2023-11-28 b. Algemene Plaatselijke Verordening 2024 - Raadsbesluit
Tekst van het document
RAADSBESLUIT
vergadering van: volgnummer:
14 december 2023 161916
onderwerp:
Algemene Plaatselijke Verordening 2024
voorstel van: portefeuillehouder: datum voorstel: programma: afdeling:
College van Burgemeester en Wethouders H.J.A. van Merrienboer 17 oktober 2023 Veiligheid en Openbare Orde Middelen
De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 17 oktober 2023; gelet op gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; besluit: Vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening 2024 (citeertitel: APV Terneuzen 2024); Artikel I De APV wordt vastgesteld als bijgevoegd. Artikel II Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2024.
Besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Terneuzen op 14 december 2023. Griffier (plv.)
Voorzitter
ing. N.M.J. Jansen-Geerinckx
H.J.A. van Merrienboer
.
ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING TERNEUZEN 2024
1
Inhoudsopgave pagina HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1:1 Artikel 1:2 Artikel 1:3 Artikel 1:4 Artikel 1:5 Artikel 1:6 Artikel 1:7 Artikel 1:8
Definities Beslistermijn (Vervallen) Voorschriften en beperkingen Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Termijnen Weigeringsgronden
HOOFDSTUK 2
OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU
Afdeling 1 Artikel 2:1 Artikel 2:1A Artikel 2:2 Artikel 2:3 Artikel 2:4 Artikel 2:5 Artikel 2:6
Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Samenscholing en ongeregeldheden Vechten (Vervallen) Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen (Vervallen) (Vervallen) Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (Vervallen) (Vervallen) (Vervallen)
10 10 10 10
Artikel 2:10 Artikel 2:11 Artikel 2:12 Artikel 2:13 Artikel 2:14 Artikel 2:15 Artikel 2:16 Artikel 2:17 Artikel 2:18 Artikel 2:19 Artikel 2:20 Artikel 2:21 Artikel 2:22 Artikel 2:23 Artikel 2:23A
Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen (Vervallen, naar VFL) (Vervallen, naar VFL) (Vervallen, naar VFL) (Vervallen) (Vervallen, naar VFL) (Vervallen, naar VFL) (Vervallen, naar VFL) (Vervallen) Rookverbod in bossen en natuurterreinen (Vervallen) (Vervallen) (Vervallen, naar VFL) (Vervallen) Veiligheid op het ijs Nachtverblijf op de weg en in voertuigen
10 10 10 10 10 10 10 10 10 11 11 11 11 11 11
Afdeling 3 Artikel 2:24 Artikel 2:24A Artikel 2:25 Artikel 2:26
Evenementen Definities Categorieën evenementen Evenementenvergunning Ordeverstoring
11 12 12 13
Artikel 2:7 Artikel 2:8 Artikel 2:9 Afdeling 2
7 7 7 7 8 8 8 8
8 9 9 9 9 9
2
Afdeling 4 Artikel 2:27 Artikel 2:28 Artikel 2:29 Artikel 2:29A Artikel 2:29B Artikel 2:29C Artikel 2:30 Artikel 2:31 Artikel 2:32 Artikel 2:33
Toezicht op openbare inrichtingen Definitie Exploitatie openbare inrichting Sluitingstijden natte horeca Sluitingstijden droge horeca Sluitingstijden tijdens carnaval Sluitingstijden terrassen Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Verboden gedragingen Handel binnen openbare inrichtingen Het college als bevoegd bestuursorgaan
13 13 14 14 15 15 15 15 15 16
Afdeling 5
Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet Definities Schenktijden paracommerciële rechtspersonen Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven (Vervallen) (Vervallen) Verbod happy hours Sterke drank
16 16 16 16 16 16 16 17
Artikel 2:35 Artikel 2:36 Artikel 2:37 Artikel 2:38
Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Definitie Kennisgeving exploitatie Nachtregister Verschaffing gegevens nachtregister
17 17 17 17
Afdeling 7
Vervallen
Afdeling 8
Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Betreden gesloten woning of lokaal Plakken en kladden (Vervallen) Vervoer inbrekerswerktuigen Vervoer geprepareerde voorwerpen (Vervallen) (Vervallen) Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Verboden drankgebruik Verboden lachgasgebruik Verboden gedrag bij of in gebouwen Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Messen en andere voorwerpen als steekwapen te gebruiken Neerzetten van fietsen of bromfietsen Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Bespieden van personen (Vervallen) (Vervallen) (Vervallen)
Artikel 2:34 Artikel 2:34a Artikel 2:34b Artikel 2:34c Artikel 2:34d Artikel 2:34e Artikel 2:34f Artikel 2:34g Afdeling 6
Artikel 2:41 Artikel 2:42 Artikel 2:43 Artikel 2:44 Artikel 2:44A Artikel 2:45 Artikel 2:46 Artikel 2:47 Artikel 2:48 Artikel 2:48A Artikel 2:49 Artikel 2:50 Artikel 2:50A Artikel 2:51 Artikel 2:52 Artikel 2:53 Artikel 2:54 Artikel 2:55 Artikel 2:56
17 18 18 18 18 18 18 18 19 19 19 19 20 20 20 20 20 20 20
3
Artikel 2:57 Artikel 2:58 Artikel 2:59 Artikel 2:59A Artikel 2:60 Artikel 2:61 Artikel 2:62 Artikel 2:63 Artikel 2:64 Artikel 2:65
Loslopende honden (Vervallen, naar VFL) Gevaarlijke honden Gevaarlijke honden op eigen terrein Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Bestrijding overlast gevende uitheemse invasieve planten Loslopend vee (Vervallen) Bijen Bedelarij
Afdeling 9 Artikel 2:66 Artikel 2:67 Artikel 2:68
Bestrijding van heling van goederen Definitie Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht (Vervallen) (Vervallen)
Artikel 2:69 Artikel 2:70 Afdeling 10 Artikel 2:71 Artikel 2:72 Artikel 2:73
20 21 21 21 21 22 22 22 22 23
23 23 23 23 23
Artikel 2:73A
Consumentenvuurwerk Definitie (Vervallen) Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Carbid schieten
Afdeling 11 Artikel 2:74 Artikel 2:74A Artikel 2:74B Artikel 2:74C
Drugsoverlast Drugshandel op straat Verzamelingen van personen in verband met drugs Openlijk drugsgebruik Weggooien van spuiten e.d.
25 25 25 25
Afdeling 12 Artikel 2:75 Artikel 2:76 Artikel 2:77 Artikel 2:78 Artikel 2:79
Bestuurlijke bevoegdheden van de burgemeester Bestuurlijke ophouding Veiligheidsrisicogebieden Cameratoezicht op openbare plaatsen Gebiedsontzeggingen Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
25 25 25 25 26
HOOFDSTUK 3
REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN
Afdeling 1 Artikel 3:1 Artikel 3:2 Artikel 3:3
Algemene bepalingen Afbakening Definities Nadere regels
26 26 27
Afdeling 2 Artikel 3:4 Artikel 3:5 Artikel 3:6 Artikel 3:7 Artikel 3:8 Artikel 3:9 Artikel 3:10
Vergunning seksinrichting en escortbedrijf Vergunning Concentratie seksinrichtingen Beperking aantal vergunningen Weigeringsgronden Eisen met betrekking tot vergunning Intrekkingsgronden Wijziging beheer
27 28 28 28 29 29 30
24 24 24 24
4
Afdeling 3
Uitoefenen seksinrichting
Paragraaf 3.1 Artikel 3:11 Artikel 3:12
Regels voor sekinrichtingen Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang Adverteren
Paragraaf 3.2 Artikel 3:13 Artikel 3:14
Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees Leeftijd en verblijfstitel prostituees Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder Prostitutiebedrijf
Paragraaf 3.3 Artikel 3:15 Artikel 3:16
Raam- en straatprostitutie Raamprostitutie Straatprostitutie
31 32
Afdeling 4 Artikel 3:17
Overige bepalingen Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotischPornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
32
30 31
31 31
HOOFDSTUK 4
BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
Afdeling 1
Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting (Vervallen, naar VFL)
32
Afdeling 2 Artikel 4:7 t/m Artikel 4:9
Bodem-, weg- en milieuverontreiniging (Vervallen, naar VFL)
33
Afdeling 3 Artikel 4:10 t/m Artikel 4:12
Het bewaren van houtopstanden (Vervallen, naar VFL)
33
Afdeling 4 Artikel 4:13 Artikel 4:14 Artikel 4:15 Artikel 4:16
Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen e.d. (Vervallen, naar VFL) Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (Vervallen)
33 33 34 34
Afdeling 5 Artikel 4:17 t/m Artikel 4:19
Kamperen buiten kampeerterreinen (Vervallen, naar VFL)
34
HOOFDSTUK 5
ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
Afdeling 1 Artikel 5:1 t/m Artikel 5:12
Parkeerexcessen (Vervallen, naar VFL)
Artikel 4:1 t/m Artikel 4:6A
34
5
Afdeling 2 Artikel 5:13
Collecteren Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving
Afdeling 3 Artikel 5:14 Artikel 5:15 Artikel 5:16
Venten Definitie Ventverbod (Vervallen)
35 36 36
Afdeling 4 Artikel 5:17 t/m Artikel 5:21
Standplaatsen (Vervallen, naar VFL)
36
Afdeling 5 Artikel 5:22 t/m Artikel 5:23
Snuffelmarkten (Vervallen, naar VFL)
36
Afdeling 6 Artikel 5:24 Artikel 5:25 Artikel 5:26 Artikel 5:27 Artikel 5:27A Artikel 5:28 Artikel 5:29 Artikel 5:30 Artikel 5:30A Artikel 5:31 Artikel 5:31A
Openbaar water en waterstaatswerken (Vervallen, naar VFL) (Vervallen, naar VFL) (Vervallen) (Vervallen) (Vervallen, naar VFL) Beschadigen van waterstaatswerken Reddingsmiddelen Veiligheid op het water Verbod gebruik waterscooters Overlast aan vaartuigen Sportvisserij e.d.
36 36 36 37 37 37 37 37 37 37 37
Afdeling 7 Artikel 5:32 Artikel 5:33
Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Crossterreinen Beperking verkeer in natuurgebieden
37 38
Afdeling 8 Artikel 5:34
Vuurverbod (Vervallen, naar VFL)
38
Afdeling 9 Artikel 5:35 Artikel 5:36 Artikel 5:37
Verstrooiing Definitie Verboden plaatsen Hinder of overlast
39 39 39
HOOFDSTUK 6
SANCTIE-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 6:1 Artikel 6:2 Artikel 6:3 Artikel 6:4 Artikel 6:5 Artikel 6:6 Artikel 6:7
Sanctiebepaling Toezichthouders Binnentreden woningen Intrekking oude verordening Overgangsbepaling Inwerkingtreding Citeertitel
35
39 39 39 39 40 40 40
6
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk
recht; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. 4. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in de artikelen 2:24A en 3:4 eerste en tweede lid. Artikel 1:3 (Vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
7
2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing van op een omgevingsvergunning. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:7 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
8
1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2:1A Vechten Onverminderd het bepaalde in de artikelen 141 en 300 t/m 304 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats te vechten. Artikel 2:2 (Vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel 2:4
9
(Vervallen) Artikel 2:5 (Vervallen) Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:7 (Vervallen) Artikel 2:8 (Vervallen) Artikel 2:9 (Vervallen)
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg (Vervallen, naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (Vervallen, naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg (Vervallen, naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:13 (Vervallen) Artikel 2:14 Winkelwagentjes (Vervallen, naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (Vervallen, naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke (Vervallen, naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:17 (Vervallen) Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
10
1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:19 (Vervallen) Artikel 2:20 (Vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting (Vervallen, naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:22 (Vervallen) Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. c. zich zonder noodzaak op onbetrouwbaar of drijvend ijs te begeven of te bevinden. 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. Artikel 2:23A Nachtverblijf op de weg en in voertuigen Het is verboden op de weg, al dan niet in een voertuig –niet zijnde een kampeermiddel als vermeld in artikel 1.1. van de Verordening Fysieke Leefomgeving – te overnachten dan wel een dergelijk voertuig op de weg te plaatsen met het kennelijk doel die als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden.
Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 1.1. van de Verordening Fysieke Leefomgeving; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
11
d. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue. Artikel 2:24A Categorieën evenementen 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. klein evenement: een evenement als bedoeld in artikel 2:24 dat maximaal één dag duurt èn geen versterkte muziek heeft na 23.00 uur èn een lokale uitstraling heeft èn waarbij geen doorgaande wegen worden afgesloten èn dat uit milieu- of natuurbeschermingsoogpunt geen bezwaar zal vormen; b. een middelgroot evenement: een evenement als bedoeld in artikel 2:24 dat een bovenlokale uitstraling heeft òf versterkte muziek in de avond- en nachtperiode (na 23.00 uur) òf nadere verkeersmaatregelen vergt òf (naar het oordeel van de burgemeester) enige hinder of overlast veroorzaakt of nadere aandacht vergt van politie of brandweer; c.
een groot evenement: een evenement als bedoeld in artikel 2:24 dat een (boven-) regionale uitstraling heeft òf (naar het oordeel van de burgemeester) extra hinder of overlast zal opleveren voor de omgeving òf risico inhoudt op aantasting van de openbare orde en waarbij inzetbaarheid van politie, brandweer of Geneeskundige Hulpverlening Organisatie in de regio (GHOR) noodzakelijk is. d. organisator: de natuurlijke of rechtspersoon die een grootschalig evenement in de zin van dit artikel organiseert, dan wel als eerstverantwoordelijke aan de organisatie leiding geeft. 2. Onverminderd het in artikel 2:25 bepaalde is de organisator van een middelgroot of groot evenement in enig jaar verplicht voor 1 november van het daaraan voorafgaande jaar het evenement aan te melden bij de burgemeester. 3. Voor middelgrote en grote evenementen moet de vergunning tenminste twaalf weken voor de datum waarop het evenement zal plaatsvinden worden aangevraagd. Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. 4. De burgemeester kan beleidsregels stellen in verband met het organiseren van evenementen en nadere voorschriften verbinden aan de vergunning voor het evenement. 5. Onverminderd het bepaalde in lid 4 kan voor een klein evenement artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen van toepassing zijn. Indien dit het geval is, moet een melding op grond van dit artikel worden ingediend.
12
6. De vergunningplicht geldt niet voor een klein evenement. 7. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3. Onder natte horeca wordt verstaan: alle openbare inrichtingen, waarvoor een vergunning is vereist op grond van de Alcoholwet en waarin uitsluitend of in hoofdzaak bedrijfsmatig alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt. 4.
Onder droge horeca wordt verstaan: alle openbare inrichtingen, waarvoor een vergunning is vereist op grond van de Verordening op het verstrekken van alcoholvrije dranken en eetwaren en waarin uitsluitend of in hoofdzaak bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse en/of eetwaren worden verstrekt. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is, de leeftijd van 21 jaren nog niet heeft bereikt als het een openbare inrichting betreft waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht of de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt als het een openbare inrichting betreft waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht. 4. De burgemeester kan nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in dit artikel en in artikel 1:8 waarbij hij: a.
in afwijking van het derde lid onder a kan bepalen dat de weigeringsgronden uit artikel 1:8 ook van toepassing blijven; en
13
b. kan bepalen dat naast de exploitant en leidinggevende ook het personeel moet voldoen aan eisen omtrent slecht levensgedrag en integriteitsbeoordeling. 5. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of –restaurant; of e. paracommerciële horecabedrijven; of f. hotels en bed- en breakfast bedrijven. 6. Op de aanvraag om een vergunning of vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:29 Sluitingstijd natte horeca 1. Het is de houder van een openbare inrichting, waarvoor op grond van artikel 3 van de Alcoholwet een vergunning is vereist, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben of daar bezoekers te laten verblijven tussen 04.00 en 07.00 uur. 2. Het is de houder van een openbare inrichting, als bedoeld in het eerste lid, verboden bezoekers in de inrichting toe te laten tussen 03.00 en 07.00 uur. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van verbod in lid 1 en 2 voor de nachten van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag tot 05.00 uur met dien verstande dat bezoekers mogen worden toegelaten tot 04.30 uur. 4.
Aan een ontheffing als bedoeld in lid 3 worden in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden: a. vanaf 23.00 uur of, als het openingstijdstip later ligt, vanaf openingstijd tot een half uur na sluitingstijd dient er een portier aanwezig te zijn, die voldoet aan de eisen van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties (Wet Pbor); b. om 04.30 uur moeten de lichten aan, de muziek moet uit en worden er geen consumpties meer verstrekt. 5. Het verbod in het eerste en tweede lid is niet van toepassing in de nacht van oud- op nieuwjaar. 6. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is voorzien. 7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:29A Sluitingstijd droge horeca 1. Het is de houder van een openbare inrichting, waarvoor op grond van de Verordening op het verstrekken van alcoholvrije dranken en eetwaren een vergunning is vereist, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben of daar bezoekers te laten verblijven tussen 23.00 en 07.00 uur. 2. De burgemeester kan in de exploitatievergunning bepalen dat afwijkende sluitingstijden gelden.
14
3. Het verbod in lid 1 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gebaseerde voorschriften. Artikel 2:29B Sluitingstijden tijdens carnaval 1. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 2:29 en 2:29A is de houder van een openbare inrichting in de bebouwde kom van Sas van Gent en in overige door de burgemeester aan te wijzen gebieden verboden de inrichting van vrijdag tot en met woensdag waarop carnaval wordt gevierd van 01.00 tot 07.00 uur voor het publiek geopend te hebben of daarin één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het de houder van een openbare inrichting in door de burgemeester aan te wijzen gebieden en op door de burgemeester aan te wijzen dagen verboden de inrichting van 01.00 tot 07.00 uur voor het publiek geopend te hebben of daarin één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is voorzien. Artikel 2:29C Sluitingstijd terrassen In afwijking van het bepaalde in de artikelen 2:29 en 2:29A is het verboden terrassen geopend te hebben: a.
van 1 oktober tot 1 april in de nacht van vrijdag op zaterdag en in de nacht van zaterdag op zondag van 01.00 tot 08.00 uur; b. van 1 april tot 1 oktober in de nacht van vrijdag op zaterdag en in de nacht van zaterdag op zondag van 02.30 uur tot 08.00 uur; c. in de overige nachten van 00.00 tot 08.00 uur. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 en 2:29A geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:29, 2:29A, 2:29B of artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
15
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel 2:34 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecabedrijf; - horecalokaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon; - sterke drank; - slijtersbedrijf; - zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel 2:34a Schenktijden paracommerciële rechtspersonen Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met één uur voor aanvang en eindigende met twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon. Artikel 2:34b Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging.
Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank. Artikel 2:34d (Vervallen) Artikel 2:34e (Vervallen) Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
16
Artikel 2:34g Sterke drank Het is verboden in een paracommerciële inrichting van sportieve of educatieve aard sterke drank te verstrekken.
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 Nachtregister 1. De houder van een inrichting is verplicht een register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden, dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model. 2. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze. 3. Het nachtregister wordt ter beschikking gesteld aan de hulpdiensten. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 (Vervallen) Artikel 2:40 (Vervallen)
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
17
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak alsmede glasbakken, afval-, bouw-, plastic- en kledingcontainers die vanaf die plaats zichtbaar zijn te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak of op glasbakken, afval-, bouw-, plastic- en kledingcontainers die vanaf die plaats zichtbaar zijn: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke (Vervallen) Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel 2:44A Vervoer geprepareerde voorwerpen 1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. 2. Het verbod geldt niet indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de bedoelde handelingen. Artikel 2:45 (Vervallen) Artikel 2:46 (Vervallen) Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats:
18
a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes, drinkglazen en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel 2:48A Verboden lachgasgebruik 1.
Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages, rijwielstallingen en winkelcentra.
19
Artikel 2:50A Messen en steekwapen 1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen, met inbegrip van de daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere voorwerpen, die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat deze niet voor direct gebruik kunnen worden aangewend. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2:53 Bespieden van personen 1.
Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden. 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden. Artikel 2:54 (Vervallen) Artikel 2:55 (Vervallen) Artikel 2:56 (Vervallen) Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale
20
hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden (Vervallen, naar Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel 2:59A Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.
Het is verboden, ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid, in de bebouwde kom en op andere door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, pluimvee, hoefdieren en eventueel andere door het college aan te wijzen dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
21
c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan waarvoor ingevolge lid 3 ontheffing is verleend; 2. Het verbod geldt niet voor pluimvee als dit tussen zonsondergang en 07.00 uur wordt opgehokt. 3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid. 4. Onverminderd het bepaalde in de voorgaande leden moet degene die de zorg heeft over een dier voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidshinder of anderszins hinder veroorzaakt. 5. Het in de voorgaande leden bepaalde geldt niet: a. voor dierenweiden, kinderboerderijen en dergelijke openbare plaatsen binnen woonwijken of delen daarvan waar met het oog op het woon- en leefklimaat dieren worden gehouden; b. op locaties waarvoor door het college vergunning is verleend voor het houden van een circusvoorstelling, een week voor en een week na die voorstelling; c. op andere door het college aangewezen plaatsen. Artikel 2:61 Bestrijding overlastgevende uitheemse invasieve planten Bepaalde planten kunnen overlast geven of een gevaar vormen voor mens en dier. Als er overlast of gevaar kan ontstaan is de rechthebbende van de gronden waarop deze planten staan verplicht deze planten te beheersen zodat ze geen overlast veroorzaken voor of uitgroeien naar aangrenzende percelen.
Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2:63 (Vervallen) Artikel 2:64 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
22
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1o.
dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2o. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; 3o. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4o. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf werkdagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel 2:69 (Vervallen) Artikel 2:70 (Vervallen)
23
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Artikel 2:72 (Vervallen) Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:73A Carbid schieten 1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden op zodanige wijze dat gevaar, schade of hinder voor de omgeving kan worden veroorzaakt. 2. Het verbod gesteld in het eerste lid geldt niet als: a.
gebruik wordt gemaakt van melkbussen en/of dergelijke voorwerpen met een maximale omvang van 30 liter, met gebruikmaking van acetyleengas afkomstig van reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen; b. het gebruik plaatsvindt op 31 december van 12.00 tot 18.00 uur; en c. hiervan tenminste 14 dagen voorafgaand aan de datum van gebruik melding is gedaan aan het college; en d. de melding vergezeld is van een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein van waaraf geschoten wordt; en e. de melding tevens is voorzien van een kaart waarop de betreffende locatie is ingetekend; en f. de plaats vanwaar geschoten wordt is gelegen buiten de bebouwde kom: op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing èn op een afstand van tenminste 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg èn op afstand van tenminste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren èn wordt geschoten in een richting die tegengesteld is aan de richting waarin dichtbij woonbebouwing is gelegen en het vrij schootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen verharde openbare wegen of paden liggen. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu nadere regels vaststellen. 4.
het college kan ter voorkoming van gevaar, schade, of overlast in het belang van de natuurbescherming plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in het tweede lid niet van toepassing is. 5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, Wet wapens en munitie,
24
Wet milieugevaarlijke stoffen, Wet vervoer gevaarlijke stoffen, Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Afdeling 11. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:74A Verzamelingen van personen in verband met drugs 1. het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen als deze verzameling van personen verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in de middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet. 2. Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen. Artikel 2:74B Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Artikel 2:74C Weggooien van spuiten e.d.
Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijk doel om afstand van het voorwerp te doen.
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:26, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:50A, 2:73 of 5:34 van deze verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de
25
veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.