CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-09-22 Bijlage 2 - 20210625 aangepaste ro achterpad nieuwstraat 30 Koewacht

gemeenteraad 7 oktober 2021, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen voor de aanleg en het gebruik van een pad naar de Tragel in Koewacht14.435 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Terneuzen Achterpad Nieuwstraat 30 Koewacht

Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning voor afwijken bestemmingsplan

Achterpad Nieuwstraat 30 Koewacht Terneuzen

Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning voor afwijken bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0715.PMGEM-0001

06-04-2020 24-02-2021

concept definitief

projectnummer:

44002787.20200570 opdrachtleider:

ir. C.A. Louws

Segeerssingel 6

aangesloten bij:

RBOI - Rotterdam postbusbv430 Delftseplein 27b 4330 AK Middelburg Postbus 150 T: 0118- 68 90 10 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85middelburg@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl

2

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

3

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Plangebied

8

1.3

Geldend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

11

2.1

De situatie

11

Hoofdstuk 3

Beleidskader

13

3.1

Rijksbeleid - Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

13

3.2

Provinciaal beleid

13

3.3

Gemeentelijk beleid

14

3.4

Conclusie

15

Hoofdstuk 4

Kwaliteit van de leefomgeving

17

4.1

Milieu- en overige aspecten

17

4.2

Milieueffectrapportage

18

Hoofdstuk 5

Juridische regeling

19

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

21

6.1

Financiële uitvoerbaarheid

21

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

21

Bijlagen

23

Bijlage 1

Situatietekening

25

Bijlage 2

Archeologisch advies

27

Bijlage 3

Asbestonderzoek

29

Bijlage 4

Wateradvies

31

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

4

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

5

Ruimtelijke onderbouwing

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

6

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

De eigenaar van de woning aan de Nieuwstraat 30 in Koewacht met kadastraal nummer Axel H 1152, heeft naast dit perceel ook het achterliggende perceel met kadastraal nummer Axel N591 in eigendom. Dit perceel is in gebruik als tuin. De tuin bestaat grotendeels uit hoog opgaande boombeplanting. De ontsluiting van de tuin bij het perceel aan de Nieuwstraat 30 vindt plaats via een verhard pad naar de Tragel. In het verleden zijn door omwonenden verschillende procedures gevoerd tegen de plaatsing en het oneigenlijke gebruik van loodsen in de tuin en het oneigenlijke gebruik van het pad. Inmiddels is het gebruik van de loodsen in overeenstemming gebracht met de geldende bestemming. Twee loodsen in gebruik voor hobbydoeleinden. Ten behoeve van de ontsluiting van het achtererf loopt momenteel een verhard pad naar de Tragel. Het pad heeft in het geldende bestemmingsplan een agrarische bestemming; de aangrenzende weidegronden worden via het betreffende pad ontsloten. Het gebruik van dit pad ten behoeve van de ontsluiting van de woning past niet binnen de regels van het bestemmingsplan. Daarom wordt een nieuw pad aangelegd over het noordelijk deel van het perceel N591 ten behoeve van de ontsluiting van het achtererf van de woning aan de Nieuwstraat 30 en zal het bestaande pad aan de zuidzijde van het perceel worden verwijderd.

De gemeente Terneuzen heeft aangegeven in principe bereid te zijn planologische medewerking te verlenen aan de realisatie van het pad. Hiervoor zal het instrument van een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voor afwijken van het geldende bestemmingsplan worden toegepast (artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo). Een dergelijke omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Een aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning dient daarom vergezeld te gaan van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onderliggend document bevat deze ruimtelijke onderbouwing.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

8

1.2

Plangebied

Figuur 1.1 Plangebied met het te legaliseren pad binnen de gele arcering (bron foto: Luchtfoto kadaster Nederland) Het plangebied ligt aan de Tragel in Koewacht, in het zuiden van de gemeente Terneuzen, aan de grens met België. Het perceel waarop het te realiseren pad ligt is kadastraal bekend als gemeente Axel, sectieN nummer 591.

1.3

Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan ter plaatse is 'Buitengebied Terneuzen', d.d. 25 juni 2013 vastgesteld door de raad van de gemeente Terneuzen. Op basis van dit bestemmingsplan geldt ter plaatse van het betreffende perceel de bestemming 'Agrarisch met waarden - Dekzandgebied'. Binnen deze bestemming zijn onder andere de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven en het behoud, versterking en de ontwikkeling van aanwezige landschaps- en cultuurhistorische waarden toegestaan. Daarnaast geldt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 1, hieraan zijn regels verbonden die de mogelijk aanwezige archeologische waarden beschermen. Zo is onder andere een rapport, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld, noodzakelijk bij verschillende werkzaamheden. Ook geldt de gebiedsaanduiding wro-zone - wijzigingsgebied. De gronden met deze aanduiding kunnen ten behoeve van de realisering van een landgoed in de bestemmingen Wonen, Maatschappelijk met de aanduiding 'zorginstelling', Recreatie - Verblijfsrecreatie, Bos, Natuur en/of Water worden gewijzigd. Hieraan zijn verschillende voorwaarden gesteld.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

9

Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen. (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vijf hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving van het project weergegeven. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 de relatie met de sectorale toetsen beschreven. In hoofdstuk 5 wordt kort ingegaan op de juridische regeling en tot slot komt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan bod.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

10

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

11

Hoofdstuk 2

2.1

Planbeschrijving

De situatie

De bewoner en eigenaar van de woning aan de Nieuwstraat 30 in Koewacht gebruikt de achterliggende gronden van het perceel 1152 als tuin bij de woning. Op deze gronden staan onder andere twee loodsen. Een derde loods is reeds gesloopt. Aan de voorzijde van het perceel aan de Nieuwstraat 30 is de mogelijkheid aanwezig om het perceel te ontsluiten via de aanwezige garage. In deze garage is zowel aan de voorzijde (aan de Nieuwstraat) als aan de achterzijde (aan de tuinzijde) een garagedeur aanwezig. Hierdoor is het mogelijk om via de Nieuwstraat 30, door de garage, de tuin te ontsluiten. Deze ontsluiting is niet ideaal aangezien er een hoogte- en breedtebeperking rust op de doorgang. Het gebruik als ontsluiting is niet mogelijk omdat de garage wordt gebruikt voor opslag en omdat het afvoeren van bijvoorbeeld tuinafval niet mogelijk is met deze beperkte doorgang. Omdat de bestaande ontsluiting van het achtererf niet meer gebruikt mag worden bestaat de noodzaak om op het perceel 591 een nieuw pad aanleggen dat aansluit op de Tragel (zie ook bijlage 1). Hierbij wordt opgemerkt dat de aansluiting op de Tragel op circa 7 meter van de bestaande duiker (ten noorden van het plangebied) zal plaatsvinden. De bestaande duiker aan de zuidzijde van het plangebied zal worden verwijderd. Het pad wordt aan de zuidzijde begrensd door de paardenweide van de initiatiefnemer.

Een deel van de bestaande schuren en stallen (ca 12 x 8,6 meter) aan de westzijde van het plangebied zal worden aangepast. De rest van de schuren en stallen zal worden gesloopt. De aansluiting van het pad op het achtererf van Nieuwstraat 30 zal achter de te behouden schuren en stallen plaatsvinden. Aan de noordzijde wordt het pad begrensd door een bomenrij die de overgang vormt tot de rest van het buitengebied van Terneuzen.

Figuur 2.1 Foto van de locatie van het beoogde pad (Google Streetview)

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

12

Figuur 2.3 Foto van de Tragel ter hoogte van het beoogde pad (Google Streetview)

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

13

Hoofdstuk 3

3.1

Beleidskader

Rijksbeleid - Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

3.1.1 Algemeen Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte uit 2004. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiernaar wordt gestreefd door middel van een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Het Rijk heeft 13 onderwerpen benoemd waar het een taak voor zichzelf ziet weggelegd om Nederland concurrerend, bereikbaar, veilig en leefbaar te houden. In de SVIR is geen specifiek ruimtelijk beleid voor paden of Koewacht geformuleerd. 3.1.2 Nationaal landschap, Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en Natura-2000 gebieden In de SVIR zijn gebieden aangewezen die internationaal zeldzaam/uniek zijn, of die kenmerkend zijn voor Nederland. Door de SVIR is aangegeven welke landschappelijke kernkwaliteiten gebieden bezitten. Hierbij heeft het Rijk de verantwoording voor de realisatie van de doelstellingen primair bij de Provincies gelegd. De projectlocatie is niet aangewezen als Nationaal landschap, EHS of Natura-2000 gebied.

Er is in dit geval sprake van een bestaand pad, de legalisering van het gebruik voor ontsluiting van de tuin is niet van invloed is op de genoemde nationale belangen. Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsplan Zeeland 2018 Op 21 september 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten het Omgevingsplan Zeeland 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 bevat de hoofdlijnen uit alle provinciale beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving. Het gaat over economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Ten opzichte van het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 is voor het overgrote deel geen nieuw beleid gevormd. Provinciale belangen zoals die zijn gedefinieerd in het Omgevingsplan Zeeland 2018 (zoals het tegengaan van nieuwe woningen in het buitengebied, aantasting van natuur of molenbiotopen), worden door deze ontwikkeling niet geraakt. Bij de inrichting van het pad zal rekening worden gehouden met een zo'n beperkt mogelijke impact op de omgeving. Onder meer door het pad langs een bestaande bomenrij te realiseren.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

14

3.2.2 Omgevingsverordening Zeeland 2018 Op 21 september 2018 hebben de Provinciale Staten van Zeeland de Omgevingsverordening Zeeland 2018 vastgesteld. Het omgevingsplan gaat uit van samenwerking tussen de provincie, andere overheden en maatschappelijke organisaties, maar een aantal uitgangspunten uit het plan vindt de provincie van een zodanig groot belang dat ze zijn opgenomen in een verordening die bindend is voor gemeenten, de ‘Verordening ruimte provincie Zeeland’. Op grond van de Wro dient een gemeentebestuur bij het vaststellen van een ruimtelijk plan de algemene regels van de Verordening ruimte in acht te nemen. Voor wat betreft dit project zijn er geen specifieke regels van belang. Regionale waterkering De Verordening ruimte schrijft in artikel 2.22 voor dat in een bestemmingsplan aan de aangegeven regionale waterkeringen de (dubbel)bestemming 'Waterstaat – Waterkering' wordt toegewezen. De projectlocatie is niet gelegen in of nabij een regionale waterkering en behelst geen werkzaamheden. Bestaande natuur en natuurontwikkeling De projectlocatie ligt buiten de vastgestelde grenzen van het Natuurnetwerk Zeeland. De locatie is niet gelegen in een natuurontwikkelingsgebied zoals beschreven in artikel 2.25 in de Verordening ruimte.

Kernkwaliteiten landschap en cultuurhistorie De Verordening ruimte bevat in artikel 2.28 een regeling met een cultuurhistorische overzichtskaart waarop specifieke cultuurhistorische waarden zijn opgenomen. De locatie is niet gelegen in of nabij een gebied met deze specifieke waarden. Duurzaamheidsladder Op grond van zowel het rijksbeleid (het Bro), als het provinciaal beleid (het Omgevingsplan en de Verordening ruimte) dient bij een stedelijke ontwikkeling uitgegaan te worden van de duurzaamheidsladder. Het doel hiervan is een zorgvuldig ruimtegebruik, de herstructurering van bebouwde terreinen/gebieden en de bundeling van functies. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouw of bedrijventerrein, toetsing aan de ladder kan daarmee achterwege blijven.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Terneuzen 2025 De structuurvisie Terneuzen 2025 (februari 2010) is een visiedocument voor de ontwikkeling van de gemeente Terneuzen voor de lange termijn. De structuurvisie fungeert voor het gemeentebestuur als (ruimtelijk) afwegingskader bij de beoordeling van nieuwe initiatieven. De structuurvisie vormt daarmee een belangrijk kader voor bestemmingsplannen. De structuurvisie schetst een te verwachten toekomstbeeld anno 2025, rekening houdende met de ontwikkelingen in de economie en in de leefomgevingskwaliteit (wonen, maatschappelijke voorzieningen, recreatie, natuur en water).

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

15

Het buitengebied van de gemeente bestaat voor een groot deel uit agrarisch gebied. De agrarische sector draagt voor een groot deel zorg voor het onderhoud en het beeld van het landschap. Het agrarische gebied functioneert goed en ook de uitstraling volstaat. Grote ruimtelijke ingrepen worden de komende jaren niet verwacht. Voor zover ontwikkelingen plaatsvinden binnen het buitengebied, die niet zijn gericht op de agrarische functie (bijvoorbeeld door de toevoeging van Nieuwe Economische Dragers), geldt dat deze ontwikkelingen de agrarische bedrijfsvoering niet in de weg mogen staan. De ontwikkeling betreft geen milieugevoelige functie en staat de bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven dan ook niet in de weg. 3.3.2 Bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen Het aanleggen van het pad is in het geldende bestemmingsplan toegestaan mits ten dienste van het agrarisch gebruik. Het gebruik ten behoeve van de ontsluiting van de tuin is strikt genomen op basis van de regels van het bestemmingsplan niet toegestaan. Beleidsmatig is er voor het overige echter geen belemmering voor het aanleggen van een nieuw pad ten behoeve van de ontsluiting van de aangrenzende tuin. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld ten behoeve van de vergunningaanvraag om het beoogde gebruik, ten behoeve van de ontsluiting van de tuin, toe te staan.

3.4

Conclusie

Binnen de kaders van de geldende regelgeving staan zowel het rijksbeleid, het provinciaal en het gemeentelijk beleid aan de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

16

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

17

Hoofdstuk 4

4.1

Kwaliteit van de leefomgeving

Milieu- en overige aspecten

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, wordt dan ook onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. De beoogde ontwikkeling betreft het aanleggen van een nieuw pad ten behoeve van de ontsluiting van de tuin bij de woning aan de Nieuwstraat 30. Daarvoor dient te worden afgeweken van het bestemmingsplan. Hierbij wordt een klein deel van het bestaande agrarische perceel verhard. Op het perceel zijn enkele bomen aanwezig, die mogelijk gekapt moeten worden in het kader van de aanleg van het pad. Het betreft een boom ter plaatse van de nieuwe aansluiting op de Tragel en een boom halverwege het nieuwe pad.

Gezien de huidige inrichting en gebruik is het niet de verwachting dat ter plaatse beschermde diersoorten aanwezig zullen zijn. Bij de kap van de bomen en de aanleg van het pad wordt rekening gehouden dat de start van de werkzaamheden buiten het broedseizoen (maart-augustus) plaatsvinden. Ten aanzien van archeologie is een verklaring van Artefact waaruit blijkt dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, indien geen bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 50 cm plaatsvinden (zie bijlage 2). De verwachte grondroerende activiteiten ten behoeve van de aanleg van het nieuwe pad zijn minder dan 50 cm. Bij het verwijderen van het huidige pad aan de zuidzijde van het plangebied geldt dat grondroerende activiteiten mogen plaatsvinden tot een diepte waarop de grond reeds geroerd is. Voor het aanleggen van het nieuwe pad, én het verwijderen van het oude pad, is daarom geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. In 2020 is ter plaatse van het te verwijderen pad aan een bodemonderzoek uitgevoerd om te bepalen in hoeverre de verdenking van het voorkomen van asbest in de funderingslaag onder het asfaltpad terecht is en zo ja, een uitspraak te doen over het indicatieve gehalte asbest in deze lagen. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 3.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

18

Uit het onderzoek blijkt dat de oostelijke helft uitsluitend op gasbeton is gefundeerd en onverdacht is voor verontreiniging met asbest. De westelijke helft van het asfalt is gefundeerd op een laag gemengd puin met hieronder gasbeton. Het gemengde puin tussen het asfalt en het gasbeton moet als “tot boven de hergebruikswaarde met asbest verontreinigd” worden beschouwd. Dit deel van de fundering kan daarom niet worden gebruikt voor de fundering van de nieuwe ontsluiting en zal moeten worden verwijderd door een erkend asbestverwijderingsbedrijf. Het betreft circa 200m² van het bestaande pad. Omdat de laagdikte van het puin varieert kan geen nauwkeurige volumeschatting worden gemaakt. Er zullen voorwaarden worden gesteld voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het verwijderen van het bestaande pad. Ten behoeve van het pad wordt circa 1.100 m² extra verharding aangebracht. Ten behoeve van de waterhuishouding stroomt dit water direct op de naastgelegen gronden af en infiltreert ter plaatse in de bodem. Deze afwatering vindt plaats op eigen grond. Aan weerszijden van het nieuwe pad zal de initiatiefnemer nog onverharde grond in eigendom houden. De aanleg van het pad heeft geen nadelig effect op de waterhuishouding ter plaatse. Ter plaatse van de kruising met de bestaande sloot wordt een duiker in de sloot geplaatst.

Deze duiker zal op circa 7 meter van de bestaande duiker, direct ten noorden van het plangebied, worden geplaatst. Met het Waterschap Scheldestromen is overleg gevoerd. Het wateradvies is opgenomen als bijlage 4. Het nieuwe pad zal gebruikt worden ten behoeve van de ontsluiting van de woning aan de Nieuwstraat 30 in Koewacht. Deze zeer beperkte verkeersintensiteit zal op een goede wijze kunnen worden afgewikkeld op de Tragel.

4.2

Milieueffectrapportage

Het planvoornemen maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die vallen onder een van de onderdelen van het Besluit m.e.r. Voor het planvoornemen geldt daarom geen planMER- of besluitMER-plicht.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

19

Hoofdstuk 5

Juridische regeling

De omgevingsvergunning voorziet in het aanleg en gebruik van het pad voor de ontsluiting van de tuin behorende bij het adres Nieuwstraat 30, Koewacht (ten behoeve van de woonfunctie). Vergunning zal worden aangevraagd voor het pad ter ontsluiting van de tuin behorende bij Nieuwstraat 30 voor privégebruik. De gemeente Terneuzen zal ook uitsluitend vergunning verlenen voor dat gebruik. Gebruik ten behoeve van een bedrijfsfunctie wordt dan ook niet mogelijk gemaakt. Daarbij wordt nog opgemerkt, dat de bestemming Tuin niet mag worden gebruikt ten behoeve van de aangrenzende bedrijfsbestemming. Dat betekent ook dat het gebruik van het pad ten behoeve van een eventuele bedrijfsfunctie niet wordt toegestaan. Op het plangebied blijft voorts de juridische regeling zoals beschreven in de bestemming 'Agrarisch met waarden - Dekzandgebied', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied' uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Terneuzen' (vastgesteld d.d. 25 juni 2013), van toepassing.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

20

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

21

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De ontwerp omgevingsvergunning zal in het kader van de vaststellingsprocedure 6 weken ter inzage liggen. Binnen deze termijn kan een ieder zijn of haar zienswijze indienen. Ook zal de ontwerp omgevingsvergunning worden toegestuurd aan de overlegpartners.

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

22

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

23

Bijlagen

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

24

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

25

Bijlage 1 Situatietekening

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

26

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

27

Bijlage 2 Archeologisch advies

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

28

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

Geachte heer Jonker, U heeft mij gevraagd te adviseren in het kader van onderstaande aanvraag tot omgevingsvergunning. U heeft mondeling toegelicht dat u op kadastraal perceel Axel P 591 het bestaande pad met een lengte van circa 130 meter gaat verwijderen. De bestaande puinverharding wordt hergebruikt in een nieuw pad dat op een andere locatie binnen hetzelfde perceel wordt aangelegd. Dit nieuwe pad heeft een lengte van 170 meter en een breedte van 3 meter. Daartoe wordt een wegcunet ontgraven tot circa 0,40 m-mv. Het plangebied is binnen bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen (2013) gesitueerd in een zone met enkelbestemming Agrarisch met waarden - dekzandgebied. Mogelijke archeologische waarden binnen het plangebied worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 1. Binnen gebieden met waarde archeologie 1 geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die respectievelijk groter zijn dan 100 vierkante meter én dieper reiken dan 0,50 meter beneden maaiveld. In 2017 heeft de gemeente zijn (vernieuwde) Vrijstellingenkaart Terneuzen gepubliceerd. Toetsing aan deze kaart leert dat binnen het plangebied geen verhoogde dieptevrijstellingsgrens gehanteerd wordt. De aanleg van het nieuwe pad beslaat een oppervlakte van circa 510 vierkante meter.

Indien u daarbij de bodem niet dieper verstoord dan 0,50 m-mv dient u geen archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. De diepte van het bestaande cunet is niet bekend. Maar ook daar geldt hetzelfde principe: indien u de bodem niet dieper verstoord dan 0,50 m-mv dient u geen archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Mocht het bestaande wegcunet toch dieper reiken dan 0,50 m-mv en u dit alsnog wil/moet weghalen dan geldt in principe artikel 48.3.2 lid f uit het bestemmingsplan waaruit kan afgeleid worden dat onderzoek niet noodzakelijk is “indien is aangetoond dat in het verleden bodemverstoringen hebben plaatsgevonden op hetzelfde oppervlak en dezelfde diepte dan de geplande werkzaamheden”. Omdat het in voorliggend geval gaat om het verwijderen van bestaand puin, is het helder dat de geplande werkzaamheden aan dit criterium voldoen. Let op: u mag daarbij absoluut niet dieper graven dan de onderzijde van het cunet. Op basis van bovenstaande kom ik tot de conclusie dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is voor de door u aangegeven werkzaamheden (en met de door u aangegeven maatvoering). Dit laat onverlet dat een wettelijke meldingsplicht bestaat op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016).

Dit houdt in dat u eventuele vondsten of sporen, waarvan u enigszins kan vermoeden dat dit archeologische resten betreft, onmiddellijk dient te melden bij de bevoegde overheid. Hopende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. met vriendelijke groet, Jan

drs. J.E.M. (Jan) Wattenberghe Directeur • Senior KNA Archeoloog Riemensstraat 9 • 4543 BW Zaamslag • +31 115 851614 • +31 6 13027900 • janwattenberghe@artefact-info.nl • www.artefact-info.nl

29

Bijlage 3 Asbestonderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

30

Rho adviseurs voor leefruimte

44002787.20200570

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht Project 23200201 5 januari 2021

Opdrachtgever:

dhr. K. Jonker Nieuwstraat 30 4576 AL KOEWACHT

Opgesteld door:

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Auteur:

ir. B. Boomstra

Autorisatie:

dhr. H. Seffelaar Interim-manager SMA Zeeland B.V.

Inhoudsopgave SAMENVATTING ......................................................................................................................................... 1 CONCLUSIES ......................................................................................................................................... 1 TOETSING ONDERZOEKSHYPOTHESES ............................................................................................ 1 AANBEVELINGEN .................................................................................................................................. 2 1. INLEIDING................................................................................................................................................ 4 1.1. AANLEIDING EN DOEL ................................................................................................................... 4 1.2. REFERENTIEKADER ....................................................................................................................... 4 1.3. BETROUWBAARHEID ..................................................................................................................... 5 2. VOORONDERZOEK ................................................................................................................................ 7 2.1.

ALGEMENE BODEM- EN LOCATIEGEGEVENS ............................................................................ 7 2.2. INTERPRETATIE VERWACHTE MILIEUHYGIËNISCHE BODEMKWALITEIT ............................... 9 2.3. HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................................. 11 3. VELDWERK ........................................................................................................................................... 12 3.1. VISUELE INSPECTIE VAN HET MAAIVELD ................................................................................. 12 3.2. VISUELE INSPECTIE ONTGRAVEN EN OPGEBOORDE MATERIAAL ....................................... 12 3.3. SAMENSTELLING ANALYSEMONSTERS .................................................................................... 12 4. ANALYTISCH ONDERZOEK ................................................................................................................. 14 4.1. ANALYSESTRATEGIE ................................................................................................................... 14 4.2. INTERPRETATIE............................................................................................................................ 14 5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................... 16 5.1.

CONCLUSIES ................................................................................................................................ 16 5.2. TOETSING ONDERZOEKSHYPOTHESES ................................................................................... 16 5.3. AANBEVELINGEN.......................................................................................................................... 17 ACHTERGRONDDOCUMENTEN .............................................................................................................. 19 BIJLAGE 1 OVERZICHTSKAART LIGGING ONDERZOEKSLOCATIE BIJLAGE 2 SITUATIETEKENING BIJLAGE 3 BOORBESCHRIJVINGEN EN -PROFIELEN BIJLAGE 4 ASBESTBEREKENINGEN BIJLAGE 5 ANALYSERESULTATEN BIJLAGE 6 FOTO’S

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

Samenvatting Door dhr. K. Jonker is aan SMA Zeeland B.V. de opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend asbestonderzoek in de puinfundering van een asfaltpad aan de Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen verwijdering van het pad. Het doel van dit onderzoek is te bepalen in hoeverre de verdenking van het voorkomen van asbest in de funderingslaag onder het asfaltpad terecht is en zo ja, een uitspraak te doen over het indicatieve gehalte asbest in deze lagen. Conclusies De westelijke helft van het asfalt is gefundeerd op een laag gemengd puin met hieronder gasbeton. De oostelijke helft is uitsluitend op gasbeston gefundeerd. Vanaf 0,5 tot 0,8 m-mv is een zandbodem aanwezig. Het gemengde puin tussen het asfalt en het gasbeton moet als “tot boven de hergebruikswaarde met asbest verontreinigd” worden beschouwd. Het gevonden gehalte is 184 mg asbest >20 mm per kg.ds. Dit gemengde puin wordt geacht aanwezig te zijn over de gehele asfaltweg ten westen van proefgat PG03 2

(ca. 200 m ). De laagdikte varieert waardoor geen nauwkeurige volumeschatting kan worden gemaakt. De fundering van gasbeton is asbestvrij voor zover deze niet vermengd is/wordt met het gemengd puin. Eventuele gevolgen voor het vervolgtraject worden hieronder in Aanbevelingen toegelicht. De toetsende en handhavende taak voor de geschiktheid van dit verkennend asbestonderzoek voor uw plannen ligt uiteindelijk bij het bevoegd gezag (gemeente Terneuzen cq. Inspectie Leefomgeving en Transport (IL en T)). Toetsing onderzoekshypotheses In het vooronderzoek zijn onderzoekshypotheses geformuleerd op basis waarvan de gebruikte veldwerken analysestrategieën zijn opgesteld. Hieronder is aangegeven in hoeverre deze hypotheses verworpen kunnen worden op basis van de overige onderzoeksresultaten. Eventuele gevolgen voor het vervolgtraject zijn hieronder in Aanbevelingen aangegeven. Voor het onderzoek naar asbest is uitgegaan van de hypothese(s): 

Funderingslaag gemengd puin: verdacht voor verontreiniging met asbest. Deze hypothese moet worden aangenomen.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

1

Funderingslaag gasbeton (voor zover niet gemengd met puin): onverdacht voor verontreiniging met asbest. Er is daarom geen gericht analytisch onderzoek naar asbest in deze laag uitgevoerd. Deze hypothese kan worden gehandhaafd.

Aanbevelingen Aanvullend onderzoek op basis van NEN 5897 Hoewel in dit geval NEN 5897 een nader onderzoek met sleuven voorschrijft om het gewogen gehalte asbest nauwkeuriger vast te stellen, raden wij deze vervolgstap specifiek voor deze situatie af zoals toegelicht

in

§

4.2.

Wij

adviseren

zonder

nader

sleuvenonderzoek

te

starten

met

sanerings-/verwijderingsvoorbereidingen, daarbij het volgende in overweging nemend: Vervolg besluit asbestwegen milieubeheer De asfaltweg dient aan het bevoegd gezag (IL en T) te worden gemeld als asbesthoudende weg. Deze melding gaat bij voorkeur vergezeld van dit onderzoeksrapport en een plan van aanpak voor de verwijdering. Vervolg Arbowet Voor wat betreft arbeidshygiëne dient rekening te worden gehouden met werken in asbestverontreinigd materiaal. De te nemen maatregelen zullen vergelijkbaar zijn met die behorend bij CROW 400 veiligheidsklasse “zwart” en dienen door de aannemer te worden bepaald. Vervolg Besluit bodemkwaliteit Het vrijkomend asfalt is niet conform CROW 210 op teerhoudendheid onderzocht. Hoewel het asfalt ná 1995 is aangelegd en daarmee teer-onverdacht is, is dit niet door ons als zodanig conform CROW 210 bevestigd. U dient er rekening mee te houden dat asfaltverwerkers een asfaltonderzoek op basis van deze norm vragen, of hogere acceptatie- en innamekosten in rekening brengen. Bodemvreemde lagen zoals puin, gasbeton en asfalt kunnen stoffen bevatten die, bij vermenging met grond, een bodemverontreiniging kunnen veroorzaken. (Verdere) vermenging met bijvoorbeeld onder-, boven-, en naastgelegen grond dient daarom voorkomen te worden. De laag gemengd puin is niet herbruikbaar vanwege asbest en dient te worden aangeboden aan een erkend verwerker.

Puin met asbest mag niet worden opgewerkt tot granulaat in een BRL 2506-erkende puinbreekinstallatie. Wellicht zijn er wel mogelijkheden voor opwerken na handpicking of anders storten, een en ander naar inzicht van de aannemer. Gasbeton met puinbijmenging moet worden beschouwd als gemengd puin (zie hierboven). Het zuivere gasbeton mag niet gemengd worden met het vrijkomend puin. Het vrijkomend zuivere gasbeton dient bij nuttige toepassing elders, conform het Besluit bodemkwaliteit op chemische verontreinigingen te worden gekeurd. De kosten van zo’n partijkeuring wegen niet altijd op tegen de hergebruiksmogelijkheden van dergelijke kleine volumes.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

2

Gasbeton is zacht en wordt normaal gesproken niet gebruikt in wegfunderingen. Wij verwachten dat het zuivere gasbeton om die redenen niet in aanmerking komt voor opwaardering tot funderingsgranulaat in een BRL 2506-erkende puinbreekinstallatie. Wij adviseren daarom om in overleg met de aannemer ook de civieltechnische hergebruiksmogelijkheden te bepalen, vóór definitief wordt besloten of en hoe nuttig hergebruik haalbaar is. Onderliggende (zand)grondlagen zijn niet onderzocht. In geval van het nuttig herbestemmen van uitkomende grond kan alsnog een onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring op grond) nodig zijn. Dit is afhankelijk van onder andere -maar niet uitsluitend- de afzetlocatie, de partijomvang, de aangetroffen gehalten en de bodemvreemde bijmengingen. De eventuele noodzaak tot verdere keuring en mogelijkheden hiervoor kunnen in overleg met het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (veelal de ontvangende gemeente) en/of een milieuadviesbureau worden bepaald.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

3

1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doel Door dhr. K. Jonker is aan SMA Zeeland B.V. de opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend asbestonderzoek in de puinfundering van een asfaltpad aan de Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen verwijdering van het pad. Het doel van dit onderzoek is te bepalen in hoeverre de verdenking van het voorkomen van asbest in de funderingslaag onder het asfaltpad terecht is en zo ja, een uitspraak te doen over het indicatieve gehalte asbest in deze lagen. 1.2. Referentiekader Onderzoeksopzet De onderzoeksopzet is afgeleid van de NEN 5707 in geval van grond en van de NEN 5897 in geval van niet-vormgegeven bouwstoffen. Beide normen zijn uitwisselbaar in twijfelsituaties. Het onderzoek bestaat uit: vooronderzoek, veldonderzoek, chemische analyses, interpretatie en toetsing. Toetsingskader bodemonderzoek naar asbest (NEN 5707) Het beleid ten aanzien van asbest in de bodem is vermeld in de Circulaire Bodemsanering. Bij toetsing van het asbestgehalte in bodem wordt enkel een interventiewaarde gehanteerd. De interventiewaarde bodemsanering voor asbest en de restconcentratienorm voor asbesthoudende bulkmaterialen is vastgesteld op 100 mg/kg gewogen (gewogen betekent de concentratie serpentijnasbest vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest).

Deze nu geldende interventiewaarde voor asbest in bodem van 100 mg/kg ds, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen serpentijn- en amfiboolasbest, is gebaseerd op het Verwaarloosbaar Risiconiveau in lucht, zoals voorgesteld door de Gezondheidsraad in 1988 en vervolgens opgenomen als streefwaarde in de beleidsnotitie asbest in het milieu uit 1991. Op materialen met een asbestconcentratie beneden genoemde norm worden het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Asbestverwijderingsbesluit geacht niet van toepassing te zijn (bij een gehalte van 100 mg/kg ds gewogen en lager is, bij historische asbestverontreinigingen d.w.z. verontreinigingssituaties die voor 1 juli 1993 zijn ontstaan, formeel geen sprake van een asbestverontreiniging). Tijdens verkennend onderzoek is in principe geen directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien het indicatief vastgestelde asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

4

Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Toetsingskader asbestonderzoek niet-vormgegeven bouwstoffen en granulaten (NEN 5897) De regelgeving voor asbest in bodem, grond en puin(granulaat) is grotendeels vermeld in het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit asbestwegen milieubeheer maar ook in het Arbeidsomstandighedenbesluit en het Asbestverwijderingsbesluit. In het kader van een in-situ onderzoek is meestal hoofdzakelijk het Besluit asbestwegen milieubeheer van toepassing. Het bevoegd gezag Besluit asbestwegen milieubeheer is het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M). Inspectie Leefomgeving en Transport voert, namens I&M, taken uit op het gebied van regelgeving van asbest in puin(granulaat). Het Besluit asbestwegen milieubeheer is van toepassing op alle asbest bevattende wegen (gedefinieerd als wegen, paden, erfverhardingen of gedeeltes daarvan, alsmede andere grond die bestemd is om door rij- of ander verkeer te worden gebruikt) en stroken (gedefinieerd als stroken van een halve meter aan beide zijden van en direct aansluitend op wegen), met dien verstande dat: a)

het niet verboden is een asbesthoudende weg voorhanden te hebben indien het gewogen asbestgehalte ten hoogste 100 mg/kg ds is;

b)

het niet verboden is een asbesthoudende weg voorhanden te hebben indien de eigenaar heeft aangetoond dat het asbest vóór 1 juli 1993 is aangebracht én het asbest is afgeschermd door een verharding die geen asbest bevat én die voldoet aan CROW publicatie 189, uitgave januari 2005. De weg moet voldoen aan één van de volgende criteria: -

de weg heeft een duurzame afscherming van het asbest, welke bestaat uit asfalt, klinkers of beton en in een goede staat verkeert of

-

de weg heeft een duurzame afscherming van het asbest, welke afscherming bestaat uit een laag zand, grond, puingranulaat of materiaal dat een vergelijkbare afscherming biedt, waarvan de dikte ten minste 0,2 m. is.

In alle andere gevallen dient het asbest te worden verwijderd. 1.3. Betrouwbaarheid Het hier gerapporteerde bodemonderzoek is uitgevoerd op zorgvuldige wijze, in overeenstemming met de geldende richtlijnen en de gebruikelijke inzichten en methoden. SMA Zeeland B.V. beschikt over een kwaliteitsmanagementsysteem (NEN-EN-ISO 9001: 2015) en veiligheidsmanagementsysteem (VGM Checklist Aannemers) waarbinnen de kwaliteit van de werkzaamheden dusdanig wordt beheerst en gewaarborgd dat haar diensten zo goed mogelijk aan de eisen en doelstellingen van de opdrachtgever voldoen. Het veldwerk is uitgevoerd door SMA Zeeland B.V. In het kader van de waarborging van de onafhankelijkheid verklaart de hierboven genoemde partij dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

5

De laboratoriumanalyses van dit onderzoek zijn uitgevoerd door een daartoe door de Raad van Accreditatie geaccrediteerd laboratorium. Een bodemonderzoek is erop gericht met beperkte middelen vast te stellen of er bodemverontreiniging aanwezig is. Dit impliceert dat de conclusies van het bodemonderzoek slechts een beperkte reikwijdte hebben. Door beperkt aantal boringen, proefgaten, proefsleuven en analyses, betekent dit concreet dat een mogelijk aanwezige verontreiniging over het hoofd gezien kan worden. Het bodemonderzoek garandeert derhalve nooit dat de onderzochte locatie geheel schoon is of anderszins, dat met het bodemonderzoek alle eventueel aanwezige verontreinigingen worden gedetecteerd. Verder geldt dat de resultaten van het onderhavige onderzoek een momentopname vormen van de bodemkwaliteit. Na de uitvoering en rapportage van dit onderzoek zouden activiteiten kunnen plaatsvinden die de milieuhygiënische kwaliteit van grond en grondwater op de onderzoekslocatie kunnen beïnvloeden. Voorbeelden hiervan zijn het bouwrijp maken van de locatie of het aanvoeren van grond van elders. Een andere factor kan bijvoorbeeld zijn het transport van verontreinigende stoffen via het grondwater van buiten

de

onderzoekslocatie.

Gezien

deze

overwegingen,

dienen

de

hier

gerapporteerde

onderzoeksresultaten met meer voorzichtigheid gebruikt en geïnterpreteerd te worden naarmate de tijd toeneemt die verlopen is na de uitvoering van het onderzoek. Op basis van de uit dit bodemonderzoek verkregen gegevens kan geen uitspraak worden gedaan over de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van asbest en/of het gehalte aan asbest in de grondlagen. Hiervoor kan (aanvullend) onderzoek plaatsvinden conform de NEN 5707 (Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond). Op basis van de uit dit bodemonderzoek verkregen gegevens kan geen uitspraak gedaan worden over de algehele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, hiervoor dient tevens een bodemonderzoek plaats te vinden in het kader van de NEN 5740. Op basis van de uit dit bodemonderzoek verkregen gegevens kan in principe geen uitspraak gedaan worden over de hergebruiksmogelijkheden van eventueel van de locatie af te voeren grond of bouwstoffen. Hiervoor dient onderzoek plaats te vinden conform het Besluit bodemkwaliteit. Wel worden als onderdeel van onze service redelijkerwijs te voorziene hergebruiksbeperkingen aangegeven. SMA Zeeland B.V. kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele schade of anderszins voor eventuele gevolgen die voortkomen uit het gebruik en de interpretatie van de in dit rapport gepresenteerde onderzoeksgegevens.

Dit rapport mag niet anders dan in zijn geheel worden gereproduceerd, tenzij met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van SMA Zeeland B.V.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

6

2. Vooronderzoek In dit hoofdstuk wordt het voormalige, het huidige en het toekomstige bodemgebruik besproken. Dit zal leiden tot een hypothese over de mogelijke verontreinigingssituatie van de onderzoekslocatie. In NEN 5725:2017 zijn zeven mogelijke aanleidingen voor vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. In onderhavig onderzoek is of zijn de volgende generieke aanleiding(en) van toepassing: A. Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. G. Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit bij tijdelijke uitplaatsing en bij overig projectmatig grondverzet ten behoeve van het inschatten van arbeidshygiënische risico’s. 2.1. Algemene bodem- en locatiegegevens De algemene locatiegegevens en algemene gegevens met betrekking tot de bodem worden als volgt samengevat: Het perceel van Nieuwstraat 30 is verbonden met de openbare weg Tragel via een asfaltpad. Dit pad is volgens informatie van de opdrachtgever rond 1995/1996 aangelegd. Als fundering zijn gebroken gasbetonblokken (Itec-blokken) gebruikt. Met het oog op amovering van dit pad dient de aanwezigheid van asbest in de fundering te worden bepaald op basis van NEN 5897.

Dit vanuit het Besluit bodemkwaliteit met het oog op hergebruik van niet-vormgegeven bouwstoffen, vanuit het Besluit asbestwegen milieubeheer vanwege de daadwerkelijke terreinfunctie en vanuit de Arbowet vanwege arbeidshygiëne. Bij onbewerkt hergebruik van dit funderingsmateriaal elders zijn aanvullende onderzoekseisen vanuit het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Omdat gasbeton civieltechnisch minder geschikt is voor gebruik in funderingen, is rechtstreeks hergebruik niet waarschijnlijk en zal afvoer naar een erkende verwerker het meest voor de hand liggen. Daarom beperkt onderhavig onderzoek zich tot de eventuele aanwezigheid van asbest, dat vanuit de Arbowet nog steeds relevant is en ook van belang is voor de verwerkingsmogelijkheden door de erkend verwerker. Tabel 2.1. Overzicht algemene aspecten van de onderzoekslocatie Algemene onderzoeksaspecten

Bron(houder)

Locatiegegevens en ligging Adres en plaats

Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

Kadaster

Burgerlijke gemeente

Terneuzen

Kadaster

Kadastrale gemeente

Axel

Kadaster

Sectie(s)

N

Kadaster

Nummer(s)

591

Kadaster

Oppervlakte (m2)

500 (ca. 150 m x 3 m)

Opdrachtgever

Ligging op kaart

zie bijlagen 1 en 2

Kadaster, SMA Zeeland B.V.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

7

Algemene onderzoeksaspecten

Bron(houder)

Bodemopbouw Verhardingen

Asfalt op gebroken gasbeton

Opdrachtgever SMA Zeeland B.V.

Antropogene lagen

Ja, ongebonden funderingslagen

Opdrachtgever

Dempingen

Ja, sloot of oppervlaktewater maar de

Provincie Zeeland (Geoloket of

locatie kan niet meer exact worden

Bodem Informatie Systeem, BIS)

vastgesteld. Er ligt een sloot naast de

Kadaster

weg, maar het is niet ondenkbaar dat de eerst ter hoogte van de weg lag en later is verplaatst. Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit Zonering bodemkwaliteitskaart

A Buitengebied en Naoorlogse

Nota bodembeheer

(BKK)

woonwijken

gemeente Terneuzen

BKK klasse bovengrond

Achtergrondwaarde

Nota bodembeheer

BKK klasse ondergrond

Achtergrondwaarde

Nota bodembeheer

BKK functieklasse

Natuur/landbouw/overig

Nota bodembeheer

Boomgaardenkaart (periode)

1930 & 1960

’t Zeeuws bodemvenster (Provincie Zeeland)

Asbestkansenkaart

Niet gezoneerd

Provincie Zeeland (BIS)

Voormalig stortplaats bekend

Nee

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)

Opslagtanks bekend

Nee

Gemeente (BIS)

Geval van ernstige

Nee

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)

Wbb-beschikkingen bekend

Nee

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)

Bodemdocumenten bekend

Nee

Gemeente (BIS)

bodemverontreiniging bekend

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS) Gebruik en beïnvloeding van de locatie Voormalig gebruik

agrarisch

Kadaster

Huidig gebruik

weg

Opdrachtgever

Toekomstig gebruik

niet bekend

SMA Zeeland BV

Geplande werkzaamheden

amovering weg

Opdrachtgever

Aard bebouwing

onbebouwd

Kadaster, BAG

Periode bebouwing

n.v.t.

Kadaster, BAG

Bedrijventerrein

Nee

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)

Calamiteiten bekend

Nee

Gemeente (BIS)

Bodembedreigende activiteiten

Nee

RUD Zeeland (BIS)

bekend (anders dan bovenstaand) Relevante vergunningen

RUD Zeeland (BIS) Nee

beschikbaar

23200201

Gemeente (BIS)

Gemeente (BIS) RUD Zeeland

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

8

Algemene onderzoeksaspecten

Bron(houder)

Toepassing asbestverdachte

Onbekend, indien uitsluitend gasbeton

materialen

aanwezig niet. Bij andersoortig puin

SMA Zeeland B.V.

mogelijk wel. Terreinverkenning Bijzonderheden

Geen

SMA Zeeland B.V.

2.2. Interpretatie verwachte milieuhygiënische bodemkwaliteit In NEN 5725:2017 zijn per generieke aanleiding zoals benoemd in het begin van dit hoofdstuk, diverse te beantwoorden onderzoeksvragen geformuleerd. Na het verkrijgen van de gegevens beschreven in voorgaande paragrafen dienen in onderhavig onderzoek nog de volgende vragen te worden beantwoord om een onderzoekshypothese te vormen: A. Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? 

De horizontale begrenzingen van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in Bijlage 2. Het onderzoek beperkt zich tot een maximale diepte van 0 m-onderzijde puin.

Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? 

De chemische kwaliteit van het gasbeton is onduidelijk maar zoals hierboven aangegeven in dit stadium irrelevant.

Met betrekking tot de naast en onder de weg aangrenzende bodem merken wij volledigheidshalve het volgende op, hetgeen verder geen invloed heeft op dit asbestonderzoek maar relevant is indien bij de amovering ook grond zal vrijkomen: o

Mogelijk is sprake van een demping van de voormalige sloot of sloten met verontreinigd materiaal –mogelijk bovengrond van de aangrenzende terreinen- of was de voormalige waterbodem verontreinigd. De risicoparameters zijn niet nader te bepalen. Daarom wordt uitgegaan van de standaard stoffen voor milieuhygiënisch landbodemonderzoek in combinatie met OCB.

o

De gebruiksperiode voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) (jaren 40-70 met een hoogtepunt in de jaren 50, enkele tot eind jaren 90) komt overeen de gebruiksperiode als boomgaard. Mogelijk zijn in het verleden OCB gebruikt op de locatie of in de omgeving. Deze OCB zijn persistent en kunnen in de bovengrond worden aangetroffen. Door verstuiving/wind kunnen OCB tot tientallen meters rondom de toepassingslocatie aanwezig zijn. Er vindt zelden verspreiding naar de ondergrond en zeer zelden naar het grondwater plaats.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

9

Is de bodem asbestverdacht? 

De puinfundering is in eerste instantie niet asbestverdacht, uitgaande van gasbeton. Ook de onderliggende bodem is dan niet direct asbestverdacht.

Wat is de bodemopbouw en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? 

Er is geen indicatie dat vermenging heeft plaatsgevonden van de fundering met aangrenzende grond.

Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving op de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? 

Niet relevant.

G. Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit bij tijdelijke uitplaatsing en bij overig projectmatig grondverzet ten behoeve van het inschatten van arbeidshygiënische risico’s. Is er een vermoeden dat op basis van beschikbare voorinformatie werkzaamheden plaatsvinden binnen een geval van ernstige bodemverontreiniging? Licht het antwoord toe. 

Nee, er is geen sprake van grond. Er is op voorhand ook geen indicatie dat de bouwstof moet worden aangemerkt als saneringsplichtige asbestweg in de zin van het Besluit asbestwegen milieubeheer.

Is de bodem sterk verontreinigd (boven interventiewaarde)? Motiveer het antwoord. 

Nee. Er is ook geen indicatie dat het gewogen gehalte asbest in de fundering de grenswaarde van 100 mg/kg.ds overschrijd.

(I.c.m. aanleiding A) Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Motiveer het antwoord. 

Veld- en analytisch onderzoek is noodzakelijk. De beschikbare gegevens geven, naar oordeel van het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (gemeente Terneuzen), momenteel te weinig concrete informatie over de huidige kwaliteit van de fundering met betrekking tot asbest.

(I.c.m. aanleiding A) Welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek (inclusief de indeling van de onderzoekslocatie in deellocaties met verschillende hypotheses over de aard en verdeling van de verontreinigende stoffen)? 

Zie § 2.3.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

10

2.3. Hypothese en onderzoeksstrategie Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende (gestandaardiseerde) onderzoekshypotheses geformuleerd waarbij in voorkomende gevallen onderscheid is gemaakt tussen separaat te onderzoeken deellocaties. Tabel 2.2. Hypothese en bijbehorende strategie voor vervolgonderzoek naar asbest Bodemcompartiment /

Hypothese (NEN 5725)

traject

Strategie* (NEN 5707 cq. 5897)

Gehele locatie Funderingslagen

onverdachte, kleinschalige locatie

VED-HE**

*op basis van NEN 5707 is er in geval van een voor bodemverontreiniging met asbest onverdachte locatie geen verplichting tot vervolgonderzoek in de vorm van veld- en analytisch onderzoek, tenzij op basis van voortschrijdend inzicht de hypothese van een asbest-onverdachte locatie dient te worden gewijzigd. Ook een vervolgonderzoek naar asbest in niet-vormgegeven bouwstoffen volgens NEN 5897 in de vorm van veld- en analytisch onderzoek is niet van toepassing in geval van (op basis van NEN 5725) asbest-onverdachte, nietvormgegeven bouwstoffen. Er mag naar inzicht van het adviesbureau en/of het bevoegd gezag zekerheidshalve wel gekozen worden voor een licht veld- en analytisch onderzoek op basis van strategie ONV cq. ONV-GR. **ondanks dat op basis van het vooronderzoek sprake is van een in principe asbestonverdachte funderingslaag, kan dit alleen met afdoende zekerheid worden vastgesteld met veld- en analytisch onderzoek op basis van NEN 5897. Om te voorkomen dat tijdens/na het veldwerk alsnog blijkt dat de geleverde inspanning bij deze vrij lichte strategie ONV ongepast blijkt, wort direct een iets zwaardere strategie gekozen die past bij een wél verdachte locatie met heterogene verontreiniging (VED-HE). De betrouwbaarheid van het onderzoeksresultaat wordt hierdoor sterk vergroot.

Een beschrijving van de veldwerkzaamheden en de resultaten daarvan, volgt in hoofdstuk 3.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

11

3. Veldwerk In dit hoofdstuk worden de uitvoering en de resultaten van het veldwerk besproken. Het veldwerk is op 17 december 2020 uitgevoerd door de veldmedewerkers M. Kwast en W.P. Leijten conform de in paragraaf 2.3 vermelde onderzoeksstrategie. De volgende werkzaamheden hebben plaatsgevonden: 3.1. Visuele inspectie van het maaiveld Vanwege verharding was een volledige en efficiënte inspectie van het maaiveld niet mogelijk. Wel is de contour van de asfaltweg, die niet is opgenomen in de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), ten behoeve van dit onderzoek door de veldmedewerkers vastgelegd middels dGPS. De ingemeten ligging van het asfalt is zoals weergegeven in Bijlage 2. 3.2. Visuele inspectie ontgraven en opgeboorde materiaal Ruimtelijk verdeeld over het onderzoeksterrein zijn in totaal 5 proefgaten gegraven van 0,3 x 0,3 m zoals hieronder weergegeven. Het asfalt ter hoogte van de proefgatlocaties was op voorhand door de opdrachtgever uitgezaagd. Proefgaten PG01 t/m PG05 

5 proefgaten tot in het onderliggend zandbed met een maximum van 1 m-mv. Vanaf 0,6 m-mv geboord ø12cm omdat dieper graven fysiek niet mogelijk was.

Het uitgegraven materiaal uit de proefgaten is gezeefd (maaswijdte 20 mm) danwel uitgespreid in lagen van maximaal 2 cm en visueel geïnspecteerd op het voorkomen van grove asbestverdachte materialen (stukken groter dan 20 mm). In het opgegraven materiaal van PG01 werd asbestverdacht materiaal aangetroffen. De lagen uit de boring (ø12 cm) zijn eveneens gezeefd of uitgespreid in lagen van maximaal 2 cm en visueel geïnspecteerd op asbestverdachte materialen. In het opgeboorde materiaal werd geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Uit veldwaarnemingen blijkt dat het asfalt deels is gefundeerd op een puinlaag en hieronder op het verwachte gasbeton. Vanaf 0,5 tot 0,8 m-mv is een zandbodem aanwezig. In Bijlage 6 zijn foto’s opgenomen van het opgegraven materiaal. 3.3. Samenstelling analysemonsters Wanneer grove asbestverdachte materialen zijn waargenomen, is per laag en per proefgat een verzamelmonster ter analyse op asbest aangeboden aan het laboratorium.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

12

Na het verwijderen van de grove delen bodemvreemde bijmengingen (delen groter dan 20 mm) zijn in het veld, van de overblijvende fijne fracties representatieve analysemonsters samengesteld en ter analyse op asbest aangeboden aan het laboratorium. Zie het volgende hoofdstuk. De veldwerkgegevens zijn opgenomen in Bijlage 3.

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

13

4. Analytisch onderzoek In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de keuze van de geanalyseerde monsters en de parameters waarop deze zijn geanalyseerd. Vervolgens worden de analyseresultaten gepresenteerd evenals de eventuele overschrijdingen van de toetsingswaarden. De analyserapporten van het laboratorium zijn opgenomen in Bijlage 5. 4.1. Analysestrategie Het laboratorium Eurofins Omegam B.V. heeft de analysemonsters geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest noodzakelijk. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. In onderstaande tabel is het hoogste gewogen gehalte asbest per proefgat en per onderzochte laag weergegeven. Tabel 4.1 Indicatieve, gewogen asbestgehalten Analyse-

Samen-

Traject

monster

gesteld

(m-mv)

Type materiaal

uit gat

01-Avm +

PG01

0,25 – 0,5

puin met

01-2

Gewogen

Gewogen

Gewogen

asbestgehalte

asbestgehalte

asbestgehalte

fractie

fractie

som fracties

< 20 mm

> 20 mm

(mg/kg.ds)

(mg/kg.ds)

(mg/kg.ds)

-

184

184

-

geen asbest

asbestverdacht materiaal (avm) 0,09 – 0,25

puin zonder avm

-

PG01 –

tot max. 0,8

gasbeton

Definitief asbestonverdacht. Analytisch onderzoek niet

PG05

m-mv

PG 1,2

PG01,

puin

PG02

-

aangetroffen

nodig.

4.2. Interpretatie Omdat het gasbeton tijdens het veldwerk zeer eenduidig asbestonverdacht bleek, is conform NEN 5897 hierop geen analytisch onderzoek meer noodzakelijk om de asbestverdenking formeel te mogen verwerpen. De beschikbare analysemonsters zijn daarom gebruikt voor de onverwachts aangetroffen lagen gemengd puin en verzamelmonsters. In de laag gemengd puin in proefgat PG01 is een gewogen gehalte asbest >50 mg/kg.ds aangetroffen. Dit vanwege de gevonden grove stukjes asbesthoudend plaatmateriaal. Hoewel in deze gevallen NEN 5897 een nader onderzoek met sleuven voorschrijft om het gewogen gehalte asbest nauwkeuriger vast te stellen, raden wij deze werkwijze in deze situatie af. De redenatie is als volgt: Hoewel de resultaten wijzen richting een saneringsplichtige weg (zie § 1.2 Referentiekader onder Toetsingskader asbestonderzoek niet-vormgegeven bouwstoffen en granulaten (NEN 5897)), heeft het

23200201

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend asbestonderzoek in puinfundering asfaltpad Nieuwstraat 30 - Tragel te Koewacht

14

nader vaststellen van het asbestgehalte en bijbehorende saneringsplicht op grond van het Besluit asbestwegen milieubeheer, geen gevolgen voor het reeds bestaande voornemen om de asfaltweg en bijbehorende fundering te verwijderen. Het hier gevonden gehalte asbest boven de toetswaarde van 50 mg/kg.ds en grenswaarde van 100 mg/kg.ds moet, indien geen nader onderzoek plaatsvind, als leidend worden beschouwd met als gevolg een zorgvuldige, veilige verwijderingsaanpak en verwerking van het vrijkomende materiaal vanuit zowel het Besluit bodemkwaliteit, het Besluit asbestwegen milieubeheer als de Arbowet. De kosten van een nader onderzoek zijn ook hoger dan een eventuele besparing die zou kunnen volgen vanuit het Besluit bodemkwaliteit (hergebruiksmogelijkheden materiaal) of de Arbowet (arbeidshygiënische maatregelen). Op basis van de verkregen resultaten stellen wij dat het gemengde puin tussen het asfalt en het gasbeton als “tot boven de hergebruikswaarde met asbest verontreinigd” moet worden beschouwd. Dit gemengde 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10527895/1