CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

windturbines - Analyse Externe veiligheid

commissie Omgeving 23 juni 2021, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Informatie uit het college/ de gemeenschappelijke regelingen8.694 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

719081 03-06-2021

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte

Innovarec, Zeeuwind

V2.0

Duurzame oplossingen in energie, klimaat en milieu Postbus 579 7550 AN Hengelo Telefoon (074) 248 99 40

Documenttitel

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte

Soort document

V2.0

Datum

03-06-2021

Projectnummer

719081

Opdrachtgever

Innovarec, Zeeuwind

Auteur

B. Vogelaar, Pondera Consult

Vrijgave

D. Oude Lansink, Pondera Consult

Pondera Consult

INHOUDSOPGAVE Belangrijk: Wijziging inrichting Tevix II

1

Inleiding

3

Interne veiligheid

3

Bepaling windturbines

3

Worst-case windturbine

4

Identificatie objecten

4

Bebouwing

6

Kwetsbare objecten

6

Beperkt kwetsbare objecten

7

Groepsrisico

8

Eigen terrein

8

Ruimtelijke effecten

8

IJsworp, ijsval en kleine incidenten

10

Transportroutes

13

Wegen

13

Individueel passanten en maatschappelijk risico

14

Spoorwegen

15

Waterwegen

16

Risicovolle inrichtingen en installaties

17

Vlaeynatie

17

De Doelder Pallets

18

SFP Zeeland. BV

19

Potentieel toekomstige ontwikkeling waterstof fabriek

20

Analyse toekomstige mogelijkheden risicovolle inrichtingen op haventerreinen

22

Buisleidingen

23

Gasunie buisleiding Z-552-01

23

Groen gas buisleiding

24

Overige leidingen

26

Toekomstige leidingen in leidingstrook

26

Hoogspanningsnetwerk

28

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

2

Conclusie

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

29

Pondera Consult

1

BELANGRIJK: WIJZIGING INRICHTING TEVIX II Er heeft sinds het opstellen van de EV-analyse in de bijlagen een wijziging plaatsgevonden waardoor de zuidelijke windturbine niet langer, zoals in de navolgende EV-analyse in is aangenomen, onderdeel is van de inrichting van Innovarec, maar in een separate inrichting wordt ondergebracht onder de bedrijfsnaam ‘Tevix II’. Overal in de volgende hoofdstukken waar wordt gerefereerd aan ‘windturbine Sagro’ of ‘windturbine Innovarec’, dient daarom te worden gelezen ‘windturbine Tevix II’. De wijziging betekent tevens dat de gebouwen behorende bij Innovarec, in tegenstelling tot in de volgende hoofdstukken aangenomen, wel getoetst dienen te worden in het kader van het Activiteitenbesluit Milieubeheer in relatie tot het onderwerp externe veiligheid. Er zijn 4 gebouwen aanwezig op het terrein. In onderstaand figuur zijn de betrokken gebouwen genummerd. Figuur 1.1 Ligging gebouwen Innovarec B.V. ten opzichte van de risicocontouren

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

2

De gebouwen 3 en 4 zijn gelegen buiten de maximale ligging van de PR10-06 contour en kunnen daardoor ongeacht hun kwetsbaarheid voldoen aan het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Gebouw 2 is actief in gebruik als hoofdgebouw inclusief toegangs-/ontvangstruimte. In gebouw 2 wordt permanente aanwezigheid (tijdens kantooruren) van personeel verwacht. Gezien het gebruik van het gebouw zijn er met zekerheid minder dan 50 man personeel aanwezig in het gebouw. Gebouw 2 kan daarmee gezien worden als een bedrijfsgebouw en is een beperkt kwetsbaar object. Gebouw 2 dient te zijn gelegen buiten de PR10 -05 contour van de windturbine. In onderstaand figuur is zichtbaar dat hieraan kan worden voldaan. Gebouw 1 zal vóór de ingebruikname van de windturbine worden verwijderd.

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

3

INLEIDING Voor de ruimtelijke inpassing van windturbines speelt veiligheid een belangrijke rol. Hoewel het risico laag is, kunnen windturbines omvallen of kunnen onderdelen afbreken. Het effect van de ontwikkeling van twee windturbines op de locaties Sluiskil en de Axelse Vlakte op de veiligheidssituatie van de omgeving wordt beoordeeld aan de hand van een aantal criteria. Deze criteria zijn afgeleid uit wet- en regelgeving en adviezen voor toetsing van beheerders van infrastructurele werken, overheidsorganen of bevoegde gezagen. De criteria hebben betrekking op externe veiligheid en leveringszekerheid. Voor de beoordelingen en criteria per onderwerp en de methodiek van berekenen wordt gebruik gemaakt van de nieuwe handreiking risicozonering windturbines (v1.0) 2020 en de handleiding risicoberekeningen windturbines 2020. Naar deze beide documenten wordt in deze analyse verwezen als het HRW of het Handboek.

Interne veiligheid De interne veiligheid van windturbines is geregeld via de certificering van het ontwerp en de productie. In Nederland mogen alleen windturbines worden geplaatst die gecertificeerd zijn volgens de veiligheidsnormen NVN 11400-0 en aansluitend NEN-EN-IEC 61400. Deze normen bevatten criteria voor veiligheid, geluidemissies en rendement. De keuring volgens deze normen is gericht op een veilige en betrouwbare werking van een windturbine en wordt verricht door een erkend keuringsinstituut. Het windturbineontwerp wordt o.a. gecontroleerd op sterkte van de constructie, elektrische veiligheid, bliksemafleiding en beveiliging tegen te harde wind. De windturbine wordt ook getest. Zo worden er bijvoorbeeld onder verschillende omstandigheden remproeven uitgevoerd. Ook wordt de brandveiligheid van de constructie in de normen behandeld. Voor uitvoering van deze analyse wordt ervan uitgegaan dat de te plaatsen windturbines NEN-EN-IEC-61400 gecertificeerd zijn. Het onderwerp interne veiligheid wordt verder niet geanalyseerd.

Bepaling windturbines De beoogde windturbines hebben een ashoogte van maximaal ca 124,5 meter bij een maximale rotordiameter van 150 meter. Om inzicht te verlenen in de maximale risico’s van windturbines met dergelijke afmetingen worden een aantal windturbinetypes onderzocht. Op grond van deze analyse wordt uitgegaan van windturbines met een maximale ashoogte van 124,5 meter en een maximale rotordiameter van 150,0 meter. De tiphoogte is daarmee maximaal 199,5 meter (minimaal 180 meter). In onderstaande Tabel 2.1 is opgenomen met welke momenteel leverbare voorbeeldwindturbines is gerekend en welke dimensies daarbij horen. Het is mogelijk dat er andere windturbinetypes binnen deze dimensies verkrijgbaar worden/zijn. De verwachting is dat de effecten van deze windturbines niet significant anders zijn.

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

4

Tabel 2.1 Te onderzoeken windturbines en bijbehorende eigenschappen* Ashoogte Fabrikant

Type

Rotordiameter Onderzocht

Beschikbaar

Tiphoogte (max, voor zover passend binnen projectgrenzen)

Vestas

V150-4.2MW

150

120

105/120/155

195,0

Nordex

N149/4500

149

125

105/125/164

199,5

Siemens

SWT-DD-142

142

120

109

191,0

Enercon

E-147

147

126

99

199,5

GE

GE 3.6-137

137

120

110

188,5

Lagerwey

L136-4,5MW

136

120

120

188,0

Vestas

V136-4.2MW

136

120

114

188,0

Vestas

V136-3.6MW

136

120

114

188,0

Van deze windturbines zijn de werpafstanden berekend bij nominaal toerental en bij overtoeren. Hieruit blijkt dat de Nordex N149/4500 de grootste werpafstanden behaald met een nominale werpafstand van 163 meter en een werpafstand bij overtoeren van 424 meter. Dit laatste wordt gezien als de maximale identificatieafstand en wordt gebruikt om te analyseren welke objecten in de omgeving een effect zouden kunnen ondervinden. Alle objecten buiten deze afstand ondervinden volgens het HRW geen significant risico en worden niet onderzocht.

Worst-case windturbine Om inzicht te verlenen wordt een fictieve worst-case windturbine gebruikt. Hierbij wordt uitgegaan van een windturbine met een rotordiameter van 150 meter, een ashoogte van 125 meter en een werpafstand gelijk aan het maximale windturbinetype met een afstand van 163 meter en een identificatieafstand van 424 meter. De eigenschappen van de onderzochte windturbines zijn conservatief en worst-case ingestoken. Toekomstig te ontwikkelen nieuwe windturbinetypes kunnen qua eigenschappen licht afwijken van de hier gehanteerde waarde en gegevens maar zullen in de praktijk altijd tot kleinere effectafstanden leiden als de specifieke windturbine gegevens1 worden gebruikt in de analyses in plaats van de nu gebruikte conservatieve en worst-case uitgangspunten.

Identificatie objecten De identificatieafstand is bepaald op 424 meter. Binnen deze afstand zijn de volgende objecten en infrastructuren geïdentificeerd:

1

•

gebouwen en (beperkt) kwetsbare objecten:

•

lokale wegen;

•

percelen en terreinen van derden, inclusief mogelijke risicovolle installaties / inrichtingen; 

risicovol terrein en gebouwen van Vlaeynatie;

risicovol terrein en gebouwen van De Doelder Pallets;

risicovol terrein en gebouwen van Yara Sluiskil B.V.;

risicovol terrein en gebouwen van SPF Zeeland B.V.

Met name het toerental op nominaal vermogen en de zwaartepuntsafstand van een rotorblad tot het ascentrum zijn in de praktijk lager dan hier worst-case aangenomen. Aanscherping van deze data kan leiden tot kleinere effectafstanden als gehanteerd in deze analyse.

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

5

•

Motorbaan cross terreinen (Door het bevoegd gezag is aangegeven dat dit terrein niet langer actief in gebruik is en tevens niet bestemd is. Dit oude terrein wordt verder niet behandeld in de rapportage);

Autrichehavenweg aan de west- en noordzijde van het terrein van locatie te Innovarec en Finlandweg / Denemarkenweg ten zuiden/westen van de noordelijke windturbinelocatie;

•

Kanaal Sluiskil ten noorden van de noordelijke windturbine;

•

Havenspoorlijnen (doodlopend);

•

Spoorlijn naar Outokumpu (staaltransporten);

Spooraansluiting naar de terminal Vlaeynatie (suiker of bulktransport);

Aardgasbuisleiding van de Gasunie Z-552-01; 

Inclusief twee potentiële bovengrondse installaties (bij Yara Sluiskil en naast de Finlandweg);

•

Groengasleiding ten zuiden van noordelijke windturbine (niet op risicokaart.nl);

•

Ondergrondse hoogspanningsverbindingen van 150 kV van TenneT.

Binnen de identificatieafstand van 424 meter zijn er geen primaire waterkeringen met een normstelling, rijkswegen of snelwegen aanwezig.

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

6

BEBOUWING Kwetsbare objecten Conform de regels in het activiteitenbesluit mogen er geen kwetsbare objecten behorende bij een andere inrichting zijn gelegen binnen de PR10 -06 contour van windturbines. Volgens de vuistregels van de handreiking van het HRW ligt de PR10-06 contour nooit op een grotere afstand dan op een tiphoogte afstand van de windturbine of op de werpafstand bij nominaal toerental indien deze groter is. Voor dit formaat windturbines blijken bij alle windturbines de tiphoogte afstand ruim groter te zijn dan de werpafstanden bij nominaal toerental. De tiphoogte bedraagt maximaal 199,5 meter. Deze afstand is weergegeven op onderstaand figuur. Specifieke PR10-06 contour zijn in de praktijk tot enkele tientallen meters kleiner als de maximale vuistregel. Figuur 3.1 Ligging maximale PR10-6 contour t.o.v. kwetsbare objecten

Er zijn twee objecten (gebouwen) van derden gelegen binnen een afstand van 199,5 meter vanaf de windturbine bij de noordelijke windturbine. Beide gebouwen zijn in gebruik als opslagloodsen aan de Finlandweg 4. Dergelijke gebouwen zijn niet te definiëren als kwetsbare objecten.

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

7

Figuur 3.2 Weergave gebouwen aan Finlandweg 4

De posities van beide windturbines kunnen ook op basis van de vuistregels al voldoen aan de eisen in het activiteitenbesluit milieubeheer ten aanzien van afstand tot kwetsbare objecten.

Beperkt kwetsbare objecten Beperkt kwetsbare objecten behorende bij andere inrichtingen mogen conform het activiteitenbesluit niet zijn gelegen binnen de PR10-05 contouren van de windturbine. Conform het handboek is de PR10-05 contour maximaal gelegen op een halve rotordiameter afstand en bedraagt met een maximale rotordiameter van 150 meter dus hier maximaal 75 meter. Figuur 3.3 laat zien dat er geen beperkt kwetsbare objecten of gebouwen van derden gelegen zijn binnen deze contour. Specifieke PR10-05 contour zijn in de praktijk tot enkele tientallen meters kleiner als de maximale vuistregel. De positie van beide windturbines kunnen ook op basis van de vuistregels al voldoen aan de eisen in het activiteitenbesluit milieubeheer ten aanzien van afstand tot beperkt kwetsbare objecten.

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

8

Figuur 3.3 Maximale ligging PR10-5 contour

Groepsrisico Het Activiteitenbesluit stelt dat het groepsrisico niet wordt beoordeeld bij windturbines, omdat de risico's enkel bestaan uit direct treffen door windturbineonderdelen, zodat het scenario van het treffen van een groter aantal personen bij een calamiteit zich niet voor kan doen. In dit geval is er bovendien te constateren dat er op korte afstand van de windturbines gezien de aanwezige ruimtelijke bestemmingen (bedrijventerrein) en de positionering van de windturbines geen langdurige aanwezigheid van grote groepen mensen verwacht wordt.

Eigen terrein Voor de zuidelijke windturbine zie hoofdstuk 1. Bij de noordelijke windturbine worden geen activiteiten op het eigen terrein (agrarisch gebied met extensieve aanwezigheid personeel) verwacht waarbij advisering van maatregelen benodigd zijn.

Ruimtelijke effecten Naast effecten op de huidige bebouwing en omgeving kan de plaatsing van een windturbine ook invloed hebben op mogelijk toekomstig gebruik van de omgeving. Figuur 3.4 laat zien dat er rondom de zuidelijke windturbinelocatie enkel sprake is van het besluitvlak “Bedrijventerrein – Haven – B” waarbij geen nieuwe bedrijfswoningen worden toegestaan (artikel 6.2.1 lid b.) en geen nieuwe kwetsbare objecten (artikel 6.2.1 lid e) worden toegestaan. Wel toegestaan zijn beperkt kwetsbare objecten en alle kade- of havengebonden bedrijven en overige

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

9

voorzieningen. Dit betekent dat binnen de blauwe zone er vanuit de windturbine geen additionele beperkingen aan de ruimtelijke mogelijkheden ontstaan buiten de eigen inrichting omdat binnen het geldende besluitvlak al reeds geen kwetsbare objecten zijn toegestaan. Er zijn tevens geen beperkingen in ruimtelijke mogelijkheden voor beperkt kwetsbare objecten omdat de rode zone beperkt blijft tot de eigen inrichting waarbinnen de windturbine zich zal bevinden2. Aan de westkant en zuidkant van de noordelijke windturbinepositie is ook het besluitvlak “Bedrijventerrein – Haven – B” aanwezig waar een gelijke situatie aanwezig is. Bij de noordelijke windturbinepositie zijn tevens nog de volgende bestemmingen aanwezig: Binnen de PR10-05 contour: •

Agrarisch; 

Er zijn geen gebouwen mogelijk binnen deze bestemming buiten de aangegeven bouwvlakken. De bouwvlakken zijn niet aanwezig binnen de PR10-05 contour. Er is op de bestemming geen mogelijkheid om beperkt kwetsbar objecten te realiseren.

•

Groen met besluitsubvlak ‘voormalige vuilstort’; 

Op deze bestemming is de realisatie van ‘niet voor bewoning bestemde gebouwen’ mogelijk mits deze worden gebruikt voor: −

aan- en afmeer plaatsen ten behoeve van de beroepsvaart, voor zover gesitueerd langs het kanaal van Gent naar Terneuzen;

−

bermen en bermsloten;

−

groenvoorzieningen;

−

nutsvoorzieningen;

−

ontsluitingswegen;

−

voet- en fietspaden;

−

water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Binnen dit aangegeven gebruik is het onwaarschijnlijk om op de vuilstortplaats gebouwen te realiseren in de zuidelijke zone van het perceel waar de PR10-05 contour van de windturbine ligt. Geadviseerd wordt om de ontwikkeling van beperkt kwetsbare objecten in deze zone binnen de maximale ligging van de PR10-05 contour te voorkomen.

Binnen de PR10-06 contour: •

Agrarisch;

•

Groen met besluitsubvlak ‘voormalige vuilstort’;

•

Verkeer;

•

Leiding;

Voor de bestemmingen binnen de PR10-06 contouren geldt dat realisatie van kwetsbare objecten is uitgesloten gezien het bedoelde gebruik van de bestemmingen. Ontwikkeling risicovolle inrichtingen en installaties:

2

Aan de noordkant van de zuidelijke windturbine is een hoekje met een maximaal oppervlakte van <5 m2 gelegen wat nog over een perceel van derden valt binnen de PR10-05 contour; gelegen maximaal 2 meter uit de perceelgrens. In de bestemming staat echter aangegeven dat: “de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 5 m bedragen;”. Deze overlap zorgt daarmee niet voor een beperking van de mogelijkheden.

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

10

De ontwikkeling van risicovolle inrichtingen of installaties in de omgeving is conform de beheer verordening alleen mogelijk na verantwoording aan het groepsrisico en onderzoek naar de te ontwikkelen PR10-06 contour van de nieuwe risicovolle inrichting of installatie. Bij plaatsing binnen de identificatieafstand van de windturbine (zie paragraaf 5) dient er bij deze analyses rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de windturbine bij de bepaling van de risico’s. Hoofdstuk 5 geeft tevens aan dat ontwikkelingen van nagenoeg alle risicovolle installaties en inrichtingen buiten onderstaande blauwe contour goed mogelijk zijn. De risico’s voor reeds aanwezige risicovolle installaties wordt in dit hoofdstuk omschreven. In paragraaf 5.4 wordt aandacht besteedt een mogelijke ontwikkeling van een waterstoffabriek in combinatie met de aanwezigheid van de noordelijke windturbine. Figuur 3.4 Weergave ruimtelijke planzones nabij windturbinelocaties

De huidige positionering van de windturbine zorgt niet voor directe belemmering van de ruimtelijke mogelijkheden in relatie tot het onderwerp veiligheid en bebouwing.

IJsworp, ijsval en kleine incidenten In het Besluit algemene regels inrichtingen Milieubeheer (Barim)3, ook wel Activiteitenbesluit genoemd, is onder andere geregeld hoe vaak een windturbine moet worden gecontroleerd en wanneer een windturbine wel of niet in werking mag zijn. Zo mag bijvoorbeeld een windturbine niet in werking worden gesteld indien een zodanige ijslaag is afgezet op de rotorbladen dit een risico vormt voor de veiligheid van de directe omgeving. Een zone van een halve rotordiameter plus 11 meter vormt het grootste risicogebied voor vallend ijs en/of kleine onderdelen zoals 3

Activiteitenbesluit milieubeheer, van 19 oktober 2007, met wijzigingen, geldend tot 30-11-2015, te raadplegen via: http://wetten.overheid.nl/BWBR0022762/geldigheidsdatum_30-11-2015.

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

11

moeren en bouten. Bij moderne windturbines kan door middel van ijsdetectiesystemen de windturbine automatisch stilgezet worden om zo de risico’s van ijsworp te beperken tot een klein gebied.

Zuidelijke turbine De kans bestaat dat in de huidige situatie op het omliggende terrein van Innovarec een persoon aanwezig is onder de locatie van het rotorblad tijdens de specifieke weersomstandigheden waarbij gevaarlijke hoeveelheden ijsafglijding op kan treden. Om deze risico’s verder te minimaliseren en om mogelijke schade aan het Innovarec terrein te voorkomen zal een ijsdetectie systeem worden geïnstalleerd. Indien het buurperceel in gebruik wordt genomen met activiteiten die gevoelig kunnen zijn voor ijsval (bijvoorbeeld zonnepanelen / kassen) dan wordt geadviseerd om de rotor tijdens ijsvormende condities in een veilige positie te draaien. Figuur 3.5 Zone met mogelijk risico op ijsworp

Noordelijke turbine Er zijn geen objecten van derden in de nabije omgeving aanwezig die gevoelig kunnen zijn voor ijsworp. Er zijn daarmee geen nadere eisen of regels benodigd om de omgeving te beschermen tegen ijsworp buiten de huidige regels in het geldende activiteitenbesluit.

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

12

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

13

TRANSPORTROUTES Plaatsing van windturbines nabij transportroutes (waterwegen, rijkswegen of spoorwegen) van nationaal formaat is alleen mogelijk wanneer uit nader onderzoek blijkt dat geen onaanvaardbaar verhoogd risico voor de verkeersveiligheid bestaat. Hierbij kan getoetst worden aan de normen voor het IPR en MR die Rijkswaterstaat hanteert. IPR staat voor Individueel Passanten Risico en geeft de overlijdenskans per passant per jaar aan. Het MR staat voor Maatschappelijk Risico en is een maat voor het verwachte aantal doden per jaar, als het product van het verwachte aantal slachtoffers per passage en het aantal passages per jaar. Voor niet-Rijkswaterstaatroutes zijn er geen algemene beleidsregels van toepassing. Lokale overheden of bevoegde gezagen over deze wegen kunnen een eigen afweging maken maar hiervoor gelden voor windturbines geen vastgelegde regels. Om inzicht in de effecten te kunnen geven wordt aangesloten bij de normstellingen van Rijkswaterstaat. Onderstaande kaart geeft overzicht van de routes binnen de identificatieafstand van 424 meter (maximale werpafstand bij overtoeren). Figuur 4.1 Weergave Identificatieafstand windturbine.

Wegen Er zijn geen wegen van Rijkswaterstaat of wegen van nationaal belang aanwezig binnen de identificatieafstand. De grootste doorlopende weg betreft de Autrichehavenweg op een afstand van circa 270 meter van de zuidelijke windturbine. Bij de noordelijke windturbine zijn twee wegen aanwezig voor bestemmingsverkeer waarbij de Denemarkenweg is gelegen op 130 meter en de Finlandweg is gelegen op 145 meter. De weg bij de zuidelijke windturbine ligt hiermee buiten de tiphoogte en buiten de werpafstand bij nominaal toerental en kan daarmee

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

14

alleen een risico ondervinden bij het faalscenario bladworp bij overtoeren. De kans op optreden van dit uitzonderlijke faalscenario zijn zodanig klein dat de risico’s bij voorbaat verwaarloosbaar klein zullen zijn voor passanten en eventuele gevaarlijke transporten op de lokale weg. Voor de noordelijke windturbine wordt een berekening van het individueel passanten risico en het maatschappelijk risico uitgevoerd. De berekende waarde voor de Denemarkenweg op 130 meter kan ook gebruikt worden voor de beoordeling van de Finlandweg op 145 meter.

Individueel passanten en maatschappelijk risico Voor de lokale wegen die gelegen zijn binnen de identificatieafstand is de trefkans bepaald. Wanneer de trefkans van de tracés wordt vermenigvuldigd met de verblijfstijdfactor van één voertuig kan de trefkans van één voertuig op deze lokale wegen worden berekend. Voor de verblijfstijdfactor is uitgegaan van voertuigen die 80 km/u rijden, een lengte hebben van 12 meter en een breedte van 3,5 meter. Tabel 4.1 Eigenschappen voertuig ten behoeve van berekeningen Eigenschap

Waarde

Eenheid

Lengte van voertuig

12

[m]

Breedte van voertuig

3,5

[m]

Remweg van voertuig

25

[m]

Snelheid van voertuig

80

[km/uur]

Snelheid van voertuig (2)

22,2

[m/s]

Aantal passages max individu

500

[#/jaar]

Personen per voertuig

1,6

[#/voertuig]

Ashoogte

124,5

[m]

Lengte van rotorblad (1/2 van RD)

75

[m]

Trefkans Pzwpt rotorblad

6,0 x 10-09

[#/m2]

Voor voertuigen op de Denemarkenweg is een trefrisico voor een geheel voertuig bepaald van 2,1 x 10-11 per passage. Uitgaande van 500 passages in een jaar voor het maatgevende individu is dit een individueel passantenrisico (IPR) van 1,0 x 10 -08. Dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal IPR van 1 x 10 -06 per jaar. Verder betekent dit dat er meer dan 60 miljoen passages op dit tracé moeten voorkomen om in de buurt te komen van de normstelling die Rijkswaterstaat bijvoorbeeld voor het Maatschappelijk Risico (MR) hanteert voor snelwegen van 2 x 10-03. Van dergelijke verkeersintensiteiten is op dit wegdeel van de Denemarkenweg of de Finlandweg zonder doorgaand verkeer met zekerheid geen sprake. De meest dichtbijgelegen weg waar de verkeersintensiteiten van bekend zijn betreft de doorlopende industrieweg waar sprake is van maximaal 1,7 miljoen verkeerspassages per jaar4.

4

Gebaseerd op Verkeersintensiteiten werkdag x 250 + 70% werkdag x 115 van 4.100 en 2.600 VTE voor de Industrieweg verkregen uit de Dataset Verkeersintensiteiten hoofdwegen Zeeland via: https://data.overheid.nl/dataset/8888be42-6a5d-47cb-959b-a03ce22dab11

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

15

De Finlandweg op een grotere afstand ondervind een vergelijkbaar risico en voldoet daarmee ook ruim aan de normstelling die voor Rijkswegen geldt.

Spoorwegen Binnen de identificatieafstand zijn spoorwegen aanwezig die in gebruik zijn als havenspoorwegen. Er vindt geen personentransport plaats op deze tracés. De spoorwegen op de Axelse Vlakte zijn wel aangewezen als hoofdspoorwegen volgens het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen. De spoorweg bij de zuidelijke windturbine bevindt zich op meer dan 282 meter afstand. Deze spoorlijn kan enkel worden getroffen door het faalscenario bladworp bij overtoeren. De kans van optreden en kans van treffen zijn zodanig laag dat er geen sprake is van een significante risicotoevoeging. Bij de noordelijke windturbine is de meest dichtbijgelegen spoorverbinding langs de Finlandweg gelegen op een afstand van 164 meter uit het hart van het spoor. De plaatsing van de windturbine kan ruim voldoen aan vergunning grens op 11 meter + halve rotordiameter. Er is geen vergunning vanuit de spoorwegbeheerder benodigd. Het plaatsingsadvies van ProRail is 7,85 meter + halve rotordiameter waaraan ook ruim kan worden voldaan. Omdat de spoorlijn aanwezig is binnen de tiphoogteafstand van de noordelijke windturbine wordt het individueel passanten risico en het maatschappelijk risico berekend. Tabel 4.2 Eigenschappen trein ten behoeve van berekeningen Eigenschap

Waarde

Eenheid

Lengte van voertuig

200

[m]

Breedte van voertuig

3,5

[m]

Remweg van voertuig

300

[m]

Snelheid van voertuig

80

[km/uur]

Snelheid van voertuig (2)

22,2

[m/s]

Aantal passages max individu

500

[#/jaar]

Personen per voertuig

4

[#/voertuig]

Ashoogte

124,5

[m]

Lengte van rotorblad (1/2 van RD)

75

[m]

Trefkans Pzwpt rotorblad (overtoeren)

1,0 x 10-11

[#/m2]

De trefkans van de gehele trein per passage bedraagt 2,1 x 10 -11. Bij 500 passages voor het maatgevende individu komt dit uit op een IPR van 1,0 x 10-08 per jaar. Dit is ruim beneden de normstelling van maximaal IPR van 1 x 10-06 per jaar. Verder betekent dit dat er meer dan 13 miljoen treinpassages op dit tracé moeten voorkomen om in de buurt te komen van de normstelling voor het Maatschappelijk Risico (MR) hanteert voor snelwegen van 2 x 10-03.

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

16

Waterwegen Het zijkanaal C bevindt zich op circa 278m afstand vanaf de noordelijke windturbine. Deze waterweg kan daardoor enkel geraakt worden door het faalscenario bladworp bij overtoeren. Zijkanaal C is op dit gedeelte een CEMT-klasse II vaarweg geschikt voor schepen tot 55 meter en 6,6 meter breed. De trefkans van een dergelijk schip is 2,2 x 10-13 per passage waarmee het IPR bij 500 passages: 1,1 x10-10 wordt. Dergelijke risico’s zijn met zekerheid verwaarloosbaar klein.

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

17

RISICOVOLLE INRICHTINGEN EN INSTALLATIES Om inzichtelijk te maken of er sprake kan zijn van additionele risico’s voor industrie en risicovolle inrichtingen en installaties in de omgeving van de windturbine wordt een identificatieafstand gebruikt om de maximale effecten van een windturbine inzichtelijk te maken. De identificatieafstand is de maximale effectafstand waar een windturbine nog een risico kan veroorzaken. Deze afstand komt voort uit het faalscenario bladworp bij overtoeren wat wordt conform het handboek risicozonering windturbines 2014 (v3.1) wordt vastgesteld door de bladworpafstand te berekenen bij een toerental met een snelheid van 2x het nominale toerental. De maximale identificatieafstand van alle opstellingsalternatieven is ~424 meter voor een windturbine met de betrokken afmetingen. De terreingrens van de risicovolle inrichting van Yara Sluiskil is gelegen binnen de identificatieafstand maar er zijn geen installaties of objecten gelegen binnen deze zone aan de rand van het terrein van Yara Sluiskil. Er is geen sprake van een te beoordelen effect op dit terrein. De andere terreinen worden per paragraaf besproken. Figuur 5.1 Weergave risicovolle inrichtingen in de omgeving windturbine

Vlaeynatie Zoals weergegeven in bovenstaand figuur ligt het terrein van Vlaeynatie binnen de identificatieafstand. Het terrein ligt buiten de tiphoogte (199,5 meter) afstand waardoor de installaties op dit terrein enkel geraakt kunnen worden door het scenario bladworp bij overtoeren. Dit faalscenario heeft een zeer kleine kans van optreden en een zeer grote mogelijke effectzone. Dit betekent dat de kans op raken van één locatie binnen dit gebied zeer klein is. De trefkansen van een installaties op het terrein van Vlaeynatie zullen dan ook verwaarloosbaar klein zijn. Om dit aan te tonen is een voorbeeldberekening gemaakt van een typerende risicovolle installatie op de meest nabijgelegen potentiële locatie op het terrein.

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

18

Conform de risicokaart5 is het terrein van Vlaeynatie een PGS-15 opslaglocatie en terrein voor opslag van meststoffen. Er is op het moment van schrijven van deze analyse geen openbaar beschikbare QRA aanwezig waar we voor de beoordeling van de potentiële effecten op kunnen aansluiten. Tevens geeft de risicokaart geen informatie over de plaatsing van de risicovolle installaties. Om de maximale trefkansen voor één installatie te kunnen berekenen gaat deze analyse daarom uit van een conservatieve aanname door een object gelegen op de eerste afstand tot het terrein waar een nieuwe opslagtank nog zou kunnen worden geplaatst op een afstand van 293 meter te beoordelen6. Rondom de locatie van de installatie wordt een trefzone van 2/3e bladlengte (= 50 meter) aangehouden om de maximale mogelijke effecten inzichtelijk te maken. Voor de hoogte wordt uitgegaan van 10 meter waarmee de trefzone wordt vergroot met 10 meter extra in de richting van de werprichting. Uitgaande van een lengte en breedte van maximaal 50 meter voor een individuele installatie is de trefkans in lengterichting van het gebied tussen 243 en 353 meter voor de onderzochte windturbine conform het kogelbaanmodel zonder luchtkrachten 18,3%. De werprichting heeft een hoek van 29 graden. Uitgaande van een uniforme werprichting is de kans op bladworp in deze richting 8,1%.

De trefkans voor de gehele geprojecteerde risicovolle installatie van 50 x 50 x 10 meter bedraagt daarmee met een faalfrequentie voor het scenario bladworp bij overtoeren van 5x10-6 in totaal: 0,183 x 0,081 x 5x10-06 = 7,3 x 10-08 per jaar. Dit betekent dat de windturbine aan een aanwezige PR10-6 contour van een installatie van 50x50 meter in het ergste geval maximaal +7,3% bijdraagt indien er een PR10-6 contour aanwezig zou zijn. Deze toevoeging is kleiner dan 10% waarmee de risico toevoeging van de windturbine als verwaarloosbaar kan worden gezien (zie ook voetnoot onderaan deze pagina). De eerste bestaande grote (onbeschermde) silo van Vlaeynatie bevindt zich op een afstand van 446 meter vanaf de windturbine en ligt dus buiten de identificatieafstand. Afhankelijk van het formaat en de gewenste posities van de nieuw te ontwikkelen risicovolle installaties kan gekeken worden of er sprake is van een significante risicotoevoeging. Hierbij kan ook rekening worden gehouden met de werkelijke eigenschappen van het te bouwen windturbinetype in plaats van de conservatieve worst-case aannames die nu zijn gehanteerd voor de optredende risico’s.

De Doelder Pallets Het terrein van De Doelder Pallets is gelegen op een afstand van 141 meter vanaf de windturbine. Dit betekent dat het terrein getroffen kan worden door een meevallend rotorblad bij mastfalen of door een geworpen rotorblad tijdens nominaal toerental en overtoeren. Het terrein kan niet getroffen worden door de mast, de gondel of gondelonderdelen. De inrichting van De Doelder Pallets is aangewezen als risicovol omdat er buitenopslag aanwezig is van brandbare vaste stoffen (3.575 m2). Er is geen PR10-06 contour aanwezig.

5 6

www.risicokaart.nl, geraadpleegd op 16-04-2018. Installatie gelegen binnen in het gebouw zullen een lagere risico ondervinden van een windturbine door afscherming van het gebouw zelf. Hierdoor zou alleen direct treffen een significant gevolg kunnen veroorzaken terwijl in de buitenlucht zowel direct als indirect treffen tot significante gevolgen zou kunnen leiden.

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

19

Figuur 5.2 Weergave locatie De Doelder Pallets i.r.t windturbines

Bij het falen van de windturbine kunnen de pallets op het terrein worden geraakt door een meevallend rotorblad of een geworpen rotorblad. Een dergelijk incident zal echter niet leiden tot een brandbare scenario waardoor de impact van de windturbine op deze inrichting niet zorgt voor een verhoogd risico voor de omgeving. De inrichting van De Doelder Pallets kan beoordeeld worden op zijn kwetsbaarheid conform de daarvoor geldende regels voor beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten (zie paragrafen 3.1 en 3.2). De kans dat ergens een oppervlakte van het terrein wordt getroffen door een zwaartepunt van een rotorblad is berekend op 6,3 x 10 -05 per jaar. Deze trefkans leidt niet tot een significant verhoogd risico voor de omgeving. Er is geen verhoogd veiligheidsrisico voor de omgeving als gevolg van de aanwezigheid van de windturbine.

SFP Zeeland. BV Op 345 meter van de noordelijke windturbine ligt het terrein van SFP Zeeland BV. Deze risicovolle inrichting bevat een Ammonniakkoelinstallatie (Machinekamer) met 1.400 kg NH 3. Voor koelinstallaties tussen de 200 en de 1.500 kg is geen RP10-06 van toepassing. Daarnaast is een biogasopslag van 10.000 m3 aanwezig met een generieke PR10-06 risicocontour van 95 meter. De inrichting ligt enkel binnen de effecten van het faalscenario van bladworp bij overtoeren. Het grootste object betreft het gebouw op het terrein wat tevens het meest dichtbij op 359 meter is gelegen.

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

20

Figuur 5.3 Weergave effectafstanden in relatie tot SPF Zeeland locatie

Er wordt rekening gehouden met een trefzone van 2/3 e bladlengte rondom het object. De werprichting bij bladworp bedraagt 18,6 graden (5,2%) en de werpafstand bedraagt tussen de 308 en 424 meter (32,4%). Met een kans van optreden van bladworp tijdens overtoeren van 5x10-06 per jaar is de trefkans maximaal 8,4 x 10-08 voor het grootste object (76x20m) op het terrein. Dit betekent dat voor alle objecten op het terrein geldt dat de trefkans minder is dan <10% van een eventuele aanwezige risicocontour. De trefkansen van het faalscenario bladworp bij overtoeren kunnen als verwaarloosbaar worden beschouwd in het licht van de reeds aanwezige risico’s van de inrichting van SFP Zeeland BV.

Potentieel toekomstige ontwikkeling waterstof fabriek Op 11 mei 2021 is berichtgeving geplaatst op de website van North Sea Port (beheerder van het haventerrein) dat een samenwerkingsovereenkomst is getekend voor de realisatie van een groene waterstoffabriek van VoltH2 in Terneuzen. De waterstoffabriek lijkt vooralsnog beoogd op een perceel ten zuiden van de noordelijke windturbine. Om inzichtelijk te maken of deze beide ontwikkelingen samen kunnen gaan is een korte analyse in deze paragraaf gemaakt. Uit het aangegeven perceel in het kadaster blijkt dat het terrein enkel geraakt kan worden door een meevallend rotorblad bij mastfalen en een bladworpsituaties tijdens overtoeren. Het gedeelte wat geraakt kan worden door een deel van een rotorblad bij mastfalen is gelegen over circa 1.496 m2 aan hoekpunten van de beschikbare 29.045 m2 aan oppervlakte (zie Figuur 5.4).

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

21

Figuur 5.4 Weergave locatie waterstoffabriek i.r.t windturbinepositie

Indien risicovolle installaties geplaatst worden binnen dit gebied dan dient extra aandacht te worden besteedt aan de mogelijke verhogende risico’s als gevolg van de aanwezigheid van de windturbine. Omdat het in dit gebied enkel gaat om treffen door meevallende delen van een rotorblad (het zwaartepunt van het rotorblad valt buiten de inrichting) kunnen de aanwezige installaties mogelijk ook beschermd worden tegen een eventuele impact van een partieel rotorblad. Er is dan geen significante risicotoevoeging zelfs bij plaatsing van een installatie binnen deze zone. Voor objecten of installaties van de waterstoffabriek gelegen buiten de tiphoogteafstand van 199,5 meter (oranje lijn) geldt dat deze enkel geraakt kunnen worden in een situatie van bladworp bij overtoeren. In paragraaf 5.5 wordt aangetoond dat objecten tot een formaat van 65 bij 65 bij 5 meter een trefrisico ondervinden wat minder is dan 10% van een eventueel aanwezige PR10-06 risicocontour. Daarmee kan gesteld worden dat vrijwel alle risicovolle installaties die zelf een intrinsieke PR10-06-contour veroorzaken een verwaarloosbare risicotoevoeging verkrijgen binnen de zone vanaf tiphoogteafstand (199k5m) tot aan de maximale bladworpafstand bij overtoeren (424m).

Uit het huidige gepresenteerde (niet definitieve) ontwerp van de waterstoffabriek blijkt dat het de intentie is om risicovolle installaties buiten de tiphoogteafstand te plaatsen. Dit is zichtbaar in Figuur 5.5.

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

22

Figuur 5.5 Uitsnede van website North Sea ports7

NB: Het terrein waarde contour van de tiphoogteafstand overheen ligt lijkt niet ingericht te worden voor installaties.

Op basis van de huidige plannen en de omschreven situatie kan geconcludeerd worden dat de twee ontwikkelingen op de aangegeven percelen goed gecombineerd kunnen worden zonder dat dit een significante verslechtering voor de veiligheid van de omgeving oplevert. Wanneer meer bekend wordt over de invulling van het terrein van de waterstoffabriek kan deze analyse opnieuw uitgevoerd worden.

Analyse toekomstige mogelijkheden risicovolle inrichtingen op haventerreinen Na overleg met North Sea Ports is nader onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van de ontwikkeling van risicovolle installaties en inrichtingen op de haventerreinen. De effecten zijn omschreven in de memo: “Analyse risicovolle installaties nabij windturbines Axelse Vlakte” v1.0 van 27 augustus 2020”. Hieruit blijkt dat buiten een tiphoogteafstand vanaf de windturbines installaties tot een formaat van 65 bij 65 meter een maximale trefkans ondervinden van minder dan 10% van het eigen risico (indien een PR10-06 contour aanwezig is) en dat deze dominorisico’s als verwaarloosbaar klein kunnen worden beschouwd. Voor risicovolle installaties binnen de tiphoogteafstand kan er sprake zijn van een significante risicotoevoeging waar rekening mee moet worden gehouden bij de realisatie en kwantitatieve risico berekeningen van de beoogde risicovolle objecten. Gezien de bestemmingsplanmogelijkheden in de nabij omgeving zijn er echter met zekerheid binnen 500 meter afstand vanaf deze terreinen geen kwetsbare objecten aanwezig. Dit betekent dat risicovolle installaties met maximale effectafstanden tot 500 meter vanuit het oogpunt externe veiligheid ook bij plaatsing binnen een tiphoogteafstand vanaf de windturbine mogelijk kunnen zijn.

7

Afkomstig van: https://www.northseaport.com/volth2-en-virya-energy-tekenensamenwerkingsovereenkomst-voor-de-ontwikkeling-van-een-groene-waterstoffabriek-in-north-sea-port op 26 mei 2021

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

23

BUISLEIDINGEN Gasunie buisleiding Z-552-01 Bij de zuidelijke windturbine zijn er geen buisleidingen met gevaarlijke inhoud aanwezig binnen de identificatieafstand. De noordelijke buisleiding ligt bij een leidingstrook waarin meerdere leidingen aanwezig zijn waaronder een buisleiding met aardgas van de Gasunie: Z-552-01 op een afstand van 136 meter vanaf de windturbine. De buisleiding bevindt zich daarmee binnen de toetsafstand van 199,5 meter vanaf de windturbine. De Handleiding Risicobeoordeling Windturbines geeft aan dat overleg met de Gasunie benodigd is. Dit overleg heeft plaatsgevonden en er is gezocht naar geschikte oplossingen die risico’s voor de omgeving minimaliseren. In de rapportage “Analyse EV effecten WTG Sluiskil op infrastructuur van de Gasunie” v4.0 van 28 mei 2020 is omschreven hoe er kan worden omgegaan met de ligging van de risicovolle buisleiding nabij de windturbine (zie ook voetnoot). De initiatiefnemers van de windturbine willen zich zo veel als mogelijk conformeren aan het beleid wat de Gasunie heeft aangegeven inzake de plaatsing van windturbines nabij hun gasinfrastructuur. Om daaraan te kunnen voldoen wordt voorgesteld om lokaal boven de huidige buisleiding de gronddekking te verhogen over het tracé wat mogelijk geraakt kan worden door de windturbine bij de faalscenario’s mastfalen en bladworp bij nominaal toerental.

Dit betekent dat over een lengte van maximaal 100 meter buisleiding een talud met grond dient te worden toegevoegd. De Gasunie heeft de ligging van de buisleiding nagemeten en heeft intern berekeningen gedaan aan de benodigde gronddekking om het ontstaan van een PR10 -06 contour te kunnen voorkomen. De Gasunie heeft aangegeven dat een additionele gronddekking van maximaal 1,0 meter voldoende zou zijn bij de onderzochte worst-case windturbine8. Om de volledige verticale cirkel van de kritische afstand rondom het hart van de buisleiding af te dekken dient het talud circa 4 meter breed te zijn met taludhoeken van 45 graden. Uitvoering van deze oplossing betekent dat het vallende gewicht van een rotorblad niet langer kan zorgen voor schade aan de buisleiding. Afhankelijk van de eigenschappen van het te kiezen windturbinetype kan minder gronddekking benodigd zijn. In overleg met de Gasunie wordt voor uiteindelijk voor de te realiseren windturbine onderzocht welke gronddekking op welke plek benodigd is om toegevoegde significante risico’s als gevolg van de aanwezigheid van de windturbine te kunnen voorkomen. Door de toepassing van de mitigerende maatregel wordt ook in de nieuwe situatie bij plaatsing van de windturbine geen extra risico toegevoegd aan de buisleiding. De situatie blijft gelijk aan de huidige situatie.

Er blijft gelijk aan de huidige situatie een PR10 -08 contour aanwezig en er blijft geen sprake van een significant groepsrisico. Het aanbrengen van de gronddekking voorkomt de komst van een PR10 -06 contour van de buisleiding waarmee dit risico niet optreedt. De situatie kan daarmee na uitvoering van de mitigerende maatregel van extra gronddekking ruim voldoen aan het eigen beleid van de Gasunie inzake windturbines nabij ondergrondse buisleidingen.

Dit is omschreven in de notitie: “Omschrijving maatregel gronddekking buisleiding bij windturbine veiligheidsrisico’s” v2.0 van 28 mei 2020 8

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

24

Bij uitvoering van de benodigde gronddekking ontstaat er geen significant risico voor de omgeving.

Groen gas buisleiding Ten zuiden van de noordelijke windturbinepositie ligt een groengas buisleiding. Deze buisleiding wordt in de toekomst mogelijk door de Gasunie overgenomen. Met zowel de beheerder als Gasunie is contact geweest over de ligging van deze leiding. Het betreft een kleinere buisleiding met een diameter van 114,3 mm en een ontwerpdruk van 40 BAR. De beoogde windturbine zou zijn gelegen op een afstand van 143 meter vanaf de buisleiding. Op deze afstand zou de buisleiding beschadigd kunnen raken door een vallend rotorblad bij een faalscenario van mastfalen dat (gele cirkel) of door een rotorblad bij het faalscenario bladworp bij nominaal toerental (lichtblauwe cirkel). Een buisleiding kan ook uit zichzelf ontploffen en is daarmee een risico voor de lokale omgeving rondom de buisleiding. Dit risico van ontploffing of lekkage van de buisleiding kan vergroot worden indien er rekening wordt gehouden met de extra kans op schade die een windturbine hieraan toevoegt. Figuur 6.1 Weergave Groengas buisleiding i.r.t windturbinepositie

Het maximale risico wat rondom een buisleiding mag optreden is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BevB). Hierin staat omschreven dat er geen ‘kwetsbare objecten’ (grenswaarde) of ‘beperkt kwetsbare objecten’ (richtwaarde) mogen zijn gelegen binnen de PR10-06 contouren rondom de buisleiding. In de Kwantitatieve risico analyse (QRA9) die bij de aanleg van de groengasleiding is gemaakt is te zien aan de maximale effectafstanden 9

Bron: Kwantitatieve risicoanalyse aansluitleiding groengas te Westdorpe van DNV GL d.d. 30-01-2018

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

25

dat de hier genoemde risicocontour van de PR10 -06 maximaal kan toenemen tot een afstand van 40 meter. Het is onmogelijk dat de buisleiding een grotere effectafstand krijgt dan deze afstand van 40 meter. Binnen deze afstand van 40 meter rondom het buisleidingtracé (rood gestreepte pilvormige zone) wat geraakt kan worden door de windturbine zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig. Binnen de afstand van 40 meter bevindt zich maximaal nog vijf meter bedrijventerrein, dit terrein mag volgens het bestemmingsplan niet gebruikt worden voor de bouw van gebouwen (eerste vijf meter tot perceelgrenzen is uitgesloten voor bebouwing). Dit betekent dat zelfs indien de risicotoevoeging van de windturbine heel groot zou zijn ten opzichte van het risico zonder windturbine dat er dan nog geen sprake is van overschrijding van de veiligheideisen in het BevB van de bestaande groengas buisleiding. Om inzichtelijk te krijgen hoe groot het toegevoegde risico van de windturbines is kan een trefkansanalyse worden uitgevoerd. Op basis van een trefkansanalyse blijkt de kans dat de buisleiding wordt geraakt door de windturbine cumulatief maximaal 2,5 x 10-5 per jaar (eens per 40.000 jaar) is over een tracélengte van 91 meter buisleiding. Dit kan vergeleken worden met de eigen faalfrequentie van een buisleiding om te analyseren hoe hoog dit risico is.

De faalfrequentie van de bestaande groengasleiding is niet bekend. Deze informatie is benodigd om de ligging van de nieuwe PR-contouren te kunnen bepalen. Afhankelijk van de hoogte van de faalfrequentie van de buisleiding (als WT-risico groter is dan 10%) kan de Gasunie de nieuwe ligging van de PR-contouren bepalen na toevoeging van het windturbine risico. Deze risicoverhoging kan zorgen voor een toename van de PR contouren. Indien in de toekomst de buisleiding vervangen of gewijzigd moet worden dan gelden er nieuwe eisen uit het BevB. In dit geval dient de buisleiding te voldoen aan een maximale ligging van de PR10 -06 contour binnen vier meter vanaf de buisleiding. Dit kan worden bereikt door bij de vervanging of wijziging van de buisleiding de buisleiding dieper te leggen (circa 1,9m dieper) of van een sterker materiaal te maken of andere veiligheidsmaatregelen t.z.t. te treffen. Naast de risico effecten die lokaal kunnen optreden zorgt het trefrisico op de buisleiding nog voor een effect op de betrouwbaarheid van de groengaslevering. De kans op een ongeval is ingeschat op maximaal ééns in de 40.000 jaar. Dit risico kan afgezet worden tegen de gewenste betrouwbaarheid van de levering van gas aan de beheerder over dit buisleidingtracé.

De huidige positie van de windturbine is zodanig gekozen dat er binnen het beschikbare perceel zo min mogelijk risico optreedt voor de noordwestelijke gelegen buisleiding van de Gasunie en de zuidwestelijk gelegen groengas buisleiding. Er is geen verdere schuifruimte van de windturbine die een verbetering voor het trefrisico van de groengasleiding kan opleveren aanwezig binnen het beschikbare perceel. Bovenstaande analyses gaan uit van de maximale effecten bij plaatsing van een Vestas V150 windturbine op 125 meter ashoogte die voor de locatie haalbaar wordt geacht. Bij plaatsing van kleinere, lichtere of minder snel draaiende windturbines kunnen de genoemde trefkansen van de buisleiding enigszins wijzigen. De gepresenteerde situatie is daarmee een worst-case weergave van de toekomstige situatie.

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

26

Overige leidingen Naast de hoofdgasinfrastructuur voor risicovolle stoffen zijn er mogelijk ook leidingen in het plangebied aanwezig voor niet-risicovolle stoffen. De Handreiking Risicozonering Windturbines zegt hier over: Kader 6.1 Overige leidingen in het HRW Buisleidingen worden in deze Handreiking onderverdeeld in: 1. leidingen waardoor minder risicovolle tot ongevaarlijke stoffen worden getransporteerd, zoals lage druk aardgasleidingen, leidingen voor niet gevaarlijke stoffen, drinkwaterleidingen, rioleringen, en stadsverwarming. Voor leidingen waardoor minder risicovolle tot ongevaarlijke stoffen worden getransporteerd, bestaan geen risicocriteria. Deze hoeven in een risicoanalyse dan ook niet te worden beschouwd. 2. leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd, zoals hogedruk aardgastransportleidingen en hogedruk brandstofleidingen of (petro)chemische leidingen. De hier bovenstaande paragrafen hebben alleen betrekking op leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd en onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vallen.

Dit betekent dat voor overige leidingen (bijv: water, riool, middenspanning elektra) waar geen risicovolle situaties door kunnen ontstaan er geen risicoanalyses hoeven te worden uitgevoerd. In de bouwwerkzaamheden zal met de aanwezigheid van deze overige leidingen rekeningen gehouden moeten worden om aantasting of schade door bijvoorbeeld zettingen of trillingen te voorkomen. Voor de overige leidingen gelegen in de leidingstrook is contact gelegd met de beheerders om informatie uit te wisselen over mogelijke effecten ook om het gevolg van de benodigde gronddekking op de risicovolle buisleiding van de Gasunie te bespreken. Algemeen gezien kan het trefrisico van windturbineonderdelen voor een overige leiding op slechts 15 meter van het hart van de windturbine (direct naast het fundament) per windturbine locatie niet hoger worden dan circa 1 x 10-04 ( 1 / 10.000) per jaar10. Het risico op aantasting van de leveringszekerheid van overige leidingen als gevolg van de aanwezigheid van de windturbine is daarmee zelfs bij directe ligging naast het fundament van de windturbine zeer beperkt.

Toekomstige leidingen in leidingstrook De leidingstrook ten westen van de noordelijke windturbine bevindt zich tussen de 115 en de 150 meter vanaf het hart van de windturbine. Deze strook is bestemd voor bestaande leidingen en geeft ten aanzien van het gebruik en bouwmogelijkheden alleen mogelijkheden voor bestaande buisleidingen. Voor nieuwe leidingen zal een volledige besluitvormingsprocedure moeten worden doorlopen. Bij de risicoberekeningen zal rekening gehouden moeten worden met de windturbine als een risicoverhogend object. Er kan een acceptabele situatie ontstaan indien de effecten op de omgeving passend blijven binnen de voorwaarden die gelden voor de aanleg van buisleidingen in het Besluit externe veiligheid Buisleidingen. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn indien de buisleiding voldoende diepteligging heeft of zodanig sterk is 10

De exacte trefkans is afhankelijk van het leidingtype, het turbinetype en de exacte ligging. Deze waarde is een conservatieve bepaling voor de orde van grote van het maximale risico.

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

27

uitgevoerd dat er geen kans op schade is. Ook kan de gerealiseerde windturbine een kleinere effectzone hebben dan waar momenteel nu momenteel worst-case mee gerekend is. Omdat de aanleg van nieuwe buisleidingen niet bestemd is in de bestemming “Leiding” veroorzaakt de plaatsing van de windturbine geen directe beperking van de huidige bestemmingsplan mogelijkheden. Kader 6.2 Weergave uitsnede uit Artikel 8 van beheersverordening Axelse Vlakte vastgesteld 201306-25 Artikel 8.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken a. de in het besluitvlak 'Leiding' gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik; b. bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie. Artikel 8.2 Aanvullingen ten aanzien van het GEBRUIK Artikel 8.2.1 Besluitvlak 'Leiding' In aanvulling op het bepaalde in lid 8.1 is het toegestaan gronden en gebouwen mede te gebruiken voor: a. bescherming en veiligstelling van de leidingfunctie van de leidingen, zoals opgenomen op de kaart in bijlage 1. (redactie: In bijlage 1 staan enkel de bestaande leidingen vermeld) met dien verstande dat de regels van het besluitvlak 'Leiding' prevaleren boven de regels die gelden ingevolge de andere daar voorkomende besluitvlakken.

Artikel 8.3 Aanvullingen ten aanzien van het BOUWEN Artikel 8.3.1 Toelaatbare bebouwing Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van het in lid 8.1 genoemde besluitvlak uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; (redactie: artikel lid 8.1 heeft het enkel over bestaand gebruik en bestaande bouwwerken). )

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

28

HOOGSPANNINGSNETWERK In de nabije omgeving zijn geen bovengrondse hoogspanningslijnen gelegen. Het transformatorstation aan Zijkanaal D bevindt zich op een afstand van meer dan 1.200 meter en ondervind daarmee nul risico. In de omgeving van het plangebied zijn wel enkele ondergrondse hoogspanningsverbindingen aanwezig. Ondanks dat hier geen algemene adviesregels voor zijn vastgelegd is met TenneT overleg gevoerd over de mogelijke trefkansen en invloed op de levering van het elektriciteitsnetwerk. Het tracé bestaat uit 150 kV hoogspanningskabels, behorende bij het tracé van Westdorpe – HydroAgriSluiskilkabe. Na overleg met TenneT is een situatie doorgerekend die gebruikt kan worden als afwegingsmaat. Rekening houdend met de uitgangspunten is het totale trefrisico bepaald op: 9,0 x 10-06 oftewel ééns om de 110.000 jaar. De uitkomsten zijn te vinden in de memo “Trefkans ondergrondse hoogspanningskabels” v3.0 van 29 april 2020. TenneT heeft op 17 april 2020 aangegeven dat gelet op het; beperkte risico; feit dat het hier een kabelverbinding betreft die deels in een boring op diepte ligt; gegeven dat deze verbinding een klantverbinding betreft en niet in eigendom is van TenneT; We (TenneT) instemmen met plaatsing van deze windturbine. De eventuele risico’s voor de aantasting van de betrouwbaarheid van het netwerk zijn daarmee inzichtelijk gemaakt en acceptabel bevonden.

719081 | Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte 03-06-2021 | V2.0

Pondera Consult

29

CONCLUSIE Nabij de beoogde locatie voor de twee windturbines zijn er buiten de eigen inrichting geen kwetsbare objecten gelegen binnen de maximale ligging van de PR10-06 contour. Tevens zijn er geen beperkt kwetsbare objecten gelegen binnen de PR10 -05 contour. De windturbine kan voldoen aan de gestelde eisen tot beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten zoals gesteld in het activiteitenbesluit. Doordat er binnen een afstand van 199,5 meter vanaf de beoogde windturbinelocatie volgens de huidige geldende ruimtelijke regels (verordening) ter plaatse reeds geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan zorgt de plaatsing van de windturbine niet voor extra ruimtelijke belemmeringen op de bestemmingsmogelijkheden van de omgeving. Geadviseerd wordt om ruimtelijk vast te leggen dat er geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd binnen de PR10-05 contour. Gezien het huidige gebruik en de bestemmingen binnen deze contour wordt dit niet gezien als een significante aantasting van de gebruiksmogelijkheden voor derden. Nabij de locatie zijn geen rijkswegen of waterwegen aanwezig. De effecten op lokale wegen en spoorwegen zijn verwaarloosbaar klein. De maximale effectafstand bij overtoeren van de windturbine ligt gedeeltelijk over de risicovolle inrichting van Vlaeynatie, De Doelder Pallets en SFP Zeeland.

De trefkansen zijn waar relevant uitgerekend en de trefkansen voor SFP Zeeland en een fictieve installatie op Vlaeynatie zijn echter zodanig klein dat het additionele risico van de windturbine verwaarloosbaar klein is in vergelijking met reeds aanwezige risico’s van risicovolle installaties. De installaties van Yara Sluiskil liggen buiten de maximale werpafstand bij overtoeren en de houtopslag bij De Doelder Pallets ondervind geen additionele risico’s voor de veiligheid van de omgeving als gevolg van het treffen door een rotorblad. Er ontstaan geen additionele risico’s voor aanwezige risicovolle installaties in de omgeving. Toekomstige risicovolle installaties binnen de werpafstand bij overtoeren dienen bij hun kwantitatieve risico analyse benodigd voor de vergunningaanvraag rekening te houden met de windturbines als risicoverhogende objecten. De plaatsing van de windturbine op de beoogde locatie veroorzaakt geen significante veiligheidsrisico’s voor de omgeving. Geadviseerd wordt om in de ruimtelijke plannen voor de windturbine aan te geven welke gebieden uitgesloten dienen te blijven van kwetsbare objecten dan wel beperkt kwetsbare objecten om inzicht te kunnen geven aan de mogelijkheden voor toekomstige ontwikkelingen. Dit levert geen belemmeringen op voor het huidige gebruik en tevens geen belemmeringen voor de huidige bestemmingsplanmogelijkheden.

Analyse externe veiligheid Windturbines Axelse Vlakte | 719081 03-06-2021 | V2.0

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10256757/1