2021-10-19 Belastingverordeningen 2022 - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
Gemeenteraad Ontwerpbesluit
Zitting van 11 november 2021 Middelen - Financiën zaaknummer: 356094
2021_Raad_00242 - Belastingverordeningen 2022 Portefeuillehouder Frank Hulle,van Programma en/of paragraaf Paragraaf Lokale heffingen Besluit Besluitpunt 1 De gemeenteraad besluit de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2022 vast te stellen en de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2021 in te trekken. Besluitpunt 2 De gemeenteraad besluit de Verordening reinigingsheffingen 2022 vast te stellen en de Verordening reinigingsheffingen 2021 in te trekken. Besluitpunt 3 De gemeenteraad besluit de Verordening rioolheffing 2022 vast te stellen en de Verordening rioolheffing 2021 in te trekken. Besluitpunt 4 De gemeenteraad besluit de Verordening forensenbelasting 2022 vast te stellen en de Verordening forensenbelasting 2021 in te trekken. Besluitpunt 5 De gemeenteraad besluit de Verordening toeristenbelasting 2022 vast te stellen en de Verordening toeristenbelasting 2021 in te trekken. Besluitpunt 6 De gemeenteraad besluit de Verordening hondenbelasting 2022 vast te stellen en de Verordening hondenbelasting 2021 in te trekken. Besluitpunt 7 De gemeenteraad besluit de Verordening parkeerbelastingen 2022 en de bijbehorende tarieventabel vast te stellen en de Verordening parkeerbelastingen 2021 in te trekken.
1/155
Besluitpunt 8 De gemeenteraad besluit het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022 vast te stellen en het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2021 in te trekken. Besluitpunt 9 De gemeenteraad besluit de Verordening markt- en standplaatsgelden 2022 vast te stellen en de Verordening markt- en standplaatsgelden 2021 in te trekken. Besluitpunt 10 De gemeenteraad besluit de Legesverordening 2022, de bijbehorende tarieventabel en het overzicht bouwkosten vast te stellen en de Legesverordening 2021 in te trekken. Besluitpunt 11 De gemeenteraad besluit tot het intrekken van de Verordening precariobelasting 2016 met ingang van 1 januari 2022. De Verordening precariobelasting 2016 blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor 1 januari 2022 hebben voorgedaan.
Wat is de aanleiding? De belastingverordeningen vormen de wettelijke grondslag voor het heffen van gemeentelijke belastingen en retributies. Het uitgangspunt voor het heffingenbeleid staat vermeld in het coalitieakkoord 2018-2022 "Sterk, betrokken & vitaal”. Dit is verder uitgewerkt in de Kaderbrief 2022 - 2025. De tarieven verhogen wij jaarlijks met de afgeleide CPI van januari van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2022 maken wij gebruik van de afgeleide CPI van januari 2021. De verhoging bedraagt hierdoor 1,2%. De tariefsverhoging hebben wij verwerkt bij het actualiseren van de belastingverordeningen. Het kabinet heeft de precariobelasting op kabels en leidingen per 1 juli 2017 afgeschaft. Tot en met het jaar 2021 konden wij gebruik maken van overgangsrecht. Het overgangsrecht eindigt per 1 januari 2022, waardoor wij voorstellen de Verordening precariobelasting 2016 in te trekken.
Wat willen we bereiken? Met de vaststelling van de belastingverordeningen kunnen wij in 2022 rechtsgeldige aanslagen opleggen. Hiermee worden de begrote gemeentelijke inkomsten voor 2022 gewaarborgd.
Argumenten 1.1 t/m 10.1 Het vaststellen van deze belastingverordeningen is noodzakelijk om de geraamde opbrengsten, zoals blijkt uit de begroting 2022, te kunnen realiseren. De belastingverordeningen zijn geactualiseerd voor het jaar 2022. De tariefsaanpassingen zijn hierin verwerkt. In de begroting 2022 is per abuis het belastingtarief voor het houden van een 1e hond (€ 73,00) tekstueel niet aangepast. In de Verordening hondenbelasting 2022 is het juiste tarief opgenomen (€ 73,80). Indien de tarieven in de belastingverordeningen niet conform het voorstel worden vastgesteld, heeft dit direct gevolgen voor de opbrengsten in 2022. De ramingen zoals vastgesteld in de begroting 2022 kunnen dan niet gerealiseerd worden. Wij verwijzen u naar bijlage 1 voor een toelichting op de belangrijkste wijzigingen per verordening. 2/155
11.1 Per 1 januari 2022 is het heffen van precariobelasting op kabels en leiding van nutsbedrijven wettelijk niet toegestaan. In navolging van andere Zeeuwse gemeenten voerden wij op 1 januari 2016 het heffen van precariobelasting op kabels en leidingen in. Hiertoe stelde de raad op 17 december 2015 de Verordening precariobelasting 2016 vast. Over het heffen van deze precariobelasting is landelijk veel discussie geweest. Dit leidde ertoe dat het kabinet de precariobelasting op kabels en leidingen van nutsbedrijven heeft afgeschaft per 1 juli 2017. Voor gemeenten die op 10 februari 2016 een verordening met tarief hadden vastgesteld voor precariobelasting op kabels en leidingen, gold een overgangstermijn tot 1 januari 2022. Nu de wettelijke overgangstermijn per 1 januari 2022 eindigt, trekken wij de Verordening precariobelasting 2016 in. In de begroting 2022 zijn geen inkomsten precariobelasting geraamd.
Kanttekeningen -
Wat mag het kosten? In de Paragraaf Lokale Heffingen van de begroting 2022 hebben wij een tabel opgenomen van de inkomsten van de lokale heffingen voor de jaren 2020 (gerealiseerd), een prognose 2021 en 2022. Ter informatie treft u deze tabel hieronder aan. Bedrag x € 1.000
werkelijke opbrengst 2020
Via Sabewa Zeeland Onroerende-zaakbelastingen Afvalstoffenheffing Rioolheffing Forensenbelasting Toeristenbelasting Hondenbelasting BIZ Subtotaal Sabewa Zeeland Kwijtscheldingen Totaal Sabewa Zeeland Precariobelasting Parkeerbelasting/-heffing Markt- en staanplaatsgelden Lijkbezorgingsrechten Bedrijfsafval Reinigingsrechten Leges Subtotaal Totaal opbrengst lokale heffingen
3/155
geraamde opbrengst 2021
geraamde opbrengst 2022
17.605 7.671 5.293 262 142 365 57 31.396 -331 31.396 574 903 31 675 562
18.093 7.855 5.324 267 435 380 61 32.416 -318 32.099 580 1.110 45 571 519
18.584 8.579 5.546 270 441 385 61 33.866 -344 33.015
2.926 5.672 36.737
2.379 5.204 37.302
1.856 4.330 37.851
1.131 45 779 519
Wat gaan we ervoor doen? De belastingverordeningen en het besluit tot intrekken van de Verordening precariobelasting 2016 maken wij bekend via publicatie op de Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties (DROP).
Bijlagen 1. 00.A. Bijlage 1 - toelichting op belastingverordeningen 2022 2. 01.A. Verordening onroerende-zaakbelastingen 2022.pdf 3. 01.B. Verordening onroerende-zaakbelastingen - wijzigingen bijhouden.pdf 4. 02.A. Verordening reinigingsheffingen 2022 en tarieventabel.pdf 5. 02.B. Verordening reinigingsheffingen 2022 en tarieventabel (wijzigingen bijhouden).pdf 6. 03.A. Verordening rioolheffing 2022.pdf 7. 03.B. Verordening rioolheffing - wijzigingen bijhouden.pdf 8. 04.A. Verordening forensenbelasting 2022.pdf 9. 04.B. Verordening forensenbelasting - wijzigingen bijhouden.pdf 10. 05.A. Verordening toeristenbelasting 2022.pdf 11. 05.B. Verordening toeristenbelasting - wijzigingen bijhouden.pdf 12. 06.A. Verordening hondenbelasting 2022.pdf 13. 06.B. Verordening hondenbelasting - wijzigingen bijhouden.pdf 14. 07.A. Verordening parkeerbelastingen 2022.pdf 15. 07.B. Verordening parkeerbelastingen - wijzigingen bijhouden.pdf 16. 08.A. Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022.pdf 17. 08.B. Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen - wijzigingen bijhouden.pdf 18. 09.A. Verordening markt- en standplaatsgelden 2022.pdf 19. 09.B. Verordening markt- en standplaatsgelden - wijzigingen bijhouden.pdf 20. 10.A. Legesverordening 2022.pdf 21. 10.B. Legesverordening - wijzigingen bijhouden.pdf
4/155
Zaaknummer: 356094
Bijlage 1 bij het raadsvoorstel ‘Belastingverordeningen 2022’ Inhoudsopgave Inleiding ................................................................................................................................. 2 Verordening onroerende-zaakbelastingen 2022 .................................................................... 3 Verordening reinigingsheffingen 2022 ................................................................................... 4 Verordening rioolheffing 2022................................................................................................ 5 Verordening forensenbelasting 2022 ..................................................................................... 6 Verordening toeristenbelasting 2022 ..................................................................................... 6 Verordening hondenbelasting 2022 ....................................................................................... 6 Verordening parkeerbelastingen 2022 en Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022 ....................................................................................................... 6 Verordening markt- en standplaatsgelden 2022 .................................................................... 7 Verordening lijkbezorgingsrechten 2021 (ongewijzigd) ..........................................................
7 Legesverordening 2022 ......................................................................................................... 8 Overzicht belangrijkste tarieven 2022 ...................................................................................10
Pagina 1 van 10
5/155
Inleiding Jaarlijks actualiseren wij de belastingverordeningen. Wij leggen de nieuwe verordeningen ter besluitvorming voor aan de gemeenteraad, onder intrekking van de oude verordeningen. De belastingverordeningen vormen de wettelijke grondslag voor het heffen van gemeentelijke belastingen en retributies. Uitgangspunt lokale heffingen Het uitgangspunt voor het heffingenbeleid staat vermeld in het coalitieakkoord 2018-2022 "Sterk, betrokken & vitaal”. Dit is verder uitgewerkt in de Kaderbrief 2022-2025. De tarieven verhogen wij jaarlijks met de afgeleide CPI van januari van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar. Voor het begrotingsjaar 2022 maken wij gebruik van de afgeleide CPI van januari 2021. De verhoging bedraagt hierdoor 1,2%. De tariefsverhoging hebben wij verwerkt bij het actualiseren van de belastingverordeningen. Belastingopbrengsten 2022 en tarieven In deze bijlage geven wij per verordening de geraamde opbrengsten 2022 weer. Wij verwijzen u ook naar de Paragraaf Lokale Heffingen van de begroting 2022. Aan het slot van deze bijlage geven wij u een overzicht van de belangrijkste tarieven in 2022.
Pagina 2 van 10
6/155
Verordening onroerende-zaakbelastingen 2022 Bij de onroerende-zaakbelastingen onderscheiden wij de volgende categorieën: woningen eigendom; niet-woningen eigendom; niet-woningen gebruik. Elke categorie heeft een eigen heffingsgrondslag en tarief. In artikel 5 van de Verordening onroerende-zaakbelastingen staat voor elke categorie het belastingtarief voor het jaar 2022. Onderstaand lichten wij de berekening van de heffingsgrondslag en het tarief toe. Heffingsgrondslag Van Sabewa Zeeland ontvangen wij een prognose van de heffingsgrondslag 2022 per categorie. De heffingsgrondslag vormt de WOZ-waarden van objecten die voor een belastingaanslag in aanmerking komen. Voor de WOZ-waarde 2022 geldt als waardepeildatum 1 januari 2021. Met ingang van 2022 worden alle woningen op basis van gebruiksoppervlakte in plaats van inhoud gewaardeerd. Dit is een eis van de Waarderingskamer. Sabewa Zeeland houdt voor de prognose van de heffingsgrondslag rekening met: de nieuwe WOZ-waarden; areaalontwikkeling (prognose over nieuwe woningen, nieuwe bedrijfspanden, sloop van gebouwen); leegstand van niet-woningen. Daarnaast geeft Sabewa Zeeland de percentages door van de geprognosticeerde waardeontwikkeling van de woningen en niet-woningen. Deze waardestijging of waardedaling is verdisconteerd in de nieuwe WOZ-waarden 2022.
Tarieven 2022 Het uitgangspunt voor de tarieven 2022 zijn de tarieven van het voorgaand jaar (2021). De tarieven verhogen we in 2022 met 1,2%, waarbij de waardeontwikkeling van de woningen en niet-woningen gecorrigeerd wordt op het tarief. Hiermee bereiken we dat voor de belastingbetaler de lastendruk van de OZB gemiddeld stijgt met 1,2% (uiteraard varieert de individuele belastingdruk van de OZB afhankelijk van de waardeontwikkeling van de desbetreffende onroerende-zaak).
Pagina 3 van 10
7/155
De OZB tarieven zijn in 2022 als volgt: tarief 2021 Woningen eigenaar Niet-woningen eigenaar Niet-woningen gebruiker
0,1437% 0,3017% 0,2422%
tariefaanpassing 1,2% 1,2% 1,2%
waardeontwikkeling 6,5% -1,7% -1,7%
tarief 2022 0,1365% 0,3106% 0,2493%
Omdat de geprognosticeerde waardeontwikkeling van de woningen hoger is dan de indexatie van 1,2%, daalt het tarief in 2022 ten opzichte van 2021. Het tarief voor eigenaren en gebruikers van niet-woningen stijgt in 2022. Dit is het gevolg van de geprognosticeerde waardedaling van de WOZ-waarden van de niet-woningen en de indexatie van het tarief met 1,2%. Raming opbrengst in 2022 De raming van de opbrengsten van de onroerendezaak-belastingen in 2022 bepalen wij door de heffingsgrondslag te vermenigvuldigen met het tarief. Op basis hiervan ramen wij de opbrengst OZB in 2022 op afgerond € 18.584.000.
Verordening reinigingsheffingen 2022 De Verordening reinigingsheffingen 2022 omvat 2 heffingen: de afvalstoffenheffing (hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 van de tarieventabel); de reinigingsrechten (hoofdstuk 3 van de tarieventabel). Tarief een- en meerpersoonshuishouden De afvalstoffenheffing vloeit voort uit de wettelijke taak van de gemeente om tenminste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. In 2022 verhogen wij de tarieven. In de Kaderbrief 2022-2025 zijn per saldo hogere kosten opgenomen voor de inzameling en verwerking van het afval (€ 477.000). Deze hogere kosten berekenen we volgens de gebruikelijke systematiek door in de tarieven van de afvalstoffenheffing. Daarnaast indexeren wij de tarieven met 1,2%. De tarieven voor de afvalstoffenheffing bedragen in 2022 voor een: eenpersoonshuishouden: € 301,75 per jaar; meerpersoonshuishouden: € 352,90 per jaar. De bovenstaande tarieven vermelden wij in hoofdstuk 1 van de tarieventabel. Reinigingsrechten In hoofdstuk 3 bepalen wij de tarieven voor ledigen van beer- of zinkputten, septictanks, en het verwijderen van de daarin verzamelde afvalstoffen. Deze tarieven indexeerden wij met 1,2%. De werkelijke opbrengsten waren afgelopen jaren nihil. Opbrengst en kostendekkendheid afvalstoffenheffing 2022 In de begroting 2022 raamden wij de opbrengsten voor de afvalstoffenheffing op afgerond € 8.579.000.
De kostendekkendheid voor de afvalstoffenheffing bedraagt 93%. Pagina 4 van 10
8/155
Verordening rioolheffing 2022 In de Verordening rioolheffing 2022 passen wij het tarief aan. Dit lichten wij hieronder toe. Ook gaan wij kort in op de nieuwe modelverordening van de VNG. Heffingsgrondslag en tarief Wij heffen rioolheffing van eigenaren over de waarde in het economisch verkeer van hun perceel (WOZ-waarde). Voor de WOZ-waarde 2022 geldt als waardepeildatum 1 januari 2021. Het tarief van de rioolheffing verhogen we in 2022 met 1,2%. Gelijk aan de tariefbepaling bij de onroerende-zaakbelastingen corrigeren wij het tarief voor de rioolheffing met de waardeontwikkeling. Sabewa Zeeland bepaalde het percentage van de waardeontwikkeling van de objecten die voor de rioolheffing aangeslagen worden op 5,7%. Rekeninghoudend met het bovenstaande bedraagt het tarief voor de rioolheffing in 2022 0,088%.
Eigenaren woningen en niet-woningen
tarief 2021
tariefaanpassing
waardeontwikkeling
tarief 2022
0,092%
1,2%
5,7%
0,088%
VNG: nieuwe modelverordening In de Ledenbrief van 1 september 2021 (Lbr. 21/065) kondigde de VNG een nieuwe modelverordening aan. De VNG vervangt de Modelverordening Rioolheffing voor een nieuwe Modelverordening Riool- en Waterzorgheffing. Het vereiste van een directe of indirecte aansluiting op de gemeentelijke riolering wordt in de nieuwe modelverordening losgelaten. De VNG geeft aan dat de nieuwe modelverordening recht doet aan de bredere invulling van de gemeentelijke watertaken. Wateroverlast en verdroging vragen steeds meer maatregelen in de publieke ruimte. Van de maatregelen in de publieke ruimte heeft iedereen profijt, daarom worden in de nieuwe modelverordening zoveel mogelijk percelen in de heffing betrokken. Deze verbreding komt ook terug in de citeertitel van de modelverordening: ‘Modelverordening Riool- en Waterzorgheffing’. Het is een keuze van de gemeenteraad om deze nieuwe modelverordening te gaan hanteren. Het vervallen van de eis om te heffen bij ‘directe of indirecte aansluiting’ zorgt er voor dat meer percelen in de heffing betrokken worden. Dit vereist een zorgvuldige communicatie en belangenafweging naar nieuwe belastingplichtigen. De VNG geeft aan dat zij zich kunnen voorstellen dat invoering wordt doorgeschoven naar besluitvorming door de nieuwe gemeenteraad na de verkiezingen.
Raming opbrengst in 2022 en kostendekkendheid Uit de begroting 2022 volgt dat het dekkingspercentage 89% is. De inkomsten aan rioolheffing ramen wij voor 2022 op afgerond € 5.546.000.
Pagina 5 van 10
9/155
Verordening forensenbelasting 2022 Het tarief van de forensenbelasting verhogen wij met 1,2%. Per 1 januari 2022 bedraagt het tarief voor de forensenbelasting 10,18 promille van de WOZ-waarde van de aangeslagen objecten. Bij de tariefbepaling is rekening gehouden met de gemiddelde waardestijging van 6,5% voor woningen. In de begroting 2022 zijn de inkomsten aan forensenbelasting geraamd op € 270.000.
Verordening toeristenbelasting 2022 Wij heffen toeristenbelasting van degene die gelegenheid biedt tot verblijf (de ondernemer). Het is uiteindelijk de gast van buiten de gemeente die de belasting betaalt. De ondernemer mag de belasting namelijk doorberekenen aan zijn gast. Wanneer deze niet-inwoners voor kortere tijd in de gemeente verblijven, profiteren zij van de gemeentelijke voorzieningen. De toeristenbelasting zien wij daarom als een tegemoetkoming in de kosten van de gemeentelijke huishouding. Wij verhogen het tarief met 1,2%. Met ingang van 1 januari 2022 bedraagt het tarief € 1,62 per overnachting. Voor het heffen van toeristenbelasting stellen we aan de overnachting geen eisen van toeristische of recreatieve aard. Dit betekent dat ook een betaald verblijf met overnachting zonder toeristische of recreatieve aanleiding tot belastingplicht leidt. Wij onderzoeken de mogelijkheden om te komen tot een feitelijke heffing van toeristenbelasting bij eigenaren en of exploitanten van woningen waar personen tegen een vergoeding verblijven, die niet zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen. De inkomsten aan toeristenbelasting ramen wij voor 2022 op afgerond € 441.000.
Verordening hondenbelasting 2022 De tarieven van de hondenbelasting verhogen wij met 1,2%. Per 1 januari 2022 bedraagt het tarief voor een eerste hond € 73,80 en € 166,00 voor een tweede en volgende hond. Het kenneltarief bedraagt € 296,00 per kennel. Voor 2022 bedragen de begrote inkomsten aan hondenbelasting afgerond € 385.000.
Verordening parkeerbelastingen 2022 en Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022 In 2016 is het parkeerbeleid vastgesteld en zijn de tarieven van de parkeerbelasting (straatparkeren) en de parkeerheffingen (parkeergarages) bepaald. Als gevolg van dit parkeerbeleid wijzigen wij het tarief voor straatparkeren (€ 1,60 per uur) en het tarief voor de parkeergarages (€ 1,40 per uur) niet. De tarieven voor de parkeervergunningen voor het straatparkeren en de parkeergarages indexeren wij met 1,2%. In de Verordening parkeerbelastingen 2022 en de bijbehorende tarieventabel zijn de tarieven voor straatparkeren vastgelegd. Pagina 6 van 10
10/155
Onder verwijzing naar het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen en artikel 10 uit de Verordening hebben wij een onderbouwing gemaakt van de kosten voor de naheffingsaanslag. Via een afzonderlijk besluit – Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen 2022 – stellen wij voor het bedrag van de naheffingsaanslag parkeren vast te stellen op € 66,50. Dit is het wettelijk maximum tarief voor een naheffingsaanslag parkeerbelasting vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. De tarieven voor de parkeergarages bepalen wij via een afzonderlijke tarieventabel. Het college van burgemeester en wethouders stelt deze tarieven vast. Voor 2022 bedragen de begrote inkomsten aan parkeerbelasting en parkeerheffingen in totaliteit afgerond € 1.130.000. De kostendekkendheid voor de parkeerbelastingen bedraagt 96%.
Verordening markt- en standplaatsgelden 2022 De tarieven van de markt- en standplaatsgelden verhogen wij met 1,2%. Wij wenden 15% van de marktgelden aan promotieactiviteiten ten gunste van de weekmarkt. De inkomsten aan markt- en standplaatsgelden ramen wij voor 2022 op € 45.000. De kostendekkendheid voor markt- en standplaatsgelden bedraagt 19%.
Verordening lijkbezorgingsrechten 2021 (ongewijzigd) Lijkbezorgingsrechten brengen wij in rekening voor de dekking van de kosten van de gemeentelijke begraafplaatsen. Wij hanteren het uitgangspunt van 100% kostendekkendheid. De tarieven voor de lijkbezorgingsrechten blijven in 2022 gelijk aan de tarieven van 2021. Dit betekent dat er geen wijzigingen in de Verordening lijkbezorgingsrechten nodig zijn. Hierdoor leggen wij geen nieuwe verordening ter besluitvorming aan u voor. De verordening van 2021 blijft van toepassing in 2022. Voor de komende jaren verwachten wij door de uitvoering van het 'Plan van aanpak begraafplaatsen 2021-2022' grote schommelingen in de inkomsten en uitgaven. Het aanschrijven van nabestaanden voor graven met al langer verlopen grafrechten levert in 2022 naar verwachting € 184.000 hogere inkomsten op. Dit bedrag doteren we in 2022 aan de voorziening begraafrechten. Daarentegen moeten we ook kosten gaan maken om de noodzakelijke aanpassingen volgens het Plan van aanpak aan de begraafplaatsen uit te voeren. De aanpassingen aan de begraafplaatsen zijn bijvoorbeeld het inkrimpen en /of onderhoudsvriendelijker maken. Dit groot onderhoud bekostigen we uit de exploitatie begraafplaatsen en de voorziening begraafrechten.
Pagina 7 van 10
11/155
Legesverordening 2022 Legesverordening per 1 januari 2022 In de tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2022 zijn de legestarieven opgenomen. Wij lichten enkele bepalingen en wijzigingen toe. In zijn algemeenheid geldt dat wij de tarieven verhogen met 1,2%. Uitzondering op deze tariefsverhoging vormen de leges die aan wettelijke maxima gebonden zijn. De Wet hergebruik van overheidsinformatie bepaalt dat voor hergebruik van (openbare) overheidsinformatie slechts de marginale verstrekkingskosten in rekening gebracht mogen worden. Dit zijn de kosten voor de vermenigvuldiging en verspreiding. Wij sluiten voor de tarieven van een (digitale) kopie op A3, A4 aan bij het Rijkstarief van € 0,35 per bladzijde voor een WOB-verzoek. Deze tarieven zijn in 2022 niet gewijzigd. Naar aanleiding van de VNG ledenbrief 3 juni jl. (Lbr. 21/046) is in titel 1, hoofdstuk 1 van de tarieventabel de bepaling met de verwijzing naar het Legesbesluit akten burgerlijke stand (artikel 1.1.7 oud) vervallen, omdat dit besluit een zelfstandige grondslag voor heffing en invordering biedt. Op 7 oktober 2021 besloot de raad om de proef van het bezorgen van reisdocumenten te verlengen tot 31 december 2022. De bepaling in artikel 1.2.3. van de tarieventabel is hierdoor ongewijzigd. Hoofdstuk 1 van titel 2 geeft een omschrijving van het begrip bouwkosten.
Voor het verstrekken van een vergunning worden de bouwkosten getoetst aan richtbedragen opgenomen in het ‘Overzicht bouwkosten ten behoeve van berekeningen voor de bouwleges-toets’. Dit overzicht nemen wij op in bijlage 2 van de Legesverordening. De bedragen van de bouwkosten (voor het laatst gewijzigd in de Legesverordening 2020) hebben wij geactualiseerd. Wij zijn uitgegaan een stijging van 5%. Gezien de daadwerkelijke stijging van de bouwkosten vormt dit naar onze mening een minimale stijging. Voor zover de richtbedragen niet toepasbaar zijn, worden de bouwkosten getoetst aan taxatieboeken Serie Taxatieboekjes, BIM Media, 2021. Jaarlijks actualiseren wij het tarief van het advies van de agrarische commissie in de Legesverordening (artikel 2.2.1.3.1). Per 1 januari 2022 bedraagt het tarief voor een advies € 850 exclusief btw. Het bedrag van een bedrijfsbezoek van € 65 exclusief btw wijzigt niet (artikel 2.2.1.3.2). In hoofdstuk 7 van titel 2 staan bepalingen voor het wijzigen van een bestemmingsplan zonder bouw- of aanlegactiviteit. Wij verhogen de tarieven in dit hoofdstuk. Op dit moment kunnen de externe kosten voor het uitvoeren van deze werkzaamheden niet gedekt worden door het in rekening te brengen legesbedrag. Met de verhoging van verwachten wij de kosten wel te dekken. In Titel 3 is de Drank- en Horecawet vervangen door de Alcoholwet.
Pagina 8 van 10
12/155
In de begroting 2022 zijn de inkomsten aan leges geraamd op € 1.856.000. De kostendekkendheid van de leges bedraagt op totaalniveau van de Legesverordening 53%. Legesverordening passen wij aan bij inwerkingtreding Omgevingswet en Wkb Naar verwachting treedt de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) op 1 juli 2022 in werking. De Wkb zorgt voor een nadelig financieel effect ten aanzien van de legesopbrengsten (titel II). Vooralsnog schatten wij deze vermindering in op ongeveer € 600.000. Wij werken aan een nieuwe Legesverordening per 1 juli 2022 waarin wij de mogelijkheden van de Omgevingswet willen benutten om het nadelig financieel effect te verminderen. Wij onderzoeken de mogelijkheden om leges in rekening te brengen voor milieubelastende activiteiten, voor overleg via de omgevingstafel en voor bodemsaneringen. Omdat ook voor de nieuwe tarieventabel geldt dat de geraamde baten niet de geraamde lasten mogen overstijgen (maximaal 100% kostendekkendheid) voeren wij een onderzoek naar de kostendekkendheid uit. In de eerste helft van 2022 leggen wij aan de gemeenteraad een aangepaste Legesverordening voor inclusief een nieuwe kostendekkendheid berekening.
Pagina 9 van 10
13/155
Overzicht belangrijkste tarieven 2022 Belastingsoort Onroerende zaakbelasting Woningen eigenaar Niet-woningen eigenaar Niet-woningen gebruiker Afvalstoffenheffing Gebruiker Rioolheffing Eigenaar woning en niet-woningen Hondenbelasting 1e hond 2e hond en volgende Kennel Forensenbelasting Eigenaar woning Toeristenbelasting Bezoeker Parkeerbelastingen Parkeren ondergronds Parkeren bovengronds
Grondslag
2022
WOZ-waarde WOZ-waarde WOZ-waarde
0,1365% 0,3106% 0,2493%
Eenpersoonshuishouden Meerpersoonshuishouden
€ 301,75 € 352,90
WOZ-waarde
0,088%
Per hond Per hond Per kennel
€ 73,80 € 166,00 € 296,00
WOZ-waarde
10,18‰
Per overnachting
€
1,62
Per uur Per uur
€ €
1,40 1,60
Pagina 10 van 10
14/155
Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2022 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 september 2021; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2022 (Verordening onroerende-zaakbelastingen 2022).
Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;
b.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
2.
Bij de gebruikersbelasting wordt: a.
gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;
b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
3.
Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
15/155
Artikel 2 Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.
2.
Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
3.
Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3 Maatstaf van heffing 1.
De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.
2.
Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Vrijstellingen 1.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.
voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d.
één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f.
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g.
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
16/155
h.
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i.
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.
j.
onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;
k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
l.
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2.
De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
3.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5 Belastingtarieven 1.
Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:
2.
a.
de gebruikersbelasting 0,2493 %;
b.
de eigenarenbelasting 1.
voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1365 %;
2.
voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3106 %.
Voor belastingbedragen tot € 10 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerendezaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
17/155
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van onroerende-zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9 Overgangsrecht De 'Verordening onroerende-zaak belastingen 2021' van 12 november 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 10 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022.
Artikel 11 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening onroerende-zaakbelastingen 2022.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 11 november 2021.
griffier,
voorzitter,
mr. J.H.P. de Jong
H.J.A. van Merrienboer
18/155
Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 20212022 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 oktober 202028 september 2021; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 20212022 (Verordening onroerende-zaakbelastingen 20212022).
Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1.
Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;
b.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
2.
Bij de gebruikersbelasting wordt: a.
gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;
b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
3.
Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
19/155
Artikel 2 Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.
2.
Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
3.
Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3 Maatstaf van heffing 1.
De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.
2.
Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Vrijstellingen 1.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.
voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d.
één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f.
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g.
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
20/155
h.
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i.
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.
j.
onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;
k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
l.
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2.
De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
3.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5 Belastingtarieven 1.
Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:
2.
a.
de gebruikersbelasting 0,24222493 %;
b.
de eigenarenbelasting 1.
voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,14371365 %;
2.
voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,30173106 %.
Voor belastingbedragen tot € 10 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerendezaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
21/155
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van onroerende-zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9 Overgangsrecht De 'Verordening onroerende-zaak belastingen 2020'2021' van 712 november 20192020 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 10 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 20212022.
Artikel 11 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening onroerende-zaakbelastingen 20212022.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 1211 november 20202021.
griffier,
voorzitter,
mr. J.H.P. de Jong
H.J.A.H. Lonink van Merrienboer
22/155
Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2022 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 september 2021; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2022 (Verordening reinigingsheffingen 2022).
Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1 Inleidende bepalingen Krachtens deze verordening worden geheven: a.
een afvalstoffenheffing;
b.
reinigingsrechten.
Artikel 2 Definitie In deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’ in hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer.
23/155
Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit 1.
Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2.
De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een perceel.
2.
Als perceel wordt aangemerkt: a.
de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.
Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
24/155
Artikel 8 Wijze van heffing 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een aanslag.
2.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving waarop de verschuldigde belasting is vermeld.
3.
Per belastbaar feit kan afzonderlijk worden geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.
Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.
5.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.
Artikel 10 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 10.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
De belasting, welke door middel van een gedagtekende kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid wordt geheven, moet worden betaald op het moment van het uitreiken van de kennisgeving.
4.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
25/155
Hoofdstuk III Reinigingsrechten Artikel 11 Belastbaar feit Onder de naam 'reinigingsrechten' worden rechten geheven zowel voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.
Artikel 12 Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.
Artikel 13 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.
De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2.
Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 14 Belastingjaar Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 15 Wijze van heffing De rechten bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 16 Ontstaan van de belastingschuld voor de overige rechten De rechten bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.
Artikel 17 Termijnen van betaling 1.
De reinigingsrechten moeten worden betaald op het moment van het uitreiken van de schriftelijke kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
2.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
26/155
Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen Artikel 18 Kwijtschelding Bij de invordering van de belasting en rechten onder onderdeel 1.3, hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 van de tarieventabel wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 19 Overgangsrecht De ‘Verordening reinigingsheffingen 2021’ van 12 november 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 20, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 20 Inwerkingtreding 1.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022.
Artikel 21 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening reinigingsheffingen 2022.
Besloten in de openbare vergadering van de gemeente Terneuzen op 11 november 2021.
griffier,
voorzitter,
mr. J.H.P. de Jong
H.J.A. van Merrienboer
27/155
Bijlage 1 Tarieventabel, behorende bij de Verordening reinigingsheffingen 2022 Algemeen De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief omzetbelasting, indien deze verschuldigd is.
Hoofdstuk 1 Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing 1.
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar:
1.1
indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de
€ 301,75
belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon 1.2
indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de
€ 352,90
belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee of meer personen 1.3
indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de
€ 352,90
belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt als niet-permanente bewoonde woning 1.4
De belasting als bedoeld in de onderdelen 1.1 tot en met 1.3 wordt vermeerderd voor het op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, in bruikleen hebben van:
1.4.1
een extra grijze container, per container met
€ 197,60
1.4.2
een extra groene container, per container met
Gratis
1.4.3
een extra blauwe container, per container met
€ 30,45
Hoofdstuk 2 Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing 2.
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 bedraagt de belasting voor het op aanvraag
2.1
inzamelen van grove huishoudelijke afvalstoffen, per aanvraag, met een
€ 29,40
maximum van 2 m3 per adres: 2.2
extra ledigen van één container, per aanvraag:
28/155
€ 30,45
2.3
inzamelen van snoeiafval aan huis, per aanvraag, met een maximum
€ 25,80
van 2 m3 per adres:
Hoofdstuk 3 Maatstaven en tarieven overige reinigingsrechten 3.
Het recht bedraagt voor:
3.1
het ledigen van beer- of zinkputten, septictanks, en het verwijderen van de daarin verzamelde afvalstoffen:
3.1.1
voor 1,5 m³ of een gedeelte daarvan
€ 122,00
3.1.2
voor meer dan 1,5 m³ doch maximaal 3 m2
€ 164,00
3.1.3
voor meer dan 3 m2
€ 256,00
Behoort bij raadsbesluit van 11 november 2021.
griffier,
mr. J.H.P. de Jong
29/155
Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 20212022 De raad van de gemeente Terneuzen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 oktober 202028 september 2021; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 20212022 (Verordening reinigingsheffingen 20212022).
Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1 Inleidende bepalingen Krachtens deze verordening worden geheven: a.
een afvalstoffenheffing;
b.
reinigingsrechten.
Artikel 2 Definitie In deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’ in hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer.
30/155
Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit 1.
Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2.
De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een perceel.
2.
Als perceel wordt aangemerkt: a.
de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.
Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
31/155
Artikel 8 Wijze van heffing 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een aanslag.
2.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving waarop de verschuldigde belasting is vermeld.
3.
Per belastbaar feit kan afzonderlijk worden geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.