2024-11-27 a. Verordening Fysieke Leefomgeving 2025 - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
Gemeenteraad Ontwerpbesluit
Zitting van 12 december 2024 Omgeving & Economie - Planvorming zaaknummer: 5404
2024_Raad_00163 - Vaststellen Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2025 Portefeuillehouder Frank van Hulle Programma en/of paragraaf Programma Wonen & leefbaarheid Overeenstemming met Team Stadsservice Team Groen Taakveld Juridische Zaken Besluit Besluitpunt 1 De gemeenteraad besluit de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2025 vast te stellen. Besluitpunt 2 De gemeenteraad besluit dat de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2025 op 1 januari 2025 in werking treedt. Besluitpunt 3 De gemeenteraad besluit de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2024 per 1 januari 2025 in te trekken. Wat is de aanleiding? Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet stelde de gemeenteraad de Verordening fysieke leefomgeving 2024 vast. De regels uit deze verordening zullen op termijn onderdeel worden van het omgevingsplan van de gemeente. De huidige Verordening fysieke leefomgeving 2024 moet nu worden geactualiseerd. Deze actualisatie is noodzakelijk vanwege het digitale parkeren, het raadsbesluit van 11 juni 2024 over de Marktverordening 2025 en het beleid met betrekking tot flexbewoning. Verder zijn er nog wat onvolkomenheden gecorrigeerd. Zo zijn er paragrafen toegevoegd om de tekst
1/80
digitaal beter doorzoekbaar te maken en zijn er wat tikfouten of foutieve verwijzingen gecorrigeerd. Zie voor het totaal overzicht de bijgevoegde was- wordt lijst. Wat willen we bereiken? Wij willen een actueel overzicht van de regels voor de fysieke leefomgeving, welke op termijn kunnen verhuizen naar het omgevingsplan voor Terneuzen. Argumenten 1.1 Als gevolg van aangepast of nieuw beleid moet de Verordening fysieke leefomgeving 2024 worden geactualiseerd. Het is wenselijk en noodzakelijk de Verordening fysieke leefomgeving up-to-date te hebben en nieuw beleid hierin juridisch bindend te borgen. Kanttekeningen Er zijn geen kanttekeningen Wat mag het kosten? Aan dit voorstel zijn geen kosten verbonden. Wat gaan we ervoor doen? Als de gemeenteraad besluit in te stemmen met het voorstel tot vaststelling van de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2025 dan zal dit besluit op de daarvoor gebruikelijke wijze worden gepubliceerd.
Bijlagen 1. Bijlage 1b Verordening fysieke leefomgeving 2025 aangepast.pdf 2. Bijlage 2 Was Wordt lijst.pdf
2/80
VERORDENING FYSIEKE LEEFOMGEVING TERNEUZEN 2025
3/80
1
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen Bijlage I bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Artikel 1.2 Toepassingsbereik 1. Deze verordening gaat over: a. de fysieke leefomgeving; en b. activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. 2. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval: a. bouwwerken; b. infrastructuur; c. watersystemen; d. water; e. bodem; f. lucht; g. landschappen; h. natuur; i. cultureel erfgoed; j. werelderfgoed. 3. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit: a. het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan; b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; c. activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt; d. het nalaten van activiteiten. 4. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt, gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt, of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving. Artikel 1.3 Doelen van de verordening Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de gemeente en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang: a.
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 1.4 Verhouding tot andere regelgeving Deze verordening is niet van toepassing op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, die bij of krachtens een wet, een algemene maatregel van bestuur, een ministeriële regeling of provinciale verordening uitputtend zijn geregeld, tenzij uit de bepalingen van deze verordening anders blijkt.
4/80
2
HOOFDSTUK 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING Afdeling 2.1 Cultureel Erfgoed § 2.1.1. Gemeentelijke monumenten Artikel 2.1 De aanwijzing van gemeentelijke monumenten 1. Het college kan besluiten een onroerende zaak die van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. 3. Een verzoek tot aanwijzing kan gedaan worden door de eigenaar van de onroerende zaak, door derden-belanghebbenden of door de gemeente worden geïnitieerd. Artikel 2.2 Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.1, eerste lid, maakt het college schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de gemeentelijke adviescommissie, bedoeld in artikel 6.2 van deze verordening. 3.
Voordat een monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.. Artikel 2.3 Voorbescherming 1. De artikelen 3.130 tot en met 3.133 zijn van overeenkomstige toepassing op het monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing op de gemeentelijke monumentenlijst. Artikel 2.4 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct op de gemeentelijke monumentenlijst. Artikel 2.5 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst 1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke
monumentenlijst.
5/80
3
2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de
aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 2.6 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in de gemeentelijke monumentenlijst. 2. Als de wijziging voorziet op het schrappen uit de monumentenlijst zijn de artikelen 2.1 tot en met 2.5 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument, waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt direct bijgehouden in de gemeentelijke monumentenlijst. Afdeling 2.2. Afvalbeheer § 2.2.1 Aanwijzing inzameldienst en inzamelplaats Artikel 2.7 Aanwijzing van de inzameldienst 1. Het college wijst de inzameldienst aan, die belast is met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 3.
Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. 4. Het college kan een ondernemer aanwijzen die belast is met de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren. Artikel 2.8 Aanwijzing van inzamelplaats Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats, binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om (gescheiden) huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Afdeling 2.3 Weekmarkten § 2.3.1. Weekmarkten Artikel 2.9 Aanwijzing locaties weekmarkten 1. Het college wijst locaties aan voor weekmarkten. 2. Het college stelt een inrichtingsplan voor elke markt vast, met daarin in ieder geval: a. de grenzen van de markt.
6/80
4
Afdeling 2.4 Beschermenswaardige bomen § 2.4.1 Monumentale en waardevolle bomen Artikel 2.10 Aanwijzing Monumentale en waardevolle bomen 1. Het college wijst waardevolle bomen aan, en neemt deze op in de waardevolle bomenlijst. Afdeling 2.5 Hondenuitlaatterreinen § 2.5.1 Hondenuitlaatterreinen Artikel 2.11 Aanwijzing hondenuitlaatterreinen 1. Het college wijst hondenuitlaatterreinen in de gemeente aan. 2. Op deze terreinen mogen honden hun behoefte doen, zonder dat een opruimplicht als bedoeld in artikel 3.49 van deze verordening geldt voor de eigenaar/houder van de hond. Afdeling 2.6 Parkeerregulering § 2.6.1 Parkeren Artikel 2.12 Aanwijzen plaatsen en tijdstippen via het aanwijzingsbesluit 1. Het college kan weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor parkeerapparatuur plaatsen en voor het parkeren door vergunninghouders. 2. Het college kan de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren voor parkeerapparatuur plaatsen en aan vergunninghouders is toegestaan. 3. Indien het verkeersbelang of andere dringende omstandigheden zulks noodzakelijk maken, is het college bevoegd tijdelijke, van in het eerste en tweede lid bedoelde besluiten, afwijkende maatregelen te treffen.
Afdeling 2.7 Aanwijzen wegen waar wegsleepregeling geldt § 2.7.1 Wegslepen van voertuigen Artikel 2.13 Aanwijzing wegen en weggedeelten waar voertuigen kunnen worden verwijderd Als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c van de Wegenverkeerswet 1994 worden alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente aangewezen voor zover ze behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen bedoelde soorten van wegen en weggedeelten. Artikel 2.14 Aanwijzing plaats van bewaring voertuigen en openingstijden
7/80
5
1. Als plaatsen van bewaring van voertuigen wordt aangewezen de gemeentelijke opslaglocatie ‘De Koegors’ aan de Koegorsstraat 4, 4538 PK Terneuzen en het daartoe ingerichte terrein behorende bij de berger waarmee de gemeente een overeenkomst heeft op de datum waarop het voertuig is weggesleept. 2. Op feestdagen en in het weekend wordt toegang tot de bewaarplaatsen verleend via de piketdienst van de gemeente. 3. Door of namens het college kan een tijdelijke plaats van bewaring worden aangewezen in het geval dat een specifieke situatie daartoe aanleiding geeft. Afdeling 2.8 Standplaatsen § 2.8.1 Standplaatsen Artikel 2.15 Aanwijzen locaties voor innemen standplaats 1. Het college kan weggedeelten of andere delen van de openbare ruimte aanwijzen die bestemd zijn voor het innemen van een standplaats, als bedoeld in § 3.5.4 van deze verordening. Afdeling 2.9 Gebruik woonruimte als 2e woning § 2.9.1 Tweede woningen Artikel 2.16 Aanwijzing gebied verbod gebruik woningen als 2e woning Als woonruimte als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 worden aangewezen, de woonruimten op het grondgebied van de gemeente Terneuzen, met uitzondering van de woonruimten die onder de werkingssfeer van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Terneuzen (NL.IMRO.0715.BPBG01-VG98), als onderdeel van (het tijdelijke deel van) het omgevingsplan en diens rechtsopvolgers vallen.
Afdeling 2.10 Duurzaamheid en energieopwekking § 2.10.1 Duurzaamheid en energieopwekking Artikel 2.17 Aanwijzing zoekgebieden windenergie 1. De gemeenteraad wijst de zoekgebieden aan waar, onder in het beleidskader windenergie aangegeven voorwaarden, onderzoek naar de haalbaarheid van windturbines kan worden ingesteld. 2. De randvoorwaarden die een initiatiefnemer bij het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek tenminste in acht moet nemen zijn als volgt: a. De afstand van windturbines tot woonkernen, om hinder waar mogelijk te minimaliseren (ten minste 1.000 m); b. De situering van windturbines op of bij industrieterreinen, om de afstand voor de elektrische infrastructuur tussen opwekker van energie en afnemer van energie te bekorten; c. De situering van windturbines aan of bij grootschalige infrastructuur, om zichtlijnen te combineren; d. De initiatiefnemer van het haalbaarheidsonderzoek betrekt de (woon)omgeving bij het onderzoek, en stelt daarvoor een participatieplan op waaruit blijkt dat voldaan 8/80
6
is/wordt aan burgerparticipatie en inspraak. Dat participatieplan moet tenminste aansluiten bij de handleiding van de Nederlandse Windenergie Associatie 27/30 23; e. Het windproject moet profijt voor de omgeving opleveren. Dit moet blijken uit een door de initiatiefnemer opgesteld profijtplan; f. Het windproject maakt gebruik van de Best Beschikbare Technieken voor windturbines (BBT). 3. De gemeenteraad wijst de gebieden aan die niet geschikt zijn voor de toepassing van windenergie, omdat deze gebieden niet voldoen aan de randvoorwaarden genoemd in lid 2. Afdeling 2.11 Shortstay- en logiesvoorzieningen § 2.11.1 Shortstaylocaties en logiesvoorzieningen Artikel 2.18 Aanwijzing verblijfstermijn shortstaylocaties en voorzieningen 1. Het college stelt de verblijfstermijn in logiesvoorzieningen tot een periode van maximaal 12 maanden. 2. Het college wijst specifieke shortstaylocaties aan voor internationale werknemers met een verblijfstermijn van maximaal 18 maanden.
9/80
7
HOOFDSTUK 3: ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE OMGEVING Afdeling 3.1. Inleidende bepalingen § 3.1.1 Algemeen Artikel 3.1 Toepassingsbereik 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving en die zijn aangewezen in dit hoofdstuk. 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op activiteiten die door of vanwege de gemeente Terneuzen worden verricht voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak, tenzij in deze verordening anders bepaald. Artikel 3.2 Normadressaat Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij deze verordening anders bepaalt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.1 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen met het oog waarop de regels over die activiteit zijn gesteld, is verplicht: 1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; 2. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en 3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 3.4 Algemene aanvraagvereisten 1. Bij een aanvraag voor een (omgevings)vergunning of ontheffing worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt; a. een beschrijving van de activiteit waarvoor vergunning of ontheffing wordt gevraagd; b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten op de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht waarbij boomkronen op het perceel en van aanpalende percelen op werkelijke grootte zijn ingetekend; e. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of van een gemachtigde. f. Indien daartoe aanleiding bestaat kan de aanvrager worden verzocht om een boomeffectanalyse, boomveiligheidscontrole en/of een werkplan bomen te overleggen. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet aanvrager in aanvulling op het eerste lid: 10/80
8
a. het bodemonderzoek aanleveren in pdf-formaat en in de laatste xml-versie. 3. Het college kan nadere eisen verbinden aan de in te dienen gegevens en bescheiden bij een aanvraag voor een (omgevings)vergunning of ontheffing Artikel 3.5 Ontheffing en aanwijzing 1. Van een verbod in dit hoofdstuk kan ontheffing worden verleend. 2. Het eerste lid is niet van toepassing als het is verboden zonder vergunning of aanwijzing een activiteit te verrichten. 3. Op de aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.7 (inzameldienst), een ontheffing en een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 4. In afwijking van het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wel van toepassing op ontheffingen als bedoeld in de artikelen 3.52 lid 4 (voorwerpen op of aan de weg), 3.83 lid 2 (kampeermiddelen e.a. voertuigen), 3.84 lid 2 (reclamevoertuigen) en 3.85, lid 5 (grote voertuigen). Artikel 3.6 Bevoegd gezag en beslistermijn 1. Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het college kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel 3.7 Voorschriften en beperkingen 1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 2. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 3. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 4. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 3.8 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 3.9 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als : a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
11/80
9
d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn, of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 3.10 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 3.11 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de volksgezondheid; b. de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; c. de veiligheid, bruikbaarheid en bereikbaarheid van de openbare weg; d. de bescherming van het milieu. Afdeling 3.2. Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen § 3.2.1 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen (algemeen) Artikel 3.12 Doel 1. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. de bescherming van de gezondheid; c. de bescherming van de bodem; d. het voorkomen en beperken van gevaar, schade en hinder; e. de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer; f. de bescherming van archeologische waarden. Artikel 3.13 Aanwijzen activiteiten Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen a. het bouwen van een gebouw op een locatie waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is, met uitzondering van de activiteiten die naar aard en omvang gelijk zijn aan de activiteiten bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; b. Het bouwen van gebouwen en bouwwerken die de omgeving ontsieren. § 3.2.2 Bouwen op verontreinigde bodem Artikel 3.14 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
12/80
10
1. Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c. dat de grond raakt, of, waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke, gebruik niet wordt gehandhaafd. 2. Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. § 3.2.3 Beoordeling excessen Artikel 3.15 Beoordeling excessen 1. Het is verboden bouwwerken op te richten die voor de omgeving als ontsierend zijn aan
te merken. 2. Naar aanleiding van eigen waarnemingen of klachten is het college bevoegd zich een
oordeel te vormen over de buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn. 3. Bij deze beoordeling dient de excessenregeling Terneuzen als kader. Deze excessenregeling maakt als bijlage 2 deel uit van deze verordening. Afdeling 3.3. Milieubelastende activiteiten § 3.3.1 Milieubelastende activiteiten (algemeen) Artikel 3.16 Doel De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: 1. het waarborgen van de veiligheid; 2. het beschermen van de gezondheid; en 3. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: a. het beschermen tegen milieuverontreiniging; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; c. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; d. een doelmatig beheer van afvalstoffen; e. het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder; f. het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan. § 3.3.2. Geluid en lichthinder door festiviteiten Artikel 3.17 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten in de daarbij aan te wijzen woonkernen of delen van woonkernen gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen tot de vermelde eindtijd.
13/80
11
2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de
buitenlucht, zoals bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen, dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer van de volgende woonkernen of delen van woonkernen: Axel, Koewacht, Nieuwe Molen (bij Koewacht), Zuiddorpe, Overslag, Magrette, Spui, Schapenbout, Sas van Gent, Philippine, Westdorpe, Zandstraat, Binnenstad Terneuzen (het gebied binnen de ring Scheldeboulevard inclusief restaurant aan de Scheldeboulevard 1, Binnenvaartweg, Kennedylaan, Herengracht en De Blokken), Terneuzen, Biervliet, Driewegen (bij Biervliet), Hoek, Sluiskil en Zaamslag. 4. Het college maakt de aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede lid, tenminste 4 weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een festiviteit in één of meer woonkernen of delen van woonkernen redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college deze terstond aanwijzen als een collectieve festiviteit, bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel 3.18 Melding incidentele activiteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar
2.
3. 4.
5.
6.
7.
8.
incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting tenminste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar met de viering van incidentele festiviteiten, de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting tenminste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Het college stelt een formulier vast voor het doen van meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid. De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de eigenaar of beheerder van het bedrijf of de instelling (houder van de inrichting) een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op ruimtes in gebouwen waarvan de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie een volgens NEN 5077 karakteristieke geluidwering heeft van tenminste 15 dB. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in ruimtes, bedoeld in het zesde lid, blijven ramen en deuren van die ruimtes gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
Artikel 3.19 Geluidhinder door onversterkte muziek
14/80
12
1. Het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18 eerste lid
onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is uitsluitend toegestaan tussen 10.00 en 23.00 uur. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten, bedoeld in de artikelen 3.17, eerste lid en 3.18, eerste lid. Artikel 3.20 Geluidhinder door knapapparaten 1. Het is verboden in de openlucht een knalapparaat in werking te hebben, te gebruiken of te doen gebruiken. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op knalapparaten voor het verjagen van vogels van ingezaaide of ingeplante akkers en knalapparaten voor het verjagen van vogels uit boomgaarden ter bescherming van rijpend fruit of noten, als: a. een knalapparaat in werking is tussen 07.00 en 21.00 uur; b. de kortste afstand tussen een knalapparaat en een geluidgevoelig gebouw of terrein 300 meter of meer bedraagt; c. de kortste afstand tussen een knalapparaat en de openbare weg tenminste 50 meter bedraagt; d. de loop van een knalapparaat van geluidgevoelige gebouwen en terreinen af gericht staat ; e. binnen 250 meter van een knalapparaat geen ander knalapparaat staat opgesteld. 3. In andere dan de onder het tweede lid onder a. tot en met e. vermelde gevallen kan door het college ontheffing worden verleend. Een verzoek om ontheffing moet vergezeld gaan van een akoestisch onderzoek, waaruit het geluid op de geluidgevoelige gebouwen en terreinen blijkt. 4.
Op de ontheffing, bedoeld in het derde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 3.21 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden om zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel 3.22 Geluidhinder door vrachtauto’s 1. Het is verboden een vrachtauto, bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, op zodanige wijze te laden of te lossen tussen 19.00 en 07.00 uur dat daarvoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.23 Geluidhinder door mosquito’s 1. Onder een mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken. 2. In afwijking van artikel 3.24 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito laten aanbrengen en gebruiken bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 15/80
13
3. De aanwezigheid van een mosquito, bedoeld in het tweede lid, wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4. Een mosquito, bedoeld in het tweede lid, is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5. Een mosquito, bedoeld in het tweede lid, wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste drie maanden verlengen. Artikel 3.24 Overige geluidhinder 1. Het is verboden op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening Artikel 3:25 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.
Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. Verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. Sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. Vuur voor koken, bakken en braden; 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429 , aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening. Artikel 3:26 (tijdelijke) Opslag van vaste mest en overige organische mest 1. Dit artikel verstaat onder: a. Compost: product als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. b. Geurgevoelig object gebouw: gevoelig object gebouw als bedoeld in bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving de Wet geurhinder en veehouderij;(de Wet geurhinder en veehouderij komt te vervallen en in het Besluit kwaliteit leefomgeving en de bruidsschat wordt op 1 januari a.s. gesproken over geurgevoelig gebouw i.p.v. geurgevoelig object). c. Overige organische mest: overige organische meststoffen als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; d.
Groenafval: als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van groenafval als bedoeld in de Vrijstellingsregeling plantenresten. e. Vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn als bedoeld in bijlage 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 16/80
14
f.
Zuiveringsslib: slib als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. 2. Behoudens het bepaalde in of krachtens de Omgevingswet is het verboden vaste mest, overige organische mest, zuiveringsslib en groenafval op te slaan, indien deze opslag (te rekenen vanaf het tijdstip van eerste aanvoer) langer aanwezig is dan 48 uur, maar niet langer dan veertien dagen. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet indien de opslag van vaste mest plaatsvindt op een perceel binnen de bebouwde kom, waarvoor krachtens een ontheffing als bedoeld in artikel 2:60 APV toestemming is verleend voor het houden van hoefdieren en de opslag van vaste mest daarmee verband houdt; 4. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt tevens niet indien op een akkerbouw-perceel vaste mest en overige organische mest is opgeslagen die bestemd is voor bemesting van het betreffende perceel. Pluimvee- en nertsenmest dient binnen 24 uur na de eerste aanvoer te worden voorzien van een 15 cm dikke afdeklaag compost. 5. De in lid 4 aangegeven vrijstelling van het in lid 2 omschreven verbod geldt slechts indien de opslag plaatsvindt op ten minste een afstand van 100 meter van een geurgevoelig gebouw object dat is gelegen binnen de bebouwde kom en op ten minste 50 meter van een geurgevoelig gebouw object dat is gelegen buiten de bebouwde kom.
§ 3.3.3 Afvalbeheer Artikel 3.27 Aanwijzing activiteiten 1. Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen: a. het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen; b. het ter inzameling aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen; c. het inzamelen van de kadavers van gezelschapsdieren; d. andere activiteiten met afvalstoffen, met uitzonderingen van activiteiten op een daarvoor aangewezen terrein, en e. activiteiten waardoor zwerfafval kan ontstaan. 2. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, zijn de regels in deze paragraaf ook van toepassing op het inzamelen van afvalstoffen dat wordt verricht door of vanwege de gemeente Terneuzen voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak. Artikel 3.28 Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.27 in ieder geval in dat: 1. geen hinder of verontreiniging van het milieu of een weg wordt veroorzaakt door een afvalstof: a. op of in de bodem of op een weg te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen; of b. te vervoeren of te laden of te lossen; 2. het ontstaan van zwerfafval wordt voorkomen door: a.
op of bij een locatie waar eet- of drinkwaren worden verkocht, die ter plaatse kunnen worden genuttigd, een voor het publiek toegankelijke afvalbak beschikbaar te hebben en door deze tijdig te legen; b. etenswaren, verpakkingen, afval en andere materialen, afkomstig van een locatie als bedoeld onder a, binnen een straal van 25 m van die locatie zo vaak als nodig te verwijderen;
17/80
15
3.
4.
5.
6.
c. huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht niet achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van die afvalstoffen; d. drukwerk, inclusief de verpakking, dat onder het publiek wordt verspreid en in de openbare ruimte wordt achtergelaten, onverwijld op te ruimen; e. afvalstoffen of inzamelmiddelen met afvalstoffen die klaar staan voor inzameling niet te doorzoeken, te verspreiden, te stoten, te schoppen of omver te stoten; als verontreiniging van het milieu of een weg is ontstaan door het verrichten van een activiteit, alle maatregelen worden getroffen om die verontreiniging ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken; geen afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht worden opgeslagen, tenzij dat opslaan in overeenstemming is met de regels in deze verordening en de daarvoor geldende rijksregels; autowrakken niet worden achtergelaten maar worden afgegeven aan: a. een autodemontagebedrijf als bedoeld in artikel 3.152 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. degene die onderhoud en reparatie van motorvoertuigen uitvoert als bedoeld in artikel 3.276 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of c.
degene die in een ander land dan Nederland is gevestigd en die overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en titel 10.7 van de Wet milieubeheer het autowrak naar dat land brengt; ongeadresseerd reclamedrukwerk alleen wordt bezorgd als de ontvanger kenbaar heeft gemaakt daar prijs op te stellen.
Artikel 3.29 Regulering van andere inzamelaars 1. Het is voor anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a. daartoe is aangewezen door het college; b. bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld, of c. verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2. Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 2.7 lid 2, van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.30 Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: 1. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.32, eerste lid; 2. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.32, eerste lid, of 3. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 2.8 en 3.35. Artikel 3.31 Inzamelmiddelen en –voorzieningen 1. De inzameling kan plaatsvinden via: a. een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel; b. een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen; c. een inzamelvoorziening op wijkniveau; d. een brengdepot op lokaal of regionaal niveau (milieustraat) . 18/80
16
2. Het college is bevoegd aan te wijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Artikel 3.32 Gescheiden afvalinzameling 1. De inzameldienst zamelt huishoudelijk restafval samen met plastic- en metaalverpakkingen en drankenkartons (PMD+) tenminste eenmaal per twee weken afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel. 2. De inzameldienst zamelt bioafval tenminste eenmaal per twee weken afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel. 3. In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders besluiten om bioafval bij bepaalde bouwtypes niet afzonderlijk in te zamelen. 4. De inzameldienst zamelt oud papier en karton tenminste eenmaal per vier weken afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel. 5. De inzameldienst zamelt grof huishoudelijk afval op basis van afroep (op vooraf vastgestelde dagen) afzonderlijk in bij of nabij elk perceel. 6. De inzameldienst zamelt grof huishoudelijk tuinafval tenminste twee maal per jaar afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel, op basis van afroep. 7.
Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, die afzonderlijk middels inzamelvoorzieningen nabij percelen ingezameld worden en gescheiden aangeboden dienen te worden alsook op een daartoe ter beschikking gestelde plaats afzonderlijk ingezameld en gescheiden aangeboden dienen te worden. 8. Ten behoeve van pilots en uit het oogpunt van een doelmatig beheer kan het college afwijken van het bepaalde in lid 1 t/m 6. Artikel 3.33 Gescheiden aanbieding 1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.32, anders dan afzonderlijk: a. ter inzameling aan te bieden; b. achter te laten op een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 2.8. 2. Hert college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.34 Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel 3.35 Wijze en plaats van aanbieding 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van: a.
inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. 2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, als bedoeld in artikel 3.34, buiten een perceel te laten staan.
19/80
17
3. Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Artikel 3.36 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 2.7. Artikel 3.37 Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 3.36 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, of over te dragen of bij een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 2.8, achter te laten. Op de milieustraat worden geen bedrijfsafvalstoffen geaccepteerd. Artikel 3.38 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 3.36 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Artikel 3.39 Dumpingsverbod 1.
Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Omgevingswet, de Waterwet of het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel 3.40 Zwerfafval in de openbare ruimte 1.
Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.
20/80
18
2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3. Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. Artikel 3.41 Ongeadresseerd drukwerk 1. Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan. Artikel 3.42 Zwerfafval rondom inrichtingen 1. Degene die eet- of drinkwaren verkoopt die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de locatie waar de activiteit plaatsvindt, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2. De verkoper van eet- en of drinkwaren verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk met de activiteit samenhangen, binnen een straal van ten minste 25 meter van het punt van verkoop. 3. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.43 Afval en verontreiniging op de weg 1. Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2. Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel 3.44 Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met de artikelen 3.29 tot en met 3.35 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Het verbod geldt niet als voor de opslag van afvalstoffen een omgevingsvergunning is afgegeven. Artikel 3.45 Kadavers van gezelschapsdieren 1. Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren.
21/80
19
2. Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, geeft de houder van het kadaver dit af aan de ondernemer, bedoeld in artikel 2.7, lid 4. 3. Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal. 4. Het derde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG.] Artikel 3.46 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan de houder van een omgevingsvergunning voor het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen. § 3.3.4 Bodem-, weg-, en milieuverontreiniging Artikel 3.47 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 3.48 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 3.49 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is een ieder die een hond bij zich heeft binnen de bebouwde kom, verplicht een deugdelijk hulpmiddel ter onmiddellijke verwijdering van hondenuitwerpselen op een openbare plaats bij zich te hebben en dit hulpmiddel op eerste aanvraag van een daartoe bevoegd opsporingsambtenaar te tonen. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen, bedoeld in artikel 2.11 van deze verordening. Artikel 3.50 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling 3.4. Activiteiten in de openbare ruimte
22/80
20
§ 3.4.1 Activiteiten in de openbare ruimte (algemeen) Artikel 3.51 Doel 1. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behoeden van de staat en werking van wegen en openbare wateren voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen of wateren; b. het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid; c. het behouden en bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; d. het beperken van hinder, en e. het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte. 2. De regels over uitritten in artikel 3.57 zijn ook gesteld met het oog op de bescherming van het openbaar groen. 3. De regels over standplaatsen in paragraaf 3.5.4 zijn ook gesteld met het oog op: a. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: 1) het beschermen tegen milieuverontreiniging; 2) het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 3) een doelmatig beheer van afvalwater en afvalstoffen; en 4) het voorkomen of beperken van geluidhinder en geurhinder; en b. het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Artikel 3.52 Aanwijzing activiteiten Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1. worden voor deze afdeling aangewezen a. het plaatsen, houden of achterlaten van voorwerpen op de weg ( par. 3.4.2); b. het aanleggen, veranderen of opbreken van een weg ( par. 3.4.3); c.
het maken, veranderen of verleggen van een uitrit op een bestaande weg (par. 3.4.4); d. het graven in openbaar gebied en het opbreken van verharding in openbaar gebied, en het aanleggen, instandhouden, onderhouden, verleggen en verwijderen van kabels en leidingen - niet zijnde kabels en leidingen voor telecommunicatie - in, op en boven de openbare gronden, voor zover de gemeente deze gronden beheert, in eigendom heeft of daarover wettelijke coördinatieverplichtingen heeft. (par. 3.4.5); e. het plaatsen en houden van kampeermiddelen buiten een kampeerterrein (par. 3.4.6). § 3.4.2. Gebruik en veiligheid van de weg Artikel 3.53 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de
publieke functie daarvan, als dat gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1.20 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3.50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer met een vrije hoogte daarboven van 2,5 meter bij voetpaden en 4,2 meter bij rijbanen.
23/80
21
3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere
regels stellen voor terrassen, uitstalling, reclameborden en geveltuinen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen; b. standplaatsen; c. het maken en hebben van geveltuinen voorzover deze zijn gemeld aan burgemeester en wethouders en zijn uitgevoerd overeenkomstig de nadere regels als bedoeld in lid 3. d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk, waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening, of op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 Artikel 3.54 Winkelwagentjes 1. De winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen als deze zijn achtergelaten in de omgeving van dat bedrijf op een andere plaats dan in de stallingruimte voor deze winkelwagentjes. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel 3.55 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 3.56 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is, verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. § 3.4.3 Veranderen van de weg Artikel 3.57 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college, een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
24/80
22
2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet, of deze verordening. § 3.4.4 Uitrit aanleggen of veranderen Artikel 3.58 Omgevingsvergunning voor het maken, of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.11 kan de vergunning worden geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg, waaronder in ieder geval begrepen moet worden: i. als de uitweg aansluit op een gebiedsontsluitingsweg; ii. als de uitweg wordt gerealiseerd op of nabij een rotonde, kruising, in of nabij een bocht in de weg of op een splitsing van wegen; iii. als de uitweg wordt gerealiseerd op of nabij een voetgangersoversteekplaats; iv.
als de uitweg wordt gerealiseerd op of nabij een bushalte; v. als de uitweg op een plaats komt waar belemmeringen ontstaan voor het in- en uitrijden met een personenauto van één of meer bestaande garages. b. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; c. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; d. als er minder dan 2,5 meter breedte aanwezig is op eigen terrein naast de woning; e. als een uitweg bij een particuliere woning afwijkt van de maximale breedte van 5 meter (inclusief schuine banden) en bij een bedrijf de maximale breedte van 8 meter; 3. Per woning is maximaal één uitweg toegestaan. 4. Bij bedrijfspercelen is een tweede uitweg toegestaan als het perceel over een aaneengesloten lengte van ten minste 50 meter direct grenst aan een openbare weg. Hierbij geldt dat: a. Indien een bedrijf op een hoek van twee wegen is gelegen, onder de ‘aaneengesloten’ lengte wordt verstaan: de som van de lengte van de aan elkaar grenzende zijden van het bedrijfsperceel. b. De afstand tussen twee uitwegen van eenzelfde perceel tenminste 6 meter bedraagt. 5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
§ 3.4.5 Ondergrondse infrastructuur Artikel 3.59 Specifieke zorgplicht openbaar gebied
25/80
23
De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor het opbreken van de verharding in openbaar gebied en het aanleggen, in stand houden en verwijderen van een kabel of leiding in het openbaar gebied, in ieder geval, in dat: 1. beschadiging van in de grond aanwezige werken zo veel mogelijk wordt voorkomen; 2. de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel en van funderingslagen zo veel mogelijk wordt hersteld; 3. de grond zodanig wordt afgewerkt dat na klink een vlakke aansluiting op de aangrenzende ongeroerde grond wordt gerealiseerd, en 4. de verharding zoveel mogelijk wordt hersteld naar de oorspronkelijke staat en, voor zover dat niet mogelijk is, een vlakke aansluiting op de aangrenzende verharding wordt gerealiseerd. Artikel 3.60 Nadere regels 1. Het college stelt ter uitvoering van deze verordening nadere regels vast. 2. Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op: a. de wijze van uitvoering bij de aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en/of leidingen; b. het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; c. het opstellen van voorschriften op het gebied van markering en afzetting; d. het toepassen van proefsleuven. Artikel 3.61 Vereiste van instemming of vergunning 1. Het is verboden kabels en/of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, in stand
te houden, te onderhouden, te verleggen of te verwijderen, zonder of in afwijking van een voorafgaand door het college genomen instemmingsbesluit c.q. verleende vergunning. 2. Voor het verrichten van werkzaamheden van niet ingrijpende aard of spoedeisende werkzaamheden of calamiteiten, is geen instemming of vergunning, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk maar kan worden volstaan met een melding vooraf aan het college. 3. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij het uitvoeren van haar publiekrechtelijke taak. Artikel 3.62 Melding of aanvraag 1. Een aanvrager doet minimaal acht weken voor de geplande aanvang van de
werkzaamheden bij het college of via een registratiesysteem melding voor een instemmingsbesluit dan wel een aanvraag voor een vergunning voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.61, eerste lid, van deze verordening. Afzonderlijke werken dienen per locatie en per discipline afzonderlijk te worden aangevraagd. 2. Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten kan hierover vooroverleg voeren met het college voor het voorbereiden van de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid; 3. Indien voor de voorgenomen werkzaamheden tevens (privaatrechtelijke) toestemming nodig is van andere grondeigenaren of grondbeheerders, dient de aanvrager dit bij de melding of aanvraag aan te geven en uiterlijk vier weken na de melding of aanvraag, aan het college het bewijs van verkregen toestemming te overleggen. 4. In geval van voorgenomen werkzaamheden van niet ingrijpende aard, moet de aanvrager minimaal vijf werkdagen voor uitvoering van deze werkzaamheden dit schriftelijk (in geval van e-mail bij het door de gemeente aangegeven mailadres) bij de gemeente melden. Op grond van belangen als genoemd in artikel 3.67, eerste lid, sub a tot en met 26/80