2025-02-20 a. Zienswijze voor het wijzigen van de gemeenschappeljike regeling GGD Zeeland - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
“Artikel 28: Archief 1.Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling. 2.Deze regeling wordt aan Gedeputeerde Staten toegestuurd. 3.Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan.” (oud) Wordt:
“Artikel 26: Archief 1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet, regels vast over de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam. Deze regeling wordt toegestuurd aan gedeputeerde staten. 2. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde regeling. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan.” (nieuw) Artikel 27: Informatieveiligheid Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op informatieveiligheid en luidt als volgt:
“Artikel 27: Informatieveiligheid 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft. 2. Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemende gemeenten moeten voldoen.” Artikel 28: Participatie Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op participatie en luidt als volgt:
“Artikel 28: Participatie 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid. 2. Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken: a. ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;
43/48
8
b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; e. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; f. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving. 3. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.” Dit in verband met het bepaalde in artikel 10 lid 7 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. HOOFDSTUK 11: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING Artikel 29: Toetreding en uittreding Is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 30: Procedure voor vaststelling uittredingsplan Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op de procedure voor het vaststellen van een uittredingsplan en luidt als volgt:
“Artikel 30: Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het Algemeen Bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het Algemeen Bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen Bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast.
Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 en vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uit-treedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen.”
44/48
9
De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 31: Te vergoeden kosten, de uittreedsom Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op een vergoeding van kosten in geval van uittreding en luidt als volgt:
“Artikel 31: Te vergoeden kosten, de uittreedsom 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het Algemeen Bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 33, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 33, achtste lid, anders is vastgelegd. 5.
Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 32, vijfde lid. 7. Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 29B en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft, kan het Algemeen Bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. 8. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.” De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 32: Verplichtingen uittreder Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op de verplichtingen van de uittreder en luidt als volgt:
“Artikel 32: Verplichtingen uittreder 1. De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van Veiligheidsregio Zeeland die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.
45/48
10
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.” De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 33: Wijziging Artikel 30 (oud) wordt artikel 33 (nieuw) en wijzigt als volgt:
“Artikel 30: Wijziging 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de raden en de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Voorstellen uitgaande van het algemeen bestuur worden toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten, die 3 maanden na ontvangst ter zake een besluit nemen en dat direct aan het algemeen bestuur melden. 4. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeentenen het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel. 5. De bij wet voorgeschreven toezending van de wijziging aan Gedeputeerde Staten geschiedt door het dagelijks bestuur.” (oud) Wordt:
“Artikel 33: Wijziging 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers. 3. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.” (nieuw) De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 34: Geschillen Is inhoudelijk niet gewijzigd. Artikel 35: Ontbinding en liquidatie Artikel 32 (oud) wordt artikel 35 (nieuw) en wijzigt als volgt:
Artikel 32 […]: 2. Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels. Daarbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. 3. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, nadat de raden van de deelnemende gemeenten hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld.”(oud) Wordt:
46/48
11
“2. Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten en de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling.”(nieuw) Artikel 35 lid 1, 4 t/m 9 (oud) blijven in het nieuwe artikel 36 lid 1, 4 t/m 8 (nieuw) ongewijzigd. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 36: Overgangsbepaling Artikel 33 (oud) worden opgenomen in artikel 36 (nieuw). Artikel 37: Inwerkingtreding Artikel 34 (oud) wordt artikel 37 (nieuw) betreft de bekendmaking en inwerkingtreding en is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 35 oud Is verwijderd. Artikel 38: Evaluatie Artikel 36 (oud) wordt artikel 38 en is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 39: Titel Artikel 37 (oud) wordt artikel 39 (nieuw) en omvat de citeertitel, deze is ongewijzigd.
47/48
12
Postadres: Postbus 35, 4530 AA Terneuzen Bezoekadres: Stadhuisplein 1, 4531 GZ Terneuzen 14 0115 | +31 115 455 000 terneuzen.nl
uw brief van uw kenmerk zaaknummer contactpersoon telefoon e-mail verzonden
Algemeen Bestuur GGD Zeeland T.a.v. mevrouw J. Gaemers Postbus 345 4460 AS GOES
: 10 januari 2025 : 20250110/SdL : 491714 : Katinka Vriends : 14 0115 : k.vriends@terneuzen.nl :
Terneuzen,11 maart 2025 Onderwerp: Zienswijze gemeenteraad op wijzigingsvoorstel GR GGD Zeeland Beste mevrouw Gaemers, De gemeenteraad heeft het voorstel voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling (GR) GGD Zeeland ontvangen. De gemeenteraad besloot op 6 februari 2025 geen zienswijze hierover in te dienen. Met vriendelijke groet, Burgemeester en Wethouders van Terneuzen, gemeentesecretaris,
burgemeester,
S.I.L. (Steven) de Waal
H.J.A. (Erik) van Merrienboer
Gemeente Terneuzen
48/48