2021-12-02 a. Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2022 - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
Gemeenteraad Ontwerpbesluit
Zitting van 16 december 2021 Samenleving - Maatschappelijke Ontwikkeling zaaknummer: 342240
2021_Raad_00258 - Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2022 Portefeuillehouder Jurgen Vervaet Programma en/of paragraaf Programma Sociaal Domein Overeenstemming met Adviesraad Wmo en Adviesraad Participatiewet Team Bestuur en Interne Zaken Besluit Besluitpunt 1 De gemeenteraad besluit de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2022 vast te stellen met ingang van 1 maart 2022. Besluitpunt 2 De gemeenteraad besluit de volgende verordeningen in te trekken met ingang van 1 maart 2022: Verordening jeugdhulp Terneuzen 2017 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 Verordening Tegenprestatie Participatiewet Verordening Loonkostensubsidie Participatiewet Re-integratieverordening Participatiewet Verordening Cliëntenparticipatie Participatiewet Verordening Individuele Studietoeslag Participatiewet Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Verordening Verrekening Bestuurlijke Boete bij recidive Participatiewet Verordening Individuele Inkomenstoeslag Participatiewet
Wat is de aanleiding? In de integrale Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2022 combineren we de verschillende verordeningen uit de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Participatiewet. Aanleiding voor deze verordening is het Beleidsplan sociaal domein
1/50
2022-2025 "Iedereen aan boord". Samengevat zegt dit beleidsplan: “Iedereen moet mee kunnen doen in onze gemeente. In het sociaal domein werken we aan verdere vernieuwing en aan verbetering van de samenwerking tussen organisaties. We zetten in op integraal werken volgens het principe van één gezin, één plan, één regisseur. Ondersteuning en hulp zijn zo snel, adequaat, vroeg en dichtbij mogelijk. We gaan uit van kwaliteit.” De verordening regelt hoe we dit uitvoeren.
Wat willen we bereiken? We willen bereiken dat alle inwoners van Terneuzen actief kunnen deelnemen aan de samenleving. We streven er in ieder geval naar dat inwoners: gezond en veilig opgroeien en zich optimaal ontwikkelen; een zinvolle dagbesteding hebben (van betaald werk tot vrijwilligerswerk); een inkomen hebben; hun financiën op orde hebben en houden; een eigen huishouding voeren en voor zichzelf zorgen; een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij (zo lang mogelijk) zelfstandig en veilig wonen. We staan daarbij voor een samenleving waarin iedereen zich thuis voelt. Hiervoor werken we aan integrale, efficiënte en effectieve dienstverlening aan onze inwoners volgens het principe één gezin, één plan en één regisseur.
Argumenten 1.1 De verordening vormt een goede basis voor betere en integrale dienstverlening aan onze inwoners. Met deze verordening kunnen we de ondersteuning van inwoners vanuit de verschillende wetten beter overzien en op elkaar afstemmen. Hierdoor kunnen we inwoners beter ondersteunen. We kunnen zo daadwerkelijk handen en voeten geven aan de ambities van integraal werken en één gezin, één plan, één regisseur. Het integraal aanpakken van ondersteuningsvragen is doeltreffender en efficiënter. 1.2 Met deze verordening stellen we de hulpvraag van onze inwoners centraal. In de huidige verordeningen staan de wetten en regels centraal. In deze verordening stellen we de hulpvraag van de inwoner centraal. De nieuwe indeling en opbouw van deze verordening helpt medewerkers van de gemeente om samen met de inwoner te zoeken naar de beste oplossing voor hun hulpvraag. Uitgangspunt daarbij is niet in de eerste plaats de wet- en regelgeving, maar wat er nodig is en wat het effect is. Het stelt ons ook beter in staat om maatwerk toe te passen. De nieuwe verordening sluit ook aan bij de manier zoals we nu al werken in het sociaal domein, bijvoorbeeld via het maatwerkteam. 1.3 De verordening kent inhoudelijk geen grote wijzigingen ten opzichte van de huidige aparte verordeningen. Alles wat in de aparte verordeningen staat, staat ook in deze verordening.
Wel hebben we twee nieuwe zaken opgenomen:
2/50
1. kinderopvang met sociaal medische indicatie: Door opname van dit onderwerp in de verordening borgen we het beleid op het gebied van SMI. (artikel 3.5.8 en 3.5.9 van de verordening) 2. invoering van een pgb-tarief voor inhuur van iemand uit het sociale netwerk: in de huidige verordening Jeugdhulp en Wmo 2015 kennen we dit tarief niet. Dit heeft tot gevolg dat de niet-professionele hulpverlener betaald krijgt als een professionele hulpverlener. Hier gaat een financiële prikkel vanuit die niet wenselijk is . Ook is het zo dat hulpverleners uit het sociale netwerk niet te maken hebben met zogenaamde overheadkosten. De huidige pgbtarieven zijn daarmee onevenredig hoog voor deze groep hulpverleners. Het opnemen van een apart pgb-tarief voor deze hulpverleners draagt eraan bij dat we duurzaam ondersteuning kunnen bieden aan de inwoners die dat nodig hebben. Dit sluit ook aan bij de notitie ‘op weg naar een toekomstbestendig sociaal domein'. Op 7 november 2019 heeft uw raad ingestemd met de in deze notitie voorgestelde aanpak, die bijdraagt aan het invullen van de taakstelling binnen het sociaal domein. (artikel 6.2.3, lid 5b van de verordening). 1.4 Het is een leesbare verordening. De verordening is geschreven in begrijpelijke taal (B-niveau). Dit is belangrijk, omdat de verordening er in de eerste plaats is voor onze inwoners.
Inwoners willen weten met welke hulpvraag ze bij de gemeente terecht kunnen en wat de gemeente voor hen kan betekenen. Dit staat in de verordening. 1.5 We baseren onze verordening op het model van Stimulansz en sluiten met de verordening aan op het Beleidsplan. Stimulansz adviseert gemeenten in het sociaal domein. Zij gebruiken een verordening die de hulpvraag centraal stelt, en niet de wetten en regels. De indeling van de verordening is zo dat we per hoofdstuk een hulpvraag behandelen. Hierdoor sluit deze verordening juridisch gezien goed aan bij het Beleidsplan sociaal domein Terneuzen 2022-2025 "Iedereen aan boord". Verschillende gemeenten werken inmiddels al met een verordening die hierop gebaseerd is.
Kanttekeningen 1.1 Er is geen jurisprudentie over een integrale verordening sociaal domein. We hebben de verordening gebaseerd op de door Stimulansz ontwikkelde omgekeerde verordening. In deze verordening zijn meerdere wetten (Jeugdwet, Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) integraal in één verordening vastgelegd. Daarbij heeft Stimulanz de verordening geschreven vanuit het doel van de betreffende wet. Eind 2018 zijn de eerste gemeenten met een omgekeerde integrale verordening sociaal domein gaan werken. Sindsdien hebben meer gemeenten besloten te gaan werken met deze verordening van Stimulansz. Maar, er is geen jurisprudentie beschikbaar over een integrale verordening sociaal domein. De verwachting is ook niet dat een rechter een oordeel velt over een hele verordening, maar zal hooguit een bepaald artikel in de verordening, waar het beroep zich op richt, onverbindend verklaren.
3/50
We blijven daarom de ontwikkelingen op het gebied van een integrale verordening sociaal domein volgen, zoals wijzigingen in wetgeving en jurisprudentie. Hiervoor onderhouden we contact met Stimulansz en andere gemeenten die met een soortgelijke verordening werken. Dit maakt de verordening tot een dynamisch document, dat steeds in ontwikkeling blijft. Als er aanpassingen nodig zijn in de verordening, leggen we dit aan u voor. 1.2 De drie belangrijkste wetten verschillen op onderdelen van elkaar, waardoor het samenvoegen in één verordening complex is. De Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet zijn alle in dezelfde tijdsgeest tot stand gekomen. Toch zijn er verschillen te constateren. De Wmo 2015 is een algemene kaderwet, de Jeugdwet is detaillistisch van aard, terwijl de Participatiewet een dwingend karakter kent. Zo is bijvoorbeeld de toegang om in aanmerking te komen voor hulp/ondersteuning wettelijk anders georganiseerd. Ook zijn begripsbepalingen in de verschillende wetten anders gedefinieerd. Dit maakt dat het niet eenvoudig is om alles goed in één verordening vast te leggen. 1.3 De rechter toetst de verordening in eerste plaats naar de letter. In het geval van (hoger) beroep toets de rechter in eerste plaats naar de letter.
Is de betreffende bepaling correct geformuleerd, correct op basis van de wet en de jurisprudentie en beginselen van behoorlijk bestuur? In tweede instantie kan de rechter naar de geest van de wet kijken. Het opstellen van een ander type verordening, zoals deze omgekeerde verordening, kan een risico inhouden. Daar staat tegenover dat alles wat we wettelijk verplicht zijn om op te nemen in deze verordening, er ook instaat. 1.4 Een integrale verordening sociaal domein vraagt extra aandacht voor privacy en gegevensuitwisseling. Één van de belangrijkste redenen om tot deze verordening te komen, was te komen tot een integrale aanpak richting de inwoner. De inwoner met meervoudige problematiek hoeft maar een keer zijn verhaal te doen. Ook de wetten in het sociaal domein geven gemeenten de opdracht breed en integraal te werken (één gezin, één plan, één regisseur). Wat ontbreekt, is de juridische grondslag om de noodzakelijke persoonsgegevens domeinoverstijgend te delen, te verzamelen en te verwerken. De rijksoverheid ziet ook de noodzaak om te komen tot aanpassing van de wetgeving. Zij wil dit doen op basis van het wetsvoorstel Aanpak meervoudige problematiek in het sociaal domein (Wams). Dit wetsvoorstel verankert wettelijk de domeinoverstijgende verzameling, verwerking en deling van noodzakelijke persoonsgegevens. Het wetsvoorstel wacht op de formatie van een nieuw kabinet.
We hebben daarom advies gevraagd aan de Functionaris Gegevensbescherming. Zijn advies hebben we verwerkt in de verordening. Hierdoor zijn we, in afwachting van de Wams, in staat om op een betrouwbare manier gegevens uit te wisselen. 1.5 We hebben mogelijk minder grip op de kosten
4/50
Inmiddels werken meerdere gemeenten met de modelverordening van Stimulansz. De gemeenten Kampen, Bunschoten, Berkelland, Dronten, Schagen, Oude IJsselstreek, Zaltbommel, Zeist en Veldhoven zijn recentelijk overgegaan tot deze opzet van de verordening. Van de gemeente Borne weten we dat zij inmiddels niet meer werken met een omgekeerde verordening. In de praktijk bleek dat zij nauwelijks aanvragen konden afwijzen, waardoor de financiële last toenam. Zij werken nu met de modelverordening van Schulinck. Dit model is sterk op een juridische leest geschoeid en houdt de laatste jurisprudentie nauwgezet bij. Om de problemen die de gemeente Borne had te voorkomen hebben we, in afwijking van de modelverordening van Stimulansz, voorwaarden en weigeringsgronden opgenomen om aanvragen ook af te kunnen wijzen. Hiermee verwachten we om grip op de kosten te houden. Ook hebben we bepaalde artikelen uitvoeriger geformuleerd om onduidelijkheden te voorkomen. Of dit voldoende is zal uit de praktijk moeten blijken. Monitoring en een evaluatie na een half jaar na invoering is op zijn plaats. 1.6 Implementatie van de verordening vergt tijd Na vaststelling van de verordening moeten we verschillende processen aanpassen. Het is belangrijk om de nadere regels en de beleidsregels door het college vast te laten stellen voor de datum inwerking treden van de verordening.
Zowel voor de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet moeten we de bestaande regels herzien of nieuwe regels schrijven. Een zorgvuldig traject, waarbij ook de uitvoering betrokken is, vraagt meer tijd. Ook moeten we trainingen organiseren voor de medewerkers in de uitvoering over het werken met deze verordening. En moeten we de werkinstructies aanpassen in overleg met deze medewerkers. Een integrale verordening op zichzelf is niet voldoende om integraal te werken. We hebben te maken met verschillende uitvoeringsorganisaties in het sociaal domein. Het gedachtegoed en de werkwijze van de integrale verordening moeten we samen met hen verder uitwerken in de praktijk. Ook dit heeft tijd nodig. We stellen daarom voor om de verordening in te laten gaan op 1 maart 2022, zodat we de implementatie van de verordening zorgvuldig kunnen voorbereiden. 1.7 Wat is het alternatief? Als u besluit de verordening niet vast te stellen, blijven de huidige verordeningen van kracht. In dat geval moeten we nagaan of we deze verordeningen op onderdelen moeten actualiseren. Het werken met aparte verordeningen heeft echter niet de voorkeur. Het staat het integraal werken volgens het principe één gezin, één plan, één regisseur in de weg.
Overigens heeft het niet vaststellen van deze verordening geen gevolgen voor het eventuele vaststellen van het Beleidsplan sociaal domein 2022-2025 "Iedereen aan boord".
Wat mag het kosten? Er zijn geen financiële consequenties verbonden aan het vaststellen van de verordening.
5/50
Wat gaan we ervoor doen? Na besluitvorming geven we vanaf 1 maart 2022 uitvoering aan de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2022; passen we nadere regels, beleidsregels en werkinstructies aan; publiceren we de nieuwe verordening, dit is noodzakelijk voor de inwerkingtreding; organiseren we trainingen voor medewerkers in de uitvoering over het werken met deze verordening; leggen we contacten met andere gemeenten die met een omgekeerde verordening werken en delen kennis; bewaken we de jurisprudentie; monitoren en evalueren we alle processen die betrekking hebben op de uitvoering van deze verordening. Een eerste evaluatie vindt plaats in oktober 2022.
Bijlagen 1. 2021-09-23 Beleidskader sociaal domein Terneuzen Iedereen_aan_boord.pdf 2. Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2022.pdf
6/50
Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2022
7/50
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding omgekeerde verordening ...................................................................................... 5 1.2
Uitgangspunten........................................................................................................................ 6
1.3
Kernwaarden ........................................................................................................................... 6
1.4
Artikel en wet ........................................................................................................................... 6
1.5
Nadere regels en beleidsregels ............................................................................................... 6
Hoofdstuk 2 2.1
De hulpvraag ............................................................................................................... 7
Melding bij de gemeente ......................................................................................................... 7
2.1.2 Gegevens ........................................................................................................................ 7 2.2 Het gesprek ............................................................................................................................. 7 2.2.1 Inhoud van het gesprek ................................................................................................... 8 2.4 Aanvraag ................................................................................................................................. 8 2.4.1 Aanvraag van een voorziening ........................................................................................ 8 2.4.2 Beoordelen van uw aanvraag .......................................................................................... 9 2.4.3 Advies .............................................................................................................................. 9 2.4.4 Voorwaarden en weigeringsgronden ............................................................................... 9 2.4.5 Voorwaarden individuele voorzieningen ........................................................................ 11 2.5 Besluit .................................................................................................................................... 11 2.5.1 2.5.2 2.5.3 2.5.4 Hoofdstuk 3.
Inhoud van het besluit.................................................................................................... 11 Verval van recht ............................................................................................................. 12 Terugwerkende kracht ................................................................................................... 12 Spoedeisende gevallen ................................................................................................. 12 Participatie en inkomen ......................................................................................... 13
3.1
Participatie – voor wie ........................................................................................................... 13
3.2
Samenwerken ........................................................................................................................ 13
3.3
Voorzieningen – werk ............................................................................................................ 13
3.3.1 Participatieplaats ........................................................................................................... 14 3.3.2 Beschut werk ................................................................................................................. 14 3.3.3 Proefplaatsing ................................................................................................................ 14 3.3.4 Werkervaringsplaats/stage ............................................................................................ 15 3.3.5 Detacheringsbaan .......................................................................................................... 15 3.3.6 Basisbaan ...................................................................................................................... 15 3.3.7 Sociale activering........................................................................................................... 15 3.3.8 Vrijwilligerswerk ............................................................................................................. 15 3.3.9 Diagnostische instrumenten .......................................................................................... 15 3.3.10 Werkgeverssubsidie en tijdelijke loonkostensubsidie ....................................................
16 3.3.11 Wettelijke loonkostensubsidie ....................................................................................... 16 3.3.12 Scholing, cursussen, trainingen ..................................................................................... 16 3.3.13 Jobcoaching ................................................................................................................... 16 3.3.14 Jobhunting, bemiddeling ................................................................................................ 16 3.3.15 Kinderopvang ................................................................................................................. 17 3.3.16 Nazorg ........................................................................................................................... 17 3.3.17 Andere voorzieningen en vergoedingen, maatwerk ...................................................... 17 3.4 Tegenprestatie ....................................................................................................................... 17 3.4.1 Waarom een tegenprestatie? ........................................................................................ 17 3.4.3 Wanneer doet u een tegenprestatie? ............................................................................
18 3.5 Minimaregelingen .................................................................................................................. 18 3.5.1 3.5.2 3.5.3 3.5.4 3.5.5
Bijzondere bijstand ........................................................................................................ 18 Collectieve zorgverzekering minima .............................................................................. 18 Individuele inkomenstoeslag ......................................................................................... 18 Hoogte van de individuele inkomenstoeslag ................................................................. 18 Individuele studietoeslag ............................................................................................... 19
2 8/50
3.5.6 3.5.7 3.5.8 3.5.9 3.5.10 3.5.11 Hoofdstuk 4.
Vaststellen beperking .................................................................................................... 19 Hoogte en duur individuele studietoeslag ..................................................................... 19 Kinderopvang met sociaal medische indicatie .............................................................. 19 Hoogte, duur en omvang kinderopvang met sociaal medische indicatie ...................... 20 Meedoenbudget ............................................................................................................. 20 Kindpakket ..................................................................................................................... 20 Gezond en veilig opgroeien ................................................................................... 21
4.1
Vrij toegankelijk hulp .............................................................................................................. 21
4.2
Niet vrij toegankelijke hulp ..................................................................................................... 21
4.3
Overgang van 18- naar 18+ .................................................................................................. 22
4.4
Afstemming met andere vormen van hulp ............................................................................. 22
Hoofdstuk 5
Wonen en meedoen in een veilige en gezonde omgeving ....................................... 23
5.1
Zo lang mogelijk zelfredzaam zijn ......................................................................................... 23
5.2
Meedoen ................................................................................................................................ 23
5.2.1 Individuele begeleiding .................................................................................................. 23 5.2.2 Groepsbegeleiding......................................................................................................... 23 5.3 Zelfstandig en veilig wonen ................................................................................................... 24 5.3.1 Geschikte woning .......................................................................................................... 24 5.3.2 Anti-speculatiebeding .................................................................................................... 24 5.3.3 Een schone en leefbare woning .................................................................................... 24 5.3.4 Beschermd wonen ......................................................................................................... 25 5.4 Meedoen aan de samenleving .............................................................................................. 25 5.4.1 Verplaatsen in en om de woning ................................................................................... 25 5.4.2 Verplaatsen dichtbij huis ................................................................................................
25 5.5 Mantelzorg ............................................................................................................................. 26 5.5.1 Ondersteuning mantelzorger ......................................................................................... 26 5.5.2 Voorwaarden mantelzorgwaardering ............................................................................. 26 Hoofdstuk 6. De vorm van de ondersteuning ........................................................................................ 27 6.1
Ondersteuning in natura ........................................................................................................ 27
6.2
Persoonsgebonden budget (pgb) .......................................................................................... 27
6.2.1 Voorwaarden ................................................................................................................. 27 6.2.2 Pgb bij ondersteuning door personen uit het sociale netwerk ....................................... 28 6.2.3 Hoogte en tarief ............................................................................................................. 28 6.2.4 Verantwoording pgb....................................................................................................... 29 6.3 Ondersteuning in geld ........................................................................................................... 29 6.4
Wat is de eigen bijdrage? ...................................................................................................... 29
Hoofdstuk 7. Afspraken tussen inwoner en gemeente .......................................................................... 30 7.1
De rol van de inwoner ............................................................................................................ 30
7.2
Afspraken en verplichtingen .................................................................................................. 30
7.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner ...................................................... 30 7.2.2 Geen schuld en verlaging .............................................................................................. 31 7.2.3 Ingangsdatum en periode verlaging .............................................................................. 31 7.2.4 Berekening verlaging ..................................................................................................... 31 7.2.5 Niet nakomen arbeidsverplichtingen ............................................................................. 31 7.2.6 Te weinig besef van verantwoordelijkheid ..................................................................... 32 7.2.7 Onacceptabel gedrag .................................................................................................... 33 7.2.8 Niet nakomen van andere verplichtingen ...................................................................... 33 7.2.9 Samenloop van gedragingen ......................................................................................... 33 7.2.10 Herhaling (recidive)........................................................................................................ 33 7.3 Terugvorderen uitkering en incasso ...................................................................................... 34
3 9/50
7.4
Beëindigen en terugvorderen voorziening ............................................................................. 34
7.4.1 Beëindiging voorziening ....................................................................................................... 34 7.4.2 Terugvordering voorziening ........................................................................................... 34 7.5 Hoe controleert de gemeente? .............................................................................................. 35 7.5.1 Controle ......................................................................................................................... 35 7.5.3 Privacy ........................................................................................................................... 35 7.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld .............................................................................. 36 Hoofdstuk 8. Inspraak en cliëntenparticipatie ........................................................................................ 37 8.1
Hulp van de gemeente bij inspraak ....................................................................................... 37
8.2
Klachtregeling ........................................................................................................................ 37
8.3
Medezeggenschap ................................................................................................................ 37
Hoofdstuk 9 Kwaliteit ............................................................................................................................. 38 9.1
Kwaliteit ................................................................................................................................. 38
9.2
Prijs en kwaliteit ..................................................................................................................... 38
Hoofdstuk 10. Intrekking en inwerkingtreding verordening ................................................................... 39 10.1
Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) ................................................................. 39
10.2
Geen bepalingen ................................................................................................................... 39
10.3
Intrekken oude verordeningen ............................................................................................... 39
10.4
Overgangsrecht ..................................................................................................................... 39
10.5
Ingangsdatum en naam ......................................................................................................... 40
Hoofdstuk 11. Begrippenlijst .................................................................................................................. 41 11.1
Begripsbepalingen ................................................................................................................. 41
4 10/50
Hoofdstuk 1 Inleiding omgekeerde verordening De aanleiding van deze verordening is het Beleidsplan sociaal domein Terneuzen 20222025. De titel is: “Iedereen aan boord”. Samengevat zegt dit: “Iedereen moet mee kunnen doen in onze gemeente. In het sociaal domein werken we aan verdere vernieuwing en aan verbetering van de samenwerking tussen organisaties. We zetten in op integraal werken volgens het principe van één gezin, één plan, één regisseur. Ondersteuning en hulp zijn zo snel, adequaat, vroeg en dichtbij mogelijk. We gaan uit van kwaliteit”. De gemeenteraad stelde het Beleidsplan sociaal domein Terneuzen 2022-2025 op 16 december 2021 vast. Hierin kiest de raad voor meer samenhang tussen verschillende terreinen van het sociaal domein. Dit betekent: niet meer per hulpvraag verschillende regelingen maken maar één regeling waarin uw hulpvraag centraal staat. In deze nieuwe regeling leest u wat u van de gemeente kunt verwachten maar ook wat wij van u verwachten. De regels gaan over de volgende onderwerpen: 1.1
Werken en participeren; Uitkeringen; Gezond en veilig opgroeien, en; Wonen in een veilige en gezonde omgeving. Waarom deze regels?
In het Beleidsplan Sociaal Domein 2022-2025 staan de doelen die we voor ogen hebben binnen het Sociaal Domein. Wij willen dat alle inwoners van Terneuzen actief kunnen deelnemen aan de samenleving, gezond en zelfredzaam zijn. We streven ernaar dat inwoners in ieder geval:
gezond en veilig kunnen opgroeien en zich optimaal ontwikkelen; een zinvolle dagbesteding kunnen hebben (van betaald werk tot vrijwilligerswerk); een inkomen kunnen hebben; hun financiën op orde kunnen hebben en kunnen houden; een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij (zo lang mogelijk) zelfstandig en veilig wonen en; maatschappelijk participeren.
Het is onze taak om u daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:
Participatiewet (PW); Jeugdwet; Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); Inkomensvoorziening oudere arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); Algemene wet bestuursrecht (Awb); Burgerlijk Wetboek (BW); Gemeentewet.
De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin we bepaalde zaken uitwerken. Ook dat regelen we in deze verordening. De Adviesraad Wmo en de Adviesraad Participatiewet hebben advies gegeven over deze verordening. 5 11/50
1.2
Uitgangspunten
De regels in deze verordening kennen de volgende uitgangspunten: 1. zijn bedoeld om de onder 1.1 genoemde doelen te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; 2. zijn goed leesbaar; 3. regelen niet meer dan nodig is; 4. houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; 5. kunnen we goed uitvoeren; 6. zijn duidelijk voor de inwoners; 7. zijn onderling afgestemd op elkaar; 8. respecteren de wettelijke regels; 9. helpen om maatwerk toe te kunnen passen. 1.3
Kernwaarden
Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houden we rekening met de doelen van de genoemde wetten. We zorgen ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. We gaan daarbij uit van de volgende kernwaarden: 1. u bent in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren; 2. u zet zich ervoor in om deze doelen te bereiken; 3. wij helpen waar dat nodig is en stimuleren u om zelf oplossingen te vinden voor uw problemen; 4. kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving. 1.4
Artikel en wet
Deze verordening baseren we op de wetten die bij artikel 1.1 zijn genoemd. Niet alle wetten zijn op ieder artikel van toepassing. Dat verschilt per artikel. Per artikel geven we aan welke wetten op dat artikel van toepassing zijn. 1.5
Nadere regels en beleidsregels
Deze verordening is een algemeen verbindend voorschrift en is voor u rechtstreeks bindend. De verschillende wetten bepalen dat gemeenten verplicht zijn om een aantal zaken in een verordening te regelen. Vaak wordt dat niet in detail in de verordening uitgewerkt. Dat kan vervolgens in nadere regelgeving. Nadere regels Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften die een uitwerking zijn van de verordening. Een aantal artikelen van deze verordening bevatten bepalingen, die het college de bevoegdheid geven om nadere regels vast te stellen. Nadere regels kunnen rechten en plichten voor u bevatten, beleidsregels kunnen dit niet. Beleidsregels Een beleidsregel beschrijft hoe het college omgaat met een bepaalde bevoegdheid. Er kunnen dus geen rechten of plichten voor u in worden vastgelegd. Wel geeft het u duidelijkheid hoe het college omgaat met uw hulpvraag en aanvraag. Het helpt onze consulenten om uw hulpvraag te beoordelen.
6 12/50
Hoofdstuk 2 De hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop u aan de gemeente hulp kunt vragen over één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. We beschrijven:
hoe u een aanvraag kunt indienen; hoe de hulpverlening in zijn werk gaat; wat wij van u verwachten.
Uitgangspunt is dat u alle hulpvragen in één keer kunt stellen en dat er per wet een procedure is. Dit is de standaardprocedure. Alleen bij spoed wijken we hiervan af. 2.1
Melding bij de gemeente Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ
1. Als u hulp nodig hebt, kunt u dit melden bij de gemeente. U kunt dit schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen. 2. Wij bevestigen uw hulpvraag per brief of e-mail. In de bevestiging kunnen wij u uitnodigen voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging staat: a. waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan; b. informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen van een (onafhankelijke) cliëntondersteuner; en c. informatie over de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen. In dit plan legt u uit hoe uw persoonlijke situatie is en wat u wilt bereiken met uw hulpvraag. In sommige situaties kunnen we afzien van een gesprek. 3. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de hulpvraag van een maatwerkvoorziening/individuele voorziening. 2.1.2 Gegevens Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ
De gemeente verzamelt alle gegevens over uw situatie die nodig zijn voor uw hulpvraag. Soms hebben we gegevens nodig die we niet zelf hebben of kunnen inzien. Dan vragen wij u, om die ontbrekende gegevens binnen een redelijke termijn bij ons aan te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek maken we duidelijk welke gegevens dat zijn en binnen welke termijn u deze gegevens moet indienen. 2.2
Het gesprek Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ
1. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het effect dat u wilt bereiken en van uw persoonlijke situatie. 2. Het gesprek vindt binnen een redelijke termijn plaats na de melding voor de hulpvraag. 3. Bij de start van het gesprek identificeert u zich met een geldig legitimatiebewijs. Wij zijn namelijk verplicht uw identiteit vast te stellen. 4. Als u zelf een plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. 5. Als u dat wilt, kunt u iemand vragen om bij dit gesprek aanwezig te zijn. Dit kan iemand uit uw sociale netwerk zijn of een onafhankelijke cliëntondersteuner.
7 13/50
2.2.1 Inhoud van het gesprek Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ
1. Tijdens het gesprek wil de medewerker een goed beeld krijgen van uw persoonlijke situatie. De medewerker bespreekt met u wat u wilt bereiken. 2. In het gesprek onderzoekt de medewerker: a. uw behoefte: wat is er nodig? b. uw persoonlijke situatie: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste doel? c. uw eigen (on)mogelijkheden: (hoe) kunt u zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? d. uw omgeving: welke hulp kan uw sociale netwerk of kunnen andere organisaties bieden? 3. De medewerker informeert u over de mogelijkheden van de gemeente om uw persoonlijke situatie te verbeteren. Als u een hulpvraag doet voor de Wmo 2015 of Jeugdwet informeert de medewerker u ook over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget (pgb). De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag. 4. De medewerker informeert u over het vervolg. 5. In het kader van de hulpvraag bent u verplicht om persoonsgegevens te verstrekken; 6. De medewerker zal u toestemming vragen om uw persoonsgegevens te verwerken. 1.3
Het verslag Jeugdwet, Wmo 2015, Awb
1. U krijgt een verslag van de gemeente. In dit verslag staan de uitkomsten van het onderzoek naar uw hulpvraag. 2. Soms hebben we meer informatie nodig voor het verslag. Hierdoor kan het verslag niet altijd binnen de wettelijk gestelde onderzoekstermijn klaar zijn. Dit geldt alleen voor de Wmo 2015. U krijgt dan een brief. 3. Uit het verslag blijkt welk doel u wilt bereiken en hoe we dit kunnen realiseren 4. U ondertekent het verslag en stuurt dit binnen vijf werkdagen naar de gemeente. Als u het niet eens bent met het verslag, kunt u dat aangeven op het verslag. Wij kunnen dan opnieuw met u in gesprek gaan. 5. Als u een maatwerkvoorziening (Wmo 2015) of een individuele voorziening (Jeugdwet) van de gemeente wilt ontvangen, kunt u dit aangeven op het ondertekende verslag. 2.4
Aanvraag Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ
Na de melding van de hulpvraag en het gesprek met een medewerker van de gemeente, kunt u een aanvraag indienen volgens de regels die daarvoor gelden. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft. 2.4.1 Aanvraag van een voorziening Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ
1. Vraagt u om een maatwerkvoorziening (Wmo 2015), een individuele voorziening (Jeugdwet), of een andere voorziening (PW, IOAW, IOAZ), dan kunnen we behoudens de gestelde voorwaarden en weigeringsgronden op grond van deze verordening die hulp toekennen in de volgende situatie: a. De voorziening is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in artikel 1.1 genoemde wetten te bereiken; b. U heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. U kunt dit effect ook niet bereiken met: hulp van huisgenoten; 8 14/50
hulp vanuit uw sociale netwerk; behulp van andere voorzieningen of organisaties; en c. De voorziening past bij het door u gewenste effect en persoonlijke situatie. 2. De voorziening is voldoende in inzet en kwaliteit, zodat u het gewenste effect kunt bereiken. 3. Bij toekenning van een voorziening krijgt u de goedkoopste passende voorziening. 4. Het college kan nadere regels stellen over voorzieningen die op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet beschikbaar zijn. 2.4.2 Beoordelen van uw aanvraag Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Awb
1. Om te bepalen of wij hulp verlenen, nemen we de volgende stappen: a. Stap 1: Wij stellen eerst vast wat uw hulpvraag is. b. Stap 2: Wij stellen hierna vast welke problemen, beperkingen en stoornissen u precies hebt. c. Stap 3: Wij bepalen welke hulp, en hoeveel hulp u nodig hebt. d. Stap 4: Wij onderzoeken wat u zelf kunt doen om uw probleem op te lossen (eigen kracht). Wij betrekken hierbij ook de eventuele hulp van huisgenoten, hulp van anderen uit uw sociale netwerk/sociale omgeving en van andere voorzieningen of organisaties. Kunnen wij uw hulpvraag oplossen door ondersteuning in te zetten die vrij toegankelijk is. Of kan er ondersteuning worden ingezet op grond van een andere wet. e. Stap 5: Wij bepalen welke aanvullende hulp u nodig hebt om uw probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. 2. Voor de Jeugdwet kijken we ook nog naar het woonplaatsbeginsel. Het woonplaatsbeginsel regelt welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de jeugdhulp. Soms kan dit ook een andere gemeente zijn dan de gemeente waarin u woont. 3. Pleegouders kunnen voor ondersteuning bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente. 2.4.3 Advies Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Awb
Voor iedere stap zoals in artikel 2.4.2 is genoemd geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Als wij niet de juiste kennis in huis hebben om uw aanvraag te behandelen vragen we advies van een daartoe aangewezen externe deskundige. Dit advies betrekken we bij de beoordeling van uw aanvraag. We stellen u vooraf op de hoogte welke deskundigheid we op welk moment nodig vinden en inzetten. 2.4.4 Voorwaarden en weigeringsgronden Wmo 2015 1. De voorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien uw beperkingen, veilig voor uzelf en uw omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet antirevaliderend werkt. 2. Geen voorziening wordt verstrekt: a. als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
9 15/50
b. als u de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor u dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; c. als u de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van ons besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; d. als de gevraagde voorziening al eerder aan u is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan u zijn toe te rekenen of u de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; e. als deze niet noodzakelijk op het individu is gericht; f. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer u rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; g. als u een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat u daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de Wmo 2015 van toepassing is. 3.
Geen voorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als: a. deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding; b. u geen ingezetene bent van de gemeente Terneuzen. 4. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 3.000 kilometer op jaarbasis. 5. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. als u uw hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; c. u woont in een vakantiewoning, hotel, pension, klooster, trekkerswoning of een tweede woning. Er kan dan wel een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt; d. u woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe u behoort bijvoorbeeld een seniorencomplex en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische deuropeners. e. als het gaat om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten; f.
als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; g. u zonder dringende reden verhuisd bent vanuit een woonruimte waar u geen problemen had bij het normale gebruik van de woning; h. als u niet verhuisd bent naar de voor uw beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; i. u heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg; j. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kan worden meegenomen.
10 16/50
2.4.5 Voorwaarden individuele voorzieningen Jeugdwet
1. Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: a. binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan: i. gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk; ii. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten. b. door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; c. door gebruik te maken van een andere voorziening. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 3. De voorziening als bedoeld in lid 2 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste en tweede lid. 2.5
Besluit
2.5.1 Inhoud van het besluit Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Awb
1. Wij stellen u per brief op de hoogte van ons besluit. Hierin staat of we u wel of geen hulp geven. Als we wel hulp geven, staat in het besluit ook in welke vorm we de hulp geven: a. hulp in natura; b. pgb; c. geld. 2. Geven we hulp in natura, dan staat in het besluit in ieder geval: a. wat de hulp inhoudt en waarvoor u de hulp krijgt; b. wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; c. wie de hulp geeft en hoe de hulpverlener de hulp geeft; d. welke voorwaarden en verplichtingen gelden; e. motivatie van het besluit, en f. hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit. 3. Geven we hulp in de vorm van een pgb, dan staat in het besluit in ieder geval: a. waarvoor u het pgb krijgt; b. hoe hoog het pgb is; c. wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; d. hoe u de besteding van het pgb moet verantwoorden; e. welke voorwaarden en verplichtingen gelden; f. motivatie van het besluit, en g. hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit. 4. Geven we hulp in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval: a. voor welk doel we het geld geven; b. hoeveel geld u krijgt; c. wanneer we het geld betalen; d. hoe vaak we het geld betalen; 11 17/50
e. welke voorwaarden en verplichtingen gelden; f. motivatie van het besluit, en g. hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit. 5. Geven we geen hulp, dan staat in het besluit in ieder geval: a. motivatie waarom we geen ondersteuning geven, en b. hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit. 2.5.2 Verval van recht Jeugdwet, Wmo 2015
Het recht op ondersteuning vervalt als u niet binnen drie maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp. 2.5.3 Terugwerkende kracht Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ
1. We kennen een aanvraag niet met terugwerkende kracht toe. 2. Voor de Jeugdwet geldt de uitzondering dat in het geval het hulpverleningstraject al op het moment van uw aanvraag loopt. In dat geval onderzoeken we of de hulp nodig en passend is. Als uit het onderzoek blijkt dat dit het geval is, kennen we met terugwerkende kracht de ondersteuning toe. De ingezette hulp die de gemeente vergoedt, heeft slechts betrekking op gemaakte kosten over een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag. 2.5.4 Spoedeisende gevallen Jeugdwet, Wmo 2015, PW
In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat u hulp krijgt die nodig is, zonder dat de normale procedure wordt gevolgd.
12 18/50
Hoofdstuk 3. Participatie en inkomen Dit hoofdstuk gaat over participatie, tegenprestatie, minimaregelingen en schuldhulpverlening. Wij vinden het belangrijk inwoners die geen werk hebben te helpen bij het vinden van werk. In dit hoofdstuk leest u voor wie dit geldt, hoe wij u hierbij kunnen helpen en wat wij van u verwachten als u een uitkering ontvangt. 3.1
Participatie – voor wie PW, IOAW, IOAZ
De gemeente helpt u op weg naar werk als: 1. u een uitkering van de gemeente krijgt en het niet lukt om zelf, met de hulp van de mensen om u heen of met hulp van uitzendbureaus en andere organisaties, werk te vinden; 2. u geen uitkering van de gemeente krijgt en ook geen hulp krijgt van instanties zoals UWV, SVB of werkgevers. Wij beoordelen per persoon of en hoe wij u kunnen helpen; 3. u jonger bent dan 27 jaar, geen werk hebt en geen havo-, vwo- of mbo-diploma vanaf niveau 2 of hoger hebt. Wij helpen u bij het vinden van een passende opleiding of passend werk of wij helpen u op weg naar hulpverlening of zorg. 3.2
Samenwerken PW, IOAW, IOAZ
1. 2.
3.3
Bij het vinden van werk of een opleiding die bij u past, werken wij samen met UWV, regiogemeenten en organisaties. Wij ondersteunen werkgevers die werk hebben voor inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen. Voorzieningen – werk PW, IOAW, IOAZ
1. Wij stemmen de hulp aan u af gelet op de positie op de arbeidsmarkt. 2. Wij bieden hulp aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet zijn: participatieplaats beschut werk proefplaatsing werkervaringsplaats/stage detacheringsbaan basisbaan sociale activering vrijwilligerswerk diagnostische instrumenten werkgeverssubsidie loonkostensubsidie scholing, cursussen, trainingen begeleiding, ondersteuning jobcoaching jobhunting, bemiddeling nazorg kinderopvang andere voorzieningen en vergoedingen, maatwerk 13 19/50
Meer informatie over de verschillende voorzieningen vindt u in de volgende artikelen. 3.3.1 Participatieplaats PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen u voor een periode van maximaal 2 jaar een participatieplaats aanbieden. U komt hiervoor in aanmerking als u een uitkering krijgt, ouder dan 27 jaar bent en de kans op werk klein is. 2. Het doel is de kans op betaald werk te vergroten en werkervaring op te doen. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor u zijn bedacht. 3. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4. Na iedere 6 maanden kunt u een premie van maximaal € 250,00 ontvangen. Een voorwaarde is dat u voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van uw kans op werk. 3.3.2 Beschut werk PW, IOAW, IOAZ
1. Wij bieden u een beschutte werkplek aan, als het UWV heeft vastgesteld dat u alleen kan werken als het werk en de omgeving zijn aangepast aan uw mogelijkheden. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. 2. Het doel is om u een veilige werkplek te bieden als u alleen onder aangepaste omstandigheden kan werken. 3. Wij bieden de volgende voorzieningen aan, zodat u beschut kan werken: a. het aanpassen van uw werkplek of de omgeving waarin u werkt; b. uitsplitsing van taken; c. het aanpassen van werktempo, het aantal uren dat u werkt en de begeleiding die u krijgt; d. jobcoaching. 4. Als u in aanmerking komt voor beschut werk, kunnen wij helpen om de stap naar beschut werken makkelijker te maken. Wij kunnen de volgende voorzieningen aanbieden: a. helpen bij de invulling van uw dag; b. vrijwilligerswerk; c. scholing; d. schuldhulpverlening. 5. Wij zetten ons in om iedereen die voor beschut werk in aanmerking komt te plaatsen. We streven er naar om in ieder geval het door het rijk opgelegde minimum aantal beschutte werkplekken per jaar te realiseren. 3.3.3 Proefplaatsing PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen u een proefplaatsing aanbieden. U gaat dan bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uw uitkering aan de slag bij een bedrijf om werkervaring op te doen. 2. Het doel is dat u kennis en vaardigheden opbouwt. 3. Tijdens deze periode kan het bedrijf een beeld krijgen om te zien of u geschikt bent voor het werk. 4. De plaatsing duurt drie maanden maar stopt als het doel eerder duidelijk is. 5. Het uiteindelijke doel is dat u voor minimaal zes maanden in dienst komt bij het bedrijf. 6. De werkgever moet u goed begeleiden. 7. Een voorwaarde is dat dit niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het niet leiden tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
14 20/50
3.3.4 Werkervaringsplaats/stage PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen u een werkervaringsplaats aanbieden. U gaat dan bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uw uitkering aan de slag bij een re-integratiebedrijf om werknemersvaardigheden te leren. 2. Tijdens deze periode willen wij een beeld krijgen van de voortgang van de doelen in het trajectplan. 3. De plaatsing duurt drie maanden maar stopt als u de afgesproken doelen hebt gehaald. 4. We kunnen de plaatsing na 3 maanden verlengen, maar met verlenging duurt de plaatsing maximaal 6 maanden. 5. Het doel is de kans op betaald werk te vergroten en werkervaring op te doen. U doet tijdens deze periode werkzaamheden die bij u passen. 6. Een voorwaarde is dat dit niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het niet leiden tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties 3.3.5 Detacheringsbaan PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen u een detacheringsbaan aanbieden. 2. Hierbij gaat u via een andere organisatie aan de slag bij een werkgever. 3. Het doel is dat u uiteindelijk bij de werkgever in dienst komt. 3.3.6 Basisbaan PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen u een basisbaan aanbieden. 2. Deze baan bieden we u aan als na afloop van een werkervaringsplaats blijkt dat er geen werk voor u is, terwijl u uw doelen wel hebt gehaald en 3. Het doel is u een werkplek te bieden zodat u niet meer afhankelijk bent van een uitkering. 3.3.7 Sociale activering PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen u sociale activering aanbieden. U gaat dan nuttige werkzaamheden doen die u dichter bij werk brengen. 2. Het doel is u te helpen moeilijkheden op weg naar werk of in uw dagelijks leven te overwinnen. 3.3.8 Vrijwilligerswerk PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen u vrijwilligerswerk aanbieden. Vrijwilligerswerk kan u helpen om uw afstand tot werk kleiner te maken. 2. Het doel van het vrijwilligerswerk is dat u uw kennis en vaardigheden vergroot. 3.3.9 Diagnostische instrumenten PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen u testen en/of onderzoeken aanbieden. U gaat dan naar een deskundige die onderzoekt welke belemmeringen en mogelijkheden u heeft om te kunnen werken of om uw werk te kunnen houden. 15 21/50
2. Het doel van testen en onderzoeken is dat u uw kans op betaald werk vergroot en dat werk of een voorziening past bij uw mogelijkheden. 3.3.10 Werkgeverssubsidie en tijdelijke loonkostensubsidie PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen werkgevers een subsidie geven. 2. Het doel is om werkgevers te stimuleren u in dienst te nemen. Maar ook om extra kosten die werkgevers maken voor uw begeleiding te vergoeden. 3. Wij stellen vast of een werkgever een subsidie krijgt en hoe hoog de subsidie is. Dit is afhankelijk van uw situatie. 4. Een voorwaarde is dat dit niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het niet leiden tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 3.3.11 Wettelijke loonkostensubsidie PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen een werkgever die u in dienst neemt een wettelijke loonkostensubsidie geven, als u wel kunt werken, maar niet het wettelijk minimumloon kunt verdienen met een fulltime baan. 2. Het doel is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en hen een vergoeding te geven voor productieverlies. 3. Wij stellen vast of u in staat bent om het wettelijk minimumloon te verdienen. De loonwaarde deskundige bepaalt uw loonwaarde op de manier zoals beschreven in het Besluit loonkostensubsidie Participatiewet. De loonkostensubsidie stemmen we af op de loonwaarde. 3.3.12 Scholing, cursussen, trainingen PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen u scholing, een cursus of een training aanbieden. 2. De scholing is bedoeld om werk te kunnen vinden of te kunnen behouden. 3. Wij bepalen wat voor scholing u krijgt en hoe lang dit duurt. De scholing stemmen we af op uw mogelijkheden en uw positie op de arbeidsmarkt. 4. Wij kunnen u ondersteunen bij een leerwerktraject. Dit doen we als je a. 16 of 17 jaar bent en leerplichtig bent, of b. 18 tot 27 jaar bent en nog geen havo-, vwo- of mbo-diploma vanaf niveau 2 of hoger hebt. 3.3.13 Jobcoaching PW, IOAW, IOAZ
1. 2. 3. 4.
Wij kunnen voor begeleiding op uw werkplek een jobcoach inzetten. Dit doen we als u extra begeleiding nodig heeft om uw werk te behouden. We kunnen ook uw werkgever een vergoeding geven als hij een jobcoach inzet. Wij spreken met uw werkgever af hoe en hoe lang we de jobcoach inzetten.
3.3.14 Jobhunting, bemiddeling PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen een jobhunter of bemiddeling inzetten voor het vinden van werk. 2. Een jobhunter zoekt passend werk.
16 22/50
3.3.15 Kinderopvang PW, IOAW, IOAZ
1. We kunnen er voor zorgen dat er passende kinderopvang beschikbaar is als: a. u meedoet aan een activiteit die nodig is om in te burgeren, aan het werk te gaan of om werkervaring op te doen, en b. u zelf geen kinderopvang kunt regelen en betalen. 2. Wij kunnen de kosten van kinderopvang die voor uw rekening blijven, vergoeden. 3.3.16 Nazorg PW, IOAW, IOAZ
1. Wij kunnen u ondersteunen of begeleiden als u werk gevonden heeft en uw uitkering is beëindigd. 2. Dit doen we als dat nodig is om uw werk te kunnen doen of te kunnen behouden. 3.3.17 Andere voorzieningen en vergoedingen, maatwerk PW, IOAW, IOAZ
1. We kunnen andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om uw kans op werk te vergroten. 2. We kunnen kosten vergoeden die u moet maken om mee te kunnen doen aan een voorziening of om te kunnen werken. 3. Het college kan nadere regels vaststellen welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en wat de hoogte van de vergoeding is. 3.4