontlenen hun bescherming aan op Europees niveau gemaakte afspraken. De gebiedsbeschermingswetgeving voor de Natura2000-gebieden maakte tot voor kort deel uit van de Natuurbescherminswet1998. Per 1 januari 2017 is deze wetgeving onveranderd in de nieuwe Wnb overgenomen. De Natura2000-gebieden gelden als Speciale Beschermingszones (SBZ’s), die zijn aangewezen op grond van de Europese Habitatrichtlijn en/of de Vogelrichtlijn. De SBZ’s die in het kader van de Habitatrichtlijn zijn vastgesteld worden ook wel Habitatrichtlijngebieden genoemd. Ze zijn aangewezen vanwege bijzondere habitats en soorten (de zogenaamde ‘kwalificerende waarden’), genoemd in respectievelijk bijlage I en bijlage II van de richtlijn. De SBZ’s in het kader van de Vogelrichtlijn staan ook wel bekend als Vogelrichtlijngebieden.

Ze zijn aangewezen ter bescherming van het leefgebied van bedreigde vogels en trekvogels. Als projecten en andere handelingen in of nabij een Natura2000 gebied plaatsvinden, moet onderzocht worden of deze significant negatieve effecten op de kwalificerende waarden van het gebied hebben. Als uit deze beoordeling blijkt dat het gebied wordt aangetast, of duidelijke twijfel bestaat over het uitblijven van die aantasting, kan het bevoegd gezag slechts vergunning verlenen voor de gevraagde activiteit als er geen alternatieven zijn, er een dwingende reden van groot openbaar belang met die activiteit is gemoeid en vóór de ingreep compensatie van natuurwaarden is gerealiseerd. Als gevolg van de decentralisatie van rijkstaken naar de provincies is de provincie in de nieuwe Wnb bevoegd gezag voor vrijwel alle Natura2000-gebieden. Een uitzondering daarop zijn gebieden van grote omvang die deel uitmaken van meerdere provincies en waarvoor een samenhangend beleid is opgesteld. Het gaat dan onder meer om grote open wateren, zoals de Waddenzee en de Noordzee. Het Rijk is voor deze gebieden bevoegd gezag voor zover het de gedeelten betreft die kunnen worden beschouwd als open water. Wat betreft de toekenning van een Omgevingsvergunning voor de uitvoering van projecten die Natura2000gerelateerd zijn, gelden de gemeenten als loket.

De provincie heeft echter een beoordelende taak, en kan voor projecten waarbij significant negatieve effecten met zekerheid zijn uit te sluiten een “verklaring van geen bedenkingen”afgeven. Een dergelijk oordeel is echter pas mogelijk als de effecten van de uitvoering van projecten zijn geanalyseerd in een zogenaamde “voortoets”. Indien uit een voortoets blijkt dat significant negatieve effecten niet met zekerheid uitgesloten zijn, dient een vergunning voor de Wnb te worden aangevraagd bij de provincie. Er dient dan een Passende beoordeling voor het project te worden opgesteld, waarin de aard van de significant negatieve effecten verder wordt uitgewerkt en wordt geanalyseerd of deze effecten door middel van mitigerende maatregelen of compensatie kunnen worden voorkomen. Voor projecten die binnen of in de omgeving van Natura2000-gebieden worden uitgevoerd is het verplicht de uitstoot van stikstof te berekenen die tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of structureel na

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

4

voltooiing van het project ontstaan. De berekening is opgesteld door Rho Adviseurs door middel van het digitaal toegankelijke programma Aerius Calculator 2020. 4.1.2. Soortenbescherming in de Wnb De nationale bescherming van soorten werd tot voor kort geregeld door de Flora- en faunawet. Deze is echter per 1 januari 2017 opgegaan in de nieuwe Wnb. Daarmee zijn ook enkele wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste wijziging betreft de verplaatsing van het bevoegd gezag van het Rijk naar de provincies. Een andere wijziging betreft de lijst van beschermde soorten. In de Flora- en faunawet was sprake van drie verschillende beschermingsregimes. Dit onderscheid is in de Wnb vervallen. Wel maakt de wet onderscheid in soorten die beschermd zijn op basis van internationale afspraken en soorten die alleen op nationaal niveau beschermd zijn (de nationale soorten). De bescherming van soorten van internationale betekenis komt overeen met die van de “strikt beschermde soorten”, als onderdeel van de oude Flora- en faunawet. Wat deze strikt beschermde soorten betreft zijn er in de nieuwe wet geen veranderingen opgetreden. Het onderscheid tussen “matig beschermde soorten” en “licht beschermde soorten” uit de Flora- en faunawet is in de Wnb komen te vervallen. In de Wnb geldt voor alle in Nederland voorkomende soorten de zorgplicht.

Dit betekent dat bij de uitvoering van plannen of projecten verslechtering van de “staat van instandhouding” van de soorten niet is toegestaan. In de oude Flora- en faunawet was een lijst opgenomen van in Nederland algemene soorten met een “algemeen goede staat van instandhouding in Nederland”. Voor dit lijstje gold vrijstelling van de wet als in de algemeen goede staat van instandhouding geen verandering zou optreden. Nu dit onderscheid is opgeheven geldt vanuit de Wnb nu ook voor deze soorten de zorgplicht. Vrijstelling wordt vanuit de Wnb niet meer gegeven. Echter met het verplaatsen van het bevoegd gezag naar de provincies is het verlenen van vrijstelling waar het algemene soorten betreft nu provinciaal beleid geworden. De provincies hebben daarom in aparte beleidsnotities vrijstellingslijsten opgenomen voor soorten waarvoor op provinciaal niveau vrijstelling mogelijk is. Deze vrijstellingslijsten kunnen per provincie verschillen. De lijst van de provincie Fryslân als bijlage 1 in de Beleidregels Wet Natuurbescherming van de Provincie Fryslân 2017 bevat een aantal algemene soorten zoogdieren en amfibieën waarvoor vrijstelling mogelijk is. Daarnaast is een bijlage 2 opgenomen met enkele soorten waarvoor vrijstelling geldt ingeval van overlast. Ook zijn beleidsregels opgesteld over beheer van ganzenpopulaties en betreffende de steenmarter. Bijlage 1.

Vrijstellingslijst Provincie Fryslân. Beleidsregels Wet Natuurbescherming Fryslân 2017. Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Bunzing Dwergspitsmuis Gewone bosspitsmuis Egel Haas Hermelijn Huisspitsmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Wezel Woelrat

Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Micromys minutus Mustela putorius Sorex minutus Sorex araneus Erinaceus europaeus Lepus europaeus Mustela erminea Crocidura russula Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Mustela nivalis Arvicola terrestris

Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Rana temporaria Bufo bufo Triturus vulgaris Rana ridibunda.

Bijlage 2. Vrijstellingslijst Provincie Fryslân. Beleidsregels Wet Natuurbescherming Fryslân 2017.

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

5

Roek Kokmeeuw Zilvermeeuw Woelrat Aardmuis Dwergmuis Veldmuis

Corvus frugilegus ssp frugilegus Larus ridibundus Larus argentatus ssp argentatus Arvicola terrestris Microtus agrestis Micromys minutus Microtus arvalis

Voor alle andere soorten geldt in de Wnb een zogenaamde actieve beschermingsplicht gedefinieerd als zorgplicht, waarvoor de “staat van instandhouding” van de populaties centraal staat. Daarnaast geldt voor een aantal in de Wnb apart genoemde soorten een passieve beschermingsplicht. In deze beleidsregel worden de individuen van de opgenomen soorten beschermd tegen schadelijke activiteiten (plukken, het vangen van vlinders etc.). Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn veranderingen doorgevoerd, waardoor een groot aantal vaatplanten de beschermde status is kwijtgeraakt. Daarentegen zijn aan de lijst enkele soorten dagvlinders toegevoegd, waaraan voorheen geen beschermde status is toegekend. 4.2. Overige relevante wetgeving. 4.2.1. NNN: Natuur Netwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur). Het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS) is onderdeel van het rijksbeleid voor een netwerk van natuurgebieden door Nederland. Waar de grenzen nog globaal zijn vastgesteld, moeten onomkeerbare ingrepen voorkomen worden. Na vaststelling van de exacte grenzen zijn ruimtelijke ingrepen binnen de EHS niet toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van ‘redenen van groot openbaar belang’.

In uitzonderingsgevallen kan het Rijk de natuurwaarden en functies van het EHS-gebied laten wijken voor andere functies van groot maatschappelijk belang. De initiatiefnemer dient deze belangen en mogelijke alternatieven uitgebreid te motiveren. Daarnaast dient hij compenserende dan wel mitigerende (verzachtende) maatregelen te treffen (Ministerie van LNV 2003). In vrijwel geheel Friesland is inmiddels de feitelijke Provinciale Ecologische Hoofdstructuur vastgesteld (Streekplan Fryslân 2006). In het streekplan is verwoord dat een algemene zorgplicht bestaat voor de instandhouding van kwetsbare soorten. Ruimtelijke ingrepen in de EHS zijn niet toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van ‘redenen van groot openbaar belang’. Voor Vogelrichtlijngebieden of Natuurbeschermingswetgebieden – zoals hier het geval is – gelden aanvullende eisen. In het geval van een ingreep worden alle nodige mitigerende maatregelen getroffen. Bij Habitatrichtlijngebieden met prioritaire soorten en/of habitats, zijn onder ‘dwingende redenen van groot openbaar belang’ niet begrepen ‘redenen van sociale of economische aard’. Bij natuurcompensatie is een uitgangspunt dat geen netto-verlies optreedt aan waarden voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang van de EHS.

Voor de Waddeneilanden geldt dat feitelijk alleen kwalitatieve (geen kwantitatieve compensatie) mogelijk is. Verordening Romte Fryslân Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslan/werkwijze RO 2014 vastgesteld (Provincie Friesland, 2015). De provincie stelt hierin o.a. vast welke gebieden deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en hoe deze beschermd worden. Deze hoofdstructuur is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Dit netwerk vormt de basis voor het natuurbeleid. De EHS bestaat uit kerngebieden (grote aaneengesloten natuurgebieden met een hoge kwaliteit) natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Planologisch heeft de EHS een extra beschermde status. Sinds 2014 wordt de EHS Natuur Netwerk Nederland genoemd (NNN). Deze titel wordt in dit rapport verder gebruikt. De bescherming van het NNN is vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân (31 juli2014 (Provincie Friesland, 2015)). Hierin is onder meer vastgelegd: • Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden binnen het NNN dient een passende bestemming te hebben met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

6

• Het plan maakt geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gronden, of tot significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het NNN. • Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden nabij het NNN kan nieuwe, niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Hiervan kan worden afgeweken wanneer sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven voor de beoogde ontwikkeling zijn en schade door mitigerende maatregelen zoveel wordt beperkt als redelijkerwijs mogelijk is. Resterende schade wordt gecompenseerd door het treffen van zodanige maatregelen dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in termen van areaal, kwaliteit en samenhang. Daarnaast kan een ruimtelijk plan onderling samenhangende activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken die mede tot doel hebben de kwaliteit of kwantiteit van het NNN op gebiedsniveau te verbeteren, indien per saldo sprake is van verbetering van de natuurwaarden in en rond het gebied, waarbij de oppervlakte van het NNN gelijk blijft of toeneemt.

In de plantoelichting dient daartoe een verantwoording opgenomen te worden over de aard, omvang, locaties en het tijdvak van realisatie van de verbetering van de natuurwaarden. Ook dient de wijze waarop tenuitvoerlegging van de daartoe benodigde maatregelen en ingrepen plaatsvindt feitelijk en planologisch gewaarborgd te worden. Een ruimtelijk plan dat nieuwe activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maakt nabij het NNN, die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan kan doorgang vinden mits er geen reële alternatieven voor de beoogde ontwikkeling zijn, schade door mitigerende maatregelen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt en resterende schade wordt gecompenseerd door het treffen van zodanige maatregelen dat geen netto verlies optreedt van wezenlijke kenmerken en waarden in termen van kwaliteit en samenhang van de ecologische hoofdstructuur. 4.2.2. Planologische Kernbeslissing Waddenzee II en III De planologische kernbeslissing (PKB) Derde Nota Waddenzee (VROM 2001) bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de Waddenzee (VROM 2001). De PKB is gebiedsgericht van karakter en integreert het ruimtelijk en ruimtelijk relevante rijksbeleid voor de Waddenzee. De grens van het PKB-gebied kan worden omschreven als het zeegebied van Den Helder tot de rijksgrens met Duitsland.

Het PKB-gebied wordt aan de noordkant begrensd door onder meer de kwelders en platen van de Waddenzeekust van de eilanden. De hoofddoelstelling voor de Waddenzee is de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap. Om dit te bereiken is het beleid onder meer gericht op de duurzame bescherming en/of een zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling van de flora en de fauna en tevens op behoud van de landschappelijke kwaliteiten, met name rust, weidsheid, open horizon en natuurlijkheid. Nieuwe activiteiten dan wel uitbreiding of wijziging van bestaande activiteiten met een economische en/of recreatieve betekenis zijn mogelijk, mits zij passen binnen de hoofddoelstelling voor de Waddenzee. Met betrekking tot het ontwikkelingsperspectief stelt de PKB onder meer: De Waddenzee is primair een natuurgebied en een uniek open landschap. De natuurlijke dynamiek van de fysische processen in de Waddenzee, op de Waddeneilanden en in de Noordzeekustzone wordt zo min mogelijk beperkt, zodat zich nieuwe platen, geulen en jonge duin- en kustgebieden kunnen ontwikkelen. De rust, weidsheid en open horizon zijn gewaarborgd en worden hoog gewaardeerd. Zeezoogdieren, vissen en (trek)vogels zijn duurzaam verzekerd van voldoende voedsel en rust- en voortplantingsgebieden.

Het rijksbeleid ten aanzien van de recreatie op de Waddenzee is gericht op het beheersbaar maken en houden van het recreatief medegebruik en het ontwikkelen van duurzame vormen van recreatie, waarbij de natuurlijke draagkracht van het gebied uitgangspunt is. Voor het recreatief medegebruik geldt een zonering waarbij de voor verstoring gevoelige gebieden worden ontzien. Voorts wordt gesteld dat de flora en fauna van de Waddenzee zich meer ongestoord dienen te kunnen ontwikkelen. Zeehonden behoeven voldoende voedsel en rustplaatsen. Hetzelfde geldt voor de vogels die voldoende ongestoorde hoogwatervluchtplaatsen moeten kunnen vinden en op acceptabele vluchtafstand over voldoende voedsel moeten beschikken, wat zij aldaar ongestoord tot zich moeten kunnen nemen. Een meer ongestoorde ontwikkeling van de Waddenzee is alleen mogelijk wanneer het menselijk gebruik van het gebied hierop (meer) wordt afgestemd (bijvoorbeeld via

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

7

zonering) of indien bepaald gebruik - op termijn – wordt afgebouwd. Richting het jaar 2030 zet het kabinet hierop in. Nieuwe activiteiten en uitbreiding of wijziging van bestaande activiteiten in de Waddenzee dienen daarom aan de hoofddoelstelling te worden getoetst. Het afwegingskader dient ook te worden toegepast voor activiteiten buiten het PKB-gebied die de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee kunnen aantasten (externe werking). Het afwegingskader komt sterk overeen met dat van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Elementen hieruit zijn: Nagegaan dient te worden of er sprake is van aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee. Er dient rekening te worden gehouden met eventuele cumulatieve effecten van verschillende activiteiten op de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee. Toestemming voor een activiteit kan slechts worden gegeven nadat zekerheid is verkregen dat de activiteit de wezenlijke kenmerken of waarden van de Waddenzee niet zal aantasten. Het voorzorgbeginsel brengt met zich mee dat er bij twijfel wordt uitgegaan van aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden en van de meest verstrekkende effecten voor de Waddenzee (worst-case scenario).

Voor een activiteit die leidt tot aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden en waarvoor geen reële alternatieven aanwezig zijn dient te worden nagegaan of er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bij een activiteit die leidt tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden dienen mitigerende en compenserende maatregelen getroffen te worden. Deze maatregelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien waarbij de eis geldt dat geen netto verlies aan wezenlijke kenmerken of waarden optreedt. 4.2.3.

Verdere gebiedsbescherming

De verdere bescherming van natuurgebieden is in beginsel geregeld in bestemmingsplannen die voor alle gronden in Nederland zijn opgesteld wegens de WABO.

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

8

5. Voor het plangebied relevante beoordelingsaspecten. 5.1. Wet natuurbescherming (Wnb): ligging t.o.v. de Natura2000-gebieden Op Terschelling is sprake van drie Natura2000-gebieden die vallen onder de Wet natuurbescherming, namelijk: - Duinen Terschelling - Noordzeekustzone - Waddenzee. Het plangebied maakt deel uit van Natura2000-gebied Noordzeekustzone, en grenst direct aan Natura2000-gebied Duinen Terschelling. Natura2000-gebied Waddenzee valt volledig buiten het plangebied, en ligt op ongeveer 2500 meter afstand van het plangebied. Op basis van de grote afstand tot dit Natura2000gebied zijn effecten van de uitvoering van het plan op de instandhoudingsdoelen ervan uitgesloten. Een nadere analyse van de effecten is derhalve alleen nodig met betrekking tot Natura2000-gebied Duinen Terschelling en Natura2000-gebied Noordzeekustzone. 5.2. Soortenbescherming in de Wet natuurbescherming De soortenbescherming werd tot voor kort geregeld in de Flora- en faunawet. Deze is echter per 1 januari 2017 opgegaan in de Wet natuurbescherming. Ten opzichte van de oude wet zijn wijzigingen doorgevoerd. Voor alle binnen of in de omgeving van het plangebied voorkomende soorten geldt de zorgplicht. Dit betekent dat de uitvoering van het plan niet tot verslechtering mag leiden van de “staat van instandhouding van de soorten”.

Voor soorten die beschermd zijn op basis van internationale verdragen geldt binnen het plangebied een strikte bescherming. De soortenlijst komt overeen met die van de “strikt beschermde soorten” van de oude Flora- en faunawet. De zorgplicht geldt echter tevens voor alle andere voorkomende soorten. Voor algemene soorten is vrijstelling mogelijk. Het gaat dan om soorten met een “algemeen gunstige staat van instandhouding in Nederland”. Vrijstelling geldt als de uitvoering van het plan geen hierin geen verandering teweeg brengt. De vrijstellingslijst is in december 2016 door de provincie Fryslân vastgesteld (Provincie Fryslân, 2016a en 2016b). Het soortenbeschermingsaspect in de Wet natuurbescherming is niet gekoppeld aan Natura2000 en is derhalve ook buiten Natura2000-gebieden van toepassing. 5.3. Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur. De begrenzingen die door de Provincie Friesland zijn vastgesteld in het kader van de NNN komen in het plangebied overeen met die van de Wet natuurbescherming. De locatie maakt ten dele deel uit van de het netwerk. De EHS heeft betrekking op ingrepen in de ruimtelijke ordening. Daar het plan veranderingen in de ruimtelijke ordening tot gevolg heeft is de wet- en regelgeving met betrekking tot de NNN van toepassing. 5.4. PKB-Waddenzee III. De PKB-Waddenzee beschermt het Nederlandse waddengebied.

Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van het PKB-gebied en ook niet langs de rand. De PKB-Waddenzee is dan ook niet van toepassing. 5.5. Bevoegd gezag. Met betrekking tot de Wet natuurbescherming geldt per 1 januari 2017 de provincie Fryslân als bevoegd gezag. Voor de uitvoering van het plan geldt op zijn minst een meldingsplicht bij de provincie. Indien uit de toets blijkt dat significant negatieve effecten op de te beschermen natuurwaarden (voor Natura2000 de instandhoudingsdoelen) op voorhand zijn uitgesloten, kan de uitvoering van het project worden geregeld via een Omgevingsvergunning van de gemeente Terschelling. De provincie Fryslân dient dan wel een Verklaring van geen bedenkingen af te geven. De ecologische analyse geldt dan als een voortoets. Voor het hier beschreven project is echter een wijziging van het bestemmingsplan nodig. Om goedkeuring te krijgen voor die wijziging geldt de provincie Fryslân eveneens als bevoegd gezag. Mocht uit de toetsing blijken dat significant negatieve effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, is het nodig voor de Wet natuurbescherming een vergunning aan te vragen bij de Provincie Fryslân. Het is dan van belang in een Passende Beoordeling aan te geven of de verwachte significant negatieve effecten door middel van mitigerende maatregelen of compensatie kunnen worden voorkomen.

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

9

5.6. De instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen Terschelling. De volgende instandhoudingsdoelen zijn voor Natura2000-gebied Duinen Terschelling geformuleerd (prioritaire typen en soorten zijn aangeduid met een *): H1310 H1330 H2110 H2120 H2130 H2140 H2160 H2170 H2180 H2190 H6230 H7140

Eenjarige pioniervegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia ssp en andere zoutminnende soorten. Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) Embryonale wandelende duinen. Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”). * Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”) * Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum. Duinen met Hippophae rhamnoides Duinen met Salix repens ssp argentea (Salicion arenariae). Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied. Vochtige duinvalleien * Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa). Overgangs- en trilvenen.

Het Natura2000-gebied is aangewezen voor de volgende soorten (prioritaire habitattypen aangeduid met een sterretje): H1831 Drijvende waterweegbree H1903 Groenknolorchis Vogels: Blauwe kiekendief Bontbekplevier Bruine kiekendief Dodaars Dwergstern Paapje Rietzanger Strandplevier Tapuit Velduil 5.7. De instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Noordzeekustzone. De in het eerste lid bedoelde speciale beschermingszone is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van richtlijn 92/43/EEG (prioritaire typen aangeduid met een sterretje): H1110 Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken H1140 Slik- en zandplaten H1310 Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten H1330 Atlantische schorren (Glauco Puccinellietalia maritimae) H2110 Embryonale wandelende duinen H2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”) H2190 Vochtige duinvalleien Habitatrichtlijn soorten. De in het eerste lid bedoelde speciale beschermingszone is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van richtlijn 92/43/EEG (prioritaire typen aangeduid met een sterretje):

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

10

H1095 Zeeprik H1099 Rivierprik H1103 Fint H1351 Bruinvis H1364 Grijze zeehond H1365 Gewone zeehond Vogelrichtlijn soorten. Het gebied is aangewezen op basis van de volgende soorten broedvogels: Dwergstern Bontbekplevier Strandplevier. Het gebied is aangewezen op basis van de volgende soorten trekvogels: Drieteenstrandloper, Rosse Grutto, Kanoet, Bonte strandloper, Wulp (hoogwatervluchtplaats ter hoogte van paal 24).

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

11

6. De natuurwaarden van het plangebied. 6.1. Vegetatie van het plangebied en de omgeving. Het Noordzeestrand rondom het strandpaviljoen is een nagenoeg onbegroeid strand. In de zone vanaf de duinvoet tot op 100 meter van de duinvoet komen echter groeiplaatsen voor van Biestarwegras (Elytrigia juncea ssp. boreoatlantica), welke een aanzet kunnen geven tot spontane duinvorming. De zone waarin dergelijke groeiplaatsen voorkomen wordt gerekend tot de zogenaamde Embryonale duinen, een habitattype van Natura2000-gebied Noordzeekustzone. Naast groeiplaatsen van Biestarwegras kunnen in deze zone ook enkele andere halofiele plantensoorten worden gevonden, namelijk Zeeraket (Cakile maritima), Zeepostelein (Honckenya peploides) en incidenteel Gelobde melde (Atriplex laciniata) en Gele hoornpapaver (Glaucium flavum). Op het Noordzeestrand worden twee habitattypen van Natura2000-gebied Noordzeekustzone onderscheiden, namelijk: - H2110 – Embryonale duinen – de zone van de duinvoet tot 100 meter van de duinvoet. - H1140B – Slik- en zandplaten (Noordzee), het gedeelte van het strand bij de gemiddelde laagwaterlijn. Habitattype H1140B ligt op het strandgedeelte bij de vloedlijn en heeft geen vegetatie. De duinen op enkele tientallen meters ten zuiden van het strandpaviljoen maken deel uit van Natura2000gebied Duinen Terschelling.

De vegetatie van deze seereepduinen bestaat uit soortenarm Helmduin (Ammophilion) en wordt gerekend tot habitattype H2120 – Witte duinen (deels zoekgebied). De duinen direct ten zuiden van het paviljoen maken deel uit van de primaire zeekering, waarin natuurlijke dynamische processen in beperkte mate voorkomen. Als gevolg daarvan zijn de duinen sterk begroeid met Helm. Op enkele plaatsen zijn recent kleine verstuivingen tot ontwikkeling gekomen. Het zeereepgebied ten westen van de strandovergang is deels bebouwd en heeft een groot aantal uit de Tweede Wereldoorlog overgebleven ruïnes van Duitse bunkers. Dit gedeelte van het duingebied maakt geen deel uit van Natura2000-gebied, maar is een onderdeel van de buiten N2000-gebied gehouden enclave Midsland aan Zee/Formerum aan Zee. Het duingebied ten oosten van de Formerumer badweg maakt in zijn geheel deel uit van het Natura2000-gebied. Aan de binnenzijde van de zeereep maakt het duinlandschap van het Natura2000-gebied deel uit van diverse habitattypen. In de instuivingszone vanuit de zeereep, de overgang van de zeereep naar de binnenduinen komen vegetaties voor van hoge grassen en ruigtekruiden met naast Helm soorten als Duinriet (Calamagrostis epigejos), Akkerdistel (Cirsium arvense), Speerdistel (Cirsium vulgare), Schermhavikskruid (Hieracium umbellatum) en Zandhaver (Leymus arenarius).

Op tal van plaatsen komen struwelen voor van Kruipwilg (Salix repens) behorend tot habitattype H2170 (Kruipwilgstruwelen) en struwelen van Duindoorn, behorend tot habitattype H2160 (Duindoornstruwelen). Op grote schaal zijn aan de binnenzijde van de zeereep vegetaties aanwezig van droge duinen die worden gerekend tot het Buntgrasduin (Violo-Corynephoretum) of de Duinschapengras-gemeenschap (FestucoGalietum). Op de overgang van de zeereep naar de binnenduinen komt daarbij een vegetatie voor van Zanddoddegras en Groot duinsterretje (Tortulo-Phleetum). Alle drie vegetatietypen worden gerekend tot de zogenaamde Grijze duinen: habitattype H2130B – Grijze duinen (kalkarm) en H2130A – Grijze duinen (kalkrijk). Waardevol zijn de groeiplaatsen van Hondsviooltje (Viola canina), Dionviooltje (Viola curtisii), Kleine ratelaar (Rhinanthus minor), Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris) en Wondklaver (Anthyllis vulneraria) in deze duinvegetaties. Duingebieden op enige afstand van de zeereep zijn veelal dichtgegroeid met Kraaiheide (Empetrum nigrum) en worden gerekend tot habitattype H2140B – Duinen met kraaiheide (droog). Lokaal is langs de Formerumer badweg ook een vegetatie aanwezig van Struikhei (Calluna vulgaris) die wordt gerekend tot habitattype H2150 – Duinen met struikhei. Zie voor de ligging van de habitattypen kaart 3 in de bijlage.

Binnen het plangebied en in de ruime omgeving komen geen door de Habitatrichtlijn beschermde plantensoorten voor. De op Terschelling voorkomende HR-soorten Groenknolorchis Liparis loeselii en Drijvende waterweegbree Luronium natans zijn uitsluitend bekend van groeiplaatsen op een afstand van vele kilometers van het plangebied. 6.2. Vogels. De zone met Embryonale duinen op het Noordzeestrand geldt als een belangrijk broedgebied voor de Bontbekplevier. Broedgevallen van de Bontbekplevier zijn vanaf 2000 jaarlijks vastgesteld aan de duinvoet op het Noordzeestrand ten oosten van paal 16 en op de Noordsvaarder. De broedlocaties liggen voornamelijk op

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

12

smalle bankjes van schelpgruis aan de duinvoet. Deze bankjes worden beschouwd als de zogenaamde geomorfologische kenmerken die het Noordzeestrand geschikt maken als broedgebied voor de soort. De meeste broedlocaties zijn vastgesteld binnen de grenzen van Natura2000-gebied Noordzeekustzone. De bontbekplevier is sinds 2010 niet meer broedend aangetroffen binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied. De Strandplevier is na 2000 niet meer op het Noordzeestrand als broedvogel aangetroffen, maar komt alleen nog voor op de uiteinden van het eiland (Noordsvaarder, Boschplaat). Voor deze soort geldt echter binnen Natura2000-gebied Noordzeekustzone een uitbreidingsdoelstelling. Het strand ten westen en ten oosten van het paviljoen geldt niet als uitbreidingsgebied voor de soort, en is, door de ligging binnen intensief als recreatiestrand gebruikt strandgedeelte, als broedgebied niet geschikt.. De Dwergstern komt als broedvogel in het gebied niet voor. Deze soort is op Terschelling beperkt tot enkele locaties op de Noordsvaarder en de oostpunt van de Boschplaat. Op het Noordzeestrand worden wel regelmatig broedsels gevonden van de Scholekster. Het gebied heeft geen speciale betekenis voor trekvogels. Wel wordt in het getijdengebied van het Noordzeestrand veelvuldig door de Drieteenstrandloper gefoerageerd.

De duinen aan de binnenzijde van de zeereep zijn een belangrijk broedgebied voor de Tapuit. Daarnaast komen Kneu, Rietgors, Graspieper, Bruine kiekendief, Wulp, Sprinkhaanzanger en Fitis er als broedvogel voor. 6.3. Zoogdieren. Soorten die in het duingebied nabij het paviljoen voorkomen zijn Bosmuis, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Rosse woelmuis, Ree, Haas, en Konijn. De soorten zijn beschermd door de Wnb maar behoren tot categorie de provinciale lijst van soorten waarvoor vrijstelling geldt, mits de uitvoering van het plan geen blijvende verslechtering veroorzaakt aan de populatie van deze soorten in Nederland. Laatvlieger en Ruige dwergvleermuis zijn gemeld op de Europese Habitatrichtlijn en zijn beschermd door de Wnb. Ter plaatse komen echter geen populaties voor van soorten vleermuizen. Het Noordzeestrand ter plaatse heeft geen betekenis voor de Gewone en Grijze zeehond. 6.4. Amfibieën, Reptielen en Vissen. Door het ontbreken van open water in het plangebied komen geen populaties voor van de Rugstreeppad (Bufo calamita) of van andere soorten amfibieën en vissen.

Wel is een kleine populatie aanwezig van de Rugstreeppad in een vallei aan de binnenzijde van de zeereep ten westen van de parkeerplaats aan het eind van de Formerumer badweg (zie kaart 6 en 7 in de bijlage) In de omgeving van het plangebied komt een kleine populatie voor van de Zandhagedis (Lacerta agilis), een door de Wnb strikt beschermde soort. De populatie houdt zich voornamelijk op in zeereepduinen ten zuiden van het paviljoen. 6.5. Ongewervelden. Er komen in het plangebied geen door de Habitatrichtlijn beschermde soorten ongewervelden voor. In de zeereep komen populaties voor van aan Duinviooltje gebonden dagvlindersoorten Zilveren maan, Duinparelmoervlinder en Grote parelmoervlinder. Lokaal komen in grijze duinen aan de binnenzijde van de zeereep populaties voor van de Kommavlinder. De betreffende soorten gelden als beschermd in het kader van de soortenbescherming van de Wnb.

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

13

7.

Natura2000.

7.1. De natuurwaarden van de bouwlocatie. De bouwlocatie ligt op het Noordzeestrand. Ter plaatse komt geen vegetatie voor. Er komen geen populaties voor van diersoorten. Er zijn in recente tijd geen broedvogels vastgesteld. 7.2. De instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Noordzeekustzone en het voorkomen ervan in de directe omgeving van de bouwlocatie. 7.2.1.

Habitattypen.

- Habitattype 2110 Embryonale duinen. Het habitattype H2110 – Embryonale duinen is binnen de grenzen van het Natura2000-gebied Noordzeekustzone op tal van plaatsen vertegenwoordigd. De ontwikkeling van dit habitattype is de afgelopen tien jaar sterk geweest op de Noordsvaarder, ter hoogte van paal 6 en 20, tussen de strandpalen 24 en 26 en locaal op de oostpunt van de Boschplaat. Sinds 2008 zijn er ontwikkelingen gaande in de richting van dit habitattype op het strand tussen paal 8 en paal 10 en tussen paal 13 en paal 15 (nabij de Koegelwieck). De Habitattypenkaart van DLG, een onderdeel van het Beheerplan voor de Natura2000-gebieden van Terschelling, geeft langs de duinvoet tussen paal 6 en paal 18 op het Noordzeestrand nergens het habitattype aan (DLG, 2015). Lokaal komen op betrekkelijk grote schaal vegetaties voor van Biestarwegras, welke echter op de Habitattypenkaart niet als behorend tot het habitattype worden gerekend. Geconcludeerd wordt dan ook dat het habitattype niet binnen een afstand 2 kilometer van de bouwlocatie is aangegeven, maar is de huidige situatie wel voorkomt. - H1110 Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken. Dit habitattype is binnen het Natura2000-gebied Noordzeekustzone uitsluitend toegekend aan gebieden in het zeegat tussen Vlieland en Terschelling en tussen Terschelling en Ameland.

De afstand tot het plangebied bedraagt meer dan 10 kilometer. - H1140 Slik- en zandplaten. De smalle strook van het Noordzeestrand tussen de laagwaterlijn en de hoogwaterlijn wordt tot dit habitattype gerekend, en dan wel tot het subtype H1140B – Slik- en zandplaten (getijdengebied). De afstand van de bouwlocatie tot dit habitattype bedraagt ongeveer 400 meter. - H1310 Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende soorten. Dit habitattype is binnen Natura2000-gebied Noordzeekustzone aanwezig op de Noordsvaarder en in beperkte mate op de Boschplaat. De afstand tot de bouwlocatie bedraagt meer dan 10 kilometer. - H1330 Atlantische schorren (Glauco Puccinellietalia maritimae). Idem. - H2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”). Witte duinen komen als habitattype binnen Natura2000-gebied Noordzeekustzone voor op de Noordsvaarder, bij paal 6 en 7 en op de Boschplaat. Binnen 2 kilometer van de bouwlocatie komt het habitattype niet voor (zie echter ook Natura2000-gebied Duinen Terschelling). - H2190 Vochtige duinvalleien. Vochtige duinvalleien zijn binnen Natura2000-gebied Noordzeekustzone alleen vertegenwoordigd op de Noordsvaarder, op meer dan 10 kilometer afstand van de bouwlocatie. 7.2.2. -

Habitatrichtlijn soorten.

H1095 Zeeprik H1099 Rivierprik H1103 Fint

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

14

Het voorkomen van de drie soorten vissen is incidenteel en beperkt tot de zeegaten tussen Terschelling en Vlieland en tussen Terschelling en Ameland. - H1351 Bruinvis. De soort wordt incidenteel aangetroffen op de Noordzee voor de kust van het Terschellinger strand. - H1364 Grijze zeehond. De Grijze zeehond wordt regelmatig foeragerend aangetroffen voor de kust van het Terschellinger Noordzeestrand. Rustgebieden van de soort komen echter op het Noordzeestrand alleen voor bij de westpunt van de Noordsvaarder (Engelsch Hoek) en op de oostpunt van de Boschplaat, derhalve op een afstand van meer dan 10 kilometer van het plangebied. - H1365 Gewone zeehond. Dezelfde rustgebieden worden door de Gewone zeehond gebruikt. 7.2.3.

Vogelrichtlijn-soorten broedvogels.

- Dwergstern De dwergstern komt op Terschelling uitsluitend als broedvogel voor op de Spathoek, een onderdeel van de Noordsvaarder aan de Waddenzeezijde. Daarnaast zijn incidenteel broedgevallen bekend op de oostpunt van de Boschplaat. De soort komt derhalve niet tot broeden binnen afstand van 10 kilometer van de bouwlocatie. - Bontbekplevier. De bontbekplevier broedt verspreid op het Noordzeestrand van Terschelling in klein aantal. In totaal betreft het jaarlijks hooguit 10 tot 15 broedparen. Broedlocaties liggen sinds 2000 op de Noordsvaarder, op het strand tussen paal 16 en paal 20, en vanaf paal 24 oostwaarts tot op de oostpunt van de Boschplaat. Na 2010 is geen broedgeval meer bastgesteld binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied. Strandplevier. Het jaarlijks aantal broedparen van de strandplevier op het Noordzeestrand van Terschelling is sinds 2000 niet hoger dan 5. Broedgevallen zijn uitsluitend vastgesteld op de Noordsvaarder en op het strand van de Boschplaat, derhalve op een afstand van meer dan 8 kilometer van het plangebied. Voor de strandplevier geldt echter een uitbreidingsdoelstelling. Het Noordzeestrand geldt uit uitbreidingsgebied voor de soort. 7.2.4.

Vogelrichtlijn-soorten trekvogels.

- Drieteenstrandloper. De Drieteenstrandloper foerageert in een jaarlijks groeiend aantal op het hele Noordzeestrand van Terschelling. Daarbij wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de zone tussen de hoogwater- en de laagwaterlijn. Ook deze zone nabij de bouwlocatie wordt regelmatig door kleine aantallen Drieteenstrandlopers als zodanig benut. Dit deel van het strand is echter niet van bijzondere betekenis voor de soort. Er komen geen grote concentraties van de soort voor. Het strandgedeelte nabij de bouwlocatie heeft geen specifieke functie als rustgebied voor de soort. - Rosse Grutto, Kanoet, Bonte strandloper, Wulp De genoemde soorten genieten bescherming op de hoogwatervluchtplaats die incidenteel ter hoogte van paal 24 op het strand van de Boschplaat voorkomt. De afstand van de bouwlocatie tot deze hoogwatervluchtplaats bedraagt 12 kilometer. 7.2.5.

Conclusies.

Ten aanzien van het voorkomen van instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Noordzeekustzone wordt gesteld dat alleen de volgende instandhoudingsdoelen binnen een afstand van 1 kilometer van de bouwlocatie voorkomen: - Habitattype H2110 – Embryonale duinen (maar niet officieel op de Habitattypenkaart). - Habitattype H1140 – Slik- en zandplaten. - Drieteenstrandloper

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

15

Benadrukt wordt nogmaals dat broedlocaties van de Bontbekplevier en de Strandplevier niet binnen een afstand van 1 kilometer van de bouwlocatie zijn vastgesteld. Afgaande van de officiële Habitattypenkaart geldt dit ook voor Habitattype H2110, echter omdat dit habitattype in de huidige situatie in de omgeving van het paviljoen recent over een groot oppervlak is ontstaan, wordt het hier in de effectanalyse meegenomen. 7.3. De instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen Terschelling en het voorkomen ervan in de nabije omgeving van het plangebied. 7.3.1.

Habitattypen.

- Algemeen. Het plangebied ligt op een afstand van 40 meter van de noordgrens van Natura2000-gebied Duinen Terschelling. De uitvoering van de plannen kan in theorie leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van dit Natura2000-gebied. Het is van belang dergelijke effecten in kaart te brengen. De bouwlocatie ligt daarnaast op 100 meter afstand van Midsland aan Zee/Formerum aan Zee, het gebied met recreatiewoningen, hotels, een bunkergebied en een parkeerplaats, een gebied dat geen deel uitmaakt van Natura2000-gebied Duinen Terschelling . Alleen de smalle tussenliggende zone tussen de bouwlocatie en de enclave ligt als Natura2000-gebied binnen de invloedssfeer van het plangebied. Het gaat hier om zeewerende duinen van het habitattype H2120 – Witte duinen, deels zoekgebied. Alle andere habitattypen komen op grotere afstand van het plangebied voor ten zuiden en oosten van de enclave, en ten oosten van de strandovergang. Zie ook kaart 3 in de bijlage. - Habitattypen die alleen op grote afstand van het plangebied voorkomen. De volgende habitattypen komen niet voor binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied: H1310 Eenjarige pioniervegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia ssp en andere zoutminnende soorten. (Noordsvaarder, Boschplaat) H1330 Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae).

(Noordsvaarder, Boschplaat) H2110 Embryonale wandelende duinen. (Noordvaarder, Zeereep paal 16 tot 20, Cupido’s Polder). Zie voor het voorkomen binnen Natura2000-gebied Noordzeekustzone hierboven). H2180 Atlantische duinbossen (alle subtypen) H2190 Vochtige duinvalleien (alle subtypen) H6230 * Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa). (Kooibosjes, schraalgraslanden in de duinen bij Oosterend). Een effect van de bouw van het paviljoen of van het toekomstig gebruik op deze habitattypen kan gezien de grote afstand tussen het plangebied en de locaties waar de habitattypen voorkomen op voorhand worden uitgesloten. -

Habitattypen die binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied voorkomen.

H2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”). Het habitattype “witte duinen” betreft de zeewerende duinen of zeereep van Terschelling, de duinen die direct aan het Noordzeestrand grenzen. Ook de zone tussen de bouwlocatie en de buiten Natura2000-gebied Duinen Terschelling vallende enclave Midsland aan Zee/Formerum aan Zee behoort geheel tot dit type. H2130A * Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”) kalkrijk H2130B * Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”) kalkarm H2140B * Vastgelegde ontkalkte duinen met kraaihei Empetrum nigrum, droog. H2150 Duinen met struikhei H2160 Duinen met Hippophae rhamnoides H2170 Duinen met Salix repens ssp argentea (Salicion arenariae). De kaart in de bijlage geeft aan dat deze habitattypen weliswaar voorkomen in de ruime omgeving van de bouwlocatie, maar uitsluitend op een afstand van enige honderden meters ten oosten en ten zuiden van de zeereep.

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

16

7.3.2.

Habitatrichtlijn soorten.

- H1831 Drijvende waterweegbree. De drijvende waterweegbree is recent (na 2000) uitsluitend aangetroffen in de duinvallei Waterplak tussen West aan Zee en West aan Zee op een afstand van meer dan 1 kilometer van het plangebied. - H1903 Groenknolorchis De Groenknolorchis komt op Terschelling in aanzienlijk aantal voor op de Noordsvaarder en nabij paal 3 in de Kroonspolders. Daarnaast zijn er enkele zeer uitgebreide groeiplaatsen in de Kroonpolders bij paal 7, en enkele kleine groeiplaatsen op de Boschplaat bij paal 19 en in de Cupido’s polder bij paal 26. Binnen 1 kilometer afstand van het plangebied komen geen groeiplaatsen voor. 7.3.3.

Vogelrichtlijn-soorten broedvogels.

Blauwe kiekendief. De blauwe kiekendief komt op Terschelling in steeds geringer aantal tot broeden in struweelrijke duinvalleien in de duinen. In 2010 was het aantal broedparen niet hoger dan 5. Sinds 2012 is de soort als broedvogel verdwenen, hoewel sinds 2015 weer sprake is van enkele broedpogingen. Broedlocaties liggen niet binnen een afstand van 1 kilometer van de bouwlocatie. Bruine kiekendief. Het aantal broedparen van de bruine kiekendief in de duinen van Terschelling is aanzienlijk hoger dan van de blauwe kiekendief. De soort broedt in de omgeving van de Formerumer Badweg in een aantal struweelrijke duinvalleien, echter ook in de vallei ten westen van de parkeerplaats van Formerum aan Zee binnen een afstand van 1 kilometer van het plangebied. Velduil. Recente broedgevallen zijn uitsluitend bekend uit de duinen tussen Hoorn en Oosterend en oostwaarts op de Boschplaat. Binnen een afstand van 8 kilometer van het plangebied zijn geen broedgevallen bekend. Tapuit. De Tapuit is op Terschelling een broedvogel van dynamische droge duinvegetaties aan de binnenzijde van de zeereep. Ook in de ruime omgeving van de bouwlocatie zijn recent diverse broedgevallen vastgesteld. Het gaat dan met name om de duinen aan de binnenzijde van de zeereep ten zuiden van de parkeerplaats van Formerum aan Zee, en het duingebied ten oosten van de Formerumer badweg.

In de aangegeven gebieden wordt de laatste jaren jaarlijks gebroed. Dodaars. De Dodaars is een broedvogel van duinplassen, die vooral sterk heeft kunnen profiteren van plagactiviteiten van Staatsbosbeheer. Broedgevallen worden jaarlijks vastgesteld in de geplagde gebieden met open water tussen West aan Zee en West aan Zee, met name de valleien Meisterplak, Waterplak, Sterneplak, Badhuiskuil, Peerkuil en Rijsplak. Alle broedlocaties liggen op ruime afstand (meer dan 1 kilometer) van de bouwlocatie. Rietzanger. De soort is een betrekkelijk algemene broedvogel in duinvalleien met een vegetatie van lage struwelen. Ook in de omgeving van Formerum aan Zee wordt jaarlijks gebroed (o.a. in de vallei ten westen van de parkeerplaats van Formerum aan Zee). Broedlocaties komen voor binnen 200 meter van de bouwlocatie. Paapje. Ondanks het feit dat de soort een instandhoudingsdoel is van Natura2000-gebied Duinen Terschelling komt deze al sinds 1995 niet meer als broedvogel op Terschelling voor. Dwergstern, Bontbekplevier, Strandplevier. De karakteristieke strandbroeders zijn eveneens instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen Terschelling. Dwergstern en Strandplevier zijn echter nooit als broedvogel van het gebied vastgesteld.

Van de Bontbekplevier wordt incidenteel broeden vastgesteld aan de binnenzijde van de zeereep tussen paal 16 en paal 18, op meer dan 8 kilometer afstand van de bouwlocatie.

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

17

7.3.4.

Conclusies.

Uit het bovenstaande blijkt dat het wenselijk is de effecten van de uitvoering van het plan op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Duinen Terschelling nader in kaart te brengen. Dit is echter alleen van belang met betrekking tot de habitattypen H2120 – Witte duinen t.m. H2170 – Kruipwilgstruweel, zoals hierboven aangegeven, en het voorkomen van Bruine kiekendief, Tapuit en Rietzanger. Alle andere instandhoudingsdoelen komen voor op een dermate grote afstand van de bouwlocatie dat een effect van de uitvoering van het plan erop op voorhand is uitgesloten. 7.4. Effectanalyse Natura2000. De effecten van de bouw van het in oppervlak uitgebreide strandpaviljoen op de beschermde natuurwaarden. 7.4.1.

Natura2000-gebied Noordzeekustzone.

7.4.1.1. Effecten van de bouw van het paviljoen en de oppervlakte-uitbreiding. Hierboven is vastgesteld dat op de bouwlocatie van het paviljoen zelf geen instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied voorkomen. Daarnaast is geconcludeerd dat de enige instandhoudingsdoelen, die binnen een kilometer afstand van de bouwlocatie voorkomen, zijn: - Habitattype H2110 – Embryonale duinen - Habitattype H1140B – Slik- en zandplaten (getijdengebied). - Drieteenstrandloper De overige instandhoudingsdoelen komen niet voor binnen een afstand van meer dan 1 kilometer. Een negatieve invloed van de bouw van het paviljoen op deze overige instandhoudingsdoelen is op grond van de grote afstand uitgesloten. Dit geldt ook voor de broedvogels Bontbekplevier en Strandplevier. Met betrekking tot de Strandplevier geldt binnen Natura2000-gebied Noordzeekustzone een uitbreidingsdoel. Dit wil zeggen dat er naar wordt gestreefd dat het aantal broedparen op Terschelling gaat toenemen. Om dit doel te kunnen realiseren zijn enkele potentieel geschikte broedgebieden waar de soort nu niet voorkomt tot uitbreidingsgebied benoemd. Deze gebieden liggen op het Noordzeestrand tussen paal 24 en paal 28. Het Noordzeestrand in de directe omgeving van de bouwlocatie geldt niet als uitbreidingsgebied. De bouw staat dan ook niet op gespannen voet met de uitbreidingsdoelstelling voor de Strandplevier.

Habitattype H2110 – Embryonale duinen is in recente tijd sterk tot ontwikkeling gekomen op het Noordzeestrand ten oosten en westen van het paviljoen. De Habitattypenkaart (DLG, 2015) geeft voor dit gebied echter geen terreindelen met het Habitattype weer. In strikte zin, beoordeeld aan de hand van het Beheerplan, zijn de embryonale duinen hier dus niet vastgesteld, en niet beschermd. Omdat de feitelijke situatie inmiddels is veranderd wordt hier toch een effectanalyse m.b.t. habitattype H2110 opgenomen. Het habitattype H1140B komt voor op de overgang van het Noordzeestrand naar zee, tussen de hoogwaterlijn en de laagwaterlijn. Dit is ook het foerageergebied van de Drieteenstrandloper. Beide instandhoudingsdoelen komen derhalve niet in de nabije omgeving van de bouwlocatie voor maar op een afstand van ongeveer 400 meter. Ten behoeve van de bouw van het paviljoen wordt gebruik gemaakt van de openbare strandovergang van Formerum aan Zee. Het paviljoen wordt op een afstand van 40 meter vanaf de duinvoet geplaatst ten westen van de strandovergang. Als gevolg daarvan blijft de invloed van zowel de bouwactiviteiten als van het gebruik van het nieuwe gebouw op de natuurwaarden in de omgeving beperkt tot de locatie zelf en het daaromheen liggende gebied van enkele tientallen meters.

De afstand tot de betreffende instandhoudingsdoelen is dermate groot dat een negatieve invloed op de instandhoudingsdoelen is uitgesloten. Benadrukt wordt dat dit tevens geldt voor habitattype H2110 – Embryonale duinen, dat op de bouwplaats zelf en het aangrenzende strandgedeelte ontbreekt. De conclusie geldt echter alleen indien tijdens de bouw uitsluitend van de strandovergang gebruik wordt gemaakt en verkeersbewegingen ten behoeve van de bouw via het strand worden vermeden. Degelijke verkeersbewegingen zijn echter niet logisch en zullen niet plaatsvinden. De algehele conclusie is dan ook dat de bouw van het in oppervlak uitgebreide paviljoen en het gebruik van het gebouw op de locatie geen negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Noordzeekustzone.

Zumkehr Ecologisch Adviesbureau – Terschelling. Februari 2021.

18

7.4.1.2. Effecten van de jaarrond openstelling en de uitbreiding van het aantal zitplaatsen. Uitgangspunten. De initiatiefnemer heeft aangegeven het paviljoen ook in de winterperiode te willen exploiteren. Tot nu toe was het oude paviljoen alleen in de zomerperiode van 1 april tot 1 november open. De uitbreiding van de openstelling is ten opzichte van de oude situatie een vorm van nieuw gebruik, waarvan de effecten moeten worden getoetst aan de gevolgen voor de instandhoudingsdoelen. Tevens wordt het aantal zitplaatsen van het paviljoen uitgebreid van 350 tot 500. In de zomerperiode leidt dit tot een toename van het aantal bezoekers aan het paviljoen van 150 man. In de winterperiode biedt de jaarrond openstelling tot een maximale toename van het aantal bezoekers van 500 man indien het paviljoen in die periode vol zou zitten. In de praktijk zal dit echter zelden voorkomen. De reguliere openstelling en het reguliere gebruik van het paviljoen in de zomerperiode van 1 april tot 1 november kan worden beschouwd als bestaand gebruik. De effecten ervan worden in kaart gebracht in het beheersplan voor de Natura2000-gebieden dat momenteel door de Dienst Landelijk Gebied (DLG) wordt opgesteld. Het is derhalve niet nodig hier in deze ecologische beoordeling aandacht aan te besteden.

Overigens kan worden toegevoegd dat in het Beheerplan ook een beoordeling wordt gegeven betreffende de aanwezigheid van de paviljoens en de openstelling ervan in de winter. De gevolgen van openstelling in de winterperiode voor de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied Noordzeekustzone. Hiervoor is aangegeven dat in de omgeving van het paviljoen van Formerum aan Zee uitsluitend de volgende instandhoudingsdoelen voorkomen: - Habitattype H2110 – Embryonale duinen - Habitattype H1140 – Slik- en zandplaten. - Drieteenstrandloper Omdat Embryonale duinen niet binnen 50 meter van het paviljoen voorkomen en het paviljoen op een afstand van 400 meter van beide andere instandhoudingsdoelen ligt kan van de openstelling in de winterperiode een negatief effect op de instandhoudingsdoelen worden uitgesloten. Benadrukt moet worden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn met betrekking tot habitattype H2110 – Embryonale duinen, daar deze in de directe omgeving aangrenzend aan het paviljoen niet voorkomen. De toename van het aantal zitplaatsen in het paviljoen en de jaarrond openstelling kan in zeer beperkte mate een toename van de betreding van embryonale duinen in de ruime omgeving van het paviljoen tot gevolg hebben, als bezoekers ook het strand als recreatiegebied gebruiken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Terschelling&id=0451cca1-4896-48b1-b17e-95d8851fc9e1