2022-11-29 a. Vaststellen Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023 - ontwerpbesluit
Tekst van het document
Gemeenteraad Ontwerpbesluit
Zitting van 15 december 2022 Omgeving & Economie - Planvorming zaaknummer: 5404
2022_Raad_00206 - Vaststelling Verordening Fysieke Leefomgeving 2023 Portefeuillehouder Frank Hulle,van Programma en/of paragraaf Programma Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing Besluit Besluitpunt 1 De gemeenteraad besluit de Verordening Fysieke Leefomgeving Terneuzen 2023 vast te stellen. Besluitpunt 2 De gemeenteraad besluit de volgende (delen van) verordeningen in te trekken: 1. De Bouwverordening gemeente Terneuzen 2016, vastgesteld op 27 september 2018; 2. De Afvalstoffenverordening Terneuzen 2020, vastgesteld op 7 november 2019; 3. De Algemene Verordening Ondergrondse Infastructuren (AVOI), vastgesteld op 13 maart 2014; 4. De Destructieverordening Terneuzen, vastgesteld op 16 december 2004; 5. De Erfgoedverordening Terneuzen 2011, vastgesteld op 27 januari 2011; 6. De Gebruiksverordening tweede woningenTerneuzen, vastgesteld op 16 december 2004; 7. De Parkeerverordening Terneuzen 2008, vastgesteld op 20 december 2007; 8. De Wegsleepverordening gemeente Terneuzen, vastgesteld op 16 maart 2017; 9. De Algemene Plaatselijke Verordening Terneuzen 2021, vastgesteld op 3 juni 2021; 10. De artikelen 16 en 26 van de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Terneuzen 2022, vastgesteld op 16 december 2021
1/164
Wat is de aanleiding? Vanaf de invoeringsdatum van de Omgevingswet die nu is voorzien op 1 juli 2023 hebben wij automatisch een zogenaamd tijdelijk omgevingsplan. Dit bestaat uit de ruimtelijke regels van alle huidige vastgestelde bestemmingsplannen en beheersverordeningen en Rijksregels over activiteiten (ook wel de Bruidsschat Omgevingsplan). De Omgevingswet verplicht gemeenten om uiterlijk op 31 december 2029 alle regels over de fysieke leefomgeving te bundelen in één omgevingsplan. In de overgangsperiode (de periode tussen de datum van inwerkingtreding en 31 december 2029) moeten alle regels die in de gemeente gelden voor de fysieke leefomgeving verhuizen naar het definitieve omgevingsplan Op dit moment staan deze regels over de fysieke leefomgeving naast in onze ruimtelijke plannen verspreid over een behoorlijk aantal verordeningen. Al deze regels moeten voor eind 2029 'verhuizen' naar het omgevingsplan. Een kapvergunning is nu bijvoorbeeld geregeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), maar die moet uiteindelijk geregeld worden in het definitieve omgevingsplan. Het opstellen van een definitief omgevingsplan willen wij gedegen en zorgvuldig samen met o.a. inwoners, belangenorganisaties, bedrijven, het college en de gemeenteraad oppakken. De voorbereidingen hiervoor zullen pas na de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden opgepakt.
Dit sluit echter niet uit dat wij wel al alle regels ten aanzien van de fysieke leefomgeving uit de verschillende verordeningen willen bundelen in één Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Door deze namelijk te bundelen in één regeling voor de fysieke leefomgeving, ontstaat één overzichtelijk geheel van regels over de fysieke leefomgeving. Dit zorgt voor gebruiksgemak voor initiatiefnemers en sluit aan bij het gedachtengoed van de Omgevingswet. Op het moment dat we dan aan de slag gaan met het omgevingsplan of met een wijziging omgevingsplan naar aanleiding van een concreet verzoek kunnen wij nagaan welke regels uit de VFL “activiteitgericht” geformuleerd moeten gaan worden, volgens de systematiek van de Omgevingswet. Op die manier kunnen tijdens de overgangsperiode onderdelen van de VFL geleidelijk onderdeel worden van het definitieve omgevingsplan en beschikken we over een overzichtelijk regelkader dat van toepassing is op initiatieven. Ondanks dat de Omgevingswet nog niet ingaat op 1 januari 2023 stellen wij u voor de Verordening Fysieke Leefomgeving Terneuzen 2023 al vast te stellen en in werking te laten treden op 1 januari 2023. Hierbij wordt in de artikelen nog verwezen naar de huidige geldende regelgeving. Op deze manier raken we al vertrouwd met een meer integrale manier van werken tussen de verschillende afdelingen die betrokken zijn bij de fysieke leefomgeving.
Wat willen we bereiken? Een bundeling van regelgeving die invloed heeft op de fysieke leefomgeving. Deze bundeling moet de overgang van deze regelgeving van afzonderlijke verordeningen naar regels in het definitieve omgevingsplan vergemakkelijken. Het risico op het "vergeten" van regels die moeten worden opgenomen in het omgevingsplan wordt kleiner door de bundeling. Ook is het eenvoudiger om de regelgeving inhoudelijk te stroomlijnen, en onderlinge tegenstrijdigheden - voor zover aanwezig- weg te halen
2/164
Argumenten 1.1 We brengen de regels in gemeentelijke verordeningen die invloed hebben op de fysieke leefomgeving onder in één overzichtelijk regelkader. Bundeling van de regelgeving vereenvoudigt de overgang van deze regels naar een definitief omgevingsplan eenvoudiger. We lopen niet of minder het risico dat regels in onderliggende verordeningen blijven staan, die na de overgangstermijn voor het opstellen van een definitief omgevingsplan hun werking verliezen. Dat geldt in ieder geval voor de verplicht op te nemen regelgeving, zoals die voor het maken van een uitweg, of het kappen van een of meer bomen. Deze regels kunnen de fysieke leefomgeving wijzigen. Daarnaast kent de verordening een groot aantal artikelen, die invloed hebben op de gebruiksmogelijkheden van de fysieke leefomgeving. Te denken valt aan een standplaatsvergunning. De fysieke leefomgeving wijzigt slechts tijdelijk door het gebruik maken van een dergelijke vergunning. Na afloop van de gebruiksduur van de vergunning is de oorspronkelijke leefomgeving weer als voorheen. Toch kiest de gemeenteraad er voor om ook deze regels onderdeel te laten zijn van deze verordening, om versnippering van regelgeving te voorkomen. 1.2. We zetten de regels grotendeels beleidsneutraal over naar de nieuwe Verordening Fysieke Leefomgeving De regels uit de verschillende verordeningen zetten wij beleidsneutraal over naar de VFL.
Enige artikelen zijn alleen aangepast vanwege benodigde actualisatie, afstemming op de termen vanuit de Omgevingswet of om de inzichtelijkheid en leesbaarheid te vergroten. Het is momenteel niet gewenst om Ingrijpende beleidswijzigingen door te voeren voordat de gemeente een omgevingsvisie heeft, waarin het (nieuwe) beleid over de fysieke leefomgeving staat. Dit beleid dient in het omgevingsplan te worden vertaald in regels. De regels uit de VFL dienen hierin betrokken te worden. In bijlage III bij dit voorstel vindt u een overzicht van de aanpassingen. Oorspronkelijk was het idee om de huidige Marktverordening ook op te nemen in de VFL. De Marktverordening dateert van 2011. Hierin is een vergunning voor een vaste standplaats op de weekmarkt nu in principe onbegrensd in tijd. Door Europese rechtspraak en regelgeving moet een vergunning in tijd begrensd worden. De tijdsduur van de vergunning moet het mogelijk maken de gemaakte investeringen terug te verdienen. Een dergelijke aanpassing is niet beleidsneutraal. Bovendien moet hierover voorafgaand aan het vaststellen van beleidswijzigingen zorgvuldig overleg worden gevoerd met de marktkooplieden en de marktcommissie. Om die reden zullen wij de Marktverordening op een later moment integreren in de VFL danwel in het uiteindelijke omgevingsplan.
Kanttekeningen 1.1 De Omgevingswet treedt niet in werking op 1 januari 2023 Ondanks het feit dat de inwerkingtreding van de Omgevingswet wederom is uitgesteld, dient altijd gestreefd te worden naar een zo integraal mogelijke aanpak bij ontwikkelingen in het fysieke domein. Door te gaan werken met de VFL wordt integraal werken intern tussen de verschillende teams maar ook extern voor aanvragers van vergunningen en/of ketenpartners meer evident. Verder is het in praktische zin gewoon ook handig deze verordening al te hebben liggen. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, dient de VFL 'enkel' nog Omgevingswetproof te worden gemaakt.
3/164
Wat mag het kosten? De kosten voor het inhuren van een bureau voor het opstellen van deze verordening zijn gedekt binnen het budget van de Omgevingswet (FCL 6810010 en ECL 33037) Wanneer we aan de slag gaan met het Omgevingsplan en het hiernaar overbrengen van de regels uit de Verordening Fysieke Leefomgeving zal dit ook kosten met zich meebrengen. Omdat nog niet duidelijk is wanneer we starten met het Omgevingsplan zal hiervoor naar verwachting een aanbesteding dienen plaats te vinden. Via het Gemeentefonds hebben wij in september (septembercirculaire) incidenteel budget toegewezen gekregen. Voor het opstellen van de omgevingsvisie en het omgevingsplan nemen wij een stelpost op (00100U) van resp. € 190.000 voor 2023 en € 165.000 voor 2024. Wat gaan we ervoor doen? Als de gemeenteraad besluit in te stemmen met het voorstel tot vaststelling van de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL), dan zal het college dit besluit op de gebruikelijke wijze moeten publiceren. Het concept van het besluit van de gemeenteraad tot vaststelling van de VFL is als bijlage IV aan het voorstel toegevoegd.
Bijlagen 1. Bijlage I Verordening Fysieke Leefomgeving Terneuzen 2023.pdf 2. Bijlage II Toelichting op de VFL 2023.pdf 3. Bijlage III bij raadsvoorstel VFL - overzicht aangepaste artikelen (2).pdf 4. Bijlage IV 20221015 Concept raadsbesluit VFL d.d. 15.12.22.pdf
4/164
Verordening Fysieke Leefomgeving Terneuzen 2023
Gemeente Terneuzen 5/164
1
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN ........................................................................... 4 HOOFDSTUK 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING .................................... 5 Afdeling 2.1 Cultureel Erfgoed.............................................................................................. 5 Afdeling 2.2. Afvalbeheer ..................................................................................................... 6 Afdeling 2.3 Weekmarkten ................................................................................................... 7 Afdeling 2.4 Beschermenswaardige bomen ......................................................................... 7 Afdeling 2.5 Hondenuitlaatterreinen ..................................................................................... 7 Afdeling 2.6 Parkeerregulering ............................................................................................. 7 Afdeling 2.7 Aanwijzen wegen waar wegsleepregeling geldt ............................................... 8 Afdeling 2.8 Standplaatsen ................................................................................................. 8 Afdeling 2.9 Gebruik woonruimte als 2e woning....................................................................
8 Afdeling 2.10 Duurzaamheid energie-opwekking ................................................................. 9 HOOFDSTUK 3: ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE OMGEVING ............................................ 10 Afdeling 3.1. Inleidende bepalingen ................................................................................... 10 Afdeling 3.2. Activiteiten met betrekking tot bouwwerken open erven en terreinen ............. 13 Afdeling 3.3. Milieubelastende activiteiten .......................................................................... 14 Afdeling 3.4. Activiteiten in de openbare ruimte.................................................................. 22 Afdeling 3.5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de Gemeente. ............ 31 Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed .............................................. 38 Afdeling 3.7 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren ............................................. 41 Afdeling 3.8 Activiteiten met betrekking tot begraafplaatsen............................................... 43 Afdeling 3.9 Activiteiten met betrekking tot het gebruik van woningen ................................ 43 HOOFDSTUK 4 BEHEER EN ONDERHOUD.......................................................................
45 Afdeling 4.1 Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen ............................................... 45 Afdeling 4.2. Gedoogplichten ............................................................................................. 45 HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE BEPALINGEN ....................................................................... 46 Afdeling 5.1 Wegslepen voertuigen .................................................................................... 46 Afdeling 5.2 Tegemoetkoming in schade........................................................................... 47 HOOFDSTUK 6 PROCEDUREREGELS ............................................................................... 48 Afdeling 6.1. Advies ........................................................................................................... 48 HOOFDSTUK 7 HANDHAVING EN STRAFBEPALING ........................................................ 49 HOOFDSTUK 8 OVERGANGSRECHT ................................................................................ 50 Hoofdstuk 9 SLOTBEPALINGEN........................................................................................... 50 Bijlage I: Begripsbepalingen als bedoeld in artikel 1.1. van deze verordening ....................
52 Bijlage 2: Aangewezen hondenuitlaatterreinen als bedoeld in artikel 2.11 van deze verordening ........................................................................................................................ 62 2 6/164
Bijlage 3: Aangewezen zones parkeren door vergunninghouders, als bedoeld in artikel 2.12 van deze verordening ......................................................................................................... 64 Bijlage 4: Aangewezen standplaatsen als bedoeld in artikel 2.15 van deze verordening ... 66 Bijlage 5: Aangewezen zoekgebieden windenergie en afgewezen gebieden windenergie als bedoeld in artikel 2.17 van deze verordening ..................................................................... 67 Aangewezen zoekgebieden ............................................................................................... 67 Afgewezen gebieden voor windenergie .............................................................................. 69 Bijlage 6: Excessenregeling als bedoeld in artikel 3.15 van deze verordening .................. 71 VOORWOORD ...................................................................................................................... 72 HOOFDSTUK 1 ..................................................................................................................... 73 INLEIDING EN LEESWIJZER ................................................................................................ 73 HOOFDSTUK 2 .....................................................................................................................
76 RUIMTELIJK KWALITEITSBELEID ........................................................................................ 76 Forten en kreken ................................................................................................................ 80 Terneuzen 1850 ................................................................................................................. 80 Terneuzen nu ..................................................................................................................... 80 Water en dijken .................................................................................................................. 80 Ontwikkelingen................................................................................................................... 82 Gevolgen voor ruimtelijk beleid ........................................................................................... 82 MONUMENTENBELEID .................................................................................................... 83 RELATIE MET ANDERE PLANVORMEN .......................................................................... 83 HOOFDSTUK 3 .....................................................................................................................
84 CRITERIA BIJ EXCESSEN .................................................................................................... 84 HOOFDSTUK 4 ..................................................................................................................... 85 CRITERIA VOOR (HER)ONTWIKKELINGS- PROJECTEN ................................................... 85 COLOFON............................................................................................................................. 86 Bijlage 7 Transponeringstabel ............................................................................................ 88
7/164
3
De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022 gelet op de artikelen 147, 149 en 154 van de Gemeentewet, de artikelen 3.16 van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 38 van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 8.42b en 10.23 tot en met 10.26 van de Wet milieubeheer en artikel 3.5 van de Wet Dieren, artikelen 2a en 173 lid 2 Wegenverkeerswet 1994, en het Besluit wegslepen voertuigen, artikel 8 van de Woningwet, artikel 36 van de Wet op de Lijkbezorging en de artikelen 2.18, eerste lid onder f en g, 2.21, eerste lid onder a en b en 3.148, tweede lid onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
besluit vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen.
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen
Bijlage I bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Artikel 1.2 Toepassingsbereik
1. Deze verordening gaat over: a. de fysieke leefomgeving; en b. activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. 2. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval: a. bouwwerken; b. infrastructuur; c. watersystemen; d. water; e. bodem; f. lucht; g. landschappen; h. natuur; i. cultureel erfgoed; j. werelderfgoed. 3. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit: a. het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan; b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; c. activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt; d. het nalaten van activiteiten. 8/164
4
4. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt, of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving. Artikel 1.3 Doelen van de verordening
Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de gemeente en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 1.4 Verhouding tot andere regelgeving
Deze verordening is niet van toepassing op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, die bij of krachtens een wet, een algemene maatregel van bestuur, een ministeriële regeling of provinciale verordening uitputtend zijn geregeld, tenzij uit de bepalingen van deze verordening anders blijkt.
HOOFDSTUK 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING Afdeling 2.1 Cultureel Erfgoed § 2.1.1. Gemeentelijke monumenten Artikel 2.1 De aanwijzing gemeentelijke monumenten
1. Het college kan besluiten een onroerende zaak die van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.
9/164
5
Artikel 2.2 Voornemen tot aanwijzing
1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 2.1, eerste lid, maakt het college schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de commissie, bedoeld in artikel 6.2 van deze verordening 3. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 2.3 Voorbescherming
1. De artikelen 3.130 tot en met 3.133 zijn van overeenkomstige toepassing op het monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in de gemeentelijke monumentenlijst Artikel 2.4 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving
1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct op de gemeentelijke monumentenlijst. Artikel 2.5 Registratie op het gemeentelijke monumentenlijst 1. Het college registreert het gemeentelijke monument op gemeentelijke monumentenlijst. 2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de
aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 2.6 Wijziging gemeentelijke monumentenlijst, vervallen aanwijzing monument
1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in de gemeentelijke monumentenlijst. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit de lijst zijn de artikelen 2.1 tot en met 2.5 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument, waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt direct bijgehouden op de gemeentelijke monumentenlijst.
Afdeling 2.2. Afvalbeheer Artikel 2.7 Aanwijzing van de inzameldienst
1. Het college wijst de inzameldienst aan, die belast is met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissing) is niet van toepassing. 6 10/164
3. Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt 4. Het college kan een ondernemer aanwijzen die belast is met de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren. Artikel 2.8 Aanwijzing van inzamelplaats
Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats, binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om (gescheiden) huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten.
Afdeling 2.3 Weekmarkten Artikel 2.9 Gereserveerd
Afdeling 2.4 Beschermenswaardige bomen Artikel 2.10 Aanwijzing Monumentale en waardevolle bomen
1. Het college wijst waardevolle bomen aan, en neemt deze op in de waardevolle bomenlijst. 2. De waardevolle bomen in de gemeenten zijn opgedeeld in drie categorieën: a. monumentale bomen, dat zijn de uitermate bijzondere bomen, b. potentieel monumentale bomen die zich in de toekomst kunnen ontwikkelen tot monumentale bomen, maar nu nog niet aan alle criteria voldoen en c. waardevolle bomen. 3. Elke boom op de waardevolle bomenlijst voldoet aan alle punten genoemd onder A, en/of in uitzonderlijke hoge mate aan tenminste 1 van de criteria genoemd onder B. Criteria: A Omtrek boom omtrek op 1.30 m hoogte bedraagt 150 cm of meer; Zichtbaarheid de boom is zichtbaar vanaf de weg (beeldbepalend); Toekomst de boom heeft een redelijke toekomstverwachting (>10 jaar) B Soort de boom is bijzonder in de streek of heeft een voor de soort bijzondere groei Ecologisch de boom is ecologisch gezien van grote waarde Cultuurhistorisch de boom is cultuurhistorisch waardevol
Afdeling 2.5 Hondenuitlaatterreinen Artikel 2.11 Aanwijzing hondenuitlaatterreinen
1. Het college wijst hondenuitlaatterreinen in de gemeente aan. Deze terreinen zijn opgenomen in bijlage 2 van deze verordening 2. Op deze terreinen mogen honden los lopen en spelen en hun behoefte doen, zonder dat een opruimplicht, bedoeld in artikel 3.48 van de verordening, geldt voor de eigenaar/houder van de hond.
Afdeling 2.6 Parkeerregulering Artikel 2.12 Aanwijzing weggedeelten en tijdstippen parkeren door vergunninghouders
11/164
7
1. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten en zones aanwijzen die
bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. De zones zijn aangewezen volgens bijlage 3 van deze verordening. 2. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is toegestaan.
Afdeling 2.7 Aanwijzen wegen waar wegsleepregeling geldt Artikel 2.13 Aanwijzing wegen en weggedeelten waar voertuigen kunnen worden verwijderd
Als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c van de Wegenverkeerswet 1994 worden alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente aangewezen voor zover ze behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen bedoelde soorten van wegen en weggedeelten. Artikel 2.14 Aanwijzing plaats van bewaring voertuigen en openingstijden
1. Als plaatsen van bewaring van voertuigen wordt aangewezen de gemeentelijke opslaglocatie ‘De Koegors’ aan de Koegorsstraat 4, 4538 PK Terneuzen en het daartoe ingerichte terrein behorende bij de berger waarmee de gemeente een overeenkomst heeft op de datum wanneer het voertuig is weggesleept. 2. De openingstijden van de in het eerste lid bedoelde bewaarplaatsen voor het afhalen van weggesleepte voertuigen zijn: a. maandag tot en met vrijdag van 08.00 uur tot 18.00 uur; b. op feestdagen en in het weekend wordt toegang tot de bewaarplaatsen verleend via de piketdienst van de gemeente. 3. Door of namens het college kan een tijdelijke plaats van bewaring worden aangewezen in het geval dat een specifieke situatie daartoe aanleiding geeft
Afdeling 2.8 Standplaatsen Artikel 2.15 Aanwijzen locaties voor innemen standplaats
1. Het college kan weggedeelten of andere delen van de openbare ruimte aanwijzen die bestemd zijn voor het innemen van een standplaats, als bedoeld in § 3.5.4 van deze verordening. 2. Deze aangewezen standplaatsen zijn opgenomen in bijlage 4 van deze verordening.
Afdeling 2.9 Gebruik woonruimte als 2e woning Artikel 2.16 Aanwijzing gebied verbod gebruik woningen als 2e woning
Als woonruimte als bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 worden aangewezen, de woonruimten in de bebouwde kom van de kernen Biervliet, Hoek, Sluiskil, Terneuzen, Zaamslag, Philippine, Sas van Gent, Zandstraat en Westdorpe, Axel, Koewacht, Zuiddorpe, Kijkuit, Graaf Jansdijk, Magrette, en Overslag, zoals deze is vastgesteld op basis van artikel 27 van de Wegenwet.
12/164
8
Afdeling 2.10 Duurzaamheid energie-opwekking Artikel 2.17 Aanwijzing zoekgebieden windenergie
1. De gemeenteraad wijst de zoekgebieden aan waar, onder in het beleidskader windenergie aangegeven voorwaarden, onderzoek naar de haalbaarheid van windturbines kan worden ingesteld. Deze zoekgebieden maken als bijlage 5 deel uit van deze verordening; 2. De randvoorwaarden die een initiatiefnemer bij het uitvoeren van de haalbaarheidsonderzoek tenminste in acht moet nemen zijn als volgt: a. De afstand van windturbines tot woonkernen, om hinder waar mogelijk te minimaliseren (ten minste 1.000 m); b. De situering van windturbines op of bij industrieterreinen, om de afstand voor de elektrische infrastructuur tussen opwekker van energie en afnemer van energie te bekorten; c. De situering van windturbines aan of bij grootschalige infrastructuur, om zichtlijnen te combineren; d. De initiatiefnemer voor het haalbaarheidsonderzoek betrekt de (woon)omgeving bij het onderzoek, en stelt daarvoor een participatieplan. Dat participatieplan moet tenminste aansluiten bij de handleiding van de Nederlandse Windenergie Associatie 27/30 23; e. Het windproject moet profijt voor de omgeving opleveren. Dit moet blijken uit een door de initiatiefnemer opgesteld profijtplan; f. Het windproject maakt gebruik van de Best Beschikbare Technieken voor windturbines (BBT). 3.
De gemeenteraad wijst de gebieden aan die niet geschikt zijn voor de toepassing van windenergie, omdat deze gebieden niet voldoen aan de randvoorwaarden genoemd in lid 2. Deze uitgesloten gebieden maken als bijlage 5 deel uit van deze verordening.
13/164
9
HOOFDSTUK 3: ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE OMGEVING Afdeling 3.1. Inleidende bepalingen Artikel 3.1 Toepassingsbereik
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving en die zijn aangewezen in dit hoofdstuk. 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op activiteiten die door of vanwege de gemeente Terneuzen worden verricht voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak, tenzij in deze verordening anders bepaald. Artikel 3.2 Normadressaat
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij deze verordening anders bepaalt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.1 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen met het oog waarop de regels over die activiteit zijn gesteld, is verplicht: 1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; 2. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en 3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Artikel 3.4 Algemene aanvraagvereisten
1. Bij een aanvraag voor een (omgevings)vergunning of ontheffing worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt; a. een beschrijving van de activiteit waarvoor vergunning of ontheffing wordt gevraagd; b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten op de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of van een gemachtigde. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet aanvrager in aanvulling op het eerste lid: a. het bodemonderzoek aanleveren in pdf-formaat en in de laatste xml-versie. 3. Het college kan nadere eisen verbinden aan de in te dienen gegevens en bescheiden bij een aanvraag voor een (omgevings)vergunning of ontheffing. Artikel 3.5 Ontheffing en aanwijzing
1. Van een verbod in dit hoofdstuk kan ontheffing worden verleend. 14/164
10
2. Het eerste lid is niet van toepassing als het is verboden zonder vergunning of aanwijzing een activiteit te verrichten. 3. Op de aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.7, een ontheffing en een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 4. In afwijking van het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wel van toepassing op ontheffingen als bedoeld in de artikelen 3.52, lid 4, 3.83 lid 2, 3.84, lid 2 en 3.85, lid 5. Artikel 3.6 Bevoegd gezag en beslistermijn
1. Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het college kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3:52, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 3.139. Artikel 3.7 Voorschriften en beperkingen
1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 2. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 3. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 3.8 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 3.9 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn, of e. de houder dit verzoekt. Artikel 3.10 Termijnen
1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. 15/164
11
Artikel 3.11 Weigeringsgronden
1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de volksgezondheid; b. de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; c. de veiligheid, bruikbaarheid en bereikbaarheid van de openbare weg; d. de bescherming van het milieu; 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
16/164
12
Afdeling 3.2. Activiteiten met betrekking tot bouwwerken open erven en terreinen § 3.2.1 Algemeen Artikel 3.12 Doel
1. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. de bescherming van de gezondheid; c. de bescherming van de bodem; d. het voorkomen en beperken van gevaar, schade en hinder; e. de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer; f. de bescherming van archeologische waarden. Artikel 3.13 Aanwijzen activiteiten
Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen a. het bouwen van een gebouw op een locatie waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is, met uitzondering van de activiteiten die naar aard en omvang gelijk zijn aan de activiteiten bedoeld in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht; b. Het bouwen van gebouwen en bouwwerken die de omgeving ontsieren. § 3.2.2 Bouwen op verontreinigde bodem Artikel 3.14 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
1. Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, en c. dat de grond raakt, of, waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke, gebruik niet wordt gehandhaafd. 2. Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. § 3.2.3 Beoordeling excessen Artikel 3.15 Beoordeling excessen 1. Het is verboden bouwwerken op te richten die voor de omgeving als ontsierend zijn aan te
merken. 2. Naar aanleiding van eigen waarnemingen of klachten is het college bevoegd zich een
oordeel te vormen over de buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn. 3. Bij deze beoordeling dient de excessenregeling Terneuzen als kader. Deze excessenregeling maakt als bijlage 6 deel uit van deze verordening.
17/164
13
Afdeling 3.3. Milieubelastende activiteiten § 3.3.1 Algemeen Artikel 3.16 Doel
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: 1. het waarborgen van de veiligheid; 2. het beschermen van de gezondheid; en 3. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: a. het beschermen tegen milieuverontreiniging; b. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; c. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; d. een doelmatig beheer van afvalstoffen; e. het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder; f. het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan; § 3.3.2. Geluid en lichthinder door festiviteiten Artikel 3.17 Aanwijzing activiteiten
Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1. wordt aangewezen het vieren van festiviteiten. Artikel 3.18 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet
2.
3.
4. 5.
voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten in de daarbij aan te wijzen woonkernen of delen van woonkernen gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen tot de vermelde eindtijd. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht, zoals bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. In een aanwijzing zoals bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen, dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer van de volgende woonkernen of delen van woonkernen: Axel, Koewacht, Nieuwe Molen (bij Koewacht), Zuiddorpe, Overslag, Magrette, Spui, Schapenbout, Sas van Gent, Philippine, Westdorpe, Zandstraat, Binnenstad Terneuzen (het gebied binnen de ring Scheldeboulevard inclusief restaurant aan de Scheldeboulevard 1, Binnenvaartweg, Kennedylaan, Herengracht en De Blokken), Terneuzen, Biervliet, Driewegen (bij Biervliet), Hoek, Sluiskil en Zaamslag. Het college maakt de aanwijzing tenminste 4 weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
Artikel 3.19 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar
incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 18/164
14
2.
3. 4. 5.
6.
7.
8.
2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting tenminste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar met de viering van incidentele festiviteiten, de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit, niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting tenminste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit, uiterlijk om 1.00 uur beëindigd.
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op ruimtes in gebouwen waarvan de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bouwbesluit tenminste 15 dB bedraagt. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
Artikel 3.20 Onversterkte muziek 1. Het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18 eerste lid onder f
en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is uitsluitend toegestaan tussen 10.00 en 22.00 uur. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 3.18 of 3.19. van deze verordening. Artikel 3.21 Geluidhinder door knalapparaten
1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een knalapparaat in werking te hebben, te gebruiken of te doen gebruiken. 2. Het verbod is niet van toepassing op knalapparaten voor het verjagen van vogels van ingezaaide of ingeplante akkers en knalapparaten voor het verjagen van vogels uit boomgaarden ter bescherming van rijpend fruit of noten, als: a. een knalapparaat niet in werking is voor 07.00 uur en na 21.00 uur; b. de kortste afstand tussen een knalapparaat en een geluidsgevoelig gebouw of terrein 300 meter of meer bedraagt; c. de kortste afstand tussen een knalapparaat en de openbare weg tenminste 50 meter bedraagt; d. de loop van een knalapparaat van geluidsgevoelige gebouwen en terreinen af gericht staat; e. binnen 250 meter van een knalapparaat geen ander knalapparaat staat opgesteld. 3. In andere dan de onder lid 2 vermelde gevallen kan door het college ontheffing worden verleend. Een verzoek om ontheffing moet vergezeld gaan van een akoestisch onderzoek, waaruit de geluidsbelasting op de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gebouwen en terreinen blijkt. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
19/164
15
Artikel 3.22 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen
Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel 3.23 Geluidhinder door vrachtauto’s
1. Het is verboden buiten een inrichting een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen tussen 19.00 en 07.00 uur dat daarvoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3.24 Overige geluidhinder
1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties het Vuurwerkbesluit, of de provinciale milieuverordening. Artikel 3.25 Mosquito
1. Onder mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken. 2. In afwijking van artikel 3.24 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste drie maanden verlengen. § 3.3.3 Afvalbeheer Artikel 3.26 Aanwijzing activiteiten
1. Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen: a. het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen; b. het ter inzameling aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen; c. het inzamelen van de kadavers van gezelschapsdieren; 20/164
16
d. andere activiteiten met afvalstoffen, met uitzondering van activiteiten in een inrichting; en e. activiteiten waardoor zwerfafval kan ontstaan. 2. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, zijn de regels in deze paragraaf ook van toepassing op het inzamelen van afvalstoffen dat wordt verricht door of vanwege de gemeente Terneuzen voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak. Artikel 3.27 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.26 in ieder geval in dat: 1. geen hinder of verontreiniging van het milieu of een weg wordt veroorzaakt door een afvalstof: a. op of in de bodem of op een weg te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen; of b. te vervoeren of te laden of te lossen; 2. het ontstaan van zwerfafval wordt voorkomen door: a. op of bij een locatie waar eet- of drinkwaren worden verkocht, die ter plaatse kunnen worden genuttigd, een voor het publiek toegankelijke afvalbak beschikbaar te hebben en door deze tijdig te legen; b. etenswaren, verpakkingen, afval en andere materialen, afkomstig van een locatie als bedoeld onder a, binnen een straal van 25 m van die locatie zo vaak als nodig te verwijderen; c. huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht niet achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van die afvalstoffen; d. drukwerk, inclusief de verpakking, dat onder het publiek wordt verspreid en in de openbare ruimte wordt achtergelaten, onverwijld op te ruimen; e. afvalstoffen of inzamelmiddelen met afvalstoffen die klaar staan voor inzameling niet te doorzoeken, te verspreiden, te stoten, te schoppen of omver te stoten; 3.
als verontreiniging van het milieu of een weg is ontstaan door het verrichten van een activiteit, alle maatregelen worden getroffen om die verontreiniging ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken; 4. geen afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht worden opgeslagen, tenzij dat opslaan in overeenstemming is met de regels in deze verordening en de daarvoor geldende rijksregels; 5. autowrakken niet worden achtergelaten maar worden afgegeven aan: a. een autodemontagebedrijf als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer; b. degene die een inrichting drijft waar onderhoud en reparatie van motorvoertuigen plaatsvindt als bedoeld in categorie 28.10 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht; of c. degene die in een ander land dan Nederland is gevestigd en die overeenkomstig de EGverordening overbrenging van afvalstoffen en titel 10.7 van de Wet milieubeheer het autowrak naar dat land brengt; 6. ongeadresseerd reclamedrukwerk alleen wordt bezorgd als de ontvanger kenbaar heeft gemaakt daar prijs op te stellen. Artikel 3.28 Regulering van andere inzamelaars
1. Het is voor anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a. daartoe is aangewezen door het college; 21/164
17
b. bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld, of c. verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2. Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 2.7 lid 2, van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.29 Algemene verboden
Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: 1. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid; 2. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, of 3. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 2.8 en 3.34. Artikel 3.30 Inzamelmiddelen en –voorzieningen
1. De inzameling kan plaatsvinden via: a. een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel; b. een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen; c. een inzamelvoorziening op wijkniveau; d. een brengdepot op lokaal of regionaal niveau (milieustraat) . 2. Het college is bevoegd aan te wijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Artikel 3.31 Gescheiden afvalinzameling
1. De inzameldienst zamelt huishoudelijk restafval, samen met plastic- en metaalverpakkingen en drankenkartons (PMD+) tenminste eenmaal per twee weken afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel. 2. De inzameldienst zamelt bioafval tenminste eenmaal per twee weken afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel. 3. In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders besluiten om bioafval bij bepaalde bouwtypes niet afzonderlijk in te zamelen. 4. De inzameldienst zamelt oud papier en karton tenminste eenmaal per vier weken afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel. 5. De inzameldienst zamelt grof huishoudelijk afval op basis van afroep (op vooraf vastgestelde dagen) afzonderlijk in bij of nabij elk perceel. 6. De inzameldienst zamelt grof huishoudelijk tuinafval tenminste twee maal per jaar afzonderlijk in, bij of nabij elk perceel, op basis van afroep. 7. Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, die afzonderlijk met inzamelvoorzieningen nabij percelen ingezameld worden en gescheiden aangeboden dienen te worden alsook op een daartoe ter beschikking gestelde plaats afzonderlijk ingezameld en gescheiden aangeboden dienen te worden. 8. Ten behoeve van pilots en uit het oogpunt van een doelmatig beheer kan het college afwijken van het bepaalde in lid 1 t/m 6. Artikel 3.32 Gescheiden aanbieding
1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.31, anders dan afzonderlijk: a. ter inzameling aan te bieden; b. achter te laten op een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 2.8. 22/164
18
2. Hert college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.33 Tijdstip van aanbieding
Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel 3.34 Wijze en plaats van aanbieding
1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van: a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. 2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, als bedoeld in artikel 3.33, buiten een perceel te laten staan. 3. Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Artikel 3.35 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst
Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 2.7. Artikel 3.36 Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen
Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 3.35 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, of over te dragen of bij een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 2.8, achter te laten. Op de milieustraat worden geen bedrijfsafvalstoffen geaccepteerd. Artikel 3.37 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen
1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 3.35 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Artikel 3.38 Dumpingsverbod
1. Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; 23/164
19
c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. 3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel 3.39 Zwerfafval in de openbare ruimte
1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3. Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. Artikel 3.40 Ongeadresseerd drukwerk
1. Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan. Artikel 3.41 Zwerfafval rondom inrichtingen
1. Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2. Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. 3. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.42 Afval en verontreiniging op de weg
1. Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2. Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel 3.43 Geen opslag van afval in de open lucht
Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met de artikelen 3.28 tot en 24/164
20
met 3.34 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Het verbod geldt niet als voor de opslag van afvalstoffen een omgevingsvergunning is afgegeven. Artikel 3.44 Kadavers van gezelschapsdieren
1. Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren. 2. Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, geeft de houder van het kadaver dit af aan de ondernemer, bedoeld in artikel 2.7, lid 4. 3. Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal. 4. Het derde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG.] Artikel 3.45 Ontdoen van autowrakken
Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken. § 3.3.4 Bodem-, weg-, en milieuverontreiniging Artikel 3.46 Straatvegen
Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 3.47 Natuurlijke behoefte doen
Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 3.48 Verontreiniging door honden
1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is een ieder die een hond bij zich heeft binnen de bebouwde kom, verplicht een deugdelijk hulpmiddel ter onmiddellijke verwijdering van hondenuitwerpselen op een openbare plaats bij zich te hebben en dit hulpmiddel op eerste aanvraag van een daartoe bevoegd opsporingsambtenaar te tonen. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen, bedoeld in artikel 2.11 van deze verordening. Artikel 3.49 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen