2025-03-26 a. Toestemming wijziging GR Omgevingsdienst Zeeland - ontwerpbesluit
Tekst van het document
Gemeenteraad Ontwerpbesluit
Zitting van 10 april 2025 Omgeving & Economie - Vergunningen en Handhaving zaaknummer: 550454
2025_Raad_00029 - Toestemming wijziging Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Zeeland (GR OD) Portefeuillehouder Laszlo van de Voorde Programma en/of paragraaf Paragraaf Verbonden partijen Besluit Besluitpunt 1 De gemeenteraad besluit het college toestemming te geven om de gewijzigde ‘Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Zeeland’ vast te stellen. Wat is de aanleiding? In juli 2024 bood RUD Zeeland de geactualiseerd gemeenschappelijke regeling RUD Zeeland aan (2024_Raad_00096). In de bijlagen de aanbiedingsbrief met vijf bijlagen. Deze actualisatie was naar aanleiding van: •
de herziening van de Wet gemeenschappelijk regelingen (Wgr);
•
het nieuwe model van de Vereniging Zeeuwse Gemeenten (VZG);
•
de uittreding van Waterschap Scheldestromen;
•
aanpassen of toevoegen van regels en richtlijnen voor participatie, actieve informatieplicht, evaluatie regeling, uittreding deelnemers, naamgeving RUD Zeeland.
Uw raad bracht hierop geen zienswijze in. Het college gaf in de reactie wel aan na één jaar een evaluatie te willen van de voorgestelde stemverhouding (zeven stemmen provincie en één per gemeente). Ook van andere deelnemers waren opmerkingen/kanttekeningen/verzoeken (bijlage 1). Naar aanleiding daarvan waren er wijzigingen in het concept van de gemeenschappelijke regeling. Het algemeen bestuur van RUD Zeeland ging op 9 december 2024 akkoord met deze gewijzigde regeling. Een van de wijzigingen in de regeling was de naamswijziging van RUD Zeeland naar Omgevingsdienst Zeeland. Dit komt terug in de titel van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling. 1/61
RUD Zeeland vraagt nu om vaststelling van de Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Zeeland (GR OD). Vaststelling door het college kan alleen met toestemming van de raad. Wat willen we bereiken? We willen een actuele gemeenschappelijk regeling die voldoet aan de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen en waarin afspraken en ontwikkelingen vastliggen. Argumenten 1.1 We hebben een gemeenschappelijk regeling die voldoet aan de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen en afspraken en ontwikkelingen liggen vast Deze wijzigingen waren nodig voor een actuele GR OD. 1.2 In de nieuwe regeling zijn zienswijzen, opmerkingen, kanttekeningen en verzoeken verwerkt van deelnemers Hierdoor voldoet de regeling grotendeels aan de wensen van de deelnemers. De regeling staat in bijlage 3. In bijlage 1 staat wat deelnemers aan zienswijzen, opmerkingen, kanttekeningen en verzoeken inbrachten en de afhandeling/verwerking daarvan. In bijlage 4 staat een was / wordt tabel: een vertaling van oude naar nieuwe regeling. Kanttekeningen 1.1 RUD Zeeland verwerkte niet alle zienswijzen, opmerkingen, kanttekeningen, verzoeken van deelnemers. Waar dit niet het geval is, gaf RUD Zeeland aan waarom niet. Ook bij gedeeltelijke aanpassingen of andere wijzigingen gaf zij een toelichting (bijlage 1). In de nieuwe GR OD staat de door Terneuzen aangegeven evaluatie van de stemverhoudingen.
De evaluatie is echter na twee jaar in plaats van de voorgestelde één jaar. Het algemeen bestuur van RUD Zeeland ging 9 december 2024 akkoord met de wijzigingen (bijlage 2). Wat mag het kosten? Er zijn geen kosten. Wat gaan we ervoor doen? Wanneer uw gemeenteraad besluit toestemming te verlenen, nemen wij het definitieve besluit tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling. In bijlage 5 ziet u waar we staan in het proces: dit is stap 13 van 17. We informeren RUD Zeeland dat we de gemeenschappelijke regeling omgevingsdienst Zeeland vaststellen.
Bijlagen 1. Aanbiedingsbrief colleges vaststelling GR OD Zeeland (Geanonimiseerd)
2/61
2. 3. 4. 5. 6.
Bijlage 1 Zienswijzen deelnemers op ontwerp actualisering GR RUD Zeeland Bijlage 2 AB voorstel zienswijzen ontwerp GR OD Zeeland Bijlage 3 GR OD Zeeland integrale versie Bijlage 4 Transponering van oude naar nieuwe GR versie jan 2025 Bijlage 5 Planning wijziging GR RUD Zeeland
3/61
Aan de colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten die deelnemen aan GR RUD Zeeland verzonden via e-mail. Terneuzen
,
ons kenmerk
: 2024-000048 : afdeling Staf : 0115-745100 : post @rud-zeeland.nl : 27/01/2025
contactpersoon tel. e-mail verzonden
27 januari 2025
Betreft: aanbieden gemeenschappelijke regeling voor vaststelling raden/staten en colleges Geachte Colleges
,
Hierbij bieden wij ter vaststelling aan de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland. Voordat de gemeenschappelijke regeling (GR) door uw college kan worden vastgesteld is toestemming nodig van de gemeenteraad respectievelijk provinciale staten. Wij verzoeken u uiterlijk 1 juni 2025 een afschrift te sturen van uw besluit. Tevens vragen wij u te bevestigen of deze termijn gelet op uw bestuurlijke vergaderschema haalbaar is. ,
,
Aanleiding Bij brief van 18 april 2024 hebben wij de ontwerp gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland aangeboden. Dit met als doel om de gemeenteraad respectievelijk provinciale staten om een zienswijze te vragen. In genoemde brief bent u tevens geïnformeerd over de redenen voor de algehele herziening van de gemeenschappelijke regeling RUD Zeeland naar de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland. Tevens is via de transponeringstabel bij deze brief inzichtelijk gemaakt wat de wijzigingen ten opzichte van de huidige gemeenschappelijke regeling zijn. Zienswijzen en reactie op zienswijzen Op de ontwerp gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland zijn meerdere (positieve) zienswijzen door deelnemers ingebracht. In de vergadering van het algemeen bestuur van 9 december 2024 zijn de zienswijzen behandeld en besproken. Bijgevoegd treft u de adviesnota en bijbehorende bijlagen (inclusief overzicht zienswijzen) aan. De volgende besluiten zijn genomen: 1. Het AB heeft kennis genomen van de zienswijzen over de ontwerp gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland. 2. Alle deelnemers ook de gemeenten Reimerswaal en Tholen gaan akkoord met een stemverhouding van provincie 7 stemmen en de gemeente elk 1 (beslispunt A) waarbij er na 2 jaar na inwerkingtreding van de GR een evaluatiemoment plaatsvindt (beslispunt B). 3.
De onderdelen C tot en met F zijn conform voorstel aangenomen: C: vasthouden aan de termijn van vier jaar voor periodieke evaluatie samenwerking. D: zienswijze over instellen raadadviescommissie apart opnemen en niet meenemen in de besluitvorming over de wijziging van de GR. E: naamswijziging op een nader door het AB te bepalen moment invoeren maar wel reeds in GR opnemen. Er wordt uitvoering gegeven aan een duidelijke en zorgvuldige communicatie over de naamswijziging. F. de optionele participatie zoals opgenomen in artikel 28 ontwerp GR ongewijzigd in stand laten. 4. De procedure tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling voor te zetten. ,
,
,
,
De Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Zeeland voert sinds 1 januari 2014 milieu- en veiligheidstaken uit namens de Zeeuwse gemeenten , 4/61 Waterschap Scheldestromen en Provincie Zeeland.
In
bijgaande gemeenschappelijke regeling is in artikel 37, tweede lid, de bepaling over de van de stemverhouding opgenomen. Tevens is artikel 38, tweede lid, aangepast. Dit betreft de inwerkingtreding van de GR. De GR treedt in werking op de dag na de bekendmaking. Dit in plaats van een specifieke datum. Dit zijn wijzigingen ten opzichte van de ontwerp gemeenschappelijke regeling. Voor het overige zijn er geen wijzigingen in de GR aangebracht. In bijgaande transponeringstabel zijn de wijzigingen van artikelen 37, tweede evaluatie
lid
en
38,
tweede
lid
van
de GR
ook opgenomen.
Vervolg vaststellingsprocedure gemeenschappelijke regeling In bijgaande planning zijn de stappen benoemd om de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland vast te stellen. We bevinden ons momenteel bij stap 12. Hieronder volgen op hoofdlijnen de te ondernemen stappen: 1.
2. 3.
De
colleges nemen het voorgenomen besluit om in te stemmen met de gewijzigde GR. Vervolgens vragen ze de raden en provinciale staten om toestemming voor het wijzigen van de GR. Hiervoor staat een termijn van 13 weken. Na de vereiste toestemming besluiten de colleges tot definitieve wijziging van de GR. Een instemming van alle colleges is nodig. Als alle colleges tot wijziging van de GR hebben besloten wordt de gewijzigde GR in het provinciaal blad bekend gemaakt. De gemeenschappelijke regeling zal in werking treden op de dag na bekendmaking
Verzoek
Wij verzoeken Wij ontvangen gemaild naar
de
u
een
gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland vast te stellen. van uw besluit graag voor 1 juni 2025. Uw besluit kan worden
afschrift
post@rud-zeeland.nl.
Hoogachtend, Het
dagelijks
bestuur
van
RUD
Zeeland,
(geanonimiseerd) G.
van
Hofwegen
Directeur
RUD-Zeeland
Bijlagen 1. 2. 3.
Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland Voorstel
Bijlage RUD
4. 5.
1
AB
actualisatie
GR
bij
AB-voorstel
9 december
RUD
Zeeland 2024:
9 december
zienswijzen op ontwerp actualisering
Zeeland
Transponeringstabel van oude naar nieuwe Planning wijziging GR RUD Zeeland
2024
GR
5/61
GR
Bijlage 1 Zienswijzen op ontwerp actualisering GR RUD Zeeland (accentuering door RUD Zeeland) Nr. 1.
Deelnemer Gemeente Borsele
2.
Gemeente Hulst
3.
Gemeente Kapelle
4.
Gemeente Middelburg
Zienswijze 1. De raad brengt een positieve zienswijze naar voren over de herziene gemeenschappelijke regeling 2. met het voorstel dat de nieuwe GR een klankbordgroep of adviesraad gaat oprichten. 1. Allereerst willen wij benadrukken dat we op de inhoud van de ontwerp GR geen opmerkingen hebben. 2. Wel hebben wij begrepen dat in het AB van 8 april 2024 is ingestemd met het handhaven van de huidige stemverhouding (provincie 7 stemmen, overige deelnemers 1 stem), maar dat hierbij is ingestemd om in november 2025 te beoordelen of er behoefte is aan een evaluatie. Meer borging op het daadwerkelijk plaatsvinden van een evaluatie op de stemverhouding vinden wij belangrijk. Wij stellen dan ook voor dat in november 2025 niet beoordeeld wordt of behoefte is aan een evaluatie, maar dat een evaluatie daadwerkelijk plaatsvindt. 1. De gemeenteraad roept het dagelijks bestuur op tot het duidelijk en zorgvuldig communiceren van de nieuwe naam Omgevingsdienst Zeeland richting onze bedrijven. 2. Daarnaast verzoekt de gemeenteraad het algemeen bestuur van de RUD Zeeland tot oprichting van een regionale adviescommissie, overeenkomstig artikel 24a van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De raad besluit: 1. in te stemmen met de ontwerp-regeling Omgevingsdienst Zeeland 2.
de volgende zienswijze in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders; - Het algemeen bestuur van de RUD Zeeland te verzoeken met toepassing van artikel 24a van de Wet gemeenschappelijke regelingen een regionale adviescommissie in te stellen.
6/61
voorstel voor afhandeling 1. Geen actie vereist 2. klankbordgroep of regionale adviescommissie: zie AB voorstel onderdeel 3.D. 1. Geen actie vereist 2. Evaluatie stemverhouding: zie AB voorstel onderdeel 3.B.
1. Naamgeving: zie AB voorstel onderdeel 3.E. 2. regionale adviescommissie: zie AB voorstel onderdeel 3.D.
1. Geen actie vereist 2. regionale adviescommissie: zie AB voorstel onderdeel 3.D.
1
5.
Gemeente NoordBeveland
6.
Gemeente Reimerswaal
7.
Gemeente SchouwenDuiveland
8.
Gemeente Sluis
9.
Gemeente Terneuzen
1. Waar in het voorstel gesproken wordt van een 4-jaarlijkse evaluatie, stelt onze raad een 2-jaarlijkse evaluatie voor teneinde tijdig bij de te kunnen sturen; een periode van 4 jaar wordt hiervoor te lang geacht. 2. Met de overige onderdelen van het voorstel stemt de raad in. 1. Wij kunnen ons vinden in de voorstellen 2. met uitzondering van die onder beslispunt 1, de stemverhouding binnen het AB van de Omgevingsdienst. Wij vinden het niet juist dat de provincie Zeeland een verkapt vetorecht heeft. Immers, bij optie a is de provincie altijd instemmend benodigd voor een besluit met 2/3 meerderheid. Dit vermeldt u niet nadrukkelijk in uw toelichting. Onze voorkeur gaat uit naar optie b; door de provincie 6 stemmen toe te kennen en de overige deelnemers 1 stem is er geen sprake van een verkapt vetorecht De raad besluit: 1. In te stemmen met de voorbereiding om de tekst van de gemeenschappelijke regeling van de RUD Zeeland te actualiseren en de naam van deze GR te wijzigen naar Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland. 2. In te stemmen met het indienen van een positieve zienswijze op de concepttekst Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland. 3. Het algemeen bestuur van de RUD Zeeland te verzoeken, met toepassing van artikel 24a van de Wet Gemeenschappelijke regelingen, een regionale adviescommissie in te stellen. 4.
Dit besluit ter kennisname van Provinciale Staten van Zeeland en de andere Zeeuwse gemeenteraden te brengen en de laatstgenoemden op te roepen een gelijkluidend besluit te nemen. De raad heeft besloten 1. een positieve zienswijze in te dienen op de ontwerp gemeenschappelijke regeling 2. met de kanttekening dat op een later moment een evaluatie van de stemverhouding plaats vindt. 1. Wel vragen wij u om de opgenomen wijziging van de stemverhouding (beslispunt 1) na een jaar te evalueren. 7/61
1. Evaluatie in GR van vier naar twee jaar: zie AB voorstel onderdeel 3.C. 2. Geen actie vereist 1. Geen actie vereist 2. Weging stemverhouding: zie AB voorstel onderdeel 3.A.
1. Geen actie vereist 2. Geen actie vereist 3. regionale adviescommissie: zie AB voorstel onderdeel 3.D. 4. Geen actie vereist
1. Geen actie vereist 2. Tijdstip evaluatie stemverhouding: zie AB voorstel onderdeel 3.B. 1. Evaluatie stemverhouding: zie AB voorstel onderdeel 3.B. 2
10.
Gemeente Tholen
11.
Gemeente Veere
12.
Gemeente Vlissingen
2. We verzoeken u om deze evaluatie ook vast te leggen in de tekst van de GR. 1. We kunnen instemmen met de Ontwerp Gemeenschappelijke Regeling, mits 2. het stemgewicht van het lid van de provincie Zeeland benoemd in artikel 10 lid 5 van de Ontwerp GR OD Zeeland wordt teruggebracht van 7 naar 6. Het is essentieel dat er een evenwichtige verdeling van stemmen bestaat in zowel het dagelijks bestuur als het algemeen bestuur. Vanuit een oogpunt van democratische legitimatie en goed bestuur, dient het algemeen bestuur een volwaardige plek te krijgen in de gemeenschappelijke regeling. Door het uittreden van het waterschap uit het algemeen bestuur komt het totale aantal stemmen in het algemeen bestuur in de huidige situatie op 20 stemmen. Dit resulteert in een onevenredige besluitvorming binnen het algemeen bestuur. Belangrijke besluitvorming zoals het vaststellen van een bijdrageverordening wordt, in afwijking van artikel 10 lid 4, genomen met een twee derde meerderheid. Als tenminste 2/3e meerderheid benodigd is voor een dergelijk besluit zijn er 14 stemmen beoogd voor positieve besluitvorming. Dit betekent dat de provincie Zeeland met 7 stemmen 2/3e meerderheid kan voorkomen, en dus een verkapt vetorecht heeft.
Ons voorstel is dan ook om het aantal stemmen van de Provincie in het algemeen bestuur te wijzigen van 7 naar 6 en dus de stemverhouding zoals beschreven onder beslispunt 1 optie b aan te houden zoals aangeduid in het AB voorstel van 8 april 2024. Het totaal aantal stemmen wordt daarmee 19 wat resulteert in een 2/3e meerderheid van 13 stemmen. Indien het stemgewicht niet wordt aangepast, kunnen wij niet instemmen met de ontwerpregeling. Gemeenteraad heeft ervoor gekozen om geen zienswijze uit te brengen. Raadsbesluit: kennis te nemen van en in te stemmen met de concept gemeenschappelijke regeling Omgeving dienst Zeeland en hiertoe een positieve zienswijze in te dienen. 8/61
2. Afspraak over evaluatie vastleggen in GR: zie AB voorstel onderdeel 3.B. 1. Geen actie vereist 2. Weging stemverhouding: zie AB voorstel onderdeel 3.B.
Geen actie vereist Geen actie vereist
3
13.
Provincie Zeeland
1. Evaluatie stemverhouding: wij onderschrijven de door RUD Zeeland voorgestelde voorkeursoptie A (zeven stemmen voor de Provincie). Wij beschouwen dit als een eerlijke verdeling (die recht doet aan de bestuurlijke verhouding in Zeeland). 2. Aantal leden in het Dagelijks Bestuur: wij onderschrijven voorkeursoptie B, waarbij het DB -na uittreding van het Waterschap- bestaat uit vier leden en de voorzitter een doorslaggevende stem heeft in het geval de stemmen staken (de voorzitter is één van de vier leden). 3. Wij zijn positief over de manier waarop RUD Zeeland invulling geeft aan de nieuwe verplichtingen vanuit de Wet gemeenschappelijke regelingen (zienswijze, participatie, actieve informatieplicht, evaluatie GR, uittreding). Wel verzoeken wij een verduidelijking over de manier waarop participatie zou kunnen plaatsvinden. 4. Wij staan kritisch tegenover de naamswijziging van RUD Zeeland naar Omgevingsdienst Zeeland op dit moment en ten aanzien van de bijkomende kosten. Gelet op de staat van de organisatie heeft het op dit moment geen prioriteit om de naamswijziging te implementeren. Het is opportuun dat deze naamswijziging plaatsvindt na implementatie van het plan van aanpak ‘Samen naar een robuuste RUD Zeeland’. 5.
Om de betrokkenheid van alle deelnemers van de GR te vergroten benadrukken Provinciale Staten het belang van een adviescommissie zoals de Wet gemeenschappelijke regelingen (art. 24a) dit mogelijk maakt. Provinciale Staten hebben hiertoe op 3 februari 2023 een initiatiefvoorstel aangenomen. Wij moedigen RUD Zeeland aan om deze mogelijkheid nogmaals onder de aandacht te brengen bij de deelnemers.
9/61
1. Geen actie vereist 2. Geen actie vereist 3. Participatie: zie AB voorstel onderdeel 3.F. 4. Naamgeving: zie AB voorstel onderdeel 3.E. 5. regionale adviescommissie: zie AB voorstel onderdeel 3.D.
4
Voorstel AB Onderwerp: zienswijzen concept GR Omgevingsdienst Zeeland Zaaknummer: (nummer) Terneuzen, 9 december 2024 Portefeuillehouder MT: afd. hoofd Staf Opsteller: afdeling Staf ________________________________________________________________________ Aan het algemeen bestuur van RUD Zeeland, 1. Gevraagd besluit 1. Kennis nemen van de zienswijzen over de ontwerp gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland, zoals opgenomen in bijlage 1. 2. Standpunt innemen over hoe met de zienswijzen over de stemverhouding om te gaan, zoals opgenomen onder A. 3. Keuze maken bij beslispunt B en instemmen met de beslispunten, zoals opgenomen onder C tot en met F. 4. De procedure tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling opschorten totdat zicht is op een voorstel tot wijziging dat draagvlak heeft bij alle deelnemers. 2. Effect van het besluit 1. Het algemeen bestuur wordt geïnformeerd over de ingekomen zienswijzen op de nieuwe ontwerp gemeenschappelijke regeling (GR). 2. Uit de zienswijzen blijkt dat niet alle vertegenwoordigende organen van de deelnemers een positieve zienswijze uitbrengen over de voorgestelde stemverhouding van het algemeen bestuur (AB). Unanimiteit bij de deelnemers van de GR is vereist. Het AB wordt gevraagd richting te geven hoe nu verder te gaan. 3. Over de behandeling van de overige zienswijzen kan reeds een beslissing worden genomen. 4.
Vanwege ontbreken van unanimiteit bij de deelnemers zal de GR niet door alle deelnemers worden vastgesteld. Het AB wordt voorgesteld om de wijzigingsprocedure op te schorten tot er zicht is op een voorstel dat de instemming van alle raden en staten kan dragen. 3. Argumenten of Overwegingen In de vergadering van het algemeen bestuur van 8 april jl. is unaniem ingestemd met de nieuwe ontwerp gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland. Tevens is besloten de ontwerp regeling naar de colleges van burgemeester en wethouders (B&W) en het college van gedeputeerde staten (GS) te zenden. Vervolgens hebben de colleges de raden en staten om zienswijzen gevraagd. In de afgelopen periode hebben de colleges zienswijzen aan RUD Zeeland toegezonden. In bijgaande bijlage zijn per deelnemer de zienswijzen en een voorstel voor afhandeling vermeld. Er zijn 10 deelnemers die een positieve zienswijze hebben uitgebracht met daarbij in een aantal gevallen opmerkingen/kanttekeningen/verzoeken. Er zijn twee vertegenwoordigende organen van deelnemers die alleen met de nieuwe GR kunnen instemmen als de stemverhouding wordt aangepast. Er is daarmee geen sprake van unanimiteit. Immers alle deelnemers hebben toestemming nodig van hun vertegenwoordigende organen om de tekst van de gemeenschappelijke regeling te wijzigen.
Hieronder volgen de belangrijkste onderwerpen uit de zienswijzen met daarbij10/61 een beslispunt.
A. Stemverhouding Twee deelnemers (Reimerswaal en Tholen) verzoeken om een herziening van de stemverhouding. In hun ogen is er sprake van een verkapt vetorecht voor de provincie met zeven stemmen. Zij hebben daarom een voorkeur voor optie b uit het AB-voorstel van 8 april 2024. Dan heeft de provincie 6 stemmen en de overige deelnemers 1 stem. In bijlage 1 wordt de standpunten van deze twee deelnemers nader toegelicht. beslispunt: standpunt innemen hoe om te gaan met het niet instemmen met de stemverhouding door twee vertegenwoordigende organen van deelnemers. B. Evaluatie stemverhouding Drie deelnemers (Hulst, Sluis, Terneuzen) willen duidelijkere afspraken over de evaluatie van de stemverhouding. Voorstel voor afhandeling: 1. bestuurlijke afspraak in stand houden, maar datum november 2025 aanpassen, of. 2. In GR bij de slotbepaling opnemen dat de stemverhouding binnen 2 jaar na inwerkingtreding GR wordt geëvalueerd door DB/AB (keuze maken). beslispunt: keuze voor optie 1 of 2. C. Moment van evaluatie samenwerking Eén deelnemer (Noord-Beveland) verzoekt om de evaluatie in artikel 37 over de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken, om de twee jaar uit te voeren in plaats van om de vier jaar.
Voorstel voor afhandeling: bij een evaluatie is het de vraag of de meerwaarde van de evaluatie opweegt tegen de tijd en inzet welke de evaluatie vergt. Gelet op de schaarse ambtelijke capaciteit is het voorstel om vast te houden aan de termijn van vier jaar. beslispunt: vasthouden aan de termijn van vier jaar voor periodieke evaluatie samenwerking. D. Raadadviescommissie of klankbordgroep Vijf deelnemers (Borsele, Kapelle, Middelburg, Schouwen-Duiveland, Provincie) verzoeken om of (a) oprichting van een klankbordgroep voor raadsleden of (b) een raadsadviescommissie (RAC) overeenkomstig artikel 24a Wgr. Voorstel voor afhandeling: Een raadsadvies commissie moet niet in een gemeenschappelijke regeling worden opgenomen. Daartoe besluit het algemeen bestuur op initiatief van alle deelnemers in een apart besluit. Dit onderwerp heeft reeds de aandacht van het AB. Zie besluitvorming hierover in het AB van 9 september 2024. beslispunt: zienswijze over instellen raadadviescommissie apart op pakken en niet meenemen in de besluitvorming over de wijziging van de GR. E. Naamgeving Een deelnemer (provincie) verzoekt om de naamswijziging pas plaats te laten vinden na 11/61 implementatie van het plan van aanpak “Samen naar een robuuste RUD Zeeland”. Een
andere deelnemer (Kapelle) verzoekt om de naamswijziging gepaard te laten gaan met duidelijke en zorgvuldige communicatie richting bedrijven. Voorstel voor afhandeling: aan het verzoek om te zorgen voor een duidelijke en zorgvuldige communicatie wordt uitvoering gegeven. Voor wat betreft de naamswijziging is het wel noodzakelijk dat dit in de gemeenschappelijke regeling wordt op genomen. Een wijziging van de GR vergt de nodige proceduretijd. Daarom is het voorstel de naamswijziging in deze wijziging mee te nemen. Voor wat betreft het moment en de wijze van de naamswijziging kan het AB zich nader beraden na inwerking treding van de GR. De wijziging kan zonodig op een nader tactisch te bepalen moment en bijvoorbeeld worden gekoppeld aan “Robuuste RUD”. beslispunt: naamswijziging op een nader door het AB te bepalen moment invoeren, maar wel reeds in GR opnemen. Er wordt uitvoering gegeven aan een duidelijke en zorgvuldige communicatie over de naamswijziging. F. Participatie Een deelnemer (Provincie) verzoekt om verduidelijking over de manier waarop participatie zou kunnen plaatsvinden. Voorstel voor afhandeling: In de GR is opgenomen dat het AB kan besluiten tot participatie. Daarbij is in het tweede lid aangegeven wanneer er sowieso geen participatie plaatsvindt. Het betreft daarom een optionele participatie op het moment dat daartoe aanleiding bestaat.
Op dit moment wordt niet voorzien dat participatie bij RUD Zeeland snel aan de orde zal zijn. Er is immers geen beleid bij RUD Zeeland neergelegd. De deelnemers vormen zelf het beleid. Maar door het opnemen van een optionele participatie in de GR wordt de mogelijkheid van participatie niet uitgesloten. Bij een besluit van het AB tot participatie kan het AB tevens besluiten over de wijze waarop participatie gaat plaatsvinden. Daarmee kan een specifiek afgestemde participatie voor het betreffende geval plaatsvinden. Tevens kunnen de deelnemers dan alsnog hun inbreng geven op de wijze van participatie. beslispunt: de optionele participatie zoals opgenomen in artikel 28 ontwerp GR ongewijzigd in stand laten. Gelet op het bovenstaande is er geen unanimiteit over de stemverhouding. Dit heeft consequenties voor de besluitvormingsprocedure. Daarom wordt de opinie van de leden van het algemeen bestuur gevraagd voor wat betreft het vervolg van dit proces. In geval in uw AB vergadering alsnog zicht is op unanimiteit dan wordt voorgesteld de uitkomsten van de beslispunten zo nodig te verwerken in de ontwerp GR. Deze (gewijzigde) ontwerp GR wordt vervolgens voor toestemming van de vertegenwoordigende organen en instemming van de colleges van B&W en PS aan de deelnemers toegezonden conform bijgaande planning. 4. Uitvoering en communicatie a.
Aanpak In de vergadering van het AB van 9 december 2024 wordt het AB gevraagd de procedure tot 12/61 wijziging van de GR op te schorten totdat zicht is op een voorstel tot wijziging van de GR dat
b.
c. d.
e.
draagvlak heeft bij alle deelnemers. Na opschorting of als er toch sprake is van unanimiteit bij de deelnemers volgt de aanpak de stappen in bijgaande planning (ook reeds gedeeld in het AB van 8 april jl.). Dit betekent, na behandeling van de zienswijzen in het AB en een eventueel gewijzigd voorstel voor de GR, dat de colleges van B&W en GS de raden en PS om toestemming vragen voor het wijzigingen van de GR. Na de vereiste toestemming besluiten de colleges tot definitieve wijziging van de GR. Als alle colleges tot wijziging van de GR hebben besloten wordt de gewijzigde GR in het provinciaal blad bekend gemaakt. Planning In de vergadering van het AB van 9 december wordt het AB gevraagd de procedure tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling op te schorten totdat zicht is op een voorstel tot wijziging van de GR dat draagvlak heeft bij alle deelnemers. De verdere planning is hiervan afhankelijk. Zie nader bijgevoegde planning. Communicatie Stand van zaken en proces delen in het deelnemersoverleg. Interne communicatie (deze tekst wordt opgenomen in de terugkoppeling naar de collega’s). In het algemeen bestuur van 8 april jl. is besloten de nieuwe ontwerp gemeenschappelijke regeling voor vaststelling aan te bieden bij de colleges van B&W en GS. De colleges vragen de raden en staten om zienswijzen.
Er zijn twee gemeenteraden die vanwege de stemverhouding geen positieve zienswijzen hebben gegeven. Er is daarom geen vereiste unanimiteit. Daarom is het AB gevraagd de procedure op te schorten tot er een voorstel ligt waarvoor alle deelnemers draagvlak hebben. Route en planning verdere besluitvorming: OR, Deelnemersoverleg, begeleidingscommissie, DB, AB NVT.
5. Risico’s, kosten, baten en dekking (restant budget) a. Risico’s: (kosten-baten), niet gehonoreerd wat dan + risico’s besluit Voor het wijzigen van de GR is unanimiteit bij de deelnemers vereist. Nu hiervan geen sprake is kan er geen nieuwe GR worden vastgesteld. Daarmee blijft de huidige verouderde GR in stand. Deze is op onderdelen in strijd met de wet, niet up to date en toekomstbestendig. b. Organisatorisch (wat betekent dit voor de organisatie) zie a. c. Juridisch zie a. d. Financiën NVT. e. Indicatie urenbesteding NVT. f. Overige consequenties NVT.
13/61
GR Omgevingsdienst Zeeland Hoofdstuk 1: Algemene Bepalingen Artikel 1: Begripsomschrijvingen Deze regeling verstaat onder: a) Omgevingsdienst Zeeland: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2; b) colleges: colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en gedeputeerde staten van de provincie; c) gemeenten: gemeenten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord- Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen; d) provincie: de provincie Zeeland; e) deelnemers: colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten en gedeputeerde staten van de provincie; f) vertegenwoordigende organen: raden van de gemeenten en de provinciale staten van de provincie. g) regeling: gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zeeland; h) Wgr: Wet gemeenschappelijke regelingen. i) Basistakenpakket: de werkzaamheden die onder het basistakenpakket vallen zoals omschreven in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit Artikel 2: Openbaar lichaam 1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Omgevingsdienst Zeeland gevestigd te Terneuzen. 2. Het rechtsgebied van de Omgevingsdienst Zeeland omvat de provincie Zeeland. 3. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
Hoofdstuk 2: Belang, taken en bevoegdheden Artikel 3: Belang De regeling wordt getroffen ter ondersteuning van de colleges bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen en de Omgevingswet in het bijzonder, alsmede de taken op het terrein van vergunningverlening, handhaving en toezicht. Artikel 4: Bestuursorganen De Omgevingsdienst Zeeland kent de volgende bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. Artikel 5: Taken en bevoegdheden 1. Aan de bestuursorganen van de Omgevingsdienst Zeeland worden geen bevoegdheden overgedragen. 2. De colleges verplichten zich er voor zorg te dragen dat namens hun bestuur ten minste de bevoegdheden noodzakelijk voor de uitvoering van het basistakenpakket aan de directeur in mandaat worden opgedragen. 3. De Omgevingsdienst Zeeland kan met instemming van het algemeen bestuur ook diensten aan andere bestuursorganen verlenen. 4. De privaatrechtelijke bevoegdheden van de Omgevingsdienst Zeeland worden niet beperkt. 5. Het algemeen bestuur kan slechts bij twee derde meerderheid besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.
Het algemeen bestuur beslist hier slechts toe indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. 6. Het algemeen bestuur stelt een dienstverleningshandvest op, dat geldt als algemene voorwaarden voor de dienstverlening aan deelnemers en derden. In het dienstverleningshandvest worden in elk geval opgenomen: a. de taken die voor elke deelnemer structureel door de Omgevingsdienst Zeeland moeten worden uitgevoerd;
14/61
b.
7. 8.
de voorwaarden voor wijziging van het onder a. bedoelde takenpakket, alsmede voor uitoefening van andere incidentele taken; c. de aansprakelijkheid, verzekering en geschillen met betrekking tot de taakuitoefening; d. de financiële verrekening van de dienstverlening; e. de wijze van de vaststelling van het standaard uurtarief, en f. een voorziening in geval van niet voldoen aan de door de deelnemers gestelde eisen. Het dienstverleningshandvest, bedoeld in het vorige lid, wordt met twee derde meerderheid vastgesteld. Het Dagelijks Bestuur sluit dienstverleningsovereenkomsten met betrekking tot de uit te voeren taken, zowel structurele als incidentele taken, de financiële vergoeding daarvoor en eventuele aanvullende afspraken daaromtrent. Bij de dienstverleningsovereenkomst kan niet worden afgeweken van het in vorige lid bedoelde dienstverleningshandvest, tenzij het algemeen bestuur hier met twee derde meerderheid mee instemt.
Artikel 6: Bezwaar en beroep Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 7: Klachtrecht Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening over de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de behandeling van deze klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman.
Hoofdstuk 3: Het algemeen bestuur Artikel 8: Samenstelling 1. De colleges wijzen ieder uit hun midden één lid van het algemeen bestuur aan. 2. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt wethouder of burgemeester respectievelijk gedeputeerde of commissaris van de Koning te zijn. 3. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Het lid blijft aan tot het college dat hem heeft aangewezen in zijn opvolging heeft voorzien. 4. De colleges wijzen ieder uit hun midden minstens één plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan. Het plaatsvervangend lid vervangt het lid, bedoeld in het eerste lid, bij afwezigheid. Hetgeen in deze regeling bepaald is omtrent het lid van een algemeen bestuur, is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid. 5. De colleges kunnen ieder het door hen in het algemeen bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 9: Bevoegdheden van het algemeen bestuur 1. Aan het algemeen bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen.
Het algemeen bestuur kan alle bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet. 2. De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar: a. het aanwijzen van een voorzitter en diens plaatsvervanger en de overige leden van het dagelijks bestuur; b. het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen en de jaarstukken; c. het vaststellen van een reglement van orde; d. het vaststellen van de Financiële verordening en de Controle verordening; e. het vaststellen van een verordening tot instelling van een commissie ex artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, en de verordening voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht; g. het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling; h. Het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24 en 25 van de Wgr.
15/61
Artikel 10: Werkwijze 1. Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast en brengt dit ter kennis van de colleges. 2. Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste een-vijfde van het algemeen bestuur dit verzoeken onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen. 3. De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op en tegelijkertijd met de oproep maakt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering openbaar. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in artikel 84 Provinciewet, genoemde stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep ter inzage gelegd. 4. Uit de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (tot stand komen besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het Algemeen bestuur). 5. Het lid van het algemeen bestuur, aangewezen door gedeputeerde staten van de provincie heeft zeven stemmen.
De leden van het algemeen bestuur, aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten hebben ieder één stem. Artikel 11 Openbaarheid vergaderingen 1. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 2. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij het algemeen bestuur anders beslist. 3. In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, ter zake van de begroting, de wijzigingen daarvan en de jaarrekening. 4. In een besloten vergadering kan evenmin worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, over het ontslag van leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter. 5. In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen ter zake van: a. het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en het aangaan van rekeningcourantovereenkomsten; b. het kopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden van eigendommen; c. het doen van een uitgaaf voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd.
HOOFDSTUK 4: HET DAGELIJKS BESTUUR Artikel 12: Samenstelling Het dagelijks bestuur bestaat uit de door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen leden, waaronder de voorzitter, waarbij: a. het lid van het algemeen bestuur aangewezen door gedeputeerde staten van de provincie wordt aangewezen als lid van het dagelijks bestuur; b. een lid van het dagelijks bestuur wordt aangewezen uit de leden van het algemeen bestuur aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal en Tholen; c. een lid van het dagelijks bestuur wordt aangewezen uit de leden van het algemeen bestuur aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Middelburg, Schouwen-Duiveland, Veere en Vlissingen, en d. een lid van het dagelijks bestuur wordt aangewezen uit de leden van het algemeen bestuur aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen. Artikel 13: Einde lidmaatschap 1. Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.
16/61
2.
3.
Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid in het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet. In dit geval is het bepaalde in artikelen 49 en 50 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 14: Werkwijze 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht met opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen. 2. Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur. 3. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, heeft de voorzitter een beslissende stem. 4. Ieder lid heeft één stem. 5. Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd. 6. Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur en de verplichting tot geheimhouding zijn de overeenkomstige bepalingen zoals die zijn opgenomen in de Provinciewet van toepassing. Artikel 15: Taak De taak van het dagelijks bestuur is onder andere: a. het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van de Omgevingsdienst Zeeland; b. het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van de Omgevingsdienst Zeeland, evenals op al wat de Omgevingsdienst Zeeland aangaat, waaronder de zorg voor de archiefbescheiden; c.
het behartigen van de belangen van de Omgevingsdienst Zeeland bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de Omgevingsdienst Zeeland van belang is. HOOFDSTUK 5: DE VOORZITTER Artikel 16: Benoeming en Taak 1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen voor een periode van vier jaar. Een voorzitter kan maximaal twee aaneensluitende termijnen worden aangewezen. 2. Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit zijn de artikelen 4:8 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 3. Indien het voorzitterschap tussentijds vacant komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuwe voorzitter aan voor een periode van vier jaar. Tot in de benoeming van een nieuwe voorzitter is voorzien treedt de plaatsvervangend voorzitter als voorzitter op. Indien ook de positie van plaatsvervangend voorzitter vacant is, voorziet het dagelijks bestuur in de tijdelijke waarneming van het voorzitterschap. 4. Uit de andere leden als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt minstens een plaatsvervangend voorzitter aangewezen door het algemeen bestuur. 5. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. 6.
De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan. 7. De voorzitter vertegenwoordigt de Omgevingsdienst Zeeland in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde. 8. Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer, die partij is in een geding waarbij de Omgevingsdienst Zeeland is betrokken, wordt de Omgevingsdienst Zeeland door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen, lid van het dagelijks bestuur vertegenwoordigd.
17/61
HOOFDSTUK 6: DE DIRECTEUR Artikel 17: Functie, Benoeming en Taak 1. De bestuursorganen van de Omgevingsdienst Zeeland worden bijgestaan door een directeur, aan wie in het dagelijks bestuur een adviserende stem toekomt. De directeur vervult ten behoeve van het algemeen bestuur en ten behoeve van het dagelijks bestuur de functie van ambtelijk secretaris. 2. De directeur wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het dagelijks bestuur. 3. De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de Omgevingsdienst Zeeland. 4. De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan. 5. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur worden vastgelegd in een instructie. De instructie wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur. 6. De directeur is verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur. 7. De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op ondernemingsraden. 8. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de ambtelijk secretaris. HOOFDSTUK 7: INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG Artikel 18: Interne verantwoording 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. 2.
Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. 3. Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. 4. De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur. Artikel 19: Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur 1. Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de vertegenwoordigende organen ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door een of meer vertegenwoordigende organen worden verlangd. Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige vertegenwoordigende organen. 3. Belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken zendt het algemeen of dagelijks bestuur met een tussentijdse rapportage tijdig ter informatie naar de vertegenwoordigende organen.
Artikel 20: Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan zijn college en zijn vertegenwoordigend orgaan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 16 en 52 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van het vertegenwoordigend orgaan aangegeven wijze. HOOFDSTUK 8: HET PERSONEEL Artikel 21: Personeel 1. Bij de Omgevingsdienst Zeeland is personeel werkzaam. 2. Het dagelijks bestuur stelt voor het personeel van de Omgevingsdienst Zeeland de arbeidsvoorwaardenverordening vast. 3. Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden. 4. Aanstelling, schorsing en ontslag van personeel geschieden door het dagelijks bestuur. HOOFDSTUK 9: FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 22: Begrotingsprocedure 1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting van de Omgevingsdienst Zeeland voor het komende kalenderjaar, evenals de algemene financiële en beleidsmatige kaders (lees: ontwerpbegroting en de financieel en beleidsmatig onderbouwde meerjarenraming), aan de
18/61
2. 3.
4.
5.
vertegenwoordigende organen. Het bepaalde in 194 lid 1 van de Provinciewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). De vertegenwoordigende organen kunnen binnen twaalf weken, na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. Het bestuur geeft deelnemers de gelegenheid om zienswijzen te geven over begrotingswijzigingen. Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen een programma van de eigen begroting kunnen worden opgevangen of die geen belangrijke beleidswijzigingen betreffen of geen structurele gevolgen hebben voor de begroting of bij wijzigingen die geen invloed hebben op de hoogte van deelnemersbijdragen.
Artikel 23: Bijdragen van de deelnemers 1. Het algemeen bestuur stelt een bijdrageverordening vast, die de uitgangspunten voor de toerekening van de kosten bevat. Het besluit tot het vaststellen van een bijdrageverordening wordt in afwijking van artikel 10 genomen met een twee derde meerderheid. 2. De kosten over het lopende kalenderjaar worden bij de gemeenten en de provincie in rekening gebracht op basis van de door het algemeen bestuur voor het betreffende jaar, bij de begroting, vastgestelde uitgangspunten. 3. In de begroting staat welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van de Omgevingsdienst Zeeland. De deelnemers betalen bij wijze van voorschot op de vijftiende dag van maand een/twaalfde deel van de bedoelde bijdrage. 4. De gemeenten en de provincie zullen er steeds zorg voor dragen, overeenkomstig de systematiek voor kostentoedeling opgenomen in de bijdrageverordening, bedoeld in lid 1, dat de Omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen, onverminderd het bepaalde in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 5.
Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 van de Provinciewet. Artikel 24: Reserve 1. De Omgevingsdienst Zeeland vormt een reserve ten laste van de bijdragen van de gemeenten en de provincie aan de uitvoeringskosten conform de richtlijn die jaarlijks door het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten wordt vastgesteld. 2. Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op verzoeken van deelnemers hierover past het dagelijks bestuur de VZG-afspraken tussen de deelnemers over de te vormen reserve toe. Artikel 25: Jaarstukken 1. Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de voorlopig opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemers te betalen bijdragen, naast het (voorlopig) rapport van de met de controles belaste accountant. 2. De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de vertegenwoordigende organen toegezonden. 3.
Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan toevoeging aan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de vertegenwoordigende organen in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming. 4. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze vast uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.
19/61
5. 6.
De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezonden, maar vóór 15 juli. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.
HOOFDSTUK 10: HET ARCHIEF EN INFORMATIEVEILIGHEID Artikel 26: Archief 1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet, regels vast over de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam. 2. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde regeling. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan. Artikel 27: Informatieveiligheid 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft. 2. Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemers moeten voldoen. Artikel 28: Participatie 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid. 2. Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken bij: a. ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c.
indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; e. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving. 3. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.
HOOFDSTUK 11: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING
Artikel 29: Toetreding 1. Een bestuursorgaan brengt een verzoek tot toetreding ter kennis van het algemeen bestuur. 2. Toetreding kan geschieden nadat de colleges hiertoe unaniem hebben besloten, na verkregen toestemming van het vertegenwoordigend orgaan, als bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het algemeen bestuur kan daarbij voorwaarden stellen. 3. Het toetredingsbesluit regelt wanneer de toetreding in werking treedt. Artikel 30: Aanvang uittredingsprocedure 1. De deelnemer zendt, na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur het besluit heeft ontvangen. 2. Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het conceptuittredingsplan. 3. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.
20/61
4.
De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit en de uittredende deelnemer een andere opzegtermijn overeen komen.
Artikel 31: Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het conceptuittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast.
Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 32 gelet op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 23 en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Artikel 32: Te vergoeden kosten 1.
De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 5, vijfde lid. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door Omgevingsdienst Zeeland die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 31, achtste lid, anders is vastgelegd. 5.
Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 30, vierde lid. 7. Indien te kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoelt in artikel 31 en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft kan het algemeen bestuur in overleg met deelnemer
21/61
8.
besluiten om in afwijking van het bepaalde in dit lid de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
Artikel 33: Verplichtingen uittreder 1. De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van Omgevingsdienst Zeeland die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden. Artikel 34: Wijziging 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de colleges daartoe unaniem besluiten, met inachtname van artikel 51 Wgr. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers. 3. Voorstellen uitgaande van het algemeen of dagelijks bestuur worden toegezonden aan de colleges. 4. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemers worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen binnen acht weken aan de colleges doet toekomen. Artikel 35: Geschillen 1.