2026-02-05 vraag en antwoord SD Terneuzen GR-Sociaal Domein
Tekst van het document
Vraag en antwoord Sociaal Democraten Terneuzen – GR Sociaal Domein Hoofdvraag Hoe borgt deze Gemeenschappelijke Regeling dat Zeeuwse samenwerking leidt tot betere en robuustere ondersteuning, zonder dat lokale nabijheid, zeggenschap en aansluiting op de leefwereld verloren gaan – in het bijzonder voor subregio’s zoals Zeeuws-Vlaanderen, waar jeugdzorginstellingen zich steeds vaker terugtrekken en bestuurlijke afstand toeneemt? Hierop geven het gesprek van 2 februari jl. (ambtelijke sessie voor vragen van raadsleden) en de notitie een antwoord. Regionaal beleid wordt mede gebaseerd op en sluit aan op subregionaal en lokaal beleid. Daarnaast is er in lokaal beleid ruimte om tot aanvullende accenten, ambities of zelfs maatregelen te komen. Bovendien is het als hele jeugdhulpregio kansrijker om tot een dekkend (jeugd)zorglandschap te komen dan als individuele gemeente. Delegatie en noodzakelijkheid Welke taken binnen deze GR zijn wettelijk verplicht op Zeeuws niveau te organiseren en via delegatie over te dragen, en welke taken zijn beleidsmatig toegevoegd? Voor het gezamenlijk organiseren van complexe jeugdzorg vanuit een jeugdhulpregio bestaat een wettelijke verplichting. Op het gebied van Begeleid Wonen (BW), Maatschappelijke Opvang (MO), VrouwenOpvang (VO) en Sociale veiligheid bestaat een noodzaak voor regionale samenwerking.
Als individuele gemeente is dit niet te organiseren. De eerder gemaakte partnerschapsafspraken tussen de 13 Zeeuwse gemeenten fungeren als basis en zijn daarom integraal opgenomen in de regeling. SWVO dient als basis, zodat er een robuuste organisatie ontstaat. Kan het college motiveren waarom bij niet-verplichte taken is gekozen voor delegatie in plaats van mandaat, terwijl dit leidt tot verlies van lokale sturingsmogelijkheden, maar de financiële verantwoordelijkheid wel lokaal blijft? Het is van belang dat de nieuwe GR bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor regionale taken. Daarom is bij BW, MO, VO en Sociale veiligheid gekozen voor delegatie. De raden stellen hiervoor beleidskaders vast, aan de coördinatie en uitvoering geven gemeenten en GR gezamenlijk invulling. Delegatie zorgt ervoor dat besluiten genomen worden door een bestuurlijk orgaan waarin alle dertien colleges zijn vertegenwoordigd. Tegelijkertijd is er voldoende invloed en controle vanuit de raden, want er worden geen raadsbevoegdheden overgedragen. Het gaat om taken waarvan de colleges al besloten die op regionaal niveau uit te laten voeren.
De adviezen van de adviescommissie aan het AB van de nieuwe GR Sociaal Domein zijn telkens openbaar. Door het verdwijnen van de dubbele overdracht (tussen het AB van de GR GGD en de begeleidingscommissie jeugd) in de oude situatie, is de invloed van de raden in de nieuwe situatie directer. Lokale voeling en samenwerkingsmodule 4 Samenwerkingsmodule 4 betreft brede, ooit bewust gedecentraliseerde taken zoals welzijn, Wmo, preventie en maatschappelijke ondersteuning. Als deze taken nu Zeeuws worden georganiseerd – ook via mandaat en DVO’s – hoe wordt dan geborgd dat lokale context en signalen uit wijken, scholen en lokale netwerken daadwerkelijk doorwerken in Zeeuwse beleidsontwikkeling en uitvoering? Waar is vastgelegd hoe deze terugkoppeling structureel plaatsvindt, zodat centralisatie niet leidt tot verlies van lokale voeling? Gemeente Terneuzen neemt module 4 niet af. Zeeuws-Vlaanderen: aanwezigheid, nabijheid en aansluiting jeugdzorg Voor Zeeuws-Vlaanderen zien we een zorgelijke ontwikkeling waarbij jeugdzorginstellingen zich steeds vaker terugtrekken uit de regio en zich concentreren in Goes, waardoor zowel de fysieke als bestuurlijke nabijheid afneemt.
Hoe zorgt deze Zeeuwse governance ervoor dat Zeeuws-Vlaanderen een volwaardige positie houdt binnen het jeugdzorglandschap, met voldoende aanwezigheid van aanbieders, structurele aansluiting bij scholen en gezinnen, en daadwerkelijke invloed op keuzes over aanbod en inrichting van jeugdzorg? Deze vraag ligt in het verlengde van uw eerste vraag en de beantwoording is dus ook gelijk. Preventie, campus en strategische verschuiving Hoe creëert deze GR ruimte om – juist vanuit subregio’s zoals Zeeuws-Vlaanderen – structureel te verschuiven van dure individuele jeugdhulp naar collectieve preventieve ondersteuning, bijvoorbeeld via verrijking van campussen, zodat de afhankelijkheid van steeds verder weg georganiseerde specialistische zorg wordt verminderd? Zeeuws samenwerken mag geen synoniem worden voor centraliseren; juist voor Zeeuws-Vlaanderen is nabijheid geen luxe, maar een randvoorwaarde voor effectieve jeugdzorg. Zoals uitgelegd en beschreven is er voldoende ruimte voor lokale ambities. Hoewel we alle jeugdhulp tot 2032 gezamenlijk inkopen, hebben we geen verplichting ook alle vormen van jeugdhulp af te nemen. Daar kunnen we lokaal op sturen via onze toegang. We kozen voor gezamenlijke inkoop om in Zeeland een dekkend (jeugd)zorglandschap te
behouden en gemeenten de ruimte te geven zich te ontwikkelen, bijv. op het gebied van het SLT. Wij blijven ons inspannen om met lokale aanbieders te werken. Aspecten als geschiktheid en bereikbaarheid spelen daarin uiteraard een rol.