Bijlage 2. toelichting op verordening participatie en inspraak gemeente Terneuzen 2024
Tekst van het document
Toelichting Algemeen Inspraak, participatie en ontwerpwetsvoorstel De raad is verplicht om een inspraakverordening vast te stellen (artikel 150 van de Gemeentewet). Op 4 juni 2024 is het wetsvoorstel Wet versterking participatie op decentraal niveau door de Eerste Kamer aangenomen. Strekking van de wet is om inspraak uit te breiden naar ‘participatie’ en eventueel ook ‘uitdaagrecht’. Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht. Artikel 2. Definities Participatie Bij de omschrijving van participatie is aangesloten bij de tekst van het ontwerpwetsvoorstel Wet versterking participatie op decentraal niveau waarbij een wijziging van artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet is voorzien. Hierin is bepaald dat de raad een verordening vaststelt waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid worden betrokken. Het huidige artikel 150 van de Gemeentewet omvat inspraak bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid; bij participatie wordt dit uitgebreid met uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid. De Omgevingswet voegt hier nog projecten en activiteiten aan toe.
De omschrijving van participatiegerechtigden (ingezetenen en belanghebbenden) vloeit rechtstreeks voort uit de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Hieraan zijn ter verduidelijking toegevoegd maatschappelijke organisaties en bedrijven. Het begrip belanghebbende is in artikel 1:2 van de Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb, zoals deze verordening. Beleidsvoornemen Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd. Uitdaagrecht Bij de omschrijving van het begrip uitdaagrecht is aangesloten bij de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wet versterking participatie op decentraal niveau. Het uitdaagrecht berust bij ingezetenen en lokale maatschappelijke partijen.
In de begripsomschrijving is ‘lokale’ ter verduidelijking van de tekst van het wetsvoorstel toegevoegd in aansluiting op de memorie van toelichting, waarin is toegelicht dat afhankelijk van de lokale omstandigheden het bijvoorbeeld kan gaan om lokale verenigingen of stichtingen, buurtcomités, woongroepen, vrijwilligersorganisaties, een maatschappelijke organisatie, sociale bedrijven zonder winstoogmerk of een georganiseerd collectief van inwoners die geen formele rechtsvorm hebben.
Artikel 4. Participatieproces Eerste lid In artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet staat dat inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, voor zover in de verordening niet anders is bepaald. In geval van participatie maakt het bestuursorgaan bij de start van een participatieproces bekend hoe die wordt vormgegeven. Tweede lid Het bestuursorgaan legt in een participatieplan of een participatieparagraaf een aantal zaken vast met betrekking tot de participatie. Om zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen, somt het tweede lid hiertoe op dat moet worden ingegaan op: doel van de participatie, beïnvloedingsruimte, kaders, communicatie, inbreng, democratische waarden, begroting van de kosten en terugkoppeling aan inwoners en belangstellenden. Wanneer de bevoegdheid om te besluiten of participatie mogelijk is gemandateerd is aan de portefeuillehouder of een ambtenaar valt onder dit mandaat ook de bevoegdheid tot het vaststellen van de participatieparagraaf. Tweede lid, onder b Bij beïnvloedingsruimte kan worden gedacht aan en een keuze worden gemaakt uit de participatieniveaus: mee-weten, meedenken, meedoen en meebeslissen, of een combinatie daarvan. Tweede lid, onder d Hierbij valt te denken aan inhoudelijke (onder andere beleidsruimte: waarover kan wel en niet worden geparticipeerd.
Bijvoorbeeld dat nieuwbouw komt staat al vast in een ander besluit, er is alleen participatie mogelijk over hoe de nieuwbouw wordt ingevuld), financiële en procedurele kaders voor de participatie. Tweede lid, onder f Democratische waarden zijn bijvoorbeeld: gelijkwaardigheid, transparantie en verantwoording. Artikel 5. Eindverslag participatie Eerste lid Er is hier niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 van de Awb. In artikel 3:17 van de Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de procedure mondeling naar voren is gebracht. Tweede lid, onder a Onder overzicht van het gevolgde participatieproces wordt verstaan: Hoe is het proces feitelijk verlopen, wanneer is het beleidsvoornemen voorgelegd, wat was het doel van de participatie, wie hebben meegedaan, welke activiteiten/vormen van participatie zijn ingezet, wat heeft dat opgeleverd, wat is er mee gedaan, enz. Tweede lid, onder b Het eindverslag dient een volledig overzicht te bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke participatiereacties en van fysieke en/of digitale participatie. In het eindverslag kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte
opvattingen en vermelding van de hoeveelheid personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht. De schriftelijke participatiereacties kunnen aan het eindverslag worden toegevoegd. Hierbij worden geen persoonsgegevens gedeeld. Tweede lid, onder c Als het sluitstuk van participatie wordt voorgeschreven dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de resultaten van de participatie wordt gedaan. Derde lid De bekendmaking van de resultaten van het participatieproces is uitermate belangrijk. Dit rondt het participatieproces daadwerkelijk af. Het ligt voor de hand om degenen die hebben geparticipeerd een exemplaar van het eindverslag te sturen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant en op het gemeentelijke participatieplatform. Als het aantal participanten omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is belangrijk om aan het begin van het participatieproces al duidelijkheid te verschaffen over de communicatie en de besluitvorming.
Artikel 10. Onderwerp van uitdaagrecht Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen taken besluit of het uitdaagrecht mogelijk is. Het zal hier meestal gaan om taken van burgemeester en wethouders als in de regel het verantwoordelijke bestuursorgaan voor de uitvoering van gemeentelijke taken (artikel 160, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet). Derde lid In het derde lid is opgenomen voor welke taken het niet mogelijk is om de uitvoering van het gemeentebestuur over te nemen. Er kan ten aanzien van deze taken dus geen uitdaagrecht worden toegepast.
Derde lid, onder a Onder lopende uitvoeringstrajecten vallen ook taken die al zijn aanbesteed of gecontracteerd. Derde lid, onder e Als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde uitkomt, geldt dat in die gevallen aanbesteding is vereist. Derde lid, onder f Als de opdrachtwaarde boven de meervoudig onderhandse drempelwaarde uitkomt, zoals bepaald in het geldende inkoopbeleid. Artikel 11. Procedure uitdaagrecht Eerste lid Het in het eerste lid genoemde bestuursorgaan gaat het uiteraard om het bestuursorgaan dat de betreffende taken uitvoert. Meestal zijn dat burgemeester en wethouders en een verzoek om overname van hun taken dient dus bij hen te worden ingediend.
Vierde lid De mate van ondersteuning wordt in overleg tussen verzoeker en bestuursorgaan bepaald. Artikel 16. Evaluatie en monitoring Eerste lid De evaluatie van de werking van deze verordening in de praktijk is wenselijk. Daarom wordt de uitvoering van deze verordening eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Of zoveel eerder indien nodig. Bij iedere evaluatie ontvangt de raad een verslag.