CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-11-11 IC1 - Omgevingsvisie Terneuzen- versie 250902 hoofdrapport

commissie Omgeving 3 november 2025, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Ingekomen stukken19.630 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Tevreden over het gebruik: wordt de plek gebruikt waarvoor die bedoeld is? Op basis daarvan verdelen we het grondgebied in strategieën zoals beschermen of koesteren (op plekken waar we trots op zijn), voortzetten of bestendigen (op plekken die naar tevredenheid functioneren) en veranderen of verbeteren (op plekken waar we minder tevreden over zijn of die in de toekomst een andere maatschappelijke behoefte moeten opvangen). Binnen deze driedeling zijn gradaties mogelijk. In de praktijk blijkt deze aanpak goed te werken. Wij willen de aanpak ook in deze omgevingsvisie gebruiken. Elke strategie geven we dan een aparte kleur op de kaart en die kaart is digitaal raadpleegbaar met behulp van het wettelijk voorgeschreven instrument TPOD (Toepassingsprofielen Omgevingsdocumenten). De strategieën benoemen we en maken we als de ontwerp-omgevingsvisie ter inzage ligt. De reden daarvoor is praktisch. In de turbulente tijd waar we nu in zitten, vinden we het verstandig om de visie tijdig voor inspraak vrij te geven. Reacties op die visie kunnen direct invloed hebben op de te kiezen strategieën. We hebben liever de discussie over de inhoud van de visie dan de discussie over de exacte begrenzing van een gebied voor de strategie. De omgevingsvisie is geen bindend instrument voor inwoners. De strategiekaart vormt een brug naar het omgevingsplan dat wel bindend is voor inwoners.

Wijzigingen in het omgevingsplan zijn vatbaar voor bezwaar en beroep. De rest van het hoofdstuk wordt voor de vaststelling aangevuld. 3. De strategieën in het buitengebied P.M.

55

4. De strategieën op de grootschalige bedrijventerreinen P.M. 5. De strategieën in de kernen Voor elke kern is een analysekaart en een kaart met ontwikkelingen gemaakt die kort worden toegelicht. De kernuitwerkingen zijn opgenomen in bijlage 7. Zij vormen de opmaat voor de strategiekaarten in de kernen. P.M.

56

Hoofdstuk 6: Aan de slag! 1. Rol van de gemeente De gemeente heeft verschillende rollen bij het uitvoeren van de omgevingsvisie. Welke rol we kiezen, hangt van verschillende zaken af. In sommige gevallen zijn we wettelijk verplicht iets uit te voeren. De situatie en locatie zijn medebepalend. Als gemeente hebben we de volgende rollen: • Regisseren: we werken samen met andere partijen, maar houden wel de leiding. Bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van een archeologisch en cultuurhistorische waardevol gebied. • Faciliteren: we stimuleren en adviseren inwoners en bedrijven over nieuwe ontwikkelingen en maken deze mogelijk. Dit kan bijvoorbeeld door het verlenen van vergunningen, het meedenken over projecten of adviseren over subsidies. • Kaderstellen: we stellen regels in het omgevingsplan of in verordeningen over wat er gebouwd mag worden, waarvoor gronden gebruikt mogen worden en onder welke voorwaarden. • Uitvoeren: we voeren zelf projecten of werkzaamheden uit. 2. Relatie met andere instrumenten De omgevingsvisie is ‘zelfbindend’. Dit betekent dat de gemeente zich inzet voor de gekozen koers en strategie. Om deze koers in de praktijk te brengen, werken we de omgevingsvisie uit in verschillende instrumenten, zoals omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan. Deze helpen ons bij het beoordelen van aanvragen voor omgevingsvergunningen.

Omgevingsprogramma’s Een omgevingsprogramma is een beleidsdocument dat de ambities en doelen voor de fysieke leefomgeving concreet maakt. Het is een uitwerking van de omgevingsvisie en richt zich op specifieke gebieden of thema's, met maatregelen om doelen te bereiken. De gemeente is vanuit de Omgevingswet verplicht om enkele programma’s op te stellen. Daarnaast willen we zelf enkele programma’s opstellen. We zien vooralsnog de volgende combinatie van gebiedsgerichte en thematische programma’s voor ons. Deze kan in de loop van de tijd wijzigen als de omstandigheden vragen om op- of afschaling van programma’s of om toevoegingen. Thematische programma’s zien we voor ons rond: • Het thema milieu en gezondheid (geluid, lucht, externe veiligheid), waar de verplichte programma's actieplan geluid, saneringsprogramma wegen en eventueel programma bij dreigende overschrijding omgevingswaarde ondervallen. • Het thema energie en verduurzaming met circulariteit, koolstoftransitie, energiezuinigheid, energieopwekking, etc. • Het thema mobiliteit met hubs, parkeren, trein, fiets, etc. 57

Als een soort tussenvorm tussen thematisch en gebiedsgericht gaat het om: • Het programma ondergrond, waarin bodemverontreiniging, kabels en leidingen, waterberging, ondergronds bouwen, ondergrondse energiesystemen samenkomen. • Het programma groen en water, waarin biodiversiteit, bosvisie, natuurontwikkeling, hittestress/vermindering verharding en openbare ruimte samenkomen. Een gebiedsuitwerking die daarbij past is de zone tussen Terneuzen, Sluiskil, Philippine en Biervliet met de recreatie/wateropgave. De meer programmatische functies, zoals wonen, werken, recreëren en voorzieningen kunnen beter gebiedsgericht opgepakt worden. Daarin kunnen dan de gedachten uit de voorgaande programma's voor benut worden. Dat zijn strategische gebiedsprogramma's, bijvoorbeeld voor: • Binnenstad Terneuzen inclusief stationsomgeving (herstructureringsgebied), • Knoop rond brug/Sluiskiltunnel met de werkgebieden Oostelijke Kanaaloever, Westelijke Kanaaloever, Zuidpoort en noordzijde Koegorspolder; • Othene inclusief voorzieningen en tijdelijke huisvesting; • Axel met woningbouw, centrumontwikkeling en bedrijfsverplaatsing; • Sas van Gent met vesting, woningbouw, centrumontwikkeling. Omgevingsplan Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft iedere gemeente 1 omgevingsplan voor het gehele grondgebied.

Voor de overgang naar dit nieuwe plan is een overgangsfase ingesteld die loopt tot eind 2031. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen die voorheen verspreid waren over meerdere bestemmingsplannen, verordeningen en rijksregels. Het omgevingsplan bevat regels over onder andere: • Ruimtelijke bouwregels: zoals bouwhoogte, bouwvlakken en het toegestane gebruik van bouwwerken; • Activiteiten: welke activiteiten zijn toegestaan, al dan niet met vergunning, zoals wonen, recreatie en bedrijvigheid; • Milieuregels: voor onderwerpen die niet zijn opgenomen in het landelijke Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); • Lokale regels: bijvoorbeeld regels over het kappen van bomen, graven in de grond of het slopen van een gebouw, toegespitst op wat specifiek van belang is voor onze gemeente. Het omgevingsplan bevat de algemene regels voor de fysieke leefomgeving. De regels beschrijven wat er (maximaal) wenselijk is op een locatie. Nieuwe initiatieven worden aan deze regels getoetst. Omgevingsvergunningen Omgevingsvergunningen kunnen worden verleend voor het veranderen van gebouwen, voor het veranderen van het gebruik van een pand of perceel of het uitvoeren van een activiteit. Als de verandering of activiteit past binnen de regels van het omgevingsplan kan dit met een omgevingsplanactiviteit vergunning (OPA).

De gemeente toetst enkel op basis van het Omgevingsplan. De technische toets op basis van bouwkundige kwaliteit vindt plaats door een zogenoemde onafhankelijke kwaliteitsborger.

58

Wanneer een initiatief niet binnen de regels van het omgevingsplan past, beoordeelt de gemeente of er (onder voorwaarden) een afwijking van het Omgevingsplan mogelijk is. Dit kan via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), of door een wijziging van het omgevingsplan zelf. 3. Omgaan met initiatieven Wanneer er een nieuw initiatief wordt genomen voor de bouw of uitbreiding van een gebouw, of voor een ander gebruik van een locatie, kan het zijn dat hiervoor een vergunning of een wijziging van het omgevingsplan nodig is. Voor initiatieven die niet passen binnen het geldende omgevingsplan, organiseren we graag eerst een overleg. Dit overleg vindt plaats voorafgaand aan het indienen van een zogenoemd principeverzoek. In dit verzoek wordt in hoofdlijnen aangegeven wie, waar, wat wil ontwikkelen en waarom. Het voordeel hiervan is dat nog niet alle plannen tot in detail hoeven te zijn uitgewerkt en er toch vroegtijdig een standpunt van het college wordt gevraagd. Wanneer er bij het initiatief ook andere partijen buiten de gemeente betrokken zijn, zoals het waterschap of de provincie, dan betrekken we deze al in deze vroege fase. Dit doen we aan de zogenoemde Omgevingstafel. Het college van burgemeester en wethouders besluit vervolgens of het bereid is medewerking te verlenen aan het initiatief. Dit besluit noemen we een principebesluit.

Dit principebesluit is 1 jaar geldig. Een positief principebesluit is nog geen formele toestemming om met het initiatief te starten. Daarvoor is nog een vervolgprocedure nodig, bijvoorbeeld het aanvragen van een omgevingsvergunning of het wijzigen van het omgevingsplan. Welke procedure gevolgd moet worden, hangt af van de aard van het initiatief en de locatie. 4. Geen omgevingseffectrapport De omgevingsvisie is veelal het eerste formele document dat beleid in de fysieke leefomgeving samenbrengt en daarbij nieuwe ontwikkelingen met mogelijke gevolgen voor milieu aan de orde stelt. Veel gemeenten stellen bij het opstellen van de omgevingsvisie een zogenoemd omgevingseffect-rapport (OER) op. Daar hoort formeel ook een voortoets bij, waarin aangetoond moet worden dat significante negatieve effecten op Natura 2000gebieden zijn uitgesloten. Dat is met de huidige stand van het stikstofdossier vrijwel onmogelijk. Als je die negatieve effecten niet kunt uitsluiten, moet je ook een Passende beoordeling (Pb) maken. In een OER en Pb worden de effecten op milieu en natuur van de gekozen koers in brede zin in beeld gebracht. Daarbij is navolgbaarheid van keuzes op grond van onderliggende data het belangrijkste toetsingscriterium.

Is alle informatie voorhanden en navolgbaar aan de orde gebracht om het besluit te kunnen nemen? De ervaring leert dat een OER voor een omgevingsvisie er zelden in slaagt om relevante informatie naar boven te brengen die tot andere keuzes leidt. Dat komt mede doordat de visie nog onvoldoende concreet is uitgewerkt en effecten niet goed te bepalen zijn. In ons geval komt daar nog bij dat het Rijk in het kader van 4 projectprocedures op dit moment bezig is een omgevingseffect-rapport op te stellen. 59

In een OER worden 5 situaties onderscheiden. Het gaat om: A. De huidige situatie: alles wat op het moment van vaststelling gerealiseerd is. B. De autonome ontwikkeling: alles waarvan we vrij zeker weten dat het gerealiseerd wordt. Omdat er al een planologische procedure is doorlopen, waarin de contouren zijn vastgelegd en omdat er al kredieten zijn gereserveerd voor de realisatie. C. De projecten van hogerhand: alle projecten waarvoor Rijk en/of provincie aan zet zijn en doorzettingsmacht hebben, maar die nog niet tot de autonome ontwikkeling behoren. Deze projecten worden veelal in de vorm van een scenario meegenomen, omdat je als gemeente beperkte invloed hebt op het resultaat. D. De staande beleidskaders: al het beleid waarover al wel is besloten, maar dat nog niet behoort tot de autonome ontwikkeling. E. De nieuwe beleidskaders: al het beleid in ontwikkeling waarover nog niet besloten is, maar waar in de visie wel op ingezet wordt. De situaties A en B leggen de 0-situatie vast (en wanneer die in ieder geval is bereikt), waarmee de ontwikkelingen in de omgevingsvisie vergeleken worden. Om de 0-situatie te beoordelen (goed-matig-slecht) wordt de informatie of vergeleken met normen (bijvoorbeeld luchtkwaliteit) of als er geen normen zijn met andere gebieden.

We hebben de 0-situatie in kaart gebracht in hoofdstuk 2, gecombineerd met bijlage 4, waarin we Terneuzen vergeleken hebben met Nederland en met 20 vergelijkbare gemeenten. Situatie D geeft een inkijk in het 0-alternatief: wat gebeurt er als we beleidsmatig niets wezenlijks veranderen. Situatie E geeft een inkijk in het voorkeursalternatief, dat wat je met de visie wil bereiken. Het achterliggende idee van OER is om alternatieven te definiëren die de hoeken van het speelveld bepalen. Niet zozeer alternatieven die we zo moeten uitvoeren, maar alternatieven die inzicht geven in gewenste en ongewenste effecten. Door dat inzicht wordt het gemakkelijker situatie E te definiëren, omdat je daarmee gewenste effecten kunt vergroten en ongewenste effecten kunt verminderen. In onze situatie zijn we sterk afhankelijk van de projecten van hogerhand. In elk project is er het scenario wel/niet en in sommige projecten vervolgens nog meer locatie-opties. Dat vermenigvuldigt bij de 6 grote projecten met een eigen dynamiek en de spoorlijn al minimaal naar 27 ofwel 128 scenario’s. Dat is ondoenlijk. We hebben ervoor gekozen de projecten van hogerhand zo objectief mogelijk weer te geven en daarna vanuit ons perspectief daarop te reageren. Het is ondoenlijk om te bepalen welke effecten aan een van deze grote projecten is toe te schrijven en welke effecten aan onze omgevingsvisie.

Om die reden achten wij het opstellen van een omgevingseffect-rapport in dit stadium niet zinvol en hebben wij besloten hiervan af te zien. Wij zijn er wel van overtuigd dat de keuzes die we maken ook voor milieu en natuur zeer positief zijn. We hebben al duidelijk gemaakt dat onze landbouw nauwelijks bijdraagt aan de stikstofemissie. Als we erin slagen om onze grote industrie te verduurzamen (koolstof- en emissiearm) dan maken we een grote sprong naar klimaatneutraliteit en naar vermindering van de belasting van natuurgebieden. De groei van het aantal inwoners en de daarmee samenhangende uitstoot valt daarbij in het niet. Uiteraard is dat een saldobenadering en ligt de weg ernaartoe nog vol met juridische voetangels en klemmen. Maar wij zijn ervan overtuigd dat onze stroomopwaartse aanpak de beste manier is. 60

5. Bewaken van onze koers In hoofdstuk 2 van de omgevingsvisie hebben we de huidige situatie beschreven en de kwaliteit van onze fysieke leefomgeving beoordeeld. In bijlage 4 hebben we een vergelijking gemaakt met 20 vergelijkbare gemeenten. Hoofdstuk 2 en bijlage 4 gebruiken we als referentiepunt om onze koers te bewaken.

61

Hoofdstuk 7: Financiële doorvertaling Het uitvoeren van de koers uit deze omgevingsvisie brengt kosten met zich mee. Om de ambities te realiseren, zijn financiële middelen nodig. Daarbij gaat het niet alleen om de kosten en baten, maar ook om de wijze waarop deze worden gedekt, met oog voor de beperkte beschikbare middelen. De gemeente beschikt over verschillende financieringsbronnen: • Eigen middelen: budgetten die beschikbaar zijn vanuit het gemeentefonds; • Kostenverhaal: het verhalen van kosten op initiatiefnemers van nieuwe ontwikkelingen die voordeel hebben van gemeentelijke investeringen, denk aan de aanleg van wegen, openbaar groen of riolering; • Financiële bijdragen: bijdragen van initiatiefnemers aan ontwikkelingen die bijdragen aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, zoals de aanleg van parken of verbeteren van de leefbaarheid; • Leges; de inkomsten uit bijvoorbeeld vergunningen; • Subsidies en fondsen: bijvoorbeeld van het Rijk of andere overheden. Om de uitvoering van de ambities uit deze visie mogelijk te maken, zetten we de volgende instrumenten in: • Omgevingsplan: hierin leggen we regels vast over het verhalen van kosten en het vragen van financiële bijdragen; • Programma’s: we stellen specifieke programma’s op om doelen te behalen en kosten te verhalen. Verschillende programma’s zijn de basis voor het vragen van financiële bijdragen.

Ook de Nota Kostenverhaal, waarin vrijwillige financiële bijdragen worden vastgelegd, wordt een programma onder de Omgevingsvisie. • Overeenkomsten: we sluiten kostenverhaalovereenkomsten met initiatiefnemers, waarin afspraken worden vastgelegd over de financiële bijdrage aan ontwikkelingen.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16089340/1