2023-01-18 - bijlage Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
Tekst van het document
In artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de bijlagen van de ‘Regelingen niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|33
Beoordeling De regeling NIBM geldt onder andere voor woningbouwlocaties die in het geval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m 2. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen. Het realiseren van maximaal 6 wooneenheden ligt ver beneden de grens en kan worden aangemerkt als een plan dat niet in betekende mate bijdraagt (NIBM) aan de luchtverontreiniging. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. Deze wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhouding)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000 gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. De provincies hebben de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzonder provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 ha natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europese Ecologische Netwerk (PEEN) vormen.
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|34
Beschermde planten en dieren Met de Wet natuurbescherming is de lijst van beschermde soorten gewijzigd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en met de komst van de Wnb niet meer en andersom. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen, provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet.
Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke behandelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan Natuurwetgeving Ten behoeve van de uitbreiding van het bestaand woonwagencentrum aan de Zuidhof te Sluiskil heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd (toegevoegd als bijlage). Het doel van het onderzoek is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Natura 2000 De plannen zullen naar verwachting geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb. De te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is verder in deze paragraaf nader uitgewerkt.
Natuurnetwerk Nederland De realisatie van woonwagenstandplaatsen, het gebruik van de woonwagens en de toenemende verkeersbewegingen hebben naar verwachting geen negatieve effecten op het NNN. Omdat er geen negatieve effecten op het NNN zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|35
Zeeland een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels In de akkervegetatie en het bosje in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door het verwijderen van de opgaande vegetaties buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van akkervegetatie en het bosje toch leiden tot overtreding van de Wnb.
Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Stikstofdepositie Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is een berekening gemaakt met behulp van de Aerius Calculator versie 2021.1.1 (toegevoegd als bijlage). Deze berekening moet aantonen dat nieuwe situaties niet leiden tot een te hoge waarde. De berekening betreft de uitbreiding van het bestaande woonwagencentrum aan de Zuidhof in Sluiskil met maximaal 6 woonwagenstandplaatsen. Door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 20 21 is het niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. Het gaat hierbij om de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bebouwing. Hierdoor is uitsluitend de gebruiksfase bekeken. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn gedurende de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. De stikstofberekening is toegevoegd als bijlage bij de toelichting. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.9
Niet gesprongen explosieven
Beleidskader Niet-gesprongen explosieven (NGE) in de Zeeuwse bodem zijn enerzijds afkomstig van bombardementen en gevechtshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Anderzijds is aan het einde en in de periode na de Tweede Wereldoorlog munitie geruimd en gedumpt in bijvoorbeeld watergangen, oude loopgraven, bomkraters. Informatie over een verhoogde kans op de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven helpt om een eerste inschatting te maken van de mogelijkheid van het wel of niet voorkomen van explosieven in de bodem te maken.
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|36
De gemeente Terneuzen hanteert voor de paragraaf ‘Niet-gesprongen explosieven’ (NGE) het Historisch Vooronderzoek en NGE-Risicokaart van REASeuro, kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018, waarbij de NGE-Risicokaart leidend is. Het bedoelde terrein, thans zijnde landbouwgrond, valt in relatie tot NGE door oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog in een aangemerkt risicogebied (zie onderstaande afbeelding).
Historisch Vooronderzoek-Niet Gesprongen Explosieven (HVO-NGE) Vanwege de ligging van het plangebied in een aangemerkt risicogebied is op 24 oktober 2018 door REASeuro een historisch vooronderzoek-Niet Gesprongen Explosieven (HVO-NGE) uitgevoerd (toegevoegd als bijlage). Tijdens de aankomende bevrijding door de geallieerde opmars vanuit het zuiden, verplaatste het Duitse leger veel legermaterieel en munitie per trein richting het noorden. Aangezien de trein niet over een opgeblazen brug over het Kanaal van Gent naar Terneuzen kon, strandde deze bij Sluiskil. Om te voorkomen dat met name de munitie uit de trein in handen van de bevrijders zou vallen, werd deze trein in september 1944 d.m.v. een Duits luchtbombardement opgeblazen. Vooral aan de oostzijde van de spoorlijn zijn bommen in een zogenoemd tapijtbombardement ingeslagen. De concentratie van inslagen door vliegtuigbommen aan de noordzijde van de Spoorweg was aanzienlijk, maar ook aan de zuidzijde van de Spoorweg waren er kraters in de landbouwgrond geslagen. Onder andere granaten van 35 cm in doorsnede werden nadien bij de trein aangetroffen, die bij een geschut op de trein hoorden. Voorts zou in de nabijheid van de opgeblazen trein tot decennia nadien nog vormen van munitie zijn aangetroffen. De NGE-risicokaart gaat op basis van het intense bombardement uit van een aanwijsbaar risicogebied.
Door de omvang van het te ontwikkelen terrein is de kans op het aantreffen van munitie reëel. Voorts kan uit de treinwagon weggeslagen kleine munitie aanwezig zijn welke zich nog op of juist onder de oppervlakte van de landbouwgrond bevindt, ondanks enige grondroering/verzet door bewerking van deze landbouwgrond. Zodoende is er een verhoogde trefkans op de aanwezigheid van NGE. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt vooralsnog een belemmering voor het aanvangen van (graaf)werkzaamheden. Het uitvoeren van een projectgebonden risicoanalyse naar zogenoemde ontplofbare oorlogsresten is vereist.
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|37
Projectgebonden risicoanalyse Uit het bovengenoemde Historisch Vooronderzoek-Niet Gesprongen Explosieven (HVO-NGE) blijkt dat de voorgenomen werkzaamheden in een NGE-verdacht gebied vallen. Omdat er sprake is van een verdacht gebied binnen de projectlocatie heeft REASeuro op 7 juni 2022 een PRA-NGE uitgevoerd (toegevoegd als bijlage). De PRA-NGE is een bureaustudie waarin de risico´s van de reguliere werkzaamheden in relatie tot de mogelijk achtergebleven Niet Gesprongen Explosieven (NGE) in kaart worden gebracht. In de PRA-NGE is vastgesteld dat naoorlogs geen noemenswaardige wijzigingen hebben plaatsgevonden binnen de projectlocatie, waardoor de verdachte laag naar verwachting nog volledig intact is en blindgangers nog aanwezig kunnen zijn. De geplande werkzaamheden bestaan uit (machinale) open ontgravingen die de verdachte laag zullen gaan roeren. De exacte werkdieptes van de geplande ontgravingen zijn niet bekend. Verwacht wordt dat deze voor het grootste deel van het project niet dieper zullen gaan dan 1,0 m-mv. Ter plaatse van de ontgravingen van een waterberging en diverse rioolwerkzaamheden zal naar verwachting niet dieper worden gegraven dan 3,0 m-mv.
Vastgesteld is dat bij deze werkzaamheden een grote kans bestaat dat achtergebleven Niet Gesprongen Explosieven (NGE) tot uitwerking worden gebracht en ernstige gevolgen zullen hebben voor de mens, het materiaal en de omgeving. Het projectrisico met betrekking tot NGE is ingeschat op zeer hoog, waardoor sterk geadviseerd wordt om mitigerende maatregelen te nemen. Om het risico met betrekking tot NGE tot een acceptabel niveau terug te dringen wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een NGE-bodemonderzoek uit te laten voeren door middel van passieve oppervlaktedetectie. NGE-bodemonderzoek Naar aanleiding van de voorgaande onderzoeken heeft REASeuro een NGE-bodemonderzoek uitgevoerd (toegevoegd als bijlage). In dit document wordt de gehanteerde wijze voor het NGEbodemonderzoek, de resultaten en het advies omschreven. De maximale diepte tot waarop NGE-bodemonderzoek dient plaats te vinden, hangt af van de maximale diepte tot waarop de NGE aanwezig kunnen zijn en/of de maximale diepte tot waarop werkzaamheden plaatsvinden. De grond is naoorlogs niet opgehoogd. De maximale penetratiediepte van de NGE is berekend op 3,50 m-mv. De maximale werkdiepte (de diepte waarop grondroerende werkzaamheden plaatsvinden) is volgens opgave van de opdrachtgever (maximaal) 3,00 m-mv.
Op 18 augustus 2022 heeft een detectie van het opsporingsgebied met de VXV4 detectiekar plaatsgevonden, om zo uiteindelijk tot een vrijgave van het opsporingsgebied te komen. Er is gedetecteerd door middel van non-realtime oppervlaktedetectie met een Vallon VXV4 meersondesysteem met GPS-ondersteuning. De sondeafstand bedroeg 0,50 m. Dit is een meettechniek waarmee vanaf het maaiveld objecten en structuren kunnen worden opgespoord op een niet destructieve wijze door het passief detecteren van verstoringen van het aardmagnetisch veld. Na interpretatie van de meetgegevens zijn geen significante objecten die binnen het zoekdoel passen konden worden gedefinieerd. Hierdoor wordt het niet noodzakelijk geacht om over te gaan tot benaderwerkzaamheden. Binnen het onderzochte gebied zijn er geen NGE en aanverwante artikelen aangetroffen. Er geldt echter geen volledige vrijgave van het opsporingsgebied. Aan de
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|38
west- en zuidkant van het opsporingsgebied zijn een hekwerk, schuttingen en vegetatie aanwezig. Detectie kon hier niet uitgevoerd worden. Mocht voor dit gebied een vrijgave nodig zijn, dan kan een herdetectie worden uitgevoerd op het moment dat deze obstakels verwijderd zijn. Verder is wel een extra stuk aan de Spoorweg gedetecteerd voor eventuele rioolaansluitingen welke in de toekomst in dit gebied worden aangelegd. Conclusie Het aspect Niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.10
Water
Inleiding Voor ruimtelijke plannen is de watertoets verplicht. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer. Deze instantie is daarmee formeel de waterbeheerder. De waterparagraaf dient voorgelegd te worden aan de waterbeheerder. Huidige watersysteem Waterkeringen Binnen of nabij het plangebied aan de Zuidhof te Sluiskil zijn geen waterkeringen uit de Legger van het waterschap Scheldestromen aanwezig. De dichtstbijzijnde waterkering ligt op een afstand van circa 300 meter van het plangebied. Oppervlaktewaterlichamen Volgens de Legger Oppervlaktelichamen is er binnen het plangebied geen watergang aanwezig. Op een afstand van circa 40 meter ten westen van het plangebied is een secundaire watergang gesitueerd. De beschermingszone van 7 meter van de waterlichamen ligt zodoende buiten het plangebied. Hierdoor hoeft bij de ontwikkeling geen rekening gehouden te worden met eventuele beschermingszones van aanwezige watergangen.
Uitsnede Legger Oppervlaktewaterlichamen, plangebied is rood omlijnd NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|39
Toekomstig watersysteem Nagegaan is aan de hand van de criteria uit de Handreiking watertoets van het waterschap Scheldestromen of de beoogde ontwikkeling strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen.
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
Er liggen geen primaire of regionale waterkeringen binnen of in de buurt van het plangebied. Vermeld de totale oppervlakken (in m2) van:
Dakoppervlak dichte bodemverharding doorlatende bodemverharding wateroppervlak
huidige situatie
na realisatie
0
Ca. 900
1
0
Ca. 2.000
2
Ca. 3.300
Ca. 400
3
0
0
4
•
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Er is ruimte vrijgehouden voor circa 400 m2 aan doorlatende bodemverharding; • Het aandeel verhard oppervlak neemt met de beoogde planontwikkeling maximaal toe met circa 2.900 m2. • Voor een toename in het verhard oppervlak dient per vierkante meter verharding 75 mm compensatie te worden gerealiseerd. Aan de noordzijde van het plangebied is ruimte vrijgehouden voor een waterberging. • De benodigde capaciteit voor de waterberging bedraagt maximaal (2.900 m2 x 75 mm =) 217,5 m3. In het plangebied is aan de noordzijde voldoende ruimte vrijgemaakt voor het vasthouden van het water. • In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de bestemming ‘Wonen’ zijn toegestaan, indien voldaan wordt aan de gestelde compensatienorm van 75 mm per vierkante meter verharding. Het huishoudelijk afvalwater kan worden afgevoerd op het in de straat aanwezige gemeentelijke afvalwaterriool. Het regenwater van de verhardingen kan worden afgevoerd op het gemeentelijke HWA-riool in de nabijgelegen straat wat afwatert op oppervlaktewater in de omgeving.
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|40
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Grondwateroverlast is niet aanwezig. De (nieuwe) bebouwing wordt op hetzelfde peil gebouwd als de voorgaande bebouwing. De ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van grondwater. Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied, natuurgebied of gebied voor drinkwatervoorziening. Zowel tijdens de bouwfase als tijdens de gebruiksfase worden geen uitloogbare materialen gebruikt. Er zijn geen nadelige gevolgen voor de grondwaterkwaliteit
Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Het plan heeft geen invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit
Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
De ontwikkeling heeft geen water-gerelateerde consequenties voor de volksgezondheid. Er is geen oppervlaktewater aanwezig en dus geen verdrinkingsgevaar.
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken. Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Scheepvaart en/of wegbeheer Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap.
Het bouwplan zal geen gevolgen hebben voor bodemdaling. Het gebied is weinig zettingsgevoelig. In de directe omgeving van de ontwikkeling is geen natte natuur aanwezig. De ontwikkeling heeft hier dus ook geen invloed op. Het plan geeft geen wijziging ten opzichte van het huidige onderhoud en is derhalve niet van toepassing. Met het planvoornemen is rekening gehouden met de aanwezige watergangen en onderhoudsstroken.
Met het planvoornemen vinden geen ingrepen plaats aan eigendommen van de waterbeheerder. Het planvoornemen leidt niet tot een significante toename van het verkeer.
Wateradvies De waterparagraaf is voorgelegd aan het waterschap Scheldestromen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen niet strijdig is met de waterdoelstelling.
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|41
5.11
Vormvrije mer
Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten merplichtig zijn, of mer-beoordelingsplichtig. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarde opgenomen. Het bevoegd gezag moet bij dergelijke activiteiten, voor zover deze niet aan de drempelwaarde voldoen, nagaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling moeten hierbij in beschouwing genomen worden. Deze omstandigheden betreffen: • De kenmerken van het project; • De plaats van het project; • De kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie Gelet op de kenmerken van het plan, zoals de kleinschaligheid in vergelijking met de norm van de drempelwaarde, de plaats van het project en de kenmerken van potentiële effect, zal uitvoering van het plan niet leiden tot belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu. Dit blijkt ook uit de onderzoeken voor de verschillende milieuaspecten zoals die in voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk.
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|42
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
De juridische aspecten bestaan uit een verbeelding en planregels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van juridische vertaling in planregels van de voor het plangebied gewenste functionele en stedenbouwkundige ontwikkeling. Bij het opstellen van de verbeelding en de planregels is uitgegaan van de bepalingen uit het Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2012).
6.1
Verbeelding
Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.
6.2
Planregels
De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1.
2.
3.
4.
6.3
Inleidende bepalingen, dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel ‘begrippen’ waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is ‘Wijze van meten’ waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. Bestemmingsregels, in dit hoofdstuk worden de op de kaart aangegeven bestemmingen nader verklaard. Hierin wordt onder andere bepaald de maximale bebouwingshoogte. De gehanteerde bestemmingen worden in de paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk verder uitgewerkt. Algemene regels, in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. De gehanteerde algemene regels worden nader toegelicht in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk. Overgangs- en slotregels, binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel wordt de officiële naam van het bestemmingplan genoemd, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.
Toelichting op de bestemmingen
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel wordt een aantal in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|43
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3: Groen De op de verbeelding voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplantingen, paden, speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en geluidswallen. In of op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale hoogte van 3 meter. Artikel 4: Verkeer De op de verbeelding voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en een geluidswal. Uitsluitend gebouwen ten behoeve van openbaar nut met een oppervlakte van maximaal 15 m 2 zijn toegestaan. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter. Deze hoogte geldt niet voor bouwwerken ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer. Artikel 5: Wonen De op de verbeelding voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van het wonen. Hierbij zijn uitsluitend hoofdgebouwen in de vorm van woonwagens toegestaan. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd met de voorgevel in één van de naar de weg gekeerde bouwgrenzen, dan wel op een afstand van ten hoogste 3 meter evenwijdig hieraan. Het maximaal aantal wooneenheden is op de verbeelding bepaald en bedraagt in dit geval 6 woonwagenstandplaatsen.
Per woonwagen max maximaal één bijgebouw worden gebouwd, waarbij de gezamenlijk oppervlakte van één woonwagen inclusief bijgebouw en overkappingen maximaal 150 m2 mag bedragen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbelteregel In dit artikel is een regel opgenomen die voorkomt dat een al verleende bouwvergunning meegenomen wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel zijn de regels ten aanzien van de algemene bouwregels, algemene bebouwingspercentages, bouwhoogtes en toegestane overschrijdingen door ondergeschikte bouwwerken opgenomen. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het strijdig gebruik. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein ‘Sluiskil-Oost/Stroodorpe-Oost’ op geluidsgevoelige objecten. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van de mogelijkheden voor het afwijken van de regels.
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|44
Artikel 11 Overige regels In dit artikel is een regel opgenomen ten aanzien van andere wettelijke regelingen waarnaar wordt verwezen in het bestemmingsplan, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. Tevens zijn de algemene regels omtrent het parkeren hierin opgenomen. Artikel 12 Algemene procedureregels In dit artikel is de te volgen procedure beschreven indien wordt afgeweken van de regels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken die afwijken van het bestemmingsplan op het moment dat dit bestemmingsplan inwerking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging hiervan is alleen toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot. Artikel 14 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Bestemmingsplan ‘Sluiskil, Zuidhof’.
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
|45
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Bro dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen voor gronden waarop een aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. In artikel 6.2.1 Bro staat aangegeven wat onder een aangewezen bouwplan wordt verstaan. Het bestemmingsplan betreft een particulier initiatief op particulier terrein. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan te worden opgesteld. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In het kader van het zgn. 3.1.1 Bro is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden naar bestuurlijke instanties, waarbij de gelegenheid is geboden om een reactie te geven op het plan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf dinsdag 4 oktober 2022 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan, samen met het besluit tot vaststelling hiervan, opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen dit besluit beroep aantekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
NL.IMRO.0715.BPSLZ08-VG01
Bestemmingsplan Sluiskil, Zuidhof
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BIJLAGE 1 ARCHEOLOGISCHE TOETS
RAPPORT Archeologische quickscan Zuidhof te Sluiskil (gemeente Terneuzen)
AM21502
RAPPORT Archeologische quickscan Zuidhof te Sluiskil (gemeente Terneuzen)
Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum
: AM21502 : Concept (versie 1) : 2214-5656 : 21 juli 2022
Opdrachtgever
: Ordito Postbus 94 5126 ZH Gilze
Opsteller rapport Paraaf
: J.M.L. van Boldrik Ma. :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie. Pagina | 2
AM21502
INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS .......................................................................................................................... 4 1. INLEIDING ............................................................................................................................................................ 5 2.
BEKENDE GEGEVENS ................................................................................................................................. 7 2.1
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................... 7
2.2
Gemeentelijke vrijstellingenkaart .............................................................................................................................................................. 7
2.3
Gegevens Archis3 ............................................................................................................................................................................................. 8
3. TOETSING ARCHIEF ZEEUWS ARCHEOLOGISCH DEPOT ................................................................ 10
Pagina | 3
AM21502
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Projectnummer
: AM21502
OM-nummer
: n.v.t.
Soort onderzoek
: Quickscan
Adres onderzoekslocatie
: Zuidhof te Sluiskil
Toponiem
: Zuidhof
Gemeente
: Terneuzen
Provincie
: Zeeland
Kadastrale registratie
: Terneuzen, sectie R, nummer 1057 (deels)
Coördinaten
: Centrum
463.69; 366.011
NW:
463.24; 366.024
NO:
463.99; 366.038
ZO:
464.05; 366.003
ZW:
463.50; 365.974
Oppervlakte
: Circa 3120 m2
Huidig locatie gebruik
: Nieuwbouw (uitbreiding woonwagencentrum)
Aanleiding onderzoek
: Bestemmingsplanwijziging
Opdrachtgever
: Ordito
Pagina | 4
AM21502
1. INLEIDING In opdracht van Ordito heeft Aeres Milieu een archeologische quickscan uitgevoerd voor onderstaande locatie aan de Zuidhof te Sluiskil (gemeente Terneuzen). Adres onderzoekslocatie
: Zuidhof te Sluiskil
Gemeente
: Terneuzen
Oppervlakte
: Circa 3120 m2
Huidig gebruik van de locatie
: Akkerland
Toekomstig gebruik
: Nieuwbouw (uitbreiding woonwagenkamp)
Dit archeologisch onderzoek betreft een quickscan waarin gekeken is naar de relevante gegevens uit de directe omgeving van het plangebied. Deze quickscan valt buiten de richtlijnen van de BRL SIKB 4000 (protocol 4002), KNA 4.1.
Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van deze quickscan is een voorgenomen bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de uitbreiding van een woonwagenkamp. Er zullen maximaal 6 nieuwe standplaatsen worden gerealiseerd. De diepte van de toekomstige verstoring is ten tijde van het opstellen van dit document niet bekend.
Doel Het doel van de archeologische quickscan is het inzichtelijk maken van de mogelijkheid dat er al dan niet archeologische resten verwacht kunnen worden op de locatie, gebaseerd op eerder onderzoek op de belendende percelen.
Plangebied Het plangebied ligt in Sluiskil aan het einde van de spoorweg en grenst in het zuiden aan het huidige woonwagenkamp aan de Zuidhof en in het oosten aan bebouwing (woonhuizen) aan de Spoorweg. Momenteel is het plangebied in gebruik als akkerland. Op circa 60 meter ten westen van het plangebied ligt de N252.
Pagina | 5
AM21502
Figuur 1. De topografische ligging van het plangebied. Het plangebied is rood omkaderd (bron: PDOK-viewer).
Pagina | 6
AM21502
2.
BEKENDE GEGEVENS
2.1
Inleiding
Bij het uitvoeren van de quickscan is gebruik gemaakt van verschillende bronnen: Archis3, Vrijstellingenkaart van de gemeente Terneuzen (2017) en historische kaarten. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Op historische kaarten is het plangebied nooit bebouwd geweest, alleen in het noorden van het plangebied heeft een weg gelopen. Deze weg sluit aan op de huidige spoorweg. De weg is voor het eerst zichtbaar op de historische kaart uit 1915. De huizen ten oosten van het plangebied zijn in het begin van de jaren 50 gebouwd en de huizen ten zuiden van het plangebied zijn in 2016 gebouwd.
2.2
Gemeentelijke vrijstellingenkaart
De onderzoekslocatie ligt volgens de Vrijstellingenkaart van de gemeente Terneuzen (2017) in een zone met een vrijstellingsdiepte van meer dan 4 meter onder maaiveld (Figuur 1).
Figuur 2. Uitsnede van de Vrijstellingenkaart van de gemeente Terneuzen (2017) met rood omlijnd de onderzoekslocatie. (Bron: De Visser en De Weerdt 2017, Handleiding Vrijstellingenkaart 2017, Edufact rapport 9).
Pagina | 7
AM21502
2.3
Gegevens Archis3
Er zijn geen archeologische monumenten bekend en er zijn enkele onderzoeksmeldingen en vindplaatsen bekend in een straal van 1 kilometer ten opzichte van het plangebied (Figuur 2). Zaakidentificatie
Afstand
Soort onderzoek
Omschrijving
2026574100
Circa 125 meter ten
IVO-O door RAAP
Het onderzoekgebied heeft een omvang van circa 6.800 ha en ligt binnen de
westen van het
Archeologisch Adviesbureau
gemeenten Terneuzen en Sas van Gent. Het onderzoek bestond uit twee fasen:
plangebied
een bureau-onderzoek en een veldonderzoek door middel van boringen (steekproefsgewijs). Dit resulteerde drie landschappelijke zones en 23 vindplaatsen. Op basis hiervan is een advieskaart opgesteld. Schute, I.A. 1997: Landinrichtingsgebieden Hoek en Philippine. Archeologische inventarisatie en advieskaart., RAAP-rapport 235.
2445571100
Circa 350 meter ten
BO door ADC
oosten van het
ArcheoProjecten
Bureauonderzoek in het kader van renovatie van het kanaal Gent-Terneuzen.
plangebied 3220773100
Circa 815 meter ten
Vondstmelding uit het
Vondstmelding uit het archief. Verdronken dorp vermeld 1228. Het dorp is
zuidenwesten van
archief in 2007
vermoedelijk in 1488/1493 verdronken. Herdijkt lag in 1825 in het noorden van
het plangebied 4550591100
Circa 1 kilometer
de Nieuw-Papeschorpolder ten zuiden van het huidige Sluiskil. IVO-O door Artefact! In 2017
In boring 34716 (ten zuiden van het plangebied) is het Laagpakket van Walcheren
ten zuidoosten van
aangetroffen tot een diepte van 1,75 meter beneden maaiveld (0,04 meter
het plangebied
beneden NAP). Onderin het pakket is puin en enkele brokjes kalkmortel aangetroffen. Het betreft mogelijk de restanten van fundering/uitbraakspoor. Uit het booronderzoek bleek dat het profiel binnen het tracé variabel is door de enorme verschillen. De Formatie van Boxtel is verspreid binnen het plangebied overal aangetroffen. Dit betreft in niet alleen het Laagpakket van Wierden maar plaatselijk is ook het Laagpakket van Singraven waargenomen. Per zone zijn vervolgonderzoek vastgesteld.
2384416100
Binnen de grenzen
BO door Artefact! in 2015
Het archeologisch bureauonderzoek is in 2015 uitgevoerd door Artefact! in kader
van gemeente
van milieueffectrapportage (MER) Multi Utility Providing (MUP). Dit onderzoek is
Terneuzen
uitgevoerd voor de uitbouw van een leidingenstelsel. Er zijn drie alternatieve tracés onderzocht en worden nog nader uitgewerkt. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy. Staat ook onder zaakidentificatie nummer 2439204100 in Archis.
4568760100
Binnen de grenzen
BO door Edufact Advied in
Dit
van gemeente
Erfgoed in 2017
vrijstellingsdiepte van de vrijstellingenkaart. Er zijn geen verdere gegevens
Terneuzen 2434360100
onderzoek
betrof
een
bureauonderzoek
ter
verruiming
van
de
bekend in Archis en DansEasy.
Binnen de grenzen
Archeologische
Dit onderzoek betrof de verruiming van de vrijstellingsdiepte. Er zijn geen
van gemeente
verwachtingskaart door
verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
Terneuzen
Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland in 2014
Tabel 1: Overzicht van Archismeldingen binnen een straal van 500 meter rond het plangebied.
Pagina | 8
AM21502
Figuur 3. Bekende archeologische gegevens rondom de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is rood omlijnd.
Pagina | 9
AM21502
3. TOETSING ARCHIEF ZEEUWS ARCHEOLOGISCH DEPOT Dhr. Hans Jongepier, adviseur archeologie bij Erfgoed Zeeland heeft op 11 oktober 2021 per mail laten weten dat in het archief van Erfgoed Zeeland geen aanvullende informatie bekend is.
Pagina | 10
BIJLAGE 2 VERKENNEND BODEMONDERZOEK
Verkennend bodemonderzoek Spoorweg ter hoogte van Zuidhof te Sluiskil
Opdrachtgever: Gemeente Terneuzen Postbus 35 4530 AA Terneuzen Projectnummer:
Autorisatie:
401478
Redactie:
Paraaf:
Pascal van Weert
Kenmerk:
Eindredactie/Kwaliteitscontrole:
PHO\401478\10-12-2021\Versie 1
Pascal van der Hoeven
Datum:
Status:
10-12-2021
Definitief
Paraaf:
Buro Antares b.v., Aventurijn 600, NL-3316 LB DORDRECHT; Postadres: Postbus 3073, NL-3301 DB DORDRECHT Telefoon: +31(0)78 652 00 00, Internet: www.buroantares.nl Bankrelatie Rabobank, IBAN: NL85 RABO 0326 8876 52, BIC: RABONL2U, BTW nr. NL007137291B01, HR 24158873 Buro Antares b.v. heeft vestigingen in Dordrecht en Doetinchem
Project:
Verkennend bodemonderzoek, Spoorweg ter hoogte van Zuidhof te Sluiskil
Kenmerk:
PHO\401478\10-12-2021\Versie 1
Colofon Opdrachtgever:
Gemeente Terneuzen
Projectnummer:
401478
Titel:
Verkennend bodemonderzoek
Datum:
10-12-2021
Redactie:
Pascal van Weert
Met bijdragen van: Eindredactie:
Pascal van der Hoeven
Vestiging:
Buro Antares Dordrecht
Buro Antares bv Postadres: Postbus 3073, NL-3301 DB DORDRECHT, Internet: www.buroantares.nl Telefoon +31 (0)78 652 00 00
© Buro Antares bv, 2021 De rechten van intellectueel eigendom verblijven te allen tijde bij Buro Antares bv.
© Buro Antares b.v., Aventurijn 600, NL-3316 LB DORDRECHT, Postbus 3073, NL-3301 DB DORDRECHT
Pagina 2 van 14
Project:
Verkennend bodemonderzoek, Spoorweg ter hoogte van Zuidhof te Sluiskil
Kenmerk:
PHO\401478\10-12-2021\Versie 1
INHOUD 1.
INLEIDING .......................................................................................................................... 4
2.
VOORONDERZOEK .......................................................................................................... 5
3.
4.
5.
2.1.
Historisch bodemonderzoek..................................................................................................... 5
2.2.
Basisgegevens ......................................................................................................................... 5
2.3.
Begrenzing onderzoekslocatie ................................................................................................. 5
2.4.
Topografische kaarten ............................................................................................................. 6
2.5.
Bodeminformatie en bekende gegevens .................................................................................. 6
2.6.
Bodemkwaliteitskaart ............................................................................................................... 6
2.7.
Voormalig en huidig bodemgebruik .......................................................................................... 6
2.8.
Locatiebezoek .......................................................................................................................... 6
2.9.
Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................................................. 7
2.10.
Conclusie vooronderzoek en onderzoeksopzet ....................................................................... 7
VELDWERKONDERZOEK ................................................................................................. 8 3.1.
Algemeen ................................................................................................................................. 8
3.2.
Uitgevoerde veldwerkzaamheden ............................................................................................ 8
3.3.
Resultaten veldonderzoek........................................................................................................ 8
CHEMISCH ONDERZOEK ............................................................................................... 10 4.1.
Analyseprogramma ................................................................................................................ 10
4.2.
Toetsingskader en toetsingsresultaten .................................................................................. 11
4.3.
Resultaten laboratorium onderzoek ....................................................................................... 12
4.4.
Interpretatie onderzoeksresultaten ......................................................................................... 13
4.5.
Toetsing hypothese ................................................................................................................ 13
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................... 14
BIJLAGEN 1.
Topografische ligging
2.
Situatietekening
3.
Profielbeschrijvingen
4.
Analysecertificaten
5.
Getoetste analyseresultaten
6.
Bodeminformatie gemeente Terneuzen
7.
Kwaliteitsborging
© Buro Antares b.v., Aventurijn 600, NL-3316 LB DORDRECHT, Postbus 3073, NL-3301 DB DORDRECHT
Pagina 3 van 14
Project:
Verkennend bodemonderzoek, Spoorweg ter hoogte van Zuidhof te Sluiskil
Kenmerk:
PHO\401478\10-12-2021\Versie 1
1.
INLEIDING In opdracht van gemeente Terneuzen is door Buro Antares B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Spoorweg ter hoogte van het Zuidhof in Sluiskil. Een kaart met de regionale ligging van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 1. Aanleiding en doelstelling bodemonderzoek De aanleiding tot het bodemonderzoek is een voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan en een gepande eigendomsoverdracht van de locatie. Het doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit. Onderzoeksopzet Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse norm NEN 5740+A1 van april 2016. Hierbij is vanwege de uitkomsten van het vooronderzoek uitgegaan van onverdachte locatie (ONV-NL). Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten is aanvullend onderzoek verricht. De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de kwaliteitsborging welke in bijlage 7 is opgenomen. Inhoud rapport In voorliggend rapport zijn de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek beschreven. Het bodemonderzoek is vooraf gegaan door een vooronderzoek volgens de NEN 5725 van oktober 2017. Het vooronderzoek en de opzet van het onderzoek is uitgewerkt in hoofdstuk 2. De uitvoering van het bodemonderzoek, de interpretatie van het veldonderzoek is opgenomen in hoofdstuk 3. Aansluitend wordt in hoofdstuk 4 het laboratoriumonderzoek besproken.
Het rapport wordt in hoofdstuk 5 afgesloten met conclusies en aanbevelingen.
© Buro Antares b.v., Aventurijn 600, NL-3316 LB DORDRECHT, Postbus 3073, NL-3301 DB DORDRECHT
Pagina 4 van 14
Project:
Verkennend bodemonderzoek, Spoorweg ter hoogte van Zuidhof te Sluiskil
Kenmerk:
PHO\401478\10-12-2021\Versie 1
2.
VOORONDERZOEK
2.1.
Historisch bodemonderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse norm NEN-5725 (strategie A uit tabel 1). Op basis van de verkregen informatie uit het vooronderzoek is een hypothese opgesteld omtrent het al dan niet aanwezig zijn van een bodemverontreiniging op de onderzoekslocatie. Bij het vooronderzoek is informatie verzameld over het voormalige en huidige gebruik van de locatie en de directe omgeving. Het vooronderzoek heeft zich gericht op de onderzoekslocatie en de direct rond deze locatie gelegen percelen. Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd: •
Informatie van de opdrachtgever;
•
Verstrekte bodeminformatie en topografische kaarten;
•
Digitaal geraadpleegde informatiebronnen via: www.topotijdreis.nl www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl
•
Een terreininspectie voorafgaand aan het bodemonderzoek.
De resultaten van het vooronderzoek en de interpretatie zijn in navolgende paragrafen gepresenteerd. Op basis van de beschikbare voorinformatie is in paragraaf 2.10 een onderzoeksprogramma uitgewerkt.
2.2.
Basisgegevens De basisgegevens van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 2.1: Basisgegevens onderzoekslocatie Ligging
Spoorweg ter hoogte van het Zuidhof in Sluiskil
Kadastrale gegevens
Kadastrale gemeente Terneuzen, sectie R, nummer 1057 (gedeeltelijk)
Oppervlakte
0,4 ha
onderzoekslocatie
2.3.
Huidig gebruik
Agrarisch
Functie directe omgeving
Wonen
Aanleiding
Bestemmingsplanwijziging en eigendomsoverdracht
Verharding
Onverhard
Begrenzing onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is gelegen tussen de Spoorweg en het Zuidhof. De locatie betreft een agrarisch perceel is onbebouwd en onverhard. De onderzoeklocatie heeft een oppervlakte van afgerond 0,4 ha. De globale ligging van de locatie is aangegeven op de topografische kaart die in bijlage 1 is opgenomen. De situatietekening is opgenomen in bijlage 2.
© Buro Antares b.v., Aventurijn 600, NL-3316 LB DORDRECHT, Postbus 3073, NL-3301 DB DORDRECHT
Pagina 5 van 14
Project:
Verkennend bodemonderzoek, Spoorweg ter hoogte van Zuidhof te Sluiskil
Kenmerk:
PHO\401478\10-12-2021\Versie 1
2.4.
Topografische kaarten Van de locatie zijn historische topografische kaarten beoordeeld. Een reeks kaarten die de significante veranderingen in de omgeving van de onderzoekslocatie weergeven is geselecteerd en opgenomen in bijlage 6. Uit het historische kaartmateriaal blijkt dat de locatie nooit bebouwd is geweest. Evenmin zijn dempingen bekend.
2.5.
Bodeminformatie en bekende gegevens Op de onderzoekslocatie zijn geen eerdere onderzoeken bekend. Wel zijn er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie onderzoeken bekend. Voor een overzicht met conclusies wordt verwezen naar bijlage 6.
2.6.
Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Terneuzen is de onderzoekslocatie gelegen binnen de bodemfunctieklasse ‘Wonen’. De boven- en ondergrond van deze zone is geclassificeerd als kwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde”. Verder voldoet de gemiddelde bodemkwaliteit voor PFAS aan de landelijke achtergrondwaarden.
2.7.
Voormalig en huidig bodemgebruik Op
de
onderzoekslocatie
zijn
geen
voormalig
bodembedreigende
activiteiten
bekend.
De
onderzoekslocatie ligt volgens de bodemkwaliteitskaart niet binnen een zone van een voormalige boomgaard. Aanwezigheid van asbest Er zijn geen aanwijzingen dat in de bodem asbest aanwezig zou kunnen zijn als gevolg van voormalige activiteiten, het gebruik van asbesthoudende materialen, stortingen van asbesthoudend afval of opgetreden asbestcalamiteiten. Dempingen Volgens het historisch topografisch kaartmateriaal is de gracht aan de oostgrens van de onderzoekslocatie gedempt. Huidig bodemgebruik De locatie heeft een agrarische functie.
2.8.
Locatiebezoek Op 13 oktober 2021 is door de heer M. van Dongen van Buro Antares een locatie-inspectie uitgevoerd. Er zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
© Buro Antares b.v., Aventurijn 600, NL-3316 LB DORDRECHT, Postbus 3073, NL-3301 DB DORDRECHT
Pagina 6 van 14
Project:
Verkennend bodemonderzoek, Spoorweg ter hoogte van Zuidhof te Sluiskil
Kenmerk:
PHO\401478\10-12-2021\Versie 1
2.9.
Bodemopbouw en geohydrologie In tabel 2.2 is de globale geologische bodemopbouw van de locatie weergegeven. Gegevens over de geohydrologie en de bodemopbouw zijn verkregen uit de Grondwaterkaart van Nederland (TNO/DGV, kaartblad Zeeuws Vlaanderen, november 1982). De verschillende afzettingen zijn van boven naar beneden weergegeven (respectievelijk van jong naar oud). De onderzoekslocatie heeft een hoogte van circa NAP + 1,6 meter. Tabel 2.2: Gegevens geologie Pakket
Diepte
Formatie
Samenstelling
(m-mv) Deklaag
0 – 11
Westland Formatie
Zand, klei-en veenlagen
Eerste watervoerend pakket
11 – 18
Formatie van Twente
Zand
>18
Formatie van Rupel
Klei
Slecht doorlatende basis
Het grondwater in het eerste watervoerend pakket heeft globaal een noordwestelijk / westelijk gerichte stroming. Het freatisch grondwater in de omgeving van de onderzoekslocatie heeft een niveau van circa 0,85 meter beneden maaiveld. Naar de stromingsrichting van het freatisch grondwater is geen onderzoek gedaan maar wordt waarschijnlijk beïnvloed door lokale omgevingsfactoren zoals voorkeursbanen in de bodem, oppervlaktewateren e.d.
2.10. Conclusie vooronderzoek en onderzoeksopzet Op basis van het vooronderzoek en de locatie-inspectie is een hypothese opgesteld omtrent het al dan niet aanwezig zijn van bodemverontreiniging op de te onderzoeken locatie. Alhoewel bodemverontreiniging niet ondenkbaar is, geeft de verzamelde informatie geen specifiek aanwijsbare bodemverontreinigingen op het onderzoeksterrein. Ook wordt niet verwacht dat de activiteiten op de omliggende percelen de bodemkwaliteit op het onderzoeksterrein negatief hebben beïnvloed. Derhalve is het onderzoek uitgevoerd volgens de richtlijnen uit de NEN-5740+A1 van april 2016 waarbij de bemonsteringsintensiteit voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL) is aangehouden.
© Buro Antares b.v., Aventurijn 600, NL-3316 LB DORDRECHT, Postbus 3073, NL-3301 DB DORDRECHT
Pagina 7 van 14
Project:
Verkennend bodemonderzoek, Spoorweg ter hoogte van Zuidhof te Sluiskil
Kenmerk:
PHO\401478\10-12-2021\Versie 1
3.
VELDWERKONDERZOEK
3.1.
Algemeen De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000 (Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB-procescertificaat voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) en onderliggende protocollen 2001 en 2002. De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de kwaliteitsborging welke in bijlage 7 is opgenomen. De analyses zijn uitgevoerd door het laboratorium van Eurofins - Analytico te Barneveld welke door de overheid in het kader van het Besluit bodemkwaliteit erkend is voor deze werkzaamheden. De voorbewerking en de analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd conform het accreditatieprogramma AS3000. Deze accreditatie garandeert dat bij de analyses consequent de juiste en vastgelegde procedures worden gehanteerd zodat de analyseresultaten een hoge betrouwbaarheid hebben.
3.2.
Uitgevoerde veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden in het kader van het bodemonderzoek zijn op 13 oktober 2021 uitgevoerd door de erkende medewerker de heer M. van Dongen. De bemonstering van het grondwater is op 26 oktober 2021 uitgevoerd door de heer M. van Dongen. In zijn algemeenheid heeft het veldonderzoek uit de volgende werkzaamheden bestaan: •
Terreininspectie en visuele inspectie van het maaiveld;
•
Het verrichten van 8 boringen tot 0,5 m-mv;
•
Het verrichten van 4 boring tot 2,0 m-mv;
•
Het verrichten van 1 boring tot 3,0 m-mv;
•
Het afwerken van 1 boorgat met een peilbuis met een filterstelling van één meter;
•
Visuele beoordeling van de grond op bijmengingen en/of verontreinigingen;
•
Tijdens de terreininspectie binnen het onderzoeksgebied en bij het uitvoeren van de boringen is aandacht geschonken aan de aanwezigheid van asbestverdachte materialen op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal;
•
Beschrijven van boorprofielen en monsterneming van de grond;
•
Het afpompen van de geplaatste peilbuis en het bemonsteren van het grondwater.
•
Beschrijven van boorprofielen en monsterneming van de grond;
•
Het inmeten van de boorposities ten opzichte van een vast punt.
In bijlage 2 is een tekening opgenomen met de situering van de boorpunten. In bijlage 3 zijn de boorbeschrijvingen opgenomen.
3.3.
Resultaten veldonderzoek Terreininspectie Bij de uitgevoerde terreininspectie, voorafgaande aan de start het veldwerk, zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie en in de directe omgeving geen waarnemingen gedaan die op een mogelijke bodemverontreiniging wijzen.
© Buro Antares b.v., Aventurijn 600, NL-3316 LB DORDRECHT, Postbus 3073, NL-3301 DB DORDRECHT
Pagina 8 van 14
Project:
Verkennend bodemonderzoek, Spoorweg ter hoogte van Zuidhof te Sluiskil
Kenmerk:
PHO\401478\10-12-2021\Versie 1
Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen grond De profielbeschrijvingen van de verrichte boringen met de bijbehorende veldwaarnemingen zijn opgenomen in bijlage 3. In het veld zijn de fysische bodemeigenschappen per te onderscheiden bodemlaag omschreven. Over het algeheel bezien blijkt uit de profielbeschrijvingen dat de bodem vanaf maaiveld tot een diepte van 0,5 m-mv uit humeuze en zandige klei bestaat. Hieronder is tot de maximaal geboorde diepte van 3 m-mv siltig zand aangetroffen. In het opgeboorde materiaal zijn geen bijmengingen waargenomen. Zintuiglijke waarnemingen en veldmetingen grondwater Tijdens de bemonstering van het grondwater zijn de zuurgraad (pH), het geleidingsvermogen (EC) en de troebelheid (NTU) gemeten. De resultaten van de veldmetingen zijn samengevat in tabel 3.2. Tabel 3.2. Meetresultaten grondwater Peilbuis
PB01
Filterdiepte
Grondwaterstand
Zuurgraad
Geleidingsvermogen
Troebelheid
(m-mv)
(m-mv)
(pH)
(µS/cm)
(NTU)
2,00 - 3,00
0,85
6,2
990
6,41
In het opgepompte grondwater uit de peilbuis is visueel geen afwijking geconstateerd. De zuurgraad, elektrische-geleidingsvermogen en de troebelheid zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie.
© Buro Antares b.v., Aventurijn 600, NL-3316 LB DORDRECHT, Postbus 3073, NL-3301 DB DORDRECHT
Pagina 9 van 14
Project:
Verkennend bodemonderzoek, Spoorweg ter hoogte van Zuidhof te Sluiskil
Kenmerk:
PHO\401478\10-12-2021\Versie 1
4.
CHEMISCH ONDERZOEK
4.1.
Analyseprogramma Voor het chemische laboratoriumonderzoek is ten minste per halve meter één grondmonster genomen. Bodemlagen met afwijkende kenmerken (textuur, kleur, aanwezigheid bodemvreemd materiaal, etc.) zijn apart bemonsterd. In
onderstaande
tabel
zijn
de
uitgevoerde
chemische
analyses,
inclusief
een
beknopte
motivatie/toelichting, weergegeven. De mengmonsters zijn geselecteerd op basis van de verdeling over de locatie, de diepte, de (grond)soort, de antropogene en/of natuurlijke zintuiglijk waargenomen bijmengingen en de beoogde representativiteit. Tabel 4.1. Analyseprogramma grond en grondwater Analyse-
Traject
Boring /
monster
(m-mv)
deelmonsters
Motivatie
Analysepakket
0,00 - 0,50
02 (0,00 - 0,50)
Humeuze en zandhoudende kleiige bovengrond
Standaardpakket grond
02 (0,50 - 1,00)
Silthoudende zandige ondergrond rond het
Standaardpakket grond
03 (1,00 - 1,50)
freatisch vlak
Grond MM 01
03 (0,00 - 0,50) 06 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,50) PB01 (0,00 - 0,50) MM 02
0,50 - 1,50
04 (0,50 - 1,00) 05 (1,00 - 1,50) PB01 (0,50 - 1,00) MM 03
1,50 - 2,00
02 (1,50 - 2,00)
Silthoudende zandige ondergrond
Standaardpakket grond
Vaststellen algemene grondwaterkwaliteit
Standaardpakket grondwater
03 (1,50 - 2,00) 04 (1,50 - 2,00) 05 (1,50 - 2,00) PB01 (1,50 - 2,00) Grondwater PB01
2,00 - 3,00
-
Toelichting op analysepakketten: •
Het standaardpakket grond bestaat uit: droge stof, lutum (deeltjes < 2 m), organisch stofgehalte (humus), zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB’s), polycyclische koolwaterstoffen (PAK’s) en minerale olie (GC, C10-C40).
•
Het standaardpakket grondwater bestaat uit: zware metalen (zie boven), vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), gechloreerde koolwaterstoffen (GKW) en minerale olie (GC, C10-C40).
© Buro Antares b.v., Aventurijn 600, NL-3316 LB DORDRECHT, Postbus 3073, NL-3301 DB DORDRECHT
Pagina 10 van 14
Project:
Verkennend bodemonderzoek, Spoorweg ter hoogte van Zuidhof te Sluiskil
Kenmerk:
PHO\401478\10-12-2021\Versie 1
4.2.
Toetsingskader en toetsingsresultaten Wet bodembescherming De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Wet bodembescherming. Dit bestaat uit achtergrondwaarden, streefwaarden en interventiewaarden. De achtergrondwaarden (grond) staan beschreven in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit en de streefwaarden (grondwater) in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De interventiewaarden zijn gebaseerd op de risico's voor de volksgezondheid en het ecosysteem. De interventiewaarden staan beschreven in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De analyseresultaten zijn getoetst middels de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). De analyseresultaten van de grond worden hierbij middels het gehalte lutum en organische stof (humus) van de bodem omgerekend naar een gestandaardiseerd gehalte. Ook de analyseresultaten van het grondwater worden omgerekend naar een gestandaardiseerde concentratie. Achtergrondwaarden (AW) en streefwaarden (S) De achtergrondwaarden voor de grond en de streefwaarden voor het grondwater geven het uiteindelijk te bereiken kwaliteitsniveau aan. De achtergrond- en streefwaarden hebben betrekking op de in de natuur voorkomende achtergrondconcentraties, of detectiegrenzen bij stoffen die niet in natuurlijke milieus voorkomen.