2023-11-29 a. Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023 - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
het opstellen van voorschriften op het gebied van markering en afzetting; d. het toepassen van proefsleuven. 25/74
23
Artikel 3.61 Vereiste van instemming of vergunning 1. Het is verboden kabels en/of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, in stand
te houden, te onderhouden, te verleggen of te verwijderen, zonder of in afwijking van een voorafgaand door het college genomen instemmingsbesluit c.q. verleende vergunning. 2. Voor het verrichten van werkzaamheden van niet ingrijpende aard of spoedeisende werkzaamheden of calamiteiten, is geen instemming of vergunning, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk maar kan worden volstaan met een melding vooraf aan het college. 3. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij het uitvoeren van haar publiekrechtelijke taak. Artikel 3.62 Melding of aanvraag 1. Een aanvrager doet minimaal acht weken voor de geplande aanvang van de
2. 3.
4.
5.
6. 7.
werkzaamheden bij het college of via een registratiesysteem melding voor een instemmingsbesluit dan wel een aanvraag voor een vergunning voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.61, eerste lid, van deze verordening. Afzonderlijke werken dienen per locatie en per discipline afzonderlijk te worden aangevraagd. Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten kan hierover vooroverleg voeren met het college voor het voorbereiden van de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid; Indien voor de voorgenomen werkzaamheden tevens (privaatrechtelijke) toestemming nodig is van andere grondeigenaren of grondbeheerders, dient de aanvrager dit bij de melding of aanvraag aan te geven en uiterlijk vier weken na de melding of aanvraag, aan het college het bewijs van verkregen toestemming te overleggen. In geval van voorgenomen werkzaamheden van niet ingrijpende aard, moet de aanvrager minimaal vijf werkdagen voor uitvoering van deze werkzaamheden dit schriftelijk (in geval van e-mail bij het door de gemeente aangegeven mailadres) bij de gemeente melden. Op grond van belangen als genoemd in artikel 3.67, eerste lid, sub a tot en met i, van deze verordening, kan het college bepalen dat realisatie op een ander tijdstip moet plaatsvinden. In geval van spoedeisende werkzaamheden of calamiteiten volstaat een melding voorafgaand aan de start van de werkzaamheden.
Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de gemotiveerde melding uiterlijk binnen één werkdag na de start van de uitvoering worden gedaan aan het college. Indien achteraf blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden vergunnings-, of instemmingsplichtig zijn, dient er alsnog een vergunning of een instemmingsbesluit aangevraagd te worden Het college is bevoegd via nadere regels delen van het grondgebied aan te wijzen waarop het vierde en vijfde lid van dit artikel niet van toepassing zijn. Het melden van aanvang en einde werk dient (d.m.v. formulieren of een registratiesysteem) te gebeuren conform het handboek.
Artikel 3.63 Gegevensverstrekking 1. Het college stelt nadere regels vast inzake de te verstrekken gegevens en de wijze
waarop die worden verstrekt bij een aanvraag of melding als bedoeld in deze verordening. 2. Het college stelt de voor een melding of aanvraag, als bedoeld in de artikelen 3.61 en 3.62 van deze verordening, te gebruiken formulieren vast. Artikel 3.64 Beslistermijnen 26/74
24
1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de melding of aanvraag als 2.
3. 4.
5.
bedoeld in artikel 3.62, eerste lid, van deze verordening. Betreft het een melding of aanvraag waarbij meer grondeigenaren/beheerders zijn betrokken of andere vergunningen vereist zijn, dan wordt de beslissing pas genomen als deze andere toestemmingen verkregen en overgelegd zijn. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, houdt het college de beslissing aan, indien er een eventuele andere toestemming en/of vergunning is vereist. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht betreffende de van rechtswege verleende beschikking is niet van toepassing op het bepaalde in deze paragraaf.
Artikel 3.65 Geldigheid 1. Binnen 12 maanden na verlening van de vergunning of het instemmingsbesluit moeten
de werkzaamheden zijn voltooid, tenzij anders is bepaald in de vergunning of het instemmingsbesluit dan wel tenzij sprake is van aantoonbare overmacht. Indien de (graaf)werkzaamheden niet binnen de vastgestelde data en termijnen zijn uitgevoerd, vervalt de vergunning of het instemmingsbesluit. Een situatie van overmacht moet tijdig worden medegedeeld, met in acht name van de maximale geldigheidsduur en ter beoordeling van het college. 2. De termijn van 12 maanden, genoemd in het vorige lid, kan door het college met maximaal 6 maanden worden verlengd, na een schriftelijk -binnen die termijn ingediendmet redenen omkleed verzoek. 3. Het instemmingsbesluit of de vergunning vervalt indien de netbeheerder schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer te willen maken van het instemmingsbesluit of de vergunning. Artikel 3.66. Intrekking instemmingsbesluit 1. Het college kan een instemmingsbesluit of vergunning wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken, indien: a. de beschikking op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend; b. de netbeheerder, dan wel de door deze ingeschakelde derde partij, het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning of instemmingsbesluit niet naleeft. Artikel 3.67. Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden 1.
Het college kan aan een instemmingsbesluit of een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden, dan wel een vergunning weigeren, dan wel bij werkzaamheden van niet ingrijpende aard bepalen dat realisatie op een ander tijdstip moet plaatsvinden, in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid, waaronder in elk geval moet worden verstaan de verkeersveiligheid en/of een goede doorstroming van het verkeer; c. het voorkomen of beperken van overlast; d. het voorkomen of beperken van schade; e. de bescherming van eventuele archeologische vondsten en van groenvoorzieningen; f. het uiterlijk aanzien van de omgeving; 27/74
25
2. 3.
4.
5.
6.
7.
8. 9.
g. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud en het belang van nader aan te geven grote lokale evenementen als weekmarkten en kermissen; h. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken, waaronder werken ten behoeve van de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water en elektriciteit; i. de bescherming van het milieu. De netbeheerder draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd. Het college stelt nadere regels vast in de vorm van een Handboek voor de wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen en medegebruik van voorzieningen. Bij tegenstrijdigheden tussen de bepalingen van deze verordening en het Handboek hebben de bepalingen van deze verordening voorrang. Het college stelt nadere regels vast over schadeherstel en vergoeding van degeneratiekosten.
De netbeheerder of diens grondroerder is gehouden tot het, op basis van redelijkheid en billijkheid, vergoeden van alle schade, geleden en te lijden door de gemeente, voortvloeiende uit de door of vanwege de aanvrager of diens grondroerder uit te voeren werkzaamheden. De berekening van de schadevergoeding is gebaseerd op vijf kostensoorten: herstel-, onderhouds-, beheers- en degeneratiekosten of werkelijke kosten, met als uitgangspunt kostendekkendheid voor de gemeente Indien het leidingentracé geen ruimte biedt voor de aanleg van nieuwe kabels, legt de netbeheerder (dan wel de door deze ingeschakelde derde partij) de gemeente een alternatief tracé voor en wordt daarbij bezien of andere netbeheerders eventuele voorgenomen werkzaamheden op dat tracé willen combineren, of (in geval van elektronische communicatienetwerken) doet hij aan andere netbeheerders een verzoek tot medegebruik van kabels en/of leidingen. De netbeheerder (dan wel de door deze ingeschakelde derde partij) is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en beplanting terug te brengen in de oude staat, tenzij het college vooraf heeft aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen. Indien binnen 3 jaar na groot onderhoud of herinrichting van de openbare gronden de netbeheerder werkzaamheden moet uitvoeren verlangt het college specifiek schadeherstel.
Indien de netbeheerder werkzaamheden moet uitvoeren in bijzondere bestrating, verlangt het college specifiek schadeherstel. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een instemmingsbesluit of het verlenen van een vergunning zijn leges verschuldigd conform de Legesverordening van de gemeente.
Artikel 3.68. Eigendom 1. Indien de eigendom, exploitatie of beheer van een net, kabel of leiding wordt
overgedragen aan een andere netbeheerder, gaan de rechten en plichten volgens deze verordening die betrekking hebben op de kabel en/of leiding van rechtswege over op de nieuwe netbeheerder; 2. De netbeheerder stelt het college onverwijld in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert. 3. Op het eigendom van de kabels en/of leidingen zijn de desbetreffende wettelijke bepalingen van toepassing. 28/74
26
Artikel 3.69. Overleg 1. Het college organiseert periodiek een overleg, waarvoor de bij de gemeente bekende
netbeheerders en andere belanghebbende partijen worden uitgenodigd. 2. Dit overleg is mede gericht op de beoordeling van mogelijk medegebruik van
voorzieningen en afstemming van gezamenlijk of gelijktijdig uit te voeren werkzaamheden. 3. Netbeheerders kunnen desgewenst om overleg verzoeken. Artikel 3.70. Niet-openbare kabels en leidingen 1. Het college kan een vergunning weigeren in geval van werkzaamheden aan niet-
openbare kabels en/of leidingen in of op openbare gronden. In het geval van te verlenen toestemming is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing, maar houdt dit geen gedoogplicht in van de betreffende kabels en leidingen. 2. Niet-openbare kabels en/of leidingen dienen op verzoek van het college op gronden genoemd in artikel 3.67, lid 1, op kosten van de eigenaar van de kabels en/of leidingen, te worden verlegd. Artikel 3.71. Informatieplicht 1. De netbeheerder stelt het college onverwijld en schriftelijk in kennis van het feit dat een
kabel of leiding niet langer ten dienste staat van een openbaar net in of op openbare gronden. 2. De netbeheerder levert op verzoek van het college een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen. De bewijslast met betrekking tot het gebruik ligt bij de netbeheerder. Artikel 3.72 Verleggingen van leidingen 1. Voor verleggingen van leidingen van een netwerk van een nutsbedrijf in of op openbare gronden op verzoek van het college, gelden de volgende bepalingen: a. De netbeheerder is verplicht op verzoek van het college over te gaan tot het nemen van maatregelen voor kabels en leidingen ten dienste van zijn net, waaronder het verplaatsen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege de gemeente in het algemeen belang; b. Eventuele compensatie wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling of schriftelijk vastgelegde (privaatrechtelijke) afspraken; c. Compensatie wordt verder uitsluitend verleend op basis van een gespecificeerd kostenoverzicht; d. De gemeente en de netbeheerder zullen bij verwijdering, verlegging of aanpassing van leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken; e.
Na een schriftelijk verzoek van het college tot het nemen van maatregelen gaat de netbeheerder zo spoedig mogelijk over tot de uitvoering, doch niet later dan dertien weken na de datum van ontvangst van het verzoek. 2. Indien ten gevolge van werkzaamheden, niet zijnde gemeentelijke werkzaamheden, verplaatsing, wijziging of verwijdering van enig eigendom van de gemeente noodzakelijk is, dan wel ten behoeve van werkzaamheden speciale voorzieningen moeten worden getroffen, komen de kosten ervan voor rekening van de opdrachtgever, tenzij er redelijkerwijs aanleiding bestaat om de kosten over meerdere partijen te verdelen, dan wel om geen kosten in rekening te brengen. 29/74
27
Artikel 3.73 Verwijderen van leidingen 1. De netbeheerder is verplicht na het geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning de
leiding binnen een door het college te bepalen termijn te verwijderen. 2. Buiten gebruik gestelde kabels en leidingen dienen bij reconstructies op aanzegging van
de gemeente te worden verwijderd. 3. De bepalingen van deze verordening is overeenkomstig van toepassing op verwijdering
van kabels en leidingen. Artikel 3.74 Naleving voorschriften 1. Indien een grondroerder zich niet houdt aan de voorschriften en beperkingen uit het
instemmingsbesluit of vergunning, kan het college het instemmingsbesluit of de vergunning intrekken. 2. Wanneer het college een besluit neemt op grond van het eerste lid, kan het college verlangen dat de oorspronkelijke situatie wordt hersteld op grond van een besluit inhoudende een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Artikel 3.75 Bevoegdheid college 1. Het college is bevoegd de werkzaamheden stil te leggen, indien er wordt gewerkt: a. zonder voorafgaande aanvraag of melding, als bedoeld in artikel 3.62 van deze verordening; b. zonder instemmingsbesluit of vergunning of zonder toestemming ingeval van meldingsplicht; c. in afwijking van de uitvoeringsvoorschriften; d. in afwijking van de voorschriften uit het instemmingsbesluit of de vergunning; e. in strijd met het geldende breekverbod. 2. Indien het college vaststelt dat de verplichtingen van deze verordening niet zijn nagekomen, kan het college besluiten handhavend op te treden met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. § 3.4.6. Recreatief nachtverblijf Artikel 3.76 Recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of
geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.11 kan het college de ontheffing weigeren in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap, of b. een stadsgezicht Artikel 3.77 Uitzonderingsbepaling Artikel 3.76, lid 1, is niet van toepassing: 1. Voor het plaatsen van één of enkele kampeermiddelen voor eigen gebruik voor perioden van maximaal twee weken door de rechthebbende op een terrein; 30/74
28
2. Voor het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van het kamperen door groepen, uitgaande van een vereniging of andere organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, sportieve, educatieve of wetenschappelijke aard, gedurende een periode van maximaal twee weken indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er toestemming is van de rechthebbende op het terrein; b. er voldoende verlichting is op het terrein; c. er voldoende begeleiding aanwezig is; d. geen geluidsoverlast wordt veroorzaakt; e. geen schade wordt toegebracht aan de flora en fauna op het terrein; f. in verband met brandpreventie tussen de kampeermiddelen of een groepje van kampeermiddelen een ruimte wordt vrij gehouden van minstens 5 meter; g. er verspreid over het terrein zichtbaar voldoende handbrandblusapparaten aanwezig zijn met een minimale inhoud van 7 kg, die voor direct gebruik beschikbaar zijn; h. de brandweer en politie tijdig van de activiteiten in kennis worden gesteld en eventuele aanwijzingen hunnerzijds onmiddellijk worden opgevolgd, evenals de aanwijzingen van gemeentelijke toezichthouders; i. er voldoende sanitaire voorzieningen aanwezig zijn; j. na afloop het terrein in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht en schoongemaakt; k.
al de redelijkerwijs mogelijke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden schade lijden als gevolg van het gebruik van het terrein; 3. Voor het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van kamperen tijdens het bijwonen van een evenement, indien dit een onderdeel is van het evenement en als zodanig op de evenementenvergunning is aangegeven; 4. Voor het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van het kamperen op zogenaamde ‘paalkampeerterreinen’ van Staatsbosbeheer; 5. Voor het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van het kamperen daarin, op plaatsen die daarvoor door het college zijn aangewezen, indien de kampeerauto niet langer dan 72 uur op die locatie aanwezig is; 6. Voor het plaatsen van kampeermiddelen tijdens het nachtvissen, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er geen schade wordt toegebracht aan de flora en fauna; b. er geen geluidsoverlast wordt veroorzaak of van drankmisbruik sprake is; c. er geen kampvuren worden aangelegd; d. afval in het kampeermiddel wordt bewaard en na afloop niet wordt achtergelaten. Afdeling 3.5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de Gemeente. § 3.5.1. Parkeerexcessen Artikel 3.78 Aanwijzing activiteiten Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1. wordt aangewezen het parkeren van een voertuig op de weg. Artikel 3.79 Specifieke zorgplicht De zorgplicht als bedoeld in artikel 3.3.
houdt voor het parkeren van motorvoertuigen, aanhangers en (brom)fietsen op de openbare weg in ieder geval in dat: 31/74
29
1. Parkeerruimte niet buitensporig lang wordt ingenomen; 2. Het uitzicht vanuit verblijfsruimten niet onevenredig wordt gehinderd; 3. Defecte motorvoertuigen, aanhangers en (brom)fietsen worden verwijderd Artikel 3.80 Voertuigen van autobedrijf e.d. 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen, of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon: c. voertuigen waarvoor een standplaats op een automarkt is aangewezen, op deze standplaats gedurende de tijd dat deze markt wordt gehouden. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 3.81 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met
het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 3.82 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 3.83 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en
tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.84 Kampeermiddelen e.a. voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: 32/74
30
a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen (binnen de bebouwde kom) op de weg te plaatsen of te hebben, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. 4. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 3.85 Reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op
de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 3. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 3.86 Grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer
2.
3.
4. 5. 6.
dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 3.87 Uitzichtbelemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan
6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
33/74
31
Artikel 3.88 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan van ontheffing verlenen het verbod. Artikel 3.89 Fietswrakken, weesfietsen en overlast van fiets of bromfiets 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren, op een openbare plaats te laten staan. 3. Het is verboden fietsen en bromfietsen langer dan 28 dagen onafgebroken op een openbare plaats te laten staan. § 3.5.2. Parkeerregulering Artikel 3.90 Aanwijzing activiteiten Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1.
wordt aangewezen het parkeren van een voertuig op een parkeerplaats, gelegen binnen de zone die op grond van artikel 2.12 van deze verordening is aangewezen. Artikel 3.91 De parkeervergunningverlening Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een parkeervergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuur plaatsen.
Artikel 3.92 Soorten parkeervergunningen 1.
Bewonersparkeervergunning. a. Een bewonersparkeervergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig die volgens de Basis Registratie Personen als bewoner op een adres ingeschreven staat in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuur plaatsen aanwezig zijn en het adres een zelfstandige woning betreft. b. In afwijking van het bepaalde in lid a, kan aan diegene die volgens de Basis Registratie Personen als bewoner op een adres ingeschreven staat in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuur plaatsen aanwezig zijn en het adres een zelfstandige woning betreft een bewonersvergunning worden verleend ten 34/74
32
2.
behoeve van mantelzorg tegen overlegging van een recente verklaring (niet ouder dan twee (2) maanden) van de huisarts of een andere instantie waaruit blijkt dat de aanvrager aangewezen is op mantelzorg Ondernemers/werknemersparkeervergunning.
Een ondernemers/werknemersparkeervergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent of werkzaam is voor een bedrijf en is gevestigd in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuur plaatsen aanwezig zijn. 3.
Dienstverleningsparkeervergunning.
Een dienstverleningsparkeervergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuur plaatsen aanwezig zijn en daar niet is gevestigd en aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in medische, overheid, ANBI, Ambulante handel en algemene parkeervergunningen. 4. Bezoekersparkeervergunning. Een bezoekersparkeervergunning kan worden verleend aan diegene die volgens de Basis Registratie Personen als bewoner op een adres ingeschreven staat in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuur plaatsen aanwezig zijn en het adres een zelfstandige woning betreft. Artikel 3.93 Beperkingen aan parkeervergunningverlening 1. Het college kan nadere regels stellen omtrent het maximum aantal parkeervergunningen dat kan worden verleend en omtrent het vergunningengebied of de vergunning gebieden waarvoor de parkeervergunning geldig is. 2. Het college kan in bijzondere gevallen een parkeervergunning ook verlenen aan degene die niet voldoet aan één of meer van de voorwaarden genoemd in artikel 3.92, lid 1 tot en met 4. 3.
Het college kan bij openbaar te maken besluit een maximum aantal uit te geven parkeervergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie vaststellen en voorschriften over wachtlijsten geven. 4. Aan de parkeervergunning kunnen zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de parkeervergunning van kracht is. 5. Het college kan aan een parkeervergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.
Artikel 3.94 Beleidsregels aanvragen parkeervergunningen Het college kan, met inachtneming van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, regels geven voor het aanvragen en verlenen van een vergunning. Artikel 3.95 Geldigheid parkeervergunningen
35/74
33
1. 2.
Een parkeervergunning wordt voor ten hoogste één jaar verleend. Een parkeervergunning vermeldt ten minste: a. de naam en het adres van de vergunninghouder; b. het gebied (ook zone en bronpunt) waarvoor de parkeervergunning geldt; c. de periode waarvoor de parkeervergunning geldt. 3. Alle parkeervergunningen zijn alleen geldig na registratie van het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de parkeervergunning wordt gebruikt in de centrale computer. Artikel 3.96 Intrekken en wijzigen parkeervergunningen 1. a. b. c. d. e. f. g. h. i. 2.
Het college kan een parkeervergunning intrekken of wijzigen: op verzoek van een vergunninghouder; wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de parkeervergunning is verleend; wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van parkeervergunningen komt te vervallen; wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de parkeervergunning; wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn parkeervergunning heeft voldaan; wanneer de vergunninghouder in strijd handelt met de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften; wanneer de parkeervergunning voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor de parkeer vergunning is afgegeven; wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de parkeervergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; om redenen van openbaar belang. De vergunninghouder wordt van het besluit tot intrekking of wijzigen in kennis gesteld.
Artikel 3.97 Verbodsbepalingen 1. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan: a. op een parkeerapparatuur plaats; b. op een belanghebbendenplaats. 2. Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik ervan wordt belemmerd of verhinderd. 3. Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Artikel 3.98 Verbod parkeren op plaats parkeervergunninghouder 1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats en / of parkeerapparatuur plaats slechts aan parkeervergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: a. zonder parkeervergunning; 36/74
34
b. zonder dat het kenteken van het betreffende motorvoertuig in de centrale computer is geregistreerd; c. in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorwaarden. 2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. § 3.5.3. Weekmarkten Artikel 3.99 Gereserveerd Artikel 3.100 Gereserveerd Artikel 3.101 Gereserveerd Artikel 3.102. Gereserveerd Artikel 3.103 Gereserveerd Artikel 3.104 Gereserveerd Artikel 3.105 Gereserveerd Artikel 3.106 Gereserveerd Artikel 3.107 Gereserveerd Artikel 3.108 Gereserveerd Artikel 3.109 Gereserveerd Artikel 3.110 Gereserveerd Artikel 3.111 Gereserveerd Artikel 3.112 Gereserveerd Artikel 3.113 Gereserveerd Artikel 3.114 Gereserveerd § 3.5.4. Standplaatsen Artikel 3.115 Aanwijzing activiteiten Als activiteit bedoeld in artikel 3.1. wordt aangewezen het innemen van een standplaats op de openbare weg voor het bedrijven van handel Artikel 3.116 Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor het innemen van een standplaats in ieder geval in dat: 37/74
35
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
voldoende vrije doorgang voor hulpdiensten overblijft; voldoende vrije doorgang op voetpaden overblijft; de vrije toegang tot brandputten of vluchtroutedeuren is geborgd; het uiterlijk van een standplaats niet in strijd is met de goede omgevingskwaliteit; alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt, en afvalwater en afvalstoffen doelmatig worden beheerd.
Artikel 3.117 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert een vergunning wegens strijd met het omgevingsplan en het gemeentelijk standplaatsenbeleid. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.11 kan de vergunning worden geweigerd als: a. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. b. in het belang van een zorgvuldig ingerichte weekmarkt of kermis. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 3.118 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 3.119 Afbakeningsbepaling Artikel 3.117, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. § 3.5.5 Snuffelmarkten Artikel 3.120 Aanwijzing activiteiten Als activiteit bedoeld in artikel 3.1. wordt aangewezen het verhandelen van goederen of diensten vanaf een standplaats.
Artikel 3.121 Organiseren van een snuffelmarkt 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te
organiseren. 2. Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. § 3.5.6 Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 3.122 Aanwijzing activiteiten 38/74
36
Als activiteit bedoeld in artikel 3.1. wordt aangewezen het plaatsen c.a van voorwerpen in openbaar water, het gebruiken of veranderen van openbaar water en waterstaatwerken, het innemen van ligplaats en het varen op de Otheense kreek. Artikel 3.123 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water
2.
3. 4. 5.
te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 3.124 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, of het Binnenvaartpolitiereglement. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5.
De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel 3.125 Varen op de Otheense kreek 1. Het is verboden op de Otheense kreek te varen vanuit of vanaf andere plaatsen dan de
jachthaven en de daarvoor bestemde steigers. 39/74
37
2. Het varen op de Otheense kreek is verboden tussen een half uur na zonsondergang tot
een half uur voor zonsopgang. 3. Het varen is verboden met vaartuigen, welke voorzien zijn van een motor met een vermogen van meer dan 5 PK; het is tevens verboden te varen met een snelheid van meer dan 12 km per uur. 4. Het is een ieder die op de Otheense kreek vaart verboden zich zodanig te gedragen dat de veiligheid van anderen in gevaar wordt gebracht. Artikel 3.126 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de
toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, of de provinciale omgevingsverordening. Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed § 3.6.1 Algemeen Artikel 3.127 Doel De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beheer en behoud van cultureel erfgoed dat van bijzonder belang is voor de gemeente Terneuzen vanwege de esthetische, cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. § 3.6.2 Beschermde gemeentelijke monumenten en voorbeschermde monumenten Artikel 3.128 Aanwijzing activiteiten Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1. worden aangewezen: 1. Het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument, of 2. Het herstellen of gebruiken van een beschermd gemeentelijk monument, of een voorbeschermd gemeentelijk monument, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht (§ 3.6.3). 3. Het uitvoeren van bodemverstorende werkzaamheden in een beschermd archeologisch monument (§ 3.6.4).
Artikel 3.129 Specifieke zorgplicht De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, in ieder geval in dat: a. alle maatregelen worden getroffen om beschadiging of vernieling van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument te voorkomen, en b. onderhoud wordt verricht voor de instandhouding van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument; c. Alle maatregelen worden getroffen om beschadiging of vernieling van een archeologisch monument te voorkomen.
40/74
38
§ 3.6.3 Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken Artikel 3.130 Instandhoudingbepaling en omgevingsvergunning 1. Het is verboden op, aan en/of bij een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1.1, en bijlage 1, te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3. Het tweede lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: • plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; • doen van begravingen of asbijzettingen, of • ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 4.
Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.131 De aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 16.55 van de Omgevingswet jo. artikel 2.19 van het Besluit bouwwerken leefomgeving voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.130 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden digitaal ingediend. Artikel 3.132 Termijnen advies 1. Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de commissie voor ruimtelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 6.2, voor advies. 2. Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de commissie ruimtelijke kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college. Artikel 3.133 Weigeringsgronden De omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het college rekening met het gebruik van het monument.
41/74
39
§ 3.6.4 Instandhouding van archeologische terreinen Artikel 3.134 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart of de gemeentelijke Vrijstellingenkaart 2017 totdat nieuw Archeologiebeleid is vastgesteld inclusief een nieuwe versie van de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart of de gemeentelijke Vrijstellingenkaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c.
u beschrijft hoe u rekening houdt met de cultuurhistorische waarden in het gebied of de mogelijke monumenten in de grond en in hoeverre u onevenredige schade aan archeologische waarden voorkomt of: met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Dit wordt gedaan op basis van de gemeentelijke Cultuurhistorische Waardenkaart (zie ook Bijlage 2: Cultuurhistorie), de diverse rapporten gepubliceerd binnen het kader van het project Leemten in Kennis, maar ook op basis van de diverse kaartlagen van de Provincie: de CHS van de Provincie Zeeland (o.a. kaartbladen Historische kaarten, Historisch landschap; Defensie; SSL -Staats Spaanse Linies- en Dijken; Dijken Zeeland en MIP-objecten), dienen nader bestudeerd te worden en beschrijvingen van de diverse kaartbladen dienen in de lopende tekst verder te worden verduidelijkt. Daarbij dient ook in de beschrijvende teksten verwezen te worden naar de projecties en de van toepassing zijnde legenda’s (zaken die niet in het plangebied voorkomen, komen daarmee ook niet voor in de legenda’s). d.
het een verstoring betreft van een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2, en het geen diepere verstoring betreft dan 0,50 m beneden maaiveld. Een archeologisch monument is een vastgestelde behoudenswaardige vindplaats, daarvoor geldt geen vrijstellingsruimte. e. in het geldend omgevingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; f. de gemeenteraad nadere beleidsregels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan, de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden;
42/74
40
g. een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag en haar archeoin voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: 1) het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd, of 2) de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad, of 3) in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2. Het college kan op basis van gevraagd advies van de archeologisch deskunduige nadere regels stellen over de noodzaak tot en de vorm van een archeologisch onderzoek. Dit geld voor de diverse onderzoeksstappen binnen de volledige Archeologische Monumentenzorg Cyclus (waaronder o.a. het goedkeuren van onderzoeksrapporten, plannen van aanpak en programma's van eisen). Artikel 3.135 Bodemverstorend Archeologisch onderzoek 1. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Terneuzen. onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het verrichten van werkzaamheden met als doel het opsporen of onderzoeken van monumenten, waardoor verstoring van de bodem optreedt (zoals bijvoorbeeld inventariserende veldonderzoeken middels proefsleuven, archeologische begeleidingen of opgravingen) in de zin van de Erfgoedwet, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: a.
het college een door de archeologisch deskundige goedgekeurd programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1.1 en bijlage 1, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek. b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1.1 en bijlage 1 van deze verordening ter goedkeuring aan het college en haar archeologisch deskundige te overleggen. 2. In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college en haar archeologisch deskundige in acht te worden genomen. 3. Om te kunnen beoordelen of een plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan haar archeologisch deskundige (Reguliere bestemmings/omgevingsplan wijzigingen en vergunningaanvragen worden getoetst door de gemeentelijke deskundigen (water, milieu, zo ook archeologie en cultuurhistorie, etc.). 4. Om te kunnen beoordelen of vergunningaanvragen tot sloop en/of wijzigen van rijks- en gemeentelijke monumenten en bijbehorende plannen van aanpak aan de programma’s van eisen en eventuele nadere regels voldoen vraagt het bevoegd gezag daarbij advies aan een deskundige als bedoeld in artikel 6.2. 5.
De opgravende instelling moet gecertificeerd zijn tot het verrichten van archeologisch onderzoek als bedoeld in artikelen 5.1. en volgende van de Erfgoedwet. Het Programma van Eisen voor bodem verstorend onderzoek moet voldoen aan de vigerende Protocollen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Artikel 3.136 Procedure De bepalingen uit artikel 3.131, 3.132 en 3.133 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen uit artikel 3.134, eerste lid, onder g, en artikel 3.135, eerste lid, onder b.
43/74
41
Afdeling 3.7 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren § 3.7.1 Algemeen Artikel 3.137 Doel 1. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming. 2. De regels over het vellen van houtopstanden in paragraaf 3.7.2 zijn ook gesteld met het oog op: a. de instandhouding van het bosareaal in de gemeente Terneuzen; b. de leefbaarheid van gebieden, en c. de volgende waarden van houtopstanden: 1. de natuur- en milieuwaarde; 2. de landschappelijke waarde; 3. de cultuurhistorische waarde; 4. de dendrologische waarde; 5. de beeldbepalende waarde; 6. de stads- en dorpsschoon waarde. Artikel 3.138 Aanwijzing activiteiten Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het vellen van monumentale en waardevolle bomen, zoals opgenomen in de Waardevolle bomenlijst bedoeld in artikel 2.10 van deze verordening. § 3.7.2 Vellen van bomen Artikel 3.139 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de in artikel 2.10, lid 1 van deze verordening genoemde waardevolle bomenlijst. 2. In afwijking van artikel 3.11 van deze verordening, kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c.
de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand, of f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 3. Het verbod is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. 4. Het verbod onder lid 1 geldt niet voor: a. het vellen van een houtopstand dat is vereist op grond van de Plantenziektenwet of een bestuurlijke sanctie van het college; b. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vorm- en knotbomen; c. dunning op basis van een door college goedgekeurd beheerplan, van houtopstanden in eigendom van de gemeente, of
44/74
42
d. velling van dode of niet meer te herstellen houtopstand in eigendom van de gemeente, waarvan de toestand door een boomdeskundige is vastgesteld. 5. Het college kan een herplantplicht alsmede een instandhoudingsplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. Afdeling 3.8 Activiteiten met betrekking tot begraafplaatsen § 3.8.1. Algemeen Artikel 3.140 Aanwijzing activiteiten Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1. wordt aangewezen het maken van een grafkelder op een begraafplaats en het aanbrengen wijzigen en onderhouden van grafbedekking. § 3.8.2. Vergunningen grafkelder en grafbedekking en onderhoud Artikel 3.141 Grafkelder Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden. Artikel 3.142 Historische graven 1. Het college houdt een lijst bij van graven die van historische betekenis zijn of waarvan de 2.
3.
4. 5.
grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft. De oorlogsgravenstichting houdt een lijst bij met oorlogsgraven en geldt, met uitzondering van de oorlogsgraven waarvan nabestaanden over het recht beschikken, als rechthebbende van in deze lijst opgenomen graven. Het aanbrengen van wijzigingen aan grafbedekkingen die voorkomen op de lijst, genoemd in lid 1, is alleen toegestaan indien de belanghebbende beschikt over een omgevingsvergunning. Het college kan de vergunning uit lid 3 weigeren indien het van mening is dat daarmee de historische waarde van het grafmonument verminderd wordt. Derden kunnen voorafgaand aan ruimingen het college verzoeken om in contact gebracht te worden met nabestaanden van graven waarop een naar hun mening historisch waardevol grafmonument is geplaatst. Dit met als doel het grafmonument niet verloren te laten gaan
Afdeling 3.9 Activiteiten met betrekking tot het gebruik van woningen § 3.9.1 Algemeen Artikel 3.143 Doel De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de leefbaarheid en de vitaliteit en de beschikbare woningvoorraad in de gemeente Artikel 3.144 Aanwijzing activiteiten
45/74
43
Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1. van de verordening wordt aangewezen het in gebruik geven of nemen van een woonruimte, zonder dat de gebruiker van de woonruimte ingeschreven is in het persoonsregister van de gemeente (register als bedoeld in artikel 1.1. van de Wet basisregistratie personen). § 3.9.2. Gebruik woningen Artikel 3.145 Gebruiksverbod 2e woningen 1. Het is de rechthebbende op een woning verboden om zonder gebruiksvergunning van het college deze woning te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als tweede woning. 2. Onder het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken van een tot bewoning bestemd gebouw als tweede woning wordt in elk geval verstaan het beschikbaar hebben of houden van zodanig gebouw ten behoeve van zichzelf of van een ander, zonder dat hij of die ander zijn hoofdverblijf in dat gebouw heeft en er een redelijke termijn is verstreken, na welke het beschikbaar hebben of houden dan niet meer geacht kan worden te geschieden met het doel het gebouw te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als hoofdverblijf. 3. Als criterium voor de vaststelling of iemand zijn hoofdverblijf in een gebouw heeft, geldt, dat hij is opgenomen in het persoonsregister van de gemeente. Artikel 3.146 Uitzondering gebruiksverbod 1.
Het verbod, vervat in artikel 3.145, geldt niet ten aanzien van iemand die een woning als tweede woning in gebruik heeft op het tijdstip van het van kracht worden van deze verordening. 2. De uitzondering, genoemd onder lid 1, heeft een persoonlijk karakter. Voor een opvolgende bewoner geldt het verbod onverkort. 3. Het verbod geldt evenmin ten aanzien van de zakelijke gerechtigde die een woning verhuurt op het tijdstip van het van kracht worden van deze verordening. 4. De uitzondering, genoemd onder lid 3, heeft een persoonlijk karakter. Voor een rechtsopvolger, hetzij onder bijzondere, hetzij onder algemene titel, geldt het verbod onverkort. Artikel 3.147 Criteria vergunningverlening 1. Het college verleent de gebruiksvergunning, als bedoeld in artikel 145, lid 1, als naar zijn oordeel de woning niet geschikt is voor permanente bewoning en deze daartoe redelijkerwijs, tegen lonende kosten, niet geschikt te maken is. 2. Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden. 3. De vergunning heeft een persoonlijk karakter. Voor een rechtsopvolger, hetzij onder bijzondere titel, hetzij onder algemene titel, geldt het verbod, genoemd in artikel 145, onverkort. Artikel 3.148 Procedure beslistermijn en nadere regels 1. Het college beslist zoveel mogelijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2.
Het college kan nadere eisen en regels stellen omtrent de wijze waarop een vergunning kan worden aangevraagd en de gegevens, die daarbij door de aanvrager moeten worden overgelegd. 46/74
44
HOOfDSTUK 4 BEHEER EN ONDERHOUD Afdeling 4.1 Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen Gereserveerd Afdeling 4.2. Gedoogplichten Artikel 4.2 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk,
voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
47/74
45
HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE BEPALINGEN Afdeling 5.1 Wegslepen voertuigen Artikel 5.1 Kosten overbrengen en bewaren van voertuigen 1. De kosten van het overbrengen van een voertuig met een totaalmassa lager dan 3.500 kilogram naar de bewaarplaats bedragen: a. op werkdagen van 08.00 uur tot 18.00 uur € 242,00 excl. BTW; b. op werkdagen van 18.00 uur tot 08.00 uur € 284,00 excl. BTW; c. op feestdagen en in het weekend € 284,00 excl. BTW. 2. De kosten voor het onvolledig bergen van een voertuig met een totaalmassa lager dan 3.500 kilogram bedragen a. op werkdagen van 08.00 uur tot 18.00 uur € 194,00 excl. BTW; b. op werkdagen van 18.00 uur tot 08.00 uur € 227,00 excl. BTW; c. op feestdagen en in het weekend € 227,00 excl. BTW. 3. De kosten van het overbrengen van een voertuig met een totaalmassa hoger dan 3.500 kilo naar de bewaarplaats bedragen: a. op werkdagen van 08.00 uur tot 18.00 uur € 161,00 excl. BTW b. op werkdagen van 18.00 uur tot 08.00 uur € 214,00 excl. BTW; c. op feestdagen en in het weekend € 214,00 excl. BTW d. loze rit € 149,00 excl. BTW. 4. De bijkomende bergingskosten voor het overbrengen van een voertuig met een totaalmassa hoger dan 3.500 kilo bedragen a. op werkdagen van 08.00 uur tot 18.00 uur € 241,00 excl. BTW per uur; b. op werkdagen van 18.00 uur tot 08.00 uur € 281,00 excl. BTW per uur c. op feestdagen en in het weekend € 281,00 excl. BTW per uur. 5.
De kosten van het overbrengen van een snorscooter en bromscooter naar de bewaarplaats bedragen: a. op werkdagen van 08.00 uur tot 18.00 uur € 75,00 excl. BTW; b. op werkdagen van 18.00 uur tot 08.00 uur € 100,00 excl. BTW; c. op feestdagen en in het weekend € 100,00 excl. BTW; d. loze rit € 50,00 excl. BTW. 6. De kosten voor een loze rit bedragen a. Voor een voertuig met vier wielen € 149,00 excl. BTW; b. voor een voertuig op twee wielen (snorfiets, fiets, bromfiets) € 50,00 excl BTW 7. de kosten voor het bewaren van een voertuig per etmaal of een gedeelte daarvan bedragen a. voor een voertuig met een totaalmassa lager dan 3.500 kilo € 10,00 excl. BTW; b. voor een voertuig met een totaalmassa hoger dan 3.500 kilo € 50,00 excl. BTW. 8. Het tarief wordt jaarlijks per 1 januari, aangepast. Wijziging van de tarieven vindt plaats op basis van de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI) reeks alle huishoudens (2015=100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Het gewijzigde tarief wordt berekend volgens de formule: het gewijzigde tarief is gelijk aan het geldende tarief op de wijzigingsdatum, vermenigvuldigd met het indexcijfer van de kalendermaand die ligt vier kalendermaanden voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast, gedeeld door het indexcijfer van de kalendermaand die ligt zestien kalendermaanden voor de kalendermaand waarin het wordt aangepast. Het wordt niet gewijzigd indien een indexering van het tarief leidt tot een lager tarief.