CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-06-11 C9 - Verzoek handhaving Heros brief aan GS van Zeeland -burger geanonimiseerd

commissie Omgeving 22 mei 2024, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Ingekomen stukken5.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

AANTEKENEN

Visartstraat 4541bb, Sluiskil

Aan het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland, Postbus 6001 4330 LA Middelburg Sluiskil 29 april 2024

Onderwerp: Handhavingsverzoek betreffende Heros te Sluiskil, verzoek opleggen dwangsom Geacht college, • Inleiding U bent verantwoordelijk voor de Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving inzake de Milieu Belastende Activiteiten van Heros Sluiskil B.V. (hierna te noemen Heros). De activiteiten vinden plaats aan de Oostkade 5 te Sluiskil, kadastraal bekend gemeente Terneuzen, incl. sectie P en nummers 1127, 1529, 2155, 2159, 2163,2166, 2167, 2168, 2169, 2171, 2193, 2543, 2566, 2567,2568 en 2667, alsmede op de uitbreiding van het terrein waarvoor op 14 april 2020 een veranderingsvergunning is verleend (kenmerkW-AOV190367/00222548). Heros Sluiskil B.V. is onderdeel van het Rethmann/Remondis /Remex concern gevestigd in Düsseldorf (BRD). De activiteit van Heros heeft onder meer betrekking op de aan- en afvoer, op- en overslag; be- en verwerking van bodemas/verbrandingsassen en slakken. Bij de activiteiten van Heros komt stof vrij (fijnstof en grofstof). Verbrandingsassen en slakken bevatten volgens tabel 3.18 van de BREF Afvalverbranding significante hoeveelheden zware metalen als Lood, Nikkel en Chroom, die aangemerkt worden als Zeer Zorgwekkende Stoffen. •

Juridisch kader

2.1 Europees recht De activiteit van Heros met verbrandingsassen en slakken valt onder bijlage I, categorie 5.3, lid b, sub ii) van de Europese Richtlijn industriële emissies (RIE, richtlijn 2010/75/EU van 24 november 2010). Recovery, or a mix of recovery and disposal, of non-hazardous waste with a capacity exceeding 75 tonnes per day involving the treatment of slags and/or bottom ashes from the incineration of waste. De RIE bevat regels inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door industriële activiteiten. Volgens artikel 1 van de RIE bevat zij ook regels ter voorkoming en, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van emissies in lucht, water en bodem en ter voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken. In artikel 11 van de RIE staan de algemene beginselen van de fundamentele verplichtingen van de exploitant. De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat de installaties worden geëxploiteerd overeenkomstig de volgende beginselen: • alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen; • de beste beschikbare technieken worden toegepast; • er wordt geen significante verontreiniging veroorzaakt. De RIE gaat uit dus uit van een aantal uitgangspunten: • geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging;

• hoog niveau van bescherming van het milieu; • alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen; • de beste beschikbare technieken worden toegepast. Deze Europese uitgangspunten zijn overgenomen in de Nederlandse wetgeving. Recentelijk heeft het Europese Parlement en de Raad de RIE gewijzigd en aangescherpt. In artikel 14 van de RIE staat welke voorschriften het bevoegd gezag moet stellen in de vergunning. Op grond van artikel 14, lid 1, sub c dient u passende eisen voor monitoring van de emissies bij Heros voor te schrijven. Dat heeft u niet gedaan. In paragraaf 3.8.5 van de Bijzondere Regeling van de NER Diffuse stofemissie bij open overslag en bewerking van stuifgevoelige goederen uit 2009 staat al zo’n meet-systeem beschreven. Het betreft TSP-monitoren op meerdere plaatsen rondom het terrein van Heros. De activiteit van Heros met verbrandingsassen en slakken zijn beschreven in de BREF Afvalverbranding van 2019. Het Uitvoeringsbesluit van de Commissie tot vaststelling van de BBTconclusies voor de Afvalverbranding (2019/2010/EU) is vastgesteld op 12 november 2019. In artikel 21, lid 3, van de RIE staat de verplichting dat u als bevoegd gezag de vergunningen van Heros moet toetsen aan deze nieuwste BBT-conclusies en indien noodzakelijk de vergunning van Heros moet actualiseren.

Voor zover bekend heeft u dan wel de Omgevingsdienst Zeeland dat niet gedaan. De BREF’s en de BBT-conclusies zijn bestemd als referentiedocument, dat wil zeggen dat ze een indicatie vormen bij het bepalen van het BBT-niveau. Een aantal zijn ouder dan 8 jaar en op grond van de RIE verouderd. In Nederland worden ze in de praktijk meestal gehanteerd als het enige en uitsluitende referentiekader. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het feit dat in artikel 5.4, lid 3, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), thans artikel 8.10, lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), meer aspecten worden genoemd die bij het bepalen van BBT moeten worden betrokken. 2.2 Nederlands recht Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet met de bijbehorende algemene maatregelen van bestuur van kracht geworden. Gezondheid is één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. Dat is nieuw in het Omgevingsrecht. De uitvoering van dit maatschappelijk doel geldt zowel voor de provincie Zeeland als voor de gemeente Terneuzen. In Afdeling 1.3 van de Omgevingswet is de Zorg(plicht) voor de fysieke leefomgeving voor eenieder geformuleerd. Zorgplicht is één van de pijlers van de Omgevingswet.

In artikel 5.34, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet is, net als in artikel 2.31a van de Wabo, bepaald dat de grondslag van de aanvraag voor een vergunning mag worden verlaten bij het voorschrijven van andere technieken bij wijziging van de milieuvergunning dan genoemd in die aanvraag. Van een aangevraagde open opslag mag dus een gesloten opslag worden voorgeschreven. 2.2.1 De specifieke zorgplicht In hoofdstuk 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn onder meer bepalingen opgenomen ten aanzien van het toepassingsbereik, het oogmerk, de specifieke zorgplicht, het stellen van maatwerkvoorschriften en het melden van ongewone voorvallen. In het eerste lid van artikel 2.11 van het Bal is de specifieke zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht wordt gezien als de basisregel van het Bal voor alle milieubelastende activiteiten. Het uitgangspunt is namelijk dat degene die een Milieu Belastende Activiteit (MBA) verricht en die weet of redelijkerwijze

kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken die in artikel 2.2 Bal zijn genoemd, verplicht is om: • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. In de toelichting uit Staatsblad 2018-293 (pag.766) op artikel 2.11, eerste lid, van het Bal staat het volgende: In het eerste lid staat dat degene die een milieubelastende of lozingsactiviteit verricht een specifieke zorgplicht heeft. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en ook hoe hij die gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Onder handelen wordt uiteraard ook het nalaten om te handelen verstaan. De formulering van dit deel van de specifieke zorgplicht sluit aan bij de formulering van de algemene zorgplicht van artikel 1.7 van de Omgevingswet. In het tweede lid van artikel 2.11 van het Bal wordt deze zorgplicht concreet gemaakt, op basis van de criteria van artikel 4.22 Omgevingswet.

Voor milieubelastende activiteiten houdt deze specifieke zorgplicht in ieder geval in dat: • alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; • alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; • de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast; • geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt door het emitteren; • alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet;; Deze (specifieke) zorgplicht is dus een handhaafbare regel, net als andere typen regels zoals emissie-eisen of middelvoorschriften uit het Bal en geldt vanaf 1 januari 2024. In de toelichting uit Staatsblad 2018-293 op artikel 2.11, tweede en derde lid (pag.767) staat het volgende: In het tweede deel van de specifieke zorgplicht is met een niet-limitatieve opsomming aangegeven wat de specifieke zorgplicht in ieder geval inhoudt voor degene die de activiteit verricht. Dit deel concretiseert de zorgplicht en geeft dus meer richting aan de toepassing hiervan. In deze opsomming zijn de onderwerpen opgenomen waartoe de algemene regels volgens de wet in ieder geval moeten strekken (artikel 4.22, tweede lid, en 4.23, tweede lid).

En: Alle passende preventieve maatregelen Dit onderdeel is gebaseerd op artikel 11 van de Richtlijn industriële emissies. Degene die de activiteit verricht heeft de plicht om vooraf na te gaan hoe milieuverontreiniging kan worden voorkomen en de gezondheid kan worden beschermd. Preventieve maatregelen zoals deze in gegeven omstandigheden passen, moeten dus worden getroffen. …….. Passende preventieve maatregelen zijn maatregelen die in een individueel geval passend zijn, dit is dan ook het verschil tussen deze maatregelen en BBT waarbij het gaat om maatregelen die economisch en technisch haalbaar zijn in de betrokken

industriële context. Het Bal maakt onderscheid tussen “passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging” en “passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid”. Dit hoeft niet hetzelfde te zijn. In de toelichting op het Bal wordt hier niet nader op ingegaan. Het verschil tussen passende preventieve maatregelen en BBT wordt wel duidelijk toegelicht. De term “Passende (preventieve) maatregelen” is afkomstig uit het EU-recht en is opgenomen in artikel 11 van de Europese Richtlijn industriële emissies 2010/75/EG, maar ook in artikel 6 van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG en artikel 6 en 7 van de Europese Duurzaamheidsrichtlijn (COM (2022)71). Verder merk ik op deze specifieke zorgplicht uit de Omgevingswet nu is opgenomen in artikel 22.44, lid 1 tot en met 4, van het Omgevingsplan gemeente Terneuzen, zoals dit geldt vanaf 02-01-2024. Dit Omgevingsplan is te raadplegen via Omgevingsloket/Regels op de kaart. De gemeente Terneuzen moet zorgen voor de naleving van de bepalingen uit het nieuwe Omgevingsplan. • Bal, paragraaf 3.3.10 Afvalbeheer ippc-installaties In artikel 3.78 van het Bal is bepaald dat Afvalbeheer IPPC-installaties, zoals Heros een Omgevingsvergunning nodig hebben. In artikel 3.80 van het Bal wordt aangegeven welke andere paragrafen uit het Bal van toepassing zijn.

Het betreft de minimalisatie van Zeer Zorgwekkende Stoffen, paragraaf 5.4.3 en Emissies in de lucht, paragraaf 5.4.4. • Bal, paragraaf 4.104 Opslag van Goederen In artikel 4.1065 (lucht: plaats van opslaan en mengen stuifgevoelige goederen) is bepaald dat met het oog op het beperken van emissies in de lucht goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, worden opgeslagen en gemengd in een gesloten ruimte. Dit is dus een handhaafbare regel en geldt vanaf 1 januari 2024. Toelichting uit Stb. 2018-293 op artikel 4.1065 (lucht: plaats van opslaan en mengen stuifgevoelige goederen): De opslag en het mengen van stuifgevoelige goederen moet plaatsvinden in gesloten ruimtes. Een gesloten ruimte is bijvoorbeeld een gebouw, silo of gesloten container. De eisen aan het opslaan en overslaan van goederen zijn onder meer afhankelijk van de mate waarin de goederen kunnen verstuiven. Daartoe zijn goederen waarvoor dat relevant is ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S5. Goederen met stuifklasse S5 zijn nauwelijks of niet stuifgevoelig.

De betekenis van de overige klassen S1 tot en met S4 is als volgt: Niet bevochtigbaar Wel bevochtigbaar Sterk stuifgevoelig S1 S2 Licht stuifgevoelig S3 S4 In bijlage IV van het Bal is een lijst opgenomen met de indeling in stuifklassen van verschillende stuifgevoelige goederen……… In overeenstemming met het Europese referentiedocument (BREF) voor de beste beschikbare technieken voor op- en overslag maakt dit artikel geen onderscheid naar stuifklassen. De hoofdregel is dat alle stuifgevoelige stoffen in gesloten ruimten worden opgeslagen. Dit is een wijziging ten opzichte van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De opslag en het mengen van goederen die behoren tot stuifklassen S1 of S3, en die dus niet bevochtigbaar zijn, moet plaatsvinden in volledig gesloten

ruimtes. Stoffen die behoren tot stuifklasse S1 moeten bijvoorbeeld worden opgeslagen in gesloten containers. Dergelijke ruimtes hebben (uitzonderingen daargelaten) geen ventilatie. Stoffen behorend tot stuifklasse S3 kunnen worden opgeslagen in een loods met ventilatiesleuven. Bij opslag van stuifgevoelige goederen in een volledig gesloten container of ruimte wordt automatisch voldaan aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof als bedoeld in artikel 4.1067………. Als goederen van stuifklasse S3, S4 of S5 worden opgeslagen in een silo met ventilatieopeningen of sleuven blijft de emissie doorgaans onder de genoemde massastroom en is een filtrerende afscheider niet nodig. Alleen bij uitzondering (bijvoorbeeld als een geforceerde ventilatie of zichtbare stofemissie plaatsvindt) zijn aanvullende voorzieningen nodig om aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof, bedoeld in artikel 4.1067, te voldoen. In bijlage IV van het Bal is een overzicht opgenomen van de stuifklassen.

Voor zover van belang in deze zaak noem ik de volgende stuifgevoelige goederen uit deze tabel: Goed Specificatie Stuifklasse Bodemas Vochtgehalte 30 % S4, ingedeeld op basis van meting met methode EPAmicrowindtunnel Hoogovenslakken S4 Slakken met een vochtgehalte S2 van 0,2% Schroot, ferrometaal met S4 een belangrijke mate van roestvorming Sintels, slakken S4 • Beoordeling Stuifgevoeligheid van bodemas In het verleden zijn onderzoeken uitgevoerd naar de stuifgevoeligheid van bodemas/verbrandingsslak , zoals dat bij Heros wordt op- en overgeslagen en bewerkt. Goed bevochtigd bodemas heeft een stuifgevoeligheid van 0,01 gr/kg en is daarmee nauwelijks of niet stuifgevoelig (klasse S5). Bij een vochtgehalte van 12 % of minder is de stuifgevoeligheid een factor 10 hoger en wordt dan licht stuifgevoelig (S4) tot sterk stuifgevoelig. In het onderzoek van adviesbureau Kuiper& Burger van 15 augustus 2019 met kenmerk PK19015/D01 wat in opdracht van Heros is opgesteld worden in hoofdstuk 5 en 7 de voorzieningen beschreven om het terrein en de bodemas vochtig te houden. Bij hogere temperaturen of bij een schrale oostenwind zal de verdamping van het water uit de bodemas echter hoger zijn dan de hoeveelheid water die er wordt opgebracht. Gelet op de omvang van de opslag en de activiteiten en de grootte van het terrein is het niet mogelijk om alles voldoende nat te houden.

Er zal op diverse plaatsen op het terrein uitdroging en daarna verwaaiing optreden van de bodemas/verbrandingsslak. Deze verwaaiing is niet met het blote oog waarneembaar maar wel meetbaar met een TSP-monitor, waar de voormalige NER naar verwijst. In het rapport van Kuiper&Burger wordt in het geheel niet ingegaan op de suggestie van de Klankbordgroep Samen op Pad tot het plaatsen van een meetnet voor stof rondom Heros.

Tijdens locatiebezoeken op 19 maart en 10 april 2024 heeft een onafhankelijke deskundige in het Omgevingsrecht, de heer , vastgesteld dat op de Oostkade buiten het terrein van Heros een significante hoeveelheid stof aanwezig was en verwaaide. Gelet op de kleur, de korrelgrootte en het gehaltes aan zware metalen is dit aan te merken als neergedaald stof van Heros. • Beoordeling emissie en depositie stuifgevoelige goederen en zware metalen TNO en Adviesbureau Vrins Luchtonderzoek hebben in het verleden veel onderzoek gedaan naar stofbelasting, stofhinder en de bijdrage van lokale bronnen. Stofhinder wordt vooral veroorzaakt door grof stof, omdat daardoor oppervlakten vervuild worden. Wanneer grof stof significante hoeveelheden Zeer Zorgwekkende Stoffen bevat, zoals Lood, Nikkel en Chroom, is niet alleen hinder maar ook blootstelling aan deze stoffen door middel van ingestie, opname via huidcontact en met name opname via voedsel (groente uit eigen tuin) van belang. Er is sprake van cumulatie van metalen in een bepaald gebied. Fijn stof is met name van belang voor de volksgezondheid omdat deze stofdeeltjes kunnen worden ingeademd (blootstelling via inhalatie). Beneden 10 μm wordt stof aangeduid als fijn stof. Grof stof betreft deeltjes met een grootte van meer dan 10 μm (tot 150 μm).

In de literatuur worden diverse kentallen genoemd in de verdeling tussen fijnstof en grofstof bij het verwaaien van stuifgevoelige goederen. Het aandeel fijnstof bedraagt ongeveer 10 % van de totale hoeveelheid stof wat verwaaid bij de op- en overslag van stuifgevoelige goederen. In veel onderzoeken wordt als richtlijn gehanteerd, dat, als er na een etmaal zichtbaar stof aanwezig is, dit als hinderlijk ervaren wordt. Bij een goed contrast tussen stof en ondergrond is stof zichtbaar bij een bedekkingsgraad van 0,1 g/m². In de herziene Duitse TA-luft, die op 18 augustus 2021 is gepubliceerd, is in paragraaf 4.3 wel een maximumnorm geformuleerd ten aanzien van stofneerslag (nicht gefährdender Staub). Deze norm beoogt bescherming tegen een aanmerkelijke belasting of een aanmerkelijk nadeel. Men dient de TA-luft-norm van 350 mg/(m2.dag) als jaargemiddelde, te beschouwen als een absolute bovenwaarde, mede omdat de systematiek en de meetmethode verschilt. In paragraaf 4.5.1, tabel 6, van de TA-luft zijn grenswaarden opgenomen voor de depositie van diverse zware metalen uitgedrukt in μg/m2.d. De in Sluiskil uitgevoerde metingen ten behoeve van een toets aan de wettelijke grenswaarde voor luchtkwaliteit PM10 en de richtwaarden luchtkwaliteit voor Arseen, Cadmium, Lood en Nikkel zijn naar mijn mening onjuist.

Er had een depositie-onderzoek rondom de betreffende bedrijven in de regio moeten worden uitgevoerd op de wijze zoals het RIVM dit een aantal malen in de IJmond regio rondom Tata heeft uitgevoerd. Kortheidshalve verwijs ik naar het Depositie onderzoek IJmond najaar 2022, Monstername en analyse van PAK en metalen in neergedaald stof in de IJmond regio. RIVMrapport 2023-0093, M.G. Mennen et al. Hiermee wordt de totale belasting van stof (grofstof en fijnstof) met de daarin aanwezige zware metalen vastgesteld. Deze belasting is een ongeveer factor 10 hoger. In Bijlage 1 van het RIVM-rapport 2023-0093 is een beschrijving van de methoden voor bemonstering opgenomen, het betreft de PDT-sombakmethode.

Op deze wijze had in Zeeuws-Vlaanderen de invloed van Heros en mogelijk andere bedrijven in de regio op verschillende locaties moeten worden vastgesteld. Er had daarna getoetst moeten worden aan de in Nederland gebruikte richtwaarde voor stofdepositie van 100 mg/m2.dag en aan de Duitse grenswaarde voor de maximale depositie van de betreffende zware metalen in μg/m2.d. In de literatuur worden diverse emissiekentallen voor totaal stof (TSP) en fijn stof genoemd voor de opslag respectievelijk de overslag en bewerking van stuifgevoelige goederen. Met de oppervlakte aan opslagterreinen en de doorzet bij overslag en be- en verwerking bij Heros kan indicatief een waarde worden berekend van de totale emissie aan grofstof en fijnstof per jaar respectievelijk per seconde. Op de volgende bladzijde van deze brief is een afstandsgrafiek opgenomen van de daggemiddelde grofstofemissie in het brongebied, waarbij na een dag de waarnemingsdrempel voor stofdepositie van 100 mg/m2.dag overschreden wordt (windsnelheid 6 m/s, stabiliteitsklasse D en homogene stofemissie bij de veroorzaker). De afstand tot de dichtstbijzijnde bebouwing in Sluiskil bedraagt circa 600 meter. Bij een daggemiddelde grofstofemissie van 2 g/s wordt daar de waarnemingsdrempel na een dag al overschreden.

Gelet op de omvang van de activiteiten van Heros is het aannemelijk dat ondergetekende en de andere bewoners in Sluiskil stofhinder van dit bedrijf ervaren.

Afbeelding 1 Bron: Vrins luchtonderzoek, Rapport Stofmetingen Looveer Huissen, augustus 2006

In het Monitoringsrapport luchtkwaliteit Sluiskil, jaarverslag 2022, van DCMR wordt in paragraaf 2.1.1 ingegaan op de meetresultaten van totaal stof (TSP) in Sluiskil. Uit de pollutieroos (zie onderstaande figuur) blijkt dat de hoogste concentraties TSP in 2022 uit het noorden en oosten van Sluiskil kwamen.

Afbeelding 2 Bron: Monitoringsrapport luchtkwaliteit Sluiskil, jaarverslag 2022, DCMR

In het rapport van de gemeente Terneuzen betreffende de Stofanalyse Sluiskil is op pagina 4 de volgende passage opgenomen: Uit noordoostelijke richting (20-120°) zijn de gevonden meetwaarden voor lood en ijzer duidelijk hoger dan vanuit de andere twee richtingen. Ik merk op dat bodemas volgens tabel 3:18 van de BREF-afvalverbranding gemiddeld 1.655 mg/kg aan lood (range van 497 tot 3.245) bevat en 12 % aan ijzer (range 9,74 tot 13,71). • Gezondheidsaspecten in Sluiskil, proefschrift Erasmus Universiteit Op vrijdag 3 juni 2022 is de heer Arnold D. Bergstra bij de Erasmus Universiteit gepromoveerd met zijn proefschrift Risico’s en risicoperceptie in een industriële omgeving. Dit onderzoek heeft naast het Sloe-gebied ook expliciet betrekking op ons gebied in Zeeuws-Vlaanderen. Op pagina 171 staat het volgende: In dit proefschrift is de invloed van industriële luchtverontreiniging op de gezondheid op verschillende manieren onderzocht, namelijk door middel van gezondheidsvragenlijsten, longfunctiemetingen, geboorte-uitkomsten en voorgeschreven medicatie. Alle studies in dit proefschrift vonden een associatie tussen luchtvervuiling door de industrie en een nadelig effect op de gezondheid. Verder verwijs ik kortheidshalve naar dit promotieonderzoek en naar het interview wat de heer Bergstra daarover heeft gegeven.

• Het toepassen van een grootschalige opslaghal(len) voor (stuifgevoelige) goederen 6.1 BREF en BBT-conclusies In paragraaf 5.3.1 van de (verouderde) BREF-opslag van juli 2006 is de BBT-conclusie geformuleerd voor de opslag van vaste stoffen. Deze luidt:

BAT is to apply enclosed storage by using, for example, silos, bunkers, hoppers and containers, to eliminate the influence of wind and to prevent the formation of dust by wind as far as possible by primary measures. However, although large volume silos and sheds are available, for (very) large quantities of not or only moderately drift sensitive and wettable material, open storage might be the only option. BAT is to apply enclosed storage by using, for example, silos, bunkers, hoppers and containers. Where silos are not applicable, storage in sheds can be an alternative. Het Uitvoeringsbesluit 2019/2010 van de Europese Commissie van 12 november 2019 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, van conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT-conclusies) voor afvalverbranding geldt ook voor de nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van de verwerking van slakken en/of bodemas die bij de afvalverbranding vrijkomt. In de scope van dit Uitvoeringsbesluit en de bijbehorende BREF-afvalverbranding wordt verwezen naar de (verouderde) BREF-opslag. In BBT 23 en BBT 24 is de BBT geformuleerd om diffuse stofemissies naar lucht als gevolg van de verwerking van slakken en bodemas te voorkomen of te verminderen.

BBT 23 schrijft identificatie voor van de meest relevante bronnen van diffuse stofemissies (door middel van bv. EN 15445) en de definitie en uitvoering van passende acties en technieken om binnen een bepaalde periode diffuse emissies te voorkomen of te verminderen. BBT24 schrijft onder meer voor: afsluitings- of afdekkingsvoorzieningen, beschermen van voorraadbergen tegen de heersende wind alsmede watersproeisystemen. Zoals uit de toelichting in de Staatscourant op het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) blijkt, heeft de Nederlandse wetgever met artikel 4.1065 van het Bal een nadere invulling gegeven aan bovenstaande BBT-conclusies. Namelijk een gesloten ruimte voor opslag en menging. 6.2 Reeds bestaande grootschalige opslaghallen en silo’s in het Kanaalgebied van ZeeuwsVlaanderen. In het betrokken gebied, aan de Finlandweg in Terneuzen, de Industrieweg Zuid/Sasdijk in Westdorpe en de Autrichehavenweg in Westdorpe staan reeds grootschalige opslaghallen en silo’s ten behoeve van de opslag van allerlei stortgoederen. Deze opslagvoorzieningen zijn aan te merken als toepassing van de Beste beschikbare technieken. U moet in uw besluit gemotiveerd aangeven waarom deze voorzieningen wel bij die bedrijven zijn getroffen en waarom dat bij Heros Sluiskil niet zou kunnen.

Zoals eerder aangegeven bevat bodemas/verbrandingsslak bij Heros Sluiskil een significante hoeveelheid Zeer Zorgwekkende Stoffen in de vorm van zware metalen. Hiermee moet ook rekening worden gehouden. Er mag geen sprake zijn van rechtsongelijkheid. 6.3 Realisatie van een grootschalige opslag voor ijzererts en kolen. In de Conclusie van advocaat-generaal J. Kokott van 14 december 2023, zaaknummer C‑626/22 in de zaak staalfabriek Ilva SpA te Taranto (Italië) wordt uitvoerig ingegaan op het toepassen van BBT, het treffen van alle Passende Preventieve Maatregelen. De staalfabriek veroorzaakt volgens de vaststellingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) significante nadelige milieueffecten en deze tasten de gezondheid van de omwonenden aan. Op de website van Ilva SpA/ Acciaierie d'Italia (Staalfabrieken van Italie) is over hun productielocatie in Taranto het volgende opgenomen: Capital spending planned and underway for the Taranto Plant sum up to 2 billion euros.

Our commitment for the environmental recovery of the productive units of Acciaierie d’Italia are widely supported by competences, resources and management systems made available by the two shareholders: ArcelorMittal group and Invitalia. Main points of the 5-year environmental plan 2018-2023 • Coverage of raw materials storage areas • Closure of conveyors and buildings

Afbeelding 3. Opslaghallen Taranto Ijzer- en staalindustrie. In aanbouw

Op de website van de constructeur SWS Global is ten aanzien van het project van de opslaghallen in Taranto het volgende vermeld: Over recent years, ArcelorMittal undertook several renovation works, among which the construction of two large steel warehouses 80m high, 254m wide, and 700m long over the Mineral and Fossil Parks. These structures have been engineered with the objective of preventing the wind induced dust flow towards the adjacent urban environment, and are characterized by 51 huge arch trusses placed at a distance of 14m. Just to give the numbers of the project, the construction of the two shelters will require 60’000 tons of steel, 200,000m3 of concrete, 10,000 tons of reinforcement and 25,000m of piles. Projectvalue: €220 mln Op de website van de bouwondernemer Cimolai SpA in Porcia (PN), Italië, is naast bovenstaande gegevens een link naar een Youtube filmpje opgenomen waarin wordt geïllustreerd op welke wijze de beide opslaghallen in Tarento zijn gebouwd op de bestaande en in werking zijnde opslagterreinen voor kolen respectievelijk ijzererts. Technisch zijn er geen belemmeringen om dit soort opslaghallen te bouwen.

Afbeelding 4: Printscreen van Youtube filmpje aannemingsbedrijf Cimolai, bouwwijze opslaghallen over bestaande opslagterreinen voor kolen en ijzererts.

Met Google Earth Pro kan de oppervlakte van de beide opslagvoorzieningen worden opgemeten. Deze bedraagt circa 26 hectare.

6.4 Het Advies van de Expertgroep Gezondheid Tata Op 28 februari 2024 (Kenmerk IENW/BSK-2024/72353) heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, mevr. Heijnen, het eerste advies van de Expertgroep Gezondheid Tata aangeboden aan de Tweede Kamer. In het bijbehorende advies met als titel: Gezondheid Geborgd, staan een aantal passages, die betrekking hebben op de open opslag van kolen, ijzererts, hoogovenslakken en andere stuifgevoelige afvalstoffen op het terrein van Tata. Op pagina 3, bij het tweede bolletje, van dit advies, is de passage opgenomen: Aanvullende opties zijn versnelling van het vergunning- en voorbereidingstraject en eerdere, meer uitgebreide overkapping van onderdelen van het bedrijfsterrein. Op pagina 13 is bij het tweede bolletje, sub b, de volgende passage opgenomen: Een andere optie is het versneld aanleggen van een meer uitgebreide overkapping van onderdelen van het bedrijfsterrein. • Het verzoek om Handhaving Ik woon in Sluiskil en Gelet op de afstand tussen mijn woning en de activiteiten van Heros is het aannemelijk dat stof van Heros bij mijn woning terecht komt. Ik heb daarover verschillende malen geklaagd. Ik ben dus belanghebbende. In mijn woonomgeving is er sprake van een jarenlange depositie en cumulatie van zware metalen, die aangemerkt worden als Zeer Zorgwekkende Stoffen.

Gelet op het voorgaande is ondergetekende van mening dat een grootschalig hal ten behoeve van de opslag en be- en verwerking van bodemas/verbrandingsslak bij Heros toepassing is van de Beste beschikbare technieken dan wel een Passende Preventieve Maatregelen tegen milieuverontreiniging dan wel een Passende Preventieve Maatregelen ter bescherming van de gezondheid van mij en de overige bewoners van Sluiskil. Ook schrijft het Besluit activiteiten leefomgeving zo’n voorziening specifiek voor. Omdat er sprake is van een grootschalige opslag en verwerking en omdat bodemas/verbrandingsslak Zeer Zorgwekkende Stoffen bevat is er naar mijn mening sprake van een significante milieuverontreiniging door Heros. Er worden door mij 5 verschillende gronden voor handhaving geformuleerd, die verschillend zijn en waar u dus per grond/artikel op moet besluiten. 1 tot en met 4 zijn gebaseerd op het Europees recht en blijven altijd gelden. Per 1 januari 2024 is Gezondheid één van de maatschappelijke doelen in de Omgevingswet. Dit doel moet u in uw overwegingen op ons verzoek nadrukkelijk betrekken. 7.1 Handhaving toepassing Beste beschikbare technieken U wordt verzocht om bij Heros te handhaven op artikel 2.11, lid 2, onder c van het Besluit Activiteiten leefomgeving, dat voor milieubelastende activiteiten de beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

7.2 Handhaving van het treffen van alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging U wordt verzocht om bij Heros te handhaven op artikel 2.11, lid 2, onder a van het Besluit Activiteiten leefomgeving, dat voor milieubelastende activiteiten alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging moeten worden getroffen.

7.3 Handhaving van het treffen van alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid U wordt verzocht om bij Heros te handhaven op artikel 2.11, lid 2, onder b van het Besluit Activiteiten leefomgeving, dat voor milieubelastende activiteiten alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid moeten worden getroffen. 7.4 Handhaving van het voorkomen van een significante milieuverontreiniging U wordt verzocht om bij Heros te handhaven op artikel 2.11, lid 2, onder d van het Besluit Activiteiten leefomgeving, dat voor milieubelastende activiteiten moet worden voorkomen dat er sprake van een significante milieuverontreiniging. 7.5 Handhaving artikel 4.1065 U wordt verzocht om bij Heros te handhaven op artikel 4.1065 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving waarin is bepaald dat met het oog op het beperken van emissies in de lucht goederen, ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S4, worden opgeslagen en gemengd in een gesloten ruimte. 7.6 Verzoek tot het opleggen van een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom De overheid is verantwoordelijk voor het handhaven van de wetgeving. Voor wat het omgevingsrecht betreft ligt de basis van deze verantwoordelijkheid voor het bestuur in diverse bijzondere wetten, de Algemene wet bestuursrecht en in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State, de zogenoemde beginselplicht tot handhaven (Geformuleerd in ABRvS 7 juli 2004, LJN AP8242). Een bestuursorgaan komt bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsvrijheid toe. De hoogte van de dwangsom kan en moet op de ernst van de overtreding worden afgestemd (evenredigheid) en tot doel hebben de overtreding tegen te gaan of te voorkomen (effectiviteit). Zie artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht). De dwangsom dient voldoende prikkelend te werken, zodanig dat de overtreder de overtreding zal beëindigen. Iplo geeft op haar website aan dat een maatstaf bij het bepalen van het bedrag het (geschatte) financiële voordeel kan zijn dat de overtreding oplevert. De omvang van de onderneming speelt hierbij een rol. Zo zal een dwangsom voor een internationaal werkend bedrijf een andere zijn als die voor een eenmanszaak. In dit geval is Heros Sluiskil onderdeel van een groot internationaal werkend bedrijf. Voor de opslaghallen in Italië was een investeringsbedrag van 220 miljoen euro noodzakelijk. Gelet op artikel 5.31a van de Algemene wet bestuursrecht wordt U verzocht om bij Heros Sluiskil B.V. bestuursdwang toe te passen alsmede een last onder dwangsom op te leggen, die effectief is en voldoende hoog is om de overtredingen van het Besluit Activiteiten Leefomgeving te laten beëindigen.

7.7 Algemene beginselen van behoorlijk bestuur U dient in uw besluit uit te gaan van de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, zoals onder meer verwoord in diverse artikelen in de Algemene wet bestuursrecht. 7.8 Landelijke handhavingsstrategie U wordt verzocht in uw besluit acht te slaan op de landelijke handhavingsstrategie. In de Landelijke handhavingsstrategie wordt gebruik gemaakt van een interventiematrix. U wordt verzocht de positionering op de matrix te motiveren. In de Landelijke handhavingsstrategie zijn diverse verzwarende omstandigheden beschreven. U wordt verzocht per verzwarende omstandigheden aan te geven of er volgens u al dan niet sprake van is. 7.9 Termijn U dient binnen een redelijke termijn te beslissen op het verzoek van mij als belanghebbende om een besluit te nemen. Ik ben mij ervan bewust dat het in dit geval een zeer complexe zaak betreft. Zoals in deze brief is aangegeven zijn er paralellen met het dossier Tata Steel in IJmuiden. Naast Heros en Tata zijn er overigens nog meerdere locaties in Nederland waar een grootschalige gesloten opslag op grond van de bepalingen uit het Besluit activiteiten leefomgeving moet worden gebouwd.

U dient wellicht nog overleg te voeren met het Ministerie van I&W; de leden van Provincialen Staten in Zeeland; de lokale GGD; de Landsadvocaat; de directie en advocaten van Heros Sluis B.V./ Remondis; het college van B&W van Terneuzen; etc. Een termijn van drie maanden na dagtekening van dit schrijven acht ik redelijk.

• Nawoord bestuurlijke overwegingen De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft onderzoek gedaan naar de wijze waarop burgers in Nederland worden beschermd tegen de risico’s van soms jarenlange industriële uitstoot. Blootstelling aan industriële stoffen kan schade veroorzaken aan de gezondheid. Dit kan door eenmalige uitstoot of lozing zijn, maar ook door een opeenstapeling van stoffen in de loop van de tijd. Onderdeel van het onderzoek is in hoeverre rekening wordt gehouden met gezondheidseffecten voor omwonenden bij het toestaan en controleren van langdurige industriële uitstoot. De Onderzoeksraad heeft onderzoek gedaan naar de situatie rondom Tata Steel (IJmuiden), Chemours (Dordrecht) en Asfaltfabriek Nijmegen (APN). De Onderzoeksraad trekt daarmee lessen die toepasbaar zijn voor andere regio’s, zoals Zeeuws-Vlaanderen. Ik wil u nadrukkelijk wijzen op de door Raad geformuleerde aanbevelingen in het rapport Industrie en Omwonenden. U maar ook de gemeente Terneuzen worden verzocht overeenkomstig te handelen. Graag wil ik U nog wijzen op het gestelde op pagina 76 (digitale versie) of pagina 90 (papieren versie) van het rapport van de Onderzoeksraad, wat ook geldt voor onze regio: Meerdere mogelijkheden om strengere emissienormen te stellen door de provincie en het Ministerie van IenW worden niet benut of zijn volgens deze overheden juridisch niet af te dwingen.

Volgens KokxDeVoogd en InfoMil kan het bevoegd gezag echter wel gemotiveerd afwijken van BBTdocumenten als ze bijvoorbeeld niet actueel zijn. De provincie (bevoegd gezag) en de rijksoverheid (wetgever) wijzen naar elkaar als het gaat om wat er mogelijk is om de gezondheid van omwonenden beter te beschermen, terwijl de overheden ook (alvast) eigen acties in gang kunnen zetten. Het gevolg is een niet samen optrekkende overheid en het ontbreken van strenge emissie-eisen in de vergunning.

De adviescommissie Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) (Commissie Van Aartsen) heeft een advies gegeven over de mogelijkheden om milieuhandhaving, -toezicht en vergunningverlening in Nederland te versterken en het stelsel effectiever en slagvaardiger te maken. Daarbij gaat de commissie in op de onafhankelijkheid en deskundigheid van toezichthouders en de verdeling van rollen, taken en bevoegdheden in het stelsel. Over dit rapport heeft u op 8 juni 2021 (kenmerk 33862) een brief gestuurd aan Provinciale Staten. Ik acht de uitvoering van VTH bij de RUD Zeeland nog steeds volstrekt onvoldoende Ik behoud mij het recht voor om dit verzoek nog aan te vullen. Hoogachtend:

Dit verzoek tot handhaving is in afschrift gezonden aan: • de leden van Provinciale Staten van Zeeland • het college en de raad van de gemeente Terneuzen, • Directie RUD Zeeland • GGD Zeeland • Veiligheidsregio Zeeland • DCMR Milieudienst Rijnmond, Schiedam • RIVM, Bilthoven • Inspectie Leefomgeving en Transport, Utrecht • Het Waterschap Scheldestromen • North Sea Port • Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat • Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) • Stichting Het Zeeuwse Landschap (onderdeel van LandschappenNL) • Zeeuwse Milieufederatie, info@zmf.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14139764/1