2023-05-24 a. Vaststellen ongewijzigd bestemmingsplan Buitengebied, Zelzaetseweg 10 - Zuiddorpe - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen, provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke behandelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan Natuurwetgeving Naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling aan de Zelzaetseweg 10 te Zuiddorpe heeft Aeres Milieu B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Het doel van de quickscan is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. Per onderwerp worden de mogelijke effecten beschreven. Het onderdeel houtopstanden is niet meegenomen omdat er met het planvoornemen geen houtopstanden worden gekapt. Natura 2000 De plannen zullen waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben.
Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename verwacht wordt, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb. De stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden is verder in deze paragraaf (onder ‘Stikstofdepositie’) nader uitgewerkt. Natuurnetwerk Nederland De plannen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNN. Er zijn geen negatieve effecten op het NNN te verwachten, op dit punt zijn er geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Zeeland een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen: foerageergebied en vliegroutes De bomen in het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Wanneer er bomen worden gekapt gaat er mogelijk een deel van een vaste vliegroute of foerageergebied verloren, er zijn echter voldoende bomen in de directe omgeving die alternatieve geleiding bieden, een eventueel aanwezige vliegroute zal hierdoor niet noemenswaardig worden aangetast. Het is voor vleermuizen aan te bevelen inlandse
NL.IMRO.0715.BPBG76-VG01
60/183
Buitengebied, Zelzaetseweg 10
|30
loofboomsoorten waar mogelijk te behouden, zij vormen een geschikte voedselbron voor insecten, die vervolgens weer als voedsel voor vleermuizen kunnen dienen. Wezel In het plangebied komt mogelijk de wezel voor, deze soort is in de provincie Zeeland niet vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkeling. Conform Bouwens (2017) hoeven plangebieden kleiner dan één hectare niet nader te worden onderzocht op het voorkomen van kleine marterachtigen. Het plangebied is minder dan één hectare groot, er dient dus geen nader onderzoek naar de aanwezigheid van wezel en hermelijn plaats te vinden. Stikstofdepositie Met de uitspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. Het gaat hierbij om de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bebouwing. De emissies van de gebruiksfase worden nog wel in kaart gebracht en berekend.
De berekening voor de stikstofdepositie heeft betrekking op de sloop- en bouwwerkzaamheden, wonen en werken en het verkeersnetwerk aan de Zelzaetseweg 10 te Zuiddorpe. Uit de berekeningen (bijlage, Gemeente Terneuzen, 09 juni 2022) blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn – gedurende de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Nederlandse Natura 2000-gebieden zijn berekend. Een vergunning inzake de Wet Natuurbescherming (Wnb) is dus niet vereist. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.9
Verkeer en parkeren
Het planvoornemen heeft een gewijzigde verkeersgeneratie als gevolg. Hierdoor dient aangetoond te worden dat het omliggende wegennetwerk de nieuwe verkeersdruk kan verwerken. Daarnaast dient aangegeven te worden hoe omgegaan wordt met parkeren. Verkeer Het planvoornemen betreft het ontwikkelen van een collectieve woonvorm bestaande uit een bestaande woning, een nieuw te realiseren woning en een premantelzorgwoning. Ontsluiting Het perceel zal in de toekomstige situatie worden ontsloten via de Zelzaetseweg. De maximale snelheid is hier 60 km/u met ter plaatse een adviessnelheid van 30 km/uur. Verkeersintensiteiten In de bestaande situatie kent het plangebied woonbestemming. Daarmee heeft het plangebied geen verkeersaantrekkende werking. Met het planvoornemen wordt één nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd. De verkeersgeneratie behorende bij vrijstaande woningen in het buitengebied is volgens de CROW uitgave “Toekomstbestendig parkeren” minimaal 7,8 mvt/etmaal en maximaal 8,6 mvt/etmaal. De maximaal bijkomende verkeersgeneratie betreft 8,6 mvt/etmaal. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling niet leidt tot een significante wijziging van het aantal verkeersbewegingen.
NL.IMRO.0715.BPBG76-VG01
61/183
Buitengebied, Zelzaetseweg 10
|31
Parkeren Het parkeren is geregeld in de Parkeernota 2015-2020 van de gemeente Terneuzen. Voor de nieuwe woning geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per woning. Op eigen terrein is voldoende ruimte om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien.
5.10
Water
Inleiding Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer. Deze instantie is daarmee formeel de waterbeheerder. De waterparagraaf dient voorgelegd te worden aan de waterbeheerder. Op 7 oktober 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Terneuzen drie nieuwe verordeningen op het gebied van water- en rioolbeheer vastgesteld die vanaf 1 januari 2022 in werking treden. Dit om voor te bereiden op klimaatverandering en in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren. De drie vastgestelde verordeningen zijn: • Verordening rioolaansluiting en eenmalig aansluitrecht • Verordening afvoer hemel- en grondwater • Verordening waterbergingsfonds Verordening rioolaansluiting en eenmalig aansluitrecht De meeste gebouwen zijn aangesloten op het gemeentelijk riool.
In deze verordening is vastgelegd wie eigenaar is van welk deel van het riool. Dit is met name van belang bij verstoppingen. Ook biedt deze verordening de basis voor het verrekenen van aansluitkosten. Verordening afvoer hemel- en grondwater Door duurzaam om te gaan met regenwater wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan klimaatdoelstellingen. Met deze verordening kan in aangewezen gebieden verboden worden dat men regenwater in het vuilwaterriool loost. Deze verplichting gaat vooralsnog alleen gelden in het buitengebied. Daar is voldoende ruimte om het regenwater op eigen terrein te bergen of te laten infiltreren. In de toekomst kan deze verplichting ook in andere gebieden gaan gelden. Nieuwbouw De Verordening afvoer hemel- en grondwater heeft ook consequenties voor nieuwbouw. Bij nieuwbouw wordt verlangd dat zoveel mogelijk water op eigen terrein wordt verwerkt. Deze verordening verplicht dat men voorziet in een minimale waterberging. Het waterschap kan in aanvulling op de gemeentelijke eisen ook eisen stellen aan waterberging. Verordening waterbergingsfonds Het is zeer gewenst om een waterberging op eigen terrein te realiseren. Dit is echter niet altijd en overal mogelijk. Deze verordening biedt in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid om de verplichting tot het realiseren van een waterberging af te kopen, waardoor de gemeente de verplichting overneemt.
Huidige watersysteem Waterkeringen Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen. Binnen of nabij het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Oppervlaktewaterlichamen NL.IMRO.0715.BPBG76-VG01
62/183
Buitengebied, Zelzaetseweg 10
|32
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen. In het plangebied ligt een oppervlaktewaterlichaam. Deze is niet beschermd en derhalve niet van invloed op het planvoornemen. Ten noorden langs het plangebied ligt een secundaire watergang. De ontwikkeling van de collectieve woonvorm aan de Zelzaetseweg bevindt zich buiten de beschermingszone van de secundaire watergang.
Figuur 109 Uitsnede Legger Oppervlaktewaterlichamen (plangebied rood omlijnd)
Toekomstig watersysteem Nagegaan is aan de hand van de criteria uit de Handreiking watertoets van het waterschap Scheldestromen of de beoogde ontwikkeling strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
Binnen of nabij het plangebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. Vermeld de totale oppervlakken (in m2) van:
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
NL.IMRO.0715.BPBG76-VG01
63/183
Dakoppervlak dichte bodemverharding doorlatende bodemverharding wateroppervlak
huidige situatie
na realisatie
0
Ca. 240
1
0
Ca. 240
2
0
0
3
0
0
4
Uitleg dakoppervlak na realisatie: het plangebied krijgt een woning van circa 150 m2, waarbij een bijgebouw van circa 90 m2 mag worden gebouwd. Geschat is dat ter plaatse circa 240 m2 aan verhard Buitengebied, Zelzaetseweg 10
|33
oppervlak wordt gerealiseerd. Totaal komt dit neer op een toename van 480 m2 aan verhard oppervlak. De waterbergingsopgave wordt bepaald door het aantal m² verhard oppervlak dat op het oppervlaktewatersysteem (versneld) wordt afgevoerd. Indien de opgave wordt gerealiseerd in of in open verbinding met de naaste gelegen waterlopen geldt er een bergingsopgave van 75 mm/m² verhard oppervlak. De T=100 waterbergingshoogte is hierbij 0,70 m. Voor deze uitvoeringsvariant is een watervergunning benodigd.
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.
De waterbergingsopgave kan ook gerealiseerd worden door het hemelwater via de bodem af te voeren, al dan niet via een voorziening zoals een solitaire (infiltratie) vijver of een lager gelegen terreindeel. Omdat de grondwaterstanden en de infiltratiecapaciteit een (mogelijk) onzekere factor vormen en/of niet bekend zijn wordt geadviseerd om deze voorziening(en) worst-case te dimensioneren op de volledige tiendaagse norm T=100 neerslaggebeurtenis van 147 mm. De voorziening(en) worden aangelegd boven de (hoogste) grondwaterstanden. Daarnaast kan een combinatie van uitvoeringsmogelijkheden worden toegepast. Het huishoudelijk- en hemelwater kan worden afgevoerd op het aanwezige gemeentelijke afvalwaterriool. Het hemelwater kan worden geïnfiltreerd in de waterdoorlatende bodem en de oppervlaktewaterlichamen rondom het plangebied. Huishoudelijk afvalwater kan aangesloten worden op het bestaande drukrioleringssysteem. Met de gemeente dient één en ander te worden afgestemd. Volgens de Provinciale waterkansenkaart is er in het plangebied sprake van beperkte infiltratiemogelijkheden. Met betrekking tot de afvoer van het hemelwater wordt daarom rekening gehouden met de volledige tiendaagse norm T=100 neerslaggebeurtenis van 147 mm.
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Omdat de grondwaterstanden een (mogelijk) onzekere factor vormen en/of niet bekend zijn wordt geadviseerd om worst-case te dimensioneren op de volledige tiendaagse norm T=100 neerslaggebeurtenis van 147 mm. De (nieuwe) bebouwing wordt op hetzelfde peil gebouwd als de omliggende bebouwing. De ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van grondwater. Er worden geen uitloogbare bouwmaterialen gebruikt.
NL.IMRO.0715.BPBG76-VG01
64/183
Buitengebied, Zelzaetseweg 10
|34
Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied, natuurgebied of gebied voor drinkwatervoorziening. Zowel tijdens de bouwfase als tijdens de gebruiksfase worden geen uitloogbare materialen gebruikt. Er zijn geen nadelige gevolgen voor de grondwaterkwaliteit.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Het planvoornemen heeft geen invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit. Er worden geen uitloogbare bouwmaterialen gebruikt.
Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
De waterlopen langs het plangebied hebben een beperkte waterdiepte (bij het zomerstreefpeil is deze <0,50 m). Het verdrinkingsgevaar is hierdoor gering maar niet afwezig. Bij de planuitwerking wordt met dit aspect rekening gehouden.
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Volgens de Waterkansenkaart van de Provincie is het plangebied sterk zettingsgevoelig. Dit is een aandachtspunt in de planuitwerking.
Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.
Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Scheepvaart en/of wegbeheer Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap.
In de directe omgeving van het plangebied is geen natte natuur aanwezig. Het planvoornemen heeft hier dus geen invloed op. Langs de aanliggende waterlopen geldt een beschermingszone (Keur watersysteem) in het plangebied van 7 m uit de insteek van de betreffende waterloop. Bij de inrichting van het plangebied dient rekening te worden gehouden met een obstakel vrije onderhoudsstrook van 7 m uit de insteek. Verder geldt er een ontvangst- en opruimplicht van de bij het onderhoud vrijkomende stoffen zoals maaisel en baggerspecie.
Met het planvoornemen vinden geen ingrepen plaats aan eigendommen van de waterbeheerder.
Met het planvoornemen wordt gebruik gemaakt van bestaande in-/uitritten.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen niet strijdig is met de waterdoelstelling.
NL.IMRO.0715.BPBG76-VG01
65/183
Buitengebied, Zelzaetseweg 10
|35
5.11
Vormvrije mer
Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten merplichtig zijn, of mer-beoordelingsplichtig. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarde opgenomen. Het bevoegd gezag moet bij dergelijke activiteiten, voor zover deze niet aan de drempelwaarde voldoen, nagaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling moeten hierbij in beschouwing genomen worden. Deze omstandigheden betreffen: • De kenmerken van het project; • De plaats van het project; • De kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie Gelet op de kenmerken van het plan, zoals de kleinschaligheid in vergelijking met de norm van de drempelwaarde, de plaats van het project en de kenmerken van potentiële effect, zal uitvoering van het plan niet leiden tot belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu. Dit blijkt ook uit de onderzoeken voor de verschillende milieuaspecten zoals die in voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk.
NL.IMRO.0715.BPBG76-VG01
66/183
Buitengebied, Zelzaetseweg 10
|36
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
De juridische aspecten bestaan uit een verbeelding en planregels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van juridische vertaling in planregels van de voor het plangebied gewenste functionele en stedenbouwkundige ontwikkeling. Bij het opstellen van de verbeelding en de planregels is uitgegaan van de bepalingen uit het Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
6.1
Verbeelding
Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.
6.2
Planregels
De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1.
2.
3.
4.
6.3
Inleidende bepalingen, dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel ‘Begrippen’ waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is ‘Wijze van meten’ waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. Bestemmingsregels, in dit hoofdstuk worden de op de kaart aangegeven bestemmingen nader verklaard. Hierin wordt onder andere bepaald de maximale bebouwingshoogte. De gehanteerde bestemmingen worden in de paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk verder uitgewerkt. Algemene regels, in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. De gehanteerde algemene regels worden nader toegelicht in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk. Overgangs- en slotregels, binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel wordt de officiële naam van het bestemmingplan genoemd, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.
Toelichting op de bestemmingen
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden een aantal in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.
NL.IMRO.0715.BPBG76-VG01
67/183
Buitengebied, Zelzaetseweg 10
|37
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen De op de verbeelding voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen met aanhuis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water. Per bouwvlak is ten hoogste één woning toegestaan, tenzij anders vermeld op de verbeelding. De verbeelding geeft het gewijzigde aantal wooneenheden (van 10 naar 11) weer. Gebouwen en overkappingen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Op de gronden met de aanduiding ‘erf’ mogen uitsluitend bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen worden zijnde, worden gebouwd. Gebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak gebouwd en per bouwvlak is ten hoogste één woning toegestaan. In dit artikel staan voor hoofdgebouwen met bijbehorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ook bouwregels over de maximale goot- en bouwhoogte. Artikel 3.5.2 Pre-Mantelzorg Het gebruiken van bijgebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van pre-mantelzorg is onder voorwaarden toegestaan; 1. Er is binnen 10 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan een zorgindicatie voor Mantelzorg 2.
Indien er geen zorgindicatie voor mantelzorg is, eindigt het gebruik ten behoeve van premantelzorg na 10 jaar (gerekend vanaf de datum van vaststelling bestemmingsplan); 3. De constructie van de pre-mantelzorgwoning is makkelijk verplaatsbaar en/ of afbreekbaar. Artikel 4 Waarde – Archeologie - 1 De op de verbeelding voor ‘Waarde – Archeologie – 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Voor ingrepen in een gebied groter dan 100 m² en dieper dan 0,5 m is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is een regel opgenomen die voorkomt dat een al verleende bouwvergunning meegenomen wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel zijn de regels ten aanzien van de algemene bouwregels, algemene bebouwingspercentages, bouwhoogtes en toegestane overschrijdingen door ondergeschikte bouwwerken opgenomen. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het strijdig gebruik. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van de mogelijkheden voor het afwijken van de regels.
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het wijzigen van een bestemming. Artikel 10 Overige regels In dit artikel is een regel opgenomen ten aanzien van andere wettelijke regelingen waarnaar wordt verwezen in het bestemmingsplan, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan.
NL.IMRO.0715.BPBG76-VG01
68/183
Buitengebied, Zelzaetseweg 10
|38
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken die afwijken van het bestemmingsplan op het moment dat dit bestemmingsplan inwerking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging hiervan is alleen toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot. Artikel 12 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Bestemmingsplan ‘Zuiddorpe, Zelzaetseweg 10’.
NL.IMRO.0715.BPBG76-VG01
69/183
Buitengebied, Zelzaetseweg 10
|39
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Bro dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen voor gronden waarop een aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. In artikel 6.2.1 Bro staat aangegeven wat onder een aangewezen bouwplan wordt verstaan. Het bestemmingsplan betreft een particulier initiatief op particulier terrein. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan te worden opgesteld. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In het kader van het zgn. 3.1.1 Bro wordt het ontwerpbestemmingsplan toegezonden naar bestuurlijke instanties, waarbij de gelegenheid is geboden om een reactie te geven op het plan ‘ontwerp bestemmingsplan Buitengebied, Zelzaetseweg 10 te Zuiddorpe’. Het ontwerpbestemmingsplan heeft 6 weken ter inzage gelegen (van 1 december 2022 tot en met 11 januari 2023). In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan samen met het besluit tot vaststelling opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen dit besluit beroep aantekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
NL.IMRO.0715.BPBG76-VG01
70/183
Buitengebied, Zelzaetseweg 10
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
71/183
BIJLAGE 1: VERKENNEND BODEMONDERZOEK
72/183
Verkennend bodemonderzoek Zelzaetseweg tussen nr. 10 en 12, Zuiddorpe
73/183
Verkennend bodemonderzoek Zelzaetseweg tussen nr. 10 en 12, Zuiddorpe Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum
: AM22365 : Definitief (versie 1) : 9 september 2022
Opdrachtgever
: Ordito Postbus 94 5126 ZH Gilze
Opgesteld door Paraaf
: BEd L. Koomen :
Gecontroleerd door Paraaf
: ing. J.M.G. Reuver :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
2001
Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform NEN 5740 en interpretatie aan de hand van de Leidraad Bodembescherming). Opgemerkt wordt dat bij een verkennend bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering en het nemen van een beperkt aantal monsters. De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond. Daarnaast blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van het bodemmateriaal voorkomen. Tot slot wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Het bovenstaande betekent dat Aeres Milieu op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het historisch onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
74/183
Pagina | 2 AM22365
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING..............................................................................................................................................................................................................4
2.
VOORONDERZOEK .............................................................................................................................................................................................5 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3.
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................5 Topografische beschrijving........................................................................................................................................................................5 Bewonings- en bebouwingsgeschiedenis ............................................................................................................................................6 Dossieronderzoek ..........................................................................................................................................................................................6 Bodemopbouw en geo(hydro)logie .........................................................................................................................................................7 Beschrijving van de onderzoekslocatie .................................................................................................................................................8 Asbest ................................................................................................................................................................................................................8
Bodemkwaliteitskaart ..................................................................................................................................................................................8 Onderzoekshypothese .................................................................................................................................................................................8 ONDERZOEKSSTRATEGIE ................................................................................................................................................................................9
3.1 3.2 4.
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................9 Onderzoeksstrategie ....................................................................................................................................................................................9 VELDWERKZAAMHEDEN ............................................................................................................................................................................... 10
4.1 4.2 4.3 5.
Algemeen ...................................................................................................................................................................................................... 10 Grondbemonstering ................................................................................................................................................................................... 10 Grondwatermonstername ........................................................................................................................................................................ 11 LABORATORIUMONDERZOEK..................................................................................................................................................................... 12
5.1 5.2 5.3 5.4 6.
Algemeen ...................................................................................................................................................................................................... 12 Grondmengmonsters ................................................................................................................................................................................. 12 Grondwatermonster ................................................................................................................................................................................... 13 Toetsing van de gestelde hypothese .................................................................................................................................................. 14 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................................................................................................... 15
Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8
Topografische en kadastrale overzichtskaart Foto’s onderzoekslocatie Situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten Boorprofielen Verklaring veldmedewerker Toetsingstabellen en analyserapport grond(meng)monster(s) Toetsingstabellen en analyserapport grondwatermonster(s) Omgevingsrapportage Zelzaetseweg tussen nr. 10 en 12 Zuiddorpe
75/183 Pagina | 3 AM22365
1. INLEIDING In opdracht van Ordito heeft Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Zelzaetseweg tussen nr. 10 en 12, Zuiddorpe
Gemeente
: Terneuzen
Kadastrale registratie
: Axel, sectie M, nr. 1023 (ged.)
Oppervlakte
: circa 2.700 m2
Huidig gebruik van de locatie
: braakliggend met groen
Toekomstig gebruik
: wonen met tuin
Dit bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5740. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel.
Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen hertontwikkeling van de onderzoekslocatie. Ter plaatse is woningbouw en een premantelzorgwoning voorzien.
Doel Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Het onderzoek is niet bedoeld om een exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven.
Onderzoek Aeres Milieu B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. In hoofdstuk 2 is het vooronderzoek en de daaruit volgende onderzoekshypothese beschreven. Naar aanleiding van de opgestelde hypothese wordt in hoofdstuk 3 de onderzoeksstrategie opgesteld. In hoofdstuk 4 worden de veldwerkzaamheden (grond-
en
grondwateronderzoek)
beschreven.
Hoofdstuk
5
beschrijft
de
laboratoriumwerkzaamheden
en
de
onderzoeksresultaten. Het rapport wordt afgesloten met hoofdstuk 6, waarin de conclusies en enkele aanbevelingen staan beschreven. Bemonstering en laboratoriumonderzoek vonden plaats in augustus 2022. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de protocollen van de BRL SIKB 2000. De chemische analyses zijn uitgevoerd door Eurofins Analytico B.V. te Barneveld. Eurofins Analytico B.V. is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025. Alle analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatie Schema 3000 (AS3000).
76/183 Pagina | 4 AM22365
2. VOORONDERZOEK 2.1
Inleiding
Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn opgenomen in voorliggend hoofdstuk. De in paragraaf 2.1 t/m 2.6 opgenomen informatie is afkomstig van/uit: •
de opdrachtgever;
•
het kadaster;
•
topotijdreis.nl;
•
het dinoloket;
•
gemeente Terneuzen;
•
provincie Zeeland;
•
terreininspectie.
In principe richt het vooronderzoek zich op alle percelen waarop het onderzoek betrekking heeft én de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel smal (< 10 m breed) is, worden ook de percelen hier weer aan grenzend meegenomen. Indien de aangrenzende percelen groot zijn, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de bodemonderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij er aanleiding bestaat toch het gehele perceel te onderzoeken.
2.2
Topografische beschrijving
De onderzoekslocatie ligt aan de Zelzaetseweg tussen nr. 10 en 12 te Zuiddorpe, gemeente Terneuzen. Kadastraal is de locatie bekend als Axel, sectie M, nr. 1023 (ged.). De coördinaten volgens het R.D. stelsel zijn X = 049.118/ Y = 359.730. Zie bijlage 1 voor een topografische en kadastrale kaart. Op onderstaande luchtfoto is de globale begrenzing van de onderzoekslocatie weergegeven.
Afbeelding 1: globale begrenzing onderzoekslocatie (bron luchtfoto: PDOKViewer) 77/183 Pagina | 5 AM22365
2.3
Bewonings- en bebouwingsgeschiedenis
In het kader van het vooronderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Uit kaartmateriaal van de geraadpleegde historische kaarten is af te leiden dat de onderzoekslocatie tot circa 1912 onbebouwd was. Op de kaart uit 1912 is op de westelijke helft een gebouw aanwezig. Op de kaart uit 1951 is zichtbaar dat deze bebouwing niet meer aanwezig is. In 1951 staan ook enkele woningen ten westen en ten oosten van de locatie. Op de kaart uit 2009 is te zien dat er enkele bomen op de locatie staan. Deze situatie komt overeen met de huidige situatie.
1912
1951
1972
1997 1999 Afbeelding 2: geraadpleegde historische kaarten (bron kaarten: topotijdreis.nl)
2.4
2009-2021
Dossieronderzoek
Voor het verkrijgen van historische informatie van de onderzoekslocatie is op 14 juli 2022 een informatieverzoek ingediend bij de gemeente Terneuzen. Gevraagd is naar uitgevoerde bodemonderzoeken en/of bodemsaneringen, verleende hinderwetof milieuvergunningen, bouw- en/of sloopvergunningen, de aanwezigheid van onder- en/of bovengrondse brandstoftanks en gegevens over calamiteiten. Tevens is gevraagd of de locatie en de directe omgeving verdacht is op het voorkomen van verhoogde gehalten aan PFAS en/of GenX, of dat er ter plaatse bronlocaties bekend zijn voor PFAS of GenX. In het gemeentelijk archief waren echter geen, voor het verkennend bodemonderzoek relevante, bouw-, sloop- en milieuvergunning-dossiers beschikbaar.
78/183 Pagina | 6 AM22365
Via de website van de gemeente Terneuzen is bodeminformatie gedownload van de locatie en directe omgeving. De bodemrapportage is opgenomen in bijlage 8. Op de locatie zijn niet eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. Oostelijk van de locatie op 100 meter afstand is het in tabel 2.1 weergegeven bodemonderzoek uitgevoerd. Kenmerk
Bijzonderheden
Inventarisatie voormalige
Gelegen ten oosten van de onderzoekslocatie (op een afstand groter dan 25 meter).
stortplaatsen Zeeland,
Aanleiding voor het onderzoek is het inschatten van de huidige en toekomstige risico’s van de
gemeente Axel, stortplaats
stortplaats.
Zelzaetseweg, Iwaco B.V.,
Conclusies:
kenmerk: ZE/015/904,
De huidige en toekomstige risico's op de stortplaats Zelzaetseweg te Axel worden verhoogd ingeschat
Deelrapport 3341410,
voor de afdeklaag. Het somrisico van deze stortplaats is 3.1.
d.d.: 01-10-1997
Aanbevelingen: Voor deze stortplaats worden de volgende maatregelen concreet aanbevolen: - de eigenaar/gebruiker op de hoogte stellen van de risico's, - het aanbrengen van een voldoende dikke afdeklaag.
Tabel 2.1: Overzicht uitgevoerd bodemonderzoek
Op de locatie heeft, voor zover bekend, geen bovengrondse of ondergrondse opslag van oliehoudende producten plaatsgevonden. Er is geen informatie bekend dat op de locatie of directe omgeving (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden die een potentiële bron zijn voor PFAS en/of GenX. Op de bodemkwaliteitskaart PFAS valt de locatie in de zone PFAS ZeeuwsVlaanderen. De gemiddelde bodemkwaliteit voor PFAS voldoet aan de landelijke achtergrondwaarde (1,9 µg/kg voor PFOA en 1,4 µg/kg voor PFOS en de andere PFAS). Voor zover bekend hebben er op de locatie geen ophogingen, opvullingen of dempingen plaatsgevonden.
2.5
Bodemopbouw en geo(hydro)logie
De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.2. Diepte [m-mv]
Lithostratigrafie
Lithologie
0,0 – 0,2
Holocene afzettingen
Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand
2,0 – 10,0
Formatie van Boxtel
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
10,0 – 21,0
Formatie van Koewacht
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand en een weinig kleiig zand en grof zand
Tabel 2.2: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket identificatienummer B54G0034)
Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 2,2 meter +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal zuidelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 0,2 meter -NAP. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.
79/183 Pagina | 7 AM22365
2.6
Beschrijving van de onderzoekslocatie
Op 16 augustus 2022 is een veldinspectie uitgevoerd. Hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2. De noordoosthoek van de locatie bestaat uit braakliggend terrein met struiken (zie bijlage 2, foto 1, 2 en 3). In het midden van de oostzijde liggen wat plankjes en pannen tegen struiken (foto 4, 5). In de zuidoosthoek staat een caravan met platen, gaas en bakstenen (foto 7), voor het overige is het terrein eveneens braakliggend en begroeid met hier en daar struiken (foto 6, 8). Het midden van het terrein, vanuit het zuiden gezien en de zuidwesthoek en het midden bestaat uit braakliggend terrein met enkele bomen (foto 9, 10, 11, 12 en 15). De noordwesthoek bestaat ook uit braakliggend terrein (foto 13), langs de lange zijde groeien bomen (foto 14). Aan de westzijde van het terrein ligt een onverharde weg van circa 3 meter breed (foto 16 en 17). Er zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Tijdens de veldinspectie is op het terrein geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
De onderzoekslocatie wordt aan de noordzijde begrensd door braakliggend terrein met groen, aan de oostzijde door een woning met tuin aan de Zelzaetseweg nummer 10, aan de zuidzijde door de Zelzaetseweg en aan de westzijde door een woning met tuin aan de Zelzaetseweg nummer 12.
2.7
Asbest
Uit het dossieronderzoek en de uitgevoerde veldinspectie is geen informatie naar voren gekomen dat ter plaatse van de onderzoekslocatie asbestverdachte activiteiten hebben plaatsgevonden.
2.8
Bodemkwaliteitskaart
Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Terneuzen blijkt dat voor de onderzoekslocatie de ontgravingsklasse ‘Achtergrondwaarde’ geldt voor zowel de bovengrond als ondergrond. Op de bodemfunctieklassenkaart heeft de locatie de functieklasse ‘Overig’.
2.9
Onderzoekshypothese
Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (onverdacht).
80/183 Pagina | 8 AM22365
3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 3.1
Inleiding
Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN 5725) en de gestelde onderzoekshypothese(n) voor de onderzoekslocatie, is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN 5740 (BodemLandbodem; Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond van het Nederlands Normalisatie-Instituut.
3.2
Onderzoeksstrategie
Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de strategie ‘ONV’ uit de NEN 5740. In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van de milieuhygiënische conditie van de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. ONDERZOEKSNORM NEN 5740 'ONV' Aantal boringen
Aantal te onderzoeken (meng)monsters
oppervlakte (m²)
tot 0,5 m
èn tot 2 m
èn met peilbuis
bovengrond
ondergrond
grondwater
2.700
9
2
1
2
1
1
NEN-grond incl. lutos
NEN-grond incl. lutos
NEN-grondwater
Analysepakket
Tabel 3.1: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN 5740 ‘ONV’ Uit elke boring worden monsters genomen in trajecten van ten hoogste 0,5 m. Legenda bij tabel 3.1 m: meter beneden maaiveld lutos: lutum en organische stofgehalte De bovengrond en de ondergrond worden onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • drogestof-bepaling • 9 zware metalen • 10 polycyclische aromatische koolwaterstoffen • 7 polychloorbifenylen (PCB) • minerale olie Tevens bepaalt het laboratorium het gehalte aan organische stof en lutumgehalte voor het vaststellen van een toetsingskader voor de lokale bodemkwaliteit. Het grondwater wordt onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • 9 zware metalen • 8 vluchtige aromatische koolwaterstoffen (incl. naftaleen) • 21 vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen • minerale olie
81/183 Pagina | 9 AM22365
4. VELDWERKZAAMHEDEN 4.1
Algemeen
Conform de onderzoeksstrategie, zoals beschreven in hoofdstuk 3, is op de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 conform protocollen 2001 en 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Voor het traceren van de kabels en leidingen is voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden een KLIC melding verricht.
4.2
Grondbemonstering
Op 16 augustus 2022 zijn de boringen geplaatst volgens de in paragraaf 3.2 weergegeven onderzoeksstrategie. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door de heer L. Koomen, erkend monsternemer in het kader van de BRL SIKB 2000 voor de protocollen 2001, 2002 en 2018. De boringen zijn verricht met behulp van de Edelmanboor (ø 7 of 10 cm). Zie voor de boorpuntlocaties bijlage 3. Gebaseerd op de diepte en stroming van het freatisch grondwater is een boring afgewerkt met een peilbuis (zie bijlage 2). Deze is centraal op de onderzoekslocatie geplaatst, ter plaatse van boorpunt 1. De bovenkant van het peilbuisfilter is onder de aangetroffen grondwaterstand geplaatst. Tijdens de installatie van de peilbuis is geen werkwater gebruikt. Het opgeboorde bodemmateriaal is volgens de classificatienorm voor onverharde bodems (NEN 5104) beoordeeld. Daarnaast is vastgesteld in hoeverre het opgeboorde materiaal mogelijke aanwijzingen biedt voor de aanwezigheid van visueel zichtbare verontreiniging. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de bodemopbouw heeft laagsgewijze bemonstering plaatsgevonden. De uitkomende grond en alle zintuiglijk waargenomen bijzonderheden zijn per boring beschreven in de profielbeschrijvingen (zie bijlage 4). Bij het beoordelen en beschrijven van de uitkomende grond zijn zintuiglijk geen afwijkingen of bijzonderheden geconstateerd.
In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.
82/183 Pagina | 10 AM22365
4.3
Grondwatermonstername
De peilbuis is na plaatsing aan het einde van de werkdag op 16 augustus 2022 bemonsterd conform protocol 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. De bemonstering is uitgevoerd door erkend veldwerker van Aeres Milieu, de heer L. Koomen. In afwijking van het protocol is de peilbuis niet een week na plaatsing bemonsterd, maar op dezelfde dag van het plaatsen van de peilbuis. Gezien het gebruik van de locatie en het ontbreken van potentiele verontreinigingsbronnen op of nabij de locatie zal de afwijking op het protocol geen invloed hebben op het uiteindelijke onderzoeksresultaat. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand opgenomen en zijn de zuurgraad (pH) en het elektrischegeleidingsvermogen (Ec) van het grondwater bepaald. Deze waarden waren constant bij monstername. De geleidbaarheid is gecorrigeerd voor de grondwatertemperatuur. De geleiding is een maat voor de concentratie aan opgeloste stoffen in het water, terwijl de pH de zuurgraad van het water aangeeft (pH<7: zuur, pH = 7: neutraal, pH>7: basisch). De grondwatermonsters zijn in het veld, voor zover noodzakelijk gefiltreerd en geconserveerd. De in het veld gemeten parameters zijn in tabel 4.1 samengevat. Peilbuis 1
Filterdiepte (m-mv.) 2,9 – 3,9
Grondwaterstand (m-mv.) 2,4
pH (-) 6,3
Ec (µS/cm) 160
Troebelheid (NTU) 393
Tabel 4.1: Resultaten veldmetingen tijdens grondwatermonstername
De meetresultaten wijken niet af van natuurlijk of regionaal voorkomende waarden.
83/183 Pagina | 11 AM22365
5. LABORATORIUMONDERZOEK 5.1
Algemeen
De analyses zijn uitgevoerd door het onderzoekslaboratorium van Eurofins Analytico B.V. te Barneveld. Eurofins Analytico B.V. is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025, waar verdere conservering en (voor)behandeling van de monsters plaats heeft gevonden.
5.2
Grondmengmonsters
In het laboratorium zijn voor het chemisch onderzoek van de grondmonsters uit de boven- en ondergrond al dan niet mengmonsters samengesteld volgens onderstaande tabel. De keuze voor het samenstellen van deelmonsters tot een mengmonster of het analyseren van individuele monsters is gebaseerd op de zintuiglijke waarnemingen in het veld en op de onderzoeksstrategie.
Analysemonster
Deelmonsters
Analysepakket
MM1
Traject (m -mv) 0,00 – 0,50
1-1, 3-1, 4-1, 5-1, 6-1, 7-1
Standaardpakket incl. lu/os
MM2
0,00 – 0,50
2-1, 8-1, 9-1, 10-1, 11-1, 12-1
Standaardpakket incl. lu/os
MM3
0,70 – 2,00
1-4, 1-5, 2-3, 3-3
Standaardpakket incl. lu/os
Tabel 5.1: samenstelling analysemonsters en analysepakket
De analyseresultaten van de grond(meng)monsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. *
Het gehalte is groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de het gemiddelde van de achtergronden interventiewaarde;
**
het gehalte is groter dan het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde;
***
het gehalte is groter dan de interventiewaarde.
In de Regeling bodemkwaliteit (RBK) is vastgelegd dat de toetsing altijd moet plaatsvinden door het gevonden gehalte in een monster eerst te corrigeren met het lutum en organisch stofgehalte (=berekende concentratie) en vervolgens te vergelijken met de grenswaarden van de Regeling Bodemkwaliteit. In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende achtergrondwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 6 voor de toetsingstabellen en het analyserapport.
84/183 Pagina | 12 AM22365
(Meng)monster
Zintuiglijke waarnemingen
Verhoogde component
MM1
Traject (m -mv) 0,00 – 0,50
Geen bijmengingen / bijzonderheden
---
Berekende concentratie [mg/kg d.s.] en toetsing -----
MM2
0,00 – 0,50
Geen bijmengingen / bijzonderheden
---
---
---
MM3
0,70 – 2,00
Geen bijmengingen / bijzonderheden
---
---
---
Tabel 5.2: Toetsingsresultaten van de grond(meng)monsters
Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grondmengmonsters MM1 (dieptetraject 0,00 – 0,50 m-mv.), MM2 (dieptetraject 0,00 – 0,50 m-mv.) en MM3 (dieptetraject 0,70 – 2,00 m-mv.) geen gehalten gemeten zijn verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde.
5.3
Grondwatermonster
De analyseresultaten van de grondwatermonsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. *
Het gehalte is groter dan of gelijk aan de streefwaarde (of de detectiegrens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde;
**
het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde;
***
het gehalte is groter dan de interventiewaarde.
In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende streefwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 7 voor de toetsingstabellen en het analyserapport.
Peilbuis 1
Filtertraject [m-mv] 2,9 – 3,9
Grondwaterstand [m-mv.]
Verhoogde component
2,4
Barium
Gemeten concentratie [µg/l] en toetsing 70 *
Nikkel
18
*
Xylenen
0,58
*
Tabel 5.3: Toetsingsresultaten van de grondwatermonsters
Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater afkomstig uit peilbuis 1 van de onderzochte componenten barium, nikkel en xylenen zijn gemeten in een gehalte licht verhoogd ten opzichte van de streefwaarde.
De licht verhoogde gehalten met barium en nikkel worden waarschijnlijk gedeeltelijk van buiten de onderzoekslocatie aangevoerd, aangezien in de ondergrondmonsters geen verhoogde concentraties gemeten zijn. Op de locatie zijn ook geen verontreinigingsbronnen aan te wijzen die in relatie zouden kunnen staan met de verhoogd aangetroffen gehalten aan barium en nikkel. Verhoogde gehalten aan barium zijn vaak van natuurlijke oorsprong. De lichte verhogingen met xylenen zijn op basis van het vooronderzoek en de zintuigelijke bevindingen tijdens de veldwerkzaamheden niet te verklaren. Op de locatie zijn ook geen verontreinigingsbronnen aan te wijzen die in relatie zouden kunnen staan met de verhoogd aangetroffen gehalten aan xylenen.
85/183 Pagina | 13 AM22365
5.4
Toetsing van de gestelde hypothese
Geconcludeerd kan worden dat de berekende concentraties in de boven- en ondergrond in overeenstemming zijn met de vooraf geformuleerde hypothese dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden. De gemeten concentraties liggen beneden de achtergrondwaarden (AW2000) voor grond. Het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat de gemeten concentraties in het grondwater in tegenspraak zijn met de vooraf opgestelde hypothese dat de locatie onverdacht is. Het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek is gelet op de aangetroffen componenten en gemeten concentraties niet noodzakelijk.
86/183 Pagina | 14 AM22365
6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond geen gehalten gemeten zijn verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, nikkel en xylenen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
87/183 Pagina | 15 AM22365
aeres milieu
AM22365
Bijlage 1 Topografische en kadastrale overzichtskaart
88/183
89/183
Kadastrale kaart
Uw referentie: AM22365
Deze kaart is noordgericht
12345 25
Schaal 1: 1000
Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing
Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 14 juli 2022 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
Kadastrale gemeente Sectie Perceel
Axel M 150
90/183
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
aeres milieu
AM22365
Bijlage 2 Foto’s onderzoekslocatie
91/183
AM22365
Foto 1
Foto 2
Foto 3
Foto 4
Foto 5
Foto 6
92/183
AM22365
Foto 7
Foto 8
Foto 9
Foto 10
Foto 11
Foto 12
93/183
AM22365
Foto 13
Foto 14
Foto 15
Foto 16
Foto 17
94/183
aeres milieu
AM22365
Bijlage 3 Situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten
95/183
49126
49151
359775
49101
359725
359725
359750
49076
359750
359775
49051
Legenda
Boorpuntenkaart (A4)
Foto's
359700
AM22365 Zuiddorpe Zelzaetseweg Schaal
Boringen
N
boring tot 0,5 m-mv boring tot 2,0 m-mv
v1.0_9-9-2022_LK
359700
Plangebied
peilbuis
96/183
Achtergrond: Luchtfoto PDOK Actueel 25 cm, Kadastrale kaart WFS PDOK
49051
49076
49101
49126
49151
aeres milieu
AM22365
Bijlage 4 Boorprofielen
97/183
getekend volgens NEN 5104
Boring:
01
Boring: 0
0
gras
0
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, sporen wortels, donker grijsbruin, Edelmanboor
1 50
02 gras Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, sporen wortels, donkerbruin, Edelmanboor
1 50 2
2
70
80
3
100
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor
3 100
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, neutraal bruingrijs, Edelmanboor
4 150
Zand, matig fijn, zwak siltig, neutraal grijsbeige, Edelmanboor Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs, Edelmanboor
4 150
5
5 200
200
200
200 Zand, matig fijn, zwak siltig, neutraalgrijs, Edelmanboor
250
250
Zand, matig fijn, zwak siltig, neutraalgrijs, Zuigerboor handmatig 300
350
390
Boring:
03
Boring: 0
0
erf
0
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, sporen wortels, donkerbruin, Edelmanboor
1 50
04 Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, donker grijsbruin, Edelmanboor
1 50
50 2
70
Zand, matig fijn, zwak siltig, neutraalbeige, Edelmanboor
3
100
gras
115
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht witgrijs, Edelmanboor
4 150 5 200
200
Boring:
05
Boring: 0
0
gras
50
50
Boring:
Boring: 0
50
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, sporen wortels, zwak grindhoudend, donker grijsbruin, Edelmanboor
1 50
08 0
0
50
gras Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, sporen wortels, donker grijsbruin, Edelmanboor
1
Projectnaam: Zelzaetseweg tussen nr. 10 en nr. 12, Zuiddorpe 98/183 Projectcode: AM22365
50
50
erf
groenstrook Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, donker grijsbruin, Edelmanboor
1
07
0
0
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, donker grijsbruin, Edelmanboor
1
06
50
getekend volgens NEN 5104
Boring:
09
Boring: 0
0
gras
50
50
Boring:
Boring: 0
50
0
50
groenstrook Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, donker grijsbruin, Edelmanboor
1
Projectnaam: Zelzaetseweg tussen nr. 10 en nr. 12, Zuiddorpe 99/183 Projectcode: AM22365
12
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, donker grijsbruin, Edelmanboor
1 50
50
50
groenstrook
groenstrook Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, zwak wortelhoudend, donker grijsbruin, Edelmanboor
1
11
0
0
0
Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus, sporen wortels, donker grijsbruin, Edelmanboor
1
10
50
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie