2021-09-22 Bijlage 1 Bp Axel, Buitenweg 2de fase
Tekst van het document
bestemmingsplan
Axel, Buitenweg 2de Fase Terneuzen
50/585
DATUM IMRO IDN
NL.IMRO.0715.BPAXL14-VG01
PROJECT PROJECTLEIDER
Axel, Buitenweg 2de fase R.A. Louws
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Woongoed Zeeuws Vlaanderen 231503.20190712
AUTEUR STATUS
vastgesteld
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Toelichting
6
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Plangebied
7
1.3
Doel
8
1.4
Geldend bestemmingsplan
8
1.5
Leeswijzer
9
Planbeschrijving
10
2.1
Kenschets omgeving plangebied
10
2.2
Planbeschrijving
11
Hoofdstuk 3
Beleidskader
12
3.1
Rijksbeleid
12
3.2
Provinciaal beleid
15
3.3
Regionaal en gemeentelijk beleid
16
Hoofdstuk 4
Kwaliteit van de leefomgeving
18
4.1
Besluit m.e.r
18
4.2
Verkeer en Parkeren
18
4.3
Archeologie en Cultuurhistorie
20
4.4
Bodem
29
4.5
Geluid
30
4.6
Luchtkwaliteit
31
4.7
Externe Veiligheid
33
4.8
Kabels en leidingen
34
4.9
Ecologie
34
4.10
Bedrijven en milieuhinder
38
4.11
Water
41
4.12
Niet gesprongen explosieven
42
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
43
5.1
Wettelijk kader
43
5.2
Opzet van de bestemmingsregeling
43
Hoofdstuk 2
3/585
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
46
6.1
Economische uitvoerbaarheid
46
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
46
Bijlagen bij de toelichting
49
Bijlage 1
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling
51
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek
309
Bijlage 3
Actualiserend bodemonderzoek
371
Bijlage 4
Bodemonderzoek asbest
439
Bijlage 5
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
479
Bijlage 6
Memo stikstofberekening
535
Bijlage 7
Watertoets
551
Bijlage 8
Antwoordnota zienswijzen en ambtshalve aanpassingen
555
Regels Hoofdstuk 1
566 Inleidende regels
567
Artikel 1
Begrippen
567
Artikel 2
Wijze van meten
571
Bestemmingsregels
572
Artikel 3
Groen
572
Artikel 4
Verkeer
573
Artikel 5
Wonen
574
Hoofdstuk 3
Algemene regels
577
Artikel 6
Anti-dubbeltelregel
577
Artikel 7
Algemene bouwregels
578
Artikel 8
Algemene gebruiksregels
579
Artikel 9
Algemene aanduidingsregels
580
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
581
Artikel 11
Algemene wijzigingsregels
582
Artikel 12
Overige regels
583
Overgangs- en slotregels
584
Overgangsrecht
584
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4 Artikel 13
4/585
Artikel 14
5/585
Slotregel
585
50/585
Toelichting
6/585
50/585
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Woongoed Zeeuws Vlaanderen realiseert woningen in de uitbreidingswijk Buitenweg te Axel, gemeente Terneuzen. Op 6 juli 2010 heeft de raad van Terneuzen het bestemmingsplan 'Buitenweg' vastgesteld. In het bestemmingsplan wordt de bouw van ongeveer 100 nieuwbouwwoningen mogelijk gemaakt. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 14 januari 2011 is de bestemming Woondoeleinden vernietigd, voor zover gelegen binnen de geluidscontour van het scheepsreparatiebedrijf aan de Crijnssenstraat 1 (Luteijn Marine Engines & Equipment). Voor zover gelegen buiten deze geluidscontour is woningbouw mogelijk. De eerste fase van de wijk is gerealiseerd. De woningen in het eerste deel van de 2de fase zijn inmiddels uitgegeven. De verdere ruimtelijke structuur van de 2de fase is gewijzigd ten opzichte van de in structuur uit 2010. De beoogde woningen passen niet in de eerdere kaders van de bouwgrenzen. Het bestemmingsplan dient daarom aangepast te worden. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Plangebied
Het plangebied ligt ten noorden van de Buitenweg en ten zuiden van de Oude Spoorbaan te Axel.
Figuur 1.1 Ligging plangebied (rood) (bron: luchtfoto 2019 Kadaster Nederland)
7/585
1.3
Doel
Het doel van dit bestemmingsplan is de beoogde woningen planologisch mogelijk te maken binnen de gewijzigde structuur van de 2de fase. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen het plan te realiseren.
1.4
Geldend bestemmingsplan
Op 6 juli 2010 heeft de raad van Terneuzen het bestemmingsplan 'Buitenweg' vastgesteld. In de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van 14 januari 2011 is de bestemming Woondoeleinden vernietigd, voor zover gelegen binnen de geluidscontour van het scheepsreparatiebedrijf aan de Crijnssenstraat 1 (Luteijn Marine Engines & Equipment). Dit zijn de meest zuidwestelijk gelegen bouwblokken (figuur 1.3).
Figuur 1.2 Bestemmingsplan Buitenweg met in rood het plangebied van onderliggend bestemmingsplan.
8/585
Figuur 1.2 Vernietigde delen bestemmingsplan Buitenweg. Binnen een groot deel van het plangebied geldt de bestemming Woondoeleinden. Hier is wonen toegestaan en mogen woningen binnen de bouwvlakken worden gebouwd. De beoogde stedenbouwkundige figuratie past niet binnen de bestaande bouwvlakken. Daarnaast zijn woningen voorzien binnen de vernietigde delen van de bestemming Woondoeleinden. De beoogde water- en groenstrook is in het geldende bestemmingsplan mogelijk binnen de bestemmingen Groenvoorzieningen en Water. Ook de verkeersstructuur van de beoogde ontwikkeling past binnen de geldende bestemming Verkeer. Door middel van dit onderliggende bestemmingsplan Axel, Buitenweg 2de fase wordt de beoogde ontwikkeling mogelijk gemaakt.
1.5
Leeswijzer
De opbouw van de toelichting op dit bestemmingsplan is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt het plangebied, de directe omgeving en de beoogde planontwikkeling beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleidskader en daarmee op de planologische inpasbaarheid van de ontwikkeling. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan de ruimtelijke- en milieuaspecten. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de bestemmingsregeling. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
9/585
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Kenschets omgeving plangebied
De wijk Buitenweg is gelegen op een voormalig bedrijventerrein. Een deel van de wijk is inmiddels ontwikkeld, hier zijn verschillende typen woningen gerealiseerd. Op dit moment bestaat het plangebied uit een braakliggend terrein. Het plangebied van onderliggend bestemmingsplan grenst aan de zuidrand aan de Buitenweg en aan de noordzijde aan de Oude Spoorbaan. Aan de oostzijde begrenst het Pitplein en aanliggende bebouwing het plangebied en aan de westzijde wordt deze gevormd door de Ingelandenlaan. Het gebied rondom het plangebied is gemengd. Rondom het plangebied zijn veel woningen aanwezig, maar daarnaast zijn er ook andere functies te vinden. Aan de zuidkant ligt een scheepsreparatiebedrijf en een sporthal. Ten westen liggen een aantal bedrijfsloodsen en is detailhandel aanwezig. En ten noorden van het plangebied ligt een akker.
Figuur 2.1 Huidige situatie, plangebied rood omrand (Luchtfoto kadaster Nederland 2019)
10/585
2.2
Planbeschrijving
Binnen het plangebied worden in totaal 42 woningen gerealiseerd. Er zijn 4 verschillende typen woningen voorzien (zie figuur 2.2): 6 bungalows (paars) 2 twee-onder-één-kap woningen (rood) 15 rijwoningen één bouwlaag + kap (blauw) 19 rijwoningen twee bouwlagen + kap (oranje) De woningen worden in 3 velden gerealiseerd, van elkaar gescheiden door nieuwe ontsluitingswegen en een waterlichaam geflankeerd door groen. Een aantal woningen heeft een garage en parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast worden in de openbare ruimte voldoende parkeerplaatsen voorzien om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien.
Figuur 2.2 Stedenbouwkundige inrichtingstekeningen, plangebied rood omrand (bron: Archikon Architecten 22-08-2017)
11/585
50/585
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (hierna: SVIR) bevat het ruimtelijk beleid van het Rijk. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld. Hoofddoelen van beleid voor de periode 2020/2028 Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. 2. Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet aandacht zijn voor de gevolgen op de waterhuishouding, het milieu en cultureel erfgoed. Toetsing Noch voor het plangebied, noch voor een kleinschalige inbreiding/herstructurering geeft het rijksbeleid specifieke regels. Voor de sectorale afwegingen waarvoor aandacht wordt gevraagd, wordt verwezen naar hoofdstuk 4.
Conclusie De SVIR staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg. 3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening In het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen en beheersverordeningen, onder andere ten aanzien van de toelichting bij een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. In de Bro is onder andere opgenomen dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering moet bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toetsing Op 6 juli 2010 stelde de raad het bestemmingsplan Buitenweg vast. Dit plan werd met de uitspraak van de Raad
12/585
van State op 15 januari 2011 onherroepelijk. Binnen dit plan wordt invulling gegeven aan een herstructureringsopgave van een verouderd bedrijventerrein binnen bestaand stedelijk gebied. Met het plan werden ongeveer 100 woningen aan de harde plancapaciteit toegevoegd en in de regionale woningmarktafspraken opgenomen. Omdat het gaat om harde plancapaciteit is afstemming op de regionale behoefte in dit kader al gebeurt en volstaat dit voor de onderbouwing aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hoewel niet noodzakelijk is bij de wijziging van de ruimtelijke structuur voor de 2de fase voor wat betreft de te realiseren woningtypen rekening gehouden met de uitkomsten van veel recentere onderzoeken zoals het Kwalitatief woononderzoek Zeeland (KWOZ), de provinciale beleidsnotitie 'Ruimte voor woonkwaliteit' en het 'Plan van Aanpak plancapaciteit Terneuzen'. In december 2015 is de Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose Zeeland 2015 verschenen. De prognose is gemaakt met het Primos-IPB model. Deze prognose is uitgegroeid tot dé standaardprognose voor Nederland. Enkele prognoses voor de regio Zeeuws-Vlaanderen zijn dat de bevolkingsomvang krimpt maar het aantal huishoudens nog stijgt. De Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose Zeeland 2015 is de onderlegger voor de sindsdien gemaakte regionale woningmarktafspraken binnen Zeeland.
Voor de regio Zeeuws-Vlaanderen wordt bij de bevolkingsprognose rekening gehouden met de inhaalvraag vanwege de ‘crisisjaren’ en het aantal woningonttrekkingen (sloop), hetgeen een woningbehoefte van 2.191 woningen oplevert. Een deel van deze behoefte ligt al vast in bestemmingsplannen (zogenoemde harde plancapaciteit). Hierdoor resteert een woningbouwopgave voor 461 woningen, waarvan 231 binnen Terneuzen. De bevolkingscijfers van de afgelopen jaren laten zien dat de prognose voor wat betreft de bevolkingskrimp uit 2015 niet zijn uitgekomen. Er is sprake van een ongeveer gelijkblijvend inwoneraantal. Gelijktijdig is er nog steeds sprake van een afname van het aantal personen per huishouden, ofwel bij gelijkblijvend inwoneraantal, een toename van het aantal huishoudens. De provincie Zeeland stelt ongeveer elke drie jaar een nieuwe prognose voor bevolking en huishoudens op. Gelet op bovenstaande is een herijking ook nodig. Daarnaast spelen de nieuwste maatschappelijke ontwikkelingen en trends een rol bij de prognose. De nieuwste ontwikkelingen en trends vormen de groeiende stroom immigranten uit het buitenland door arbeidsmigratie en de opleving van binnenlandse immigratie. Recent is daarom het rapport Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose Zeeland 2019 verschenen.
Voor de gemeente Terneuzen wordt in de nieuwste prognose uitgegaan van een licht stijgend inwoneraantal en een verdere toename van de woningbehoefte. Beide worden veroorzaakt door een toegenomen instroom van buitenlandse werknemers en de vestiging van Belgen in met name de grensstreek. Op basis van de jongste cijfers bedraagt de geprognotiseerde woningbehoefte voor Zeeuws-Vlaanderen 876 woningen. Dit betekent zowat een verdubbeling ten opzichte van de eerder gemaakte woningmarktafspraken (461). Woningmarktafspraken In de regionale woningmarktafspraken 2017-2026 zijn 54 woningen opgenomen voor de ontwikkeling van Buitenweg 2e fase, dit plan is dan ook een uitvoering van harde plancapaciteit. Bij de vaststelling van de nieuwe regionale woningmarktafspraken Zeeuws Vlaanderen is echter geconstateerd dat er sprake is van een overcapaciteit aan woningbouwplannen in Terneuzen. Het is daarom momenteel niet meer mogelijk nieuwe woningbouwplannen te ontwikkelen door een overschot aan bestaande, meest verouderde
13/585
woningbouwplannen. Tegelijkertijd zijn er wel woningbouwplannen die in kwalitatief opzicht voorzien in een behoefte en die een waardevolle aanvulling op de bestaande woningvoorraad zouden betekenen. Daarom heeft de Provincie een beleidsnotitie opgesteld om op korte termijn te zorgen voor een oplossing voor dit urgente dilemma in de gemeente Terneuzen. De beleidsnotitie Ruimte voor woonkwaliteit (provincie Zeeland, augustus 2020) zorgt ervoor dat er een grondslag wordt gecreëerd waardoor nieuwe woningbouwplannen, die een goede toevoeging zijn aan de bestaande woningvoorraad, toch door kunnen gaan dankzij een goede 'ladderonderbouwing'. De Provincie Zeeland heeft te maken met een demografische transitie, waarbij de omslag van huishoudengroei naar huishoudendaling in steeds meer gebieden zal plaatsvinden. Door vergrijzing en ontgroening verandert de huishoudenssamenstelling in Zeeland ingrijpend. Er vindt een sterke toename plaats van oudere één- en tweepersoonshuishoudens. Daarnaast is een groot deel van de Zeeuwse woningvoorraad niet energiezuinig. Hierdoor sluit de woningvoorraad onvoldoende aan op de vraag, zowel nu als in de toekomst. Deze ontwikkeling doet zich voor in heel Zeeland, maar verschilt van gemeente tot gemeente.
In Zeeuws Vlaanderen speelt dit sterk, waarbij dit in de gemeenten Terneuzen verder bemoeilijkt wordt doordat er een overschot aan harde woningbouwplannen is ontstaan. Om meerdere redenen is het terugdringen van overschotten aan harde plancapaciteit gewenst. Het terugdringen kan echter veel tijd kosten. Om in deze tussenperiode kwalitatief gewenste plannen toch te kunnen ontwikkelen, is het noodzakelijk om per gemeente specifieke maatwerk afspraken te maken. De afspraken zijn gericht op het creëren van een beleidsgrondslag waarmee in kwalitatief opzicht gewenste woningbouwplannen onderbouwd kunnen worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening en de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voorwaarde hierbij is dat in de tussentijd voortvarend wordt gewerkt aan het planologisch en privaatrechtelijk terugdringen van overtollige harde plancapaciteit, resulterend in een programmering van maximaal 100% van de behoefte in harde plannen. Als in een gemeente een plan van aanpak voor terugdringing van de overtollige plancapaciteit is vastgesteld kunnen in kwalitatief opzicht gewenst woningbouwplannen in procedure gebracht worden.
Gedeputeerde Staten reageren, verwijzend naar het plan van aanpak, met instemming op dergelijke plannen die in de voorontwerp- en ontwerpfase worden aangeboden, omdat hiermee wat de Provincie Zeeland betreft bij wordt gedragen aan de gezamenlijk doelstelling op het gebied van wonen en er sprake is van een goede onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De deprogrammeeropgave wordt hierdoor wel verhoogd met het aantal woningen dat door het in kwalitatief opzicht gewenste plan wordt mogelijk gemaakt. De vraag is wanneer woningbouwplannen in kwalitatief opzicht 'gewenst' zijn. Dit hangt namelijk samen met woningtype, woonmilieu en locatie. Dit is in het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland verder uitgewerkt. Ruimtelijke doelen als bundeling en zuinig ruimtegebruik dragen ook bij aan dit begrip. De volgende soorten woningbouwplannen kunnen over het algemeen gezien worden als kwalitatief wenselijk als er sprake is van: Woningen in het middenhuursegment binnen de grens bestaand stedelijk gebied of centrumdorps woonmilieu. Appartementen of nultredenwoningen binnen de grens bestaand stedelijk gebied of centrumdorps woonmilieu.
14/585
Woningen in een centrum stedelijk woonmilieu, in dit geval de binnenstad van de kern Terneuzen. Invulling van leegstaand vastgoed binnen de grens bestaand stedelijk gebied of centrumdorps woonmilieu. Herstructurering door sloop en nieuwbouw. Woningbouwinitiatieven bedoeld voor de instandhouding van Rijksmonumenten of beeldbepalende gebouwen. De woningmarkt, en daarmee ook de kwalitatief wenselijke woningbouwplannen, verschilt echter per woningmarktregio of gemeente. In het Plan van aanpak per gemeente kunnen hier aanvullende typeringen aan worden toegevoegd. Conclusie Binnen dit plan wordt invulling gegeven aan een herstructureringsopgave van een verouderd bedrijventerrein binnen bestaand stedelijk gebied en uitvoering gegeven aan plannen die reeds als harde plancapaciteit zijn opgenomen in de woningmarktafspraken. Daarmee wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast bestaat de ontwikkeling voor een deel (6 bungalows) uit nultredenwoningen en woningen met een slaapkamer op de begane grond (15 woningen met een kap). De ontwikkeling sluit op een aantal punten dan ook goed aan bij de plannen die als kwalitatief wenselijk zijn benoemd in het Plan van aanpak. De ladder voor duurzame verstedelijking staat de ontwikkeling niet in de weg.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsplan Zeeland 2018 Inzet van beleid Het Omgevingsplan Zeeland 2018 bevat de hoofdlijnen van het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan heeft betrekking op de onderwerpen economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Het Omgevingsplan 2018 bevat slechts beperkt nieuw beleid ten opzichte van het Omgevingsplan 2012-2018. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 beoogd naast een concrete invulling voor de vier grote strategische opgaven (duurzame en concurrerende economie, klimaatbestendige en --neutrale samenleving, waardevolle leefomgeving en toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving) ook een eerste aanzet voor te geven voor de lange termijn strategische doelen. De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid wordt primair bij de samenwerkende gemeenten gelegd. De provincie beperkt zich tot het bevorderen van de regionale samenwerking en het bewaken van een aantal eigen belangen. Toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving Stedenbeleid In Zeeland is er sprake van een trek naar de steden en neemt de totale behoefte aan extra woningen in Zeeland de komende tien jaar geleidelijk af naar nul. Door de aanvullende woningbouw te concentreren in stedelijk gebied wordt niet alleen gebouwd waar de markt om vraagt, maar wordt ook het draagvlak voor voorzieningen in de directe omgeving behouden.
Daarnaast zal het nodig blijven om de woningbouw in dorpen te faciliteren, dit zal dan primair via herstructurering, inbreiding binnen de bestaande kern, vervangende nieuwbouw en het verleggen van bestaande plannen naar nieuwe kansrijke locaties moeten gebeuren.
15/585
Bij woningbouw staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik hoog op de agenda. Het is van provinciaal belang dat Zeeuwse steden de sociaaleconomische motor blijven van de provincie. Wonen Door vergrijzing en ontgroening neemt het aantal gezinnen af en (oudere) alleenstaande huishoudens juist toe. Hierdoor neemt de behoefte aan woningen nabij voorzieningen in steden en centrumkernen toe. Woningbouwprojecten hebben een gemeentegrensoverschrijdende impact. Het omgevingsplan benadrukt dan ook het belang van regionale woningmarktafspraken. De regionale woningmarktafspraken zijn bedoeld om regionaal woningbouwbeleid vast te stellen en dienen als onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking Toetsing Het project Buitenweg is een herstructureringsproject binnen de kern Axel, waarbij voormalig bedrijventerrein wordt herontwikkeld. De woningen die gerealiseerd worden zijn onderdeel van de Zeeuws-Vlaamse woningmarktafspraken en voorzien hiermee in een regionale behoefte. De woningen worden daarnaast gerealiseerd aan de rand van het centrum van Axel nabij de verschillende voorzieningen die Axel biedt. Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met het Omgevingsplan 2018
3.2.2 Provinciale Omgevings verordening 2018 Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevings verordening 2018. Voor woningbouw zijn in de omgevingsverordening alleen regels opgenomen voor kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Verder zijn er algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied. Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies. Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan. Conclusie Voor wat betreft de voorgenomen ontwikkelingen zijn geen specifieke regels uit de Provinciale Omgevings verordening 2018 van belang.
3.3
Regionaal en gemeentelijk beleid
3.3.1 Woonvisie regio Zeeuws-Vlaanderen 2020 (regionale woningmarktafspraken 2017-2026) In de regionale woonvisie wordt een visie, ambitie en missie gepresenteerd voor de woningbouw in de regio. Voor wat betreft de visie gaat het om een gezonde balans tussen de veranderende woningvraag en aanbod waarbij alle partijen vanuit hun kernopgave en rol denken en handelen.
16/585
De ambitie betreft onder andere: behoud aantrekkelijk woon- en leefklimaat in de regio Zeeuws-Vlaanderen; voldoende, passend woningaanbod met toekomstwaarde, voor eigen bewoners en vestigers van buiten (in het bijzonder: vanuit België); anticiperen op de gevolgen van de demografische ontwikkelingen. Hiervoor zijn vijf kernthema's geformuleerd: 1. herstructurering van woning en woonomgeving; 2. aanpak bestaande particuliere woningvoorraad; 3. kwaliteit staat voorop; 4. kansen grijpen; 5. naar een realistische woningbouwproductie. Van deze kernthema's zijn "herstructurering van woning en woonomgeving" en "kwaliteit staat voorop" van toepassing op het voorliggende bestemmingsplan. Regionale woningmarktafspraken In navolging op de in het verleden gehanteerde planningslijsten voor woningbouw, heeft de Provincie in 2014 het instrument woningmarktafspraken in het leven geroepen. Via een jaarlijkse herijking worden deze afspraken actueel gehouden. Binnen deze afspraken worden zowel de kwalitatieve als de kwantitatieve aspecten van de woningmarkt, als uitwerking van de kernopgave uit de regionale woonvisie 2020, nader vastgelegd. Toetsing De ontwikkeling betreft een uitbreiding van een al gestart herstructuringsproject, waarbij voormalig bedrijventerrein wordt ontwikkeld als woningbouwlocatie. Het totaal aantal woningen dat met deze ontwikkeling kan worden gerealiseerd is 42.
In paragraaf 3.1.2 is beschreven hoe de ontwikkeling aansluit bij de woningbouw afspraken. Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met de Woonvisie regio Zeeuws-Vlaanderen 2020.
17/585
Hoofdstuk 4 4.1
Kwaliteit van de leefomgeving
Besluit m.e.r
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van maximaal 42 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r-beoordelingsnotitie opgesteld op basis waarvan het bevoegd gezag kan besluiten of een milieueffectrapportage voor de voorgenomen planontwikkeling noodzakelijk is (bijlage .1)
4.2
Verkeer en Parkeren
Verkeersstructuur Het plangebied wordt ontsloten via de Buitenweg aan de zuidkant en de Oude Spoorbaan aan de noordkant. Vanaf deze wegen is de Stationsstraat in het centrum van Axel te bereiken is. De Stationsstraat verandert in
18/585
zuidelijke richting in de Kerkdreef en vervolgens in de Oranjestraat, dit zijn allen erftoegangswegen. Aan de zuidzijde van Axel ontsluit deze straat op de Zuidsingel (N686), dit is een gebiedsontsluitende weg die Axel verbindt met de N62 richting Terneuzen, en de Kinderdijk die Axel verbind met de N258 richting Hulst. Vanaf de Buitenweg is daarnaast in zuidelijke richting via de Crijnssenstraat en de Kanaalkade de Zuidsingel te bereiken. De Buitenweg en Crijnssenstraat zijn 50 km/u wegen, voor de wegen aan de noordzijde van het plangebied geldt een snelheidsregime van 30 km/u. Op de nieuwe erftoegangswegen die in het plangebied worden gerealiseerd geldt ook een 30 km/u regime. Aan de Stationsstraat ten westen van het plangebied is een bushlate aanwezig. Hier is op te stappen op bussen in de richting van Hulst en Goes. Verkeersgeneratie Binnen het plangebied worden 42 woningen van verschillende typen mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt in de gemeente Terneuzen, een weinig stedelijke gemeente, in de schil van het centrum (op zo'n 200 meter) van de kern Axel. Hiervoor worden de gemiddelde kencijfers gehanteerd uit publicatie 381 van het CROW ('Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2018', zie tabel 4.1). Voor de situatie met 2 twee-onder-een-kap en 40 rijwoningen betekent dit een verkeersgeneratie van 308 mvt/etmaal.
Dit verkeer wordt via de Oude Spoorbaan, Buitenweg en Crijnssenstraat afgewikkeld. Deze wegen hebben voldoende capaciteit om dit verkeer af te wikkelen. Tabel 4.1 Kencijfers verkeersgeneratie aantal Type woning
Verkeersgeneratie per woning 7,7 mvt/etmaal 7,3 mvt/etmaal
woning, huis, twee-onder-een-kap 2 woning, huis, tussen/hoek 40 Totaal 42
totaal 15,4 mvt/etmaal 292 mvt/etmaal 307,4 mvt/ etmaal
Parkeernorm De gemeente Terneuzen maakt in haar parkeerbeleid onderscheid in verschillende typen woningen. Voor onderliggend plan worden de woningen ingedeeld in de twee-onder-een-kap woningen en tussen/hoekhuizen. Tabel 4.2 Kencijfers parkeerbehoefte Type woning aantal woning, huis, twee-onder-een-kap 2 woning, huis, tussen/hoek 40 Totaal 42 Bezetting Tabel 4.3 Bezettingsgraden parkeerplaatsen werkdag ochtend middag
19/585
parkeerbehoefte per woning 2,2 2
totaal parkeerbehoefte 4,4 80 84,4
koopavond avond
nacht
zaterdag middag
waarvan voor bezoekers 0,6 12 12,6
avond
zondag middag
woningen bewoners woningen bezoekers
50% 10%
50% 20%
90% 80%
100% 0%
80% 70%
60% 60%
80% 80%
70% 70%
Drukste periode is de avondperiode van de werkdag. Op dit moment is de parkeerdruk voor bewoners 90% (64,6 plaatsen) en voor bezoekers 80% (10,1 plaatsen). Op de drukste periode is de parkeerbehoefte 74,7 plaatsen. In het ontwerp worden 5 woningen met een garage met lange oprit en 2 woningen een garage met korte oprit gerealiseerd. Op basis van gemeentelijk beleid tellen deze voor respectievelijk 1,3 en 0,4 parkeerplaats mee. Dit betekent dat er op privé terrein 7,3 parkeerplaatsen voorzien zijn. In openbaar gebied dienen 68 plaatsen te worden voorzien. Hiervoor is voldoende ruimte in en om het plangebied beschikbaar. In regels van het bestemmingsplan is een parkeerregeling opgenomen, die het voorzien van voldoende parkeergelegenheid verplicht. Conclusie De bereikbaarheid van het plangebied is goed. De nieuwe ontwikkelingen hebben geen substantieel effect op de verkeersintensiteiten en de verkeersafwikkeling. Daarnaast kan worden voorzien in de parkeerbehoefte.
4.3
Archeologie en Cultuurhistorie
4.3.1 Inleiding In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is vastgelegd dat de ruimtelijke ordening een samenhangende afweging van alle belangen bevat. Tot die belangen wordt ook het cultureel erfgoed gerekend. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is daarom de verplichting vastgelegd om in de ruimtelijke ordening “rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten”. Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Erfgoedwet. In lijn met die wet neemt de gemeente Drimmelen in haar bestemmingsplannen een integrale paragraaf cultuurhistorie op. Hierin wordt voor het plangebied van het betreffende bestemmingsplan een inventarisatie en een analyse van de aanwezige cultuurhistorische waarden gepresenteerd. Aan deze inventarisatie zullen / kunnen consequenties ten opzichte van het vaststellen van een dubbelbestemming cultuurhistorie en / of archeologie verbonden worden. 4.3.2 Bovengrondse cultuurhistorie Toetsingskader In het Bro (artikel 3.1.6. lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging.
Voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie is de cultuurhistorische waardenkaart, als onderdeel van de Structuurvisie 2025 van de gemeente Terneuzen beschikbaar. Onderzoek De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud
20/585
door ontwikkeling' en 'vernieuwing mogelijk'. In figuur 4.1 - 4.3 is een uitsnede van de drie kaartenbladen voor het beoogde projectgebied weergegeven inclusief legenda. Hierna wordt per kaartblad uitgelegd welke strategie voor de locatie geldt. Behoud: de locatie is niet als gebied met de strategie beschermen of behouden. Het ligt naast een onverharde weg (zie figuur 4.1).
Figuur 4.1 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud' met projectgebied in rood Behoud door ontwikkeling: Langs de noordzijde van het plangebied loopt een historische spoorlijn, daarnaast maakt het plangebied onderdeel uit van de zogenoemde Liniezone van de Staats-Spaanse Linies en is daarom aangewezen met de strategie Versterken. De Liniezone met de restanten van de Staats-Spaanse Linies zal worden opgewaardeerd op een zodanige manier dat de verschillende forten en verdedigingswerken in het landschap beter herkenbaar worden en een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan de toeristisch-recreatieve infrastructuur van de gemeente.
21/585
Figuur 4.2 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud door ontwikkeling' met projectgebied in rood Vernieuwing mogelijk: Voor de gehele locatie is de strategie is gericht op ontwikkelen. Buitenweg is een van de locaties waar een woningbouwlocatie in de komende jaren zal worden benut. Voor deze gebieden zal worden gestreefd om te komen tot een aanvulling en/of verrijking van het bestaande woningbouwsegment binnen de gemeente.
22/585
Figuur 4.3 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Vernieuwing mogelijk' met projectgebied in rood. Op grond van de Cultuurhistorische waardenkaart maakt het gebied onderdeel uit van een gebied dat ontwikkeld kan worden, maar rekening gehouden dient te worden met de zichtbaarheid van de Staats-Spaanse Linies en de historische spoorlijn. De ontwikkeling bestaat uit het afronden van een kleinschalige woonbuurt binnen het bestaande stedelijk weefsel van Axel. Doordat de ontwikkeling binnen het bestaande stedelijk weefsel, op braakliggende grond gebeurd, vermindert dit de zichtbaarheid van deze cultuurhistorisch waardevolle elementen niet. Monumenten Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig met een monumentale status. Ten westen van het plangebied aan de Buitenweg zijn een MIP object en een historische boerderij aanwezig. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze objecten. Ten westen van de beoogde ontwikkeling ligt de Clinkemolen. De ontwikkeling bevindt zich binnen 400 meter van deze molen. Om de molen te beschermen is in het bestemmingsplan een gebiedsaanduiding molenbiotoop opgenomen, hieraan zijn regels verbonden voor de maximale bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken.
23/585
Figuur 4.4 Ligging Clinkemolen (bron: cultuurhistorische waardenkaart provincie Zeeland) Conclusie Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg. 4.3.3 Archeologie Beleidskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Erfgoedwet heeft bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland gebundeld in één wet. Aan de Erfgoedwet zijn een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Gemeentelijk archeologiebeleid Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interimbeleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid.
Zolang de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan of beheersverordening) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling van archeologisch onderzoek verleend tot 100 m2 en een reeds verstoorde diepte van 0,5 meter voor de zogenaamde kruimelgevallen. Naast de hiervoor vermelde algemene vrijstelling kan vrijstelling van archeologisch onderzoek worden verleend indien reeds eerder aantoonbaar verstoring heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen,
24/585
ontgrondingen, wegcunetten, rioleringsleuven, bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag (in de meeste situaties de gemeente) te worden voorgelegd. Tot slot kan vrijstelling van archeologisch onderzoek eveneens worden verleend als: het gebied niet wordt vermeld op de Archeologische Monumentenkaart (AMK), volgens de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) een zeer lage of lage trefkans heeft (op eventuele waarden tot 1,2 meter beneden het maaiveld), in de nationale digitale database ARCHIS en het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) geen gegevens zijn geregistreerd, danwel alleen gegevens die duiden op een lage waarde er volgens de Geologische kaart Van Rummelen sprake is van de geologische formatie Duinkerke III. Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema dat is opgenomen in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'. Ook als er wel archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, is niet altijd archeologisch onderzoek nodig. Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend. Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld.
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening zal de toets aan het stroomschema het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. Vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening is alleen aan de orde voor een gemeentelijk monument en een rijksmonument, niet voor archeologisch verwachtingsgebieden. Daarvoor geldt een verbodsregeling zonder de mogelijkheid van ontheffing. Het toepassen van een grotere 'vrijstellingsdiepte' is in sommige gebieden denkbaar. Voor een weloverwogen afweging hierover beschikt de gemeente over een 'Vrijstellingenkaart Archeologie'. Hierop is aangegeven of en tot op welke diepte werkzaamheden op of in een terrein kunnen worden vrijgesteld van het opstellen van een archeologisch onderzoek(srapport). De vrijstellingenkaart wordt in bestemmingsplannen gekoppeld aan archeologische dubbelbestemmingen. De 'Vrijstellingenkaart Archeologie' is geen statisch document, maar wordt op basis van nieuwe informatie om de paar jaar geactualiseerd. Op 14 november 2017 is de 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' gepresenteerd. Onderzoek In de bestemmingsplannen wordt doorgaans een diepte van ten hoogste 0,5 meter beneden het maaiveld gehanteerd waarvoor het verlenen van een omgevingsvergunning (voor het bouwen en voor grond- en sloopwerkzaamheden) vrijgesteld is van het opstellen van een onderzoek(srapport).
Hierna wordt beoordeeld of in het bestemmingsplan een regeling (onderzoeksplicht en vergunningstelsel) moet worden opgenomen die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt. AMK en IKAW Binnen de grenzen van het plangebied bevinden zich volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) geen
25/585
terreinen met een vastgestelde archeologische waarde. Op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) is het plangebied gelegen in een zone die wordt gekenmerkt door een lage archeologische trefkans op het aantreffen van archeologische waarden.
Figuur 4.5 Uitsnede AMK, plangebied rood omrand (bron: www.cultureelerfgoed.nl)
26/585
Figuur 4.6 Uitsnede IKAW, plangebied rood omrand (bron: www.cultureelerfgoed.nl) In Archis 3.0, de nationale database voor vindplaatsen in Nederland. In de omgeving van het plangebied zijn volgens ARCHIS3 een aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd en zijn ook een aantal vondsten gedaan. Ook liggen er twee archeologische monumenten nabij het plangebied. Het eerste AMK-terrein betreft het historische centrum van Axel (AMK-nr. 13480). Hierbinnen ligt een tweede AMK-terrein, een wettelijk beschermd terrein van zeer hoge archeologische waarde (AMK-nr. 86). Dit terrein betreft de locatie van het kasteel van Axel, dat rond 1200 is opgericht. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn, op één na, allen uitgevoerd binnen de Middeleeuwse kern of de 17e eeuwse vesting. De onderzoeken geven over het algemeen inzicht in de historische ontwikkeling van Axel. Voor zover de pleistocene ondergrond is bereikt, is de top geërodeerd. Eén onderzoek is uitgevoerd buiten de historische kern. Dit betreft een onderzoek 300 m ten zuiden van het plangebied (zaakid. 2395043100). Ook hier werden bewoningssporen uit de Middeleeuwen verwacht, namelijk van het bebouwingslint langs de dijk op de kaart van Jakob van Deventer en verder heeft het onderzochte gebied ook een verwachting voor de prehistorie.
Uit het veldonderzoek is gebleken dat de pleistocene ondergrond is geërodeerd door een getijdegeul, waardoor de verwachting voor resten uit de prehistorie nihil is. Aanwijzingen voor bewoningssporen uit de Middeleeuwen zijn ook niet aangetroffen. (bron: archeologisch onderzoek bijlage 2) Binnen het plangebied heeft nog geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Dit zal in het kader van de omgevingsvergunning gebeuren. Geologische kaart Van Rummelen Aan de hand van de geologische kaart kan nagegaan worden welke geologische, voor de archeologie relevante, bodemlagen aanwezig zijn. Pleistoceen: vanaf de Steentijd; Hollandveen: vanaf de IJzertijd en Romeinse tijd; Duinkerke II, inclusief ‘oudere afzettingen van Duinkerke’: vanaf de Middeleeuwen; Duinkerke III; vanaf de Nieuwe Tijd. In de gemeente Terneuzen kunnen archeologische resten in de bodem voorkomen tot in de Pleistocene afzettingen. Op de geologische kaart (zie figuur 4.7) blijkt dat voor het landgedeelte in het plangebied rekening moet worden gehouden met de afzettingen DPo.3b 'Afzetting van Duinkerke IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke op zwak geërodeerd pleistoceen. Bovenste 0 tot 2 meter beneden het maaiveld (-mv) zou bestaan Duinkerke IIIb, vervolgens 2 meter Duinkerke IIIa of II. Daaronder bevindt zich het pleistocene dekzand.
27/585
Figuur 4.7 Geologische kaart Van Rummelen met plangebied in rood globaal aangeduid Op basis van het eerdere vermelde stroomschema geldt voor de afzetting Duinkerke III geen onderzoeksplicht. Voor Duinkerke II wel, namelijk vanaf een te verstoren oppervlakte van 500 m2 of meer. Voor het pleistoceen zand dat dieper ligt dan 2 meter -mv geldt een onderzoeksverplichting pas vanaf een oppervlakte van 1.000 m2. Vrijstellingenkaart In 2017 heeft de gemeente Terneuzen de geactualiseerde vrijstellingenkaart Archeologie vastgesteld met daarop aangegeven in welke zones binnen de gemeente Terneuzen een vrijstelling geldt van 0,50 meter (conform gemeentelijk archeologiebeleid) en in welke zones een ruimere vrijstelling in de diepte geldt. In het projectgebied geldt de standaard 0,50 meter onder maaiveld (rode zone) en 1,00 meter onder het maaiveld (roze zone).
28/585
Figuur 4.8 Uitsnede vrijstellingenkaart Archeologie, plangebied blauw omrand. Het noordwestelijk deel van het plangebied (roze) is vrijgesteld tot 1 meter onder het maaiveld. Voor de rest van het plangebied geldt een vrijstellingsdiepte van 0,5 meter onder het maaiveld. Op basis van het 'stroomschema onderzoeksplicht archeologie' is onderzoek noodzakelijk bij een verstoring vanaf 500m² bij toepassing van de vrijstellingsdiepte. Omdat de bodemingrepen van dieper dan 50 centimeter in het plangebied meer dan 500 m2 bedragen is archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 2). In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er in het plangebied twee archeologische niveaus aanwezig zijn geweest, namelijk de top van het dekzand en de top van de getijdeafzettingen uit de Nieuwe tijd. Beide archeologische niveaus zijn echter grotendeels geërodeerd, afgegraven of vergraven. De archeologische verwachting voor het plangebied is dan ook laag. En wordt geadviseerd geen archeologisch dubbelbestemming op te nemen in het bestemmingsplan. Conclusie Omdat de archeologische verwachting in het plangebied laag is staat dit aspect de ontwikkeling niet in de weg.
4.4
Bodem
4.4.1 Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat bij functiewijzigingen onderzocht dient te worden of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Daarnaast geldt als uitgangspunt dat de bodemkwaliteit niet mag verslechteren. Verontreinigingen in stabiele eindsituaties worden niet
29/585
vanzelfsprekend geaccepteerd. Voor mobiele verontreinigingen moeten maatregelen gericht zijn op verwijderen. Soms is het inpassen van immobiele verontreinigingen onder voorwaarden toelaatbaar. In de Regeling bodemkwaliteit zijn de landelijke Achtergrondwaarden vastgelegd. Deze gelden als toetsingskader om te bepalen of grond “schoon” is. 4.4.2 Onderzoek In het verleden zijn in het plangebied verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. Naar aanleiding van de resultaten van deze onderzoeken heeft bodemsanering plaatsgevonden. Er is een actualiserend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd binnen het plangebied (bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is metmolybdeen en PAK, in de ondergrond geen verontreinigingen zijn geconstateerd en het grondwater licht verontreinigd is met molybdeen. Gelet op de aard en mate van verontreiniging is geen reden voor een nader onderzoek. Daarnaast is verspreid over de onderzoekslocatie de bovengrond zwak tot matig puinhoudend. Daarom is een verkennend onderzoek asbest uitgevoerd (bijlage 4). Hieruit blijkt dat er géén reden is voor een nader onderzoek asbest in bodem. Er bestaan ook géén milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie en de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. 4.4.3 Conclusie Het apsect bodemkwaliteit staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.5
Geluid
Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Dit leidt tot steeds meer klachten. In een aantal extreme gevallen wordt de gezondheid nadelig beïnvloed door geluid. Hoge geluidsniveaus kunnen het gehoor beschadigen en ook de verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. Door de toename van het geluid in de omgeving, wordt de behoefte aan stilte steeds meer als een noodzaak gevoeld. Om deze zaken te ondervangen zijn normen opgenomen in wetten. Met name de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer zijn in dit kader van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidsgevoelige bestemmingen of bestemmingen die gewijzigd kunnen worden in een geluidsgevoelige bestemming dient op grond van de Wet geluidhinder akoestisch onderzoek te worden verricht naar de geluidsbelasting, voor zover die ontwikkelingen binnen een geluidszone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. 4.5.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader De in het plangebied geprojecteerde woningen zijn geluidsgevoelige bestemmingen. De woningen liggen binnen de zone van de Buitenweg, waarvan de breedte 200 meter aan weerszijden van de weg bedraagt.
Voor de ontwikkeling van Buitenweg is in 2008 akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Omdat de locatie van verschillende woningen veranderd is ten opzichte van de situatie die destijds onderzocht is, wordt nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daarnaast is, gelet op de jurisprudentie (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 3 september 2003, nummer: 200203751/1) ook de geluidsbelasting onderzocht vanwege enkele
30/585
zogenoemde niet gezoneerde wegen waarlangs woningen zijn geprojecteerd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van de woningen binnen de wettelijke geluidszone van bestaande wegen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Deze voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot een hogere grenswaarde worden ingediend bij het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Terneuzen. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. Voor nieuwe binnenstedelijk gelegen woningen geldt een uiterste grenswaarde van 63 dB. 4.5.2 Toetsing De ontwikkeling maakt geluidgevoelige functies mogelijk welke aan de normen van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen te worden getoetst indien gelegen binnen de geluidzone van gezoneerde wegen. Het plangebied is gelegen in de geluidzone van de Buitenweg. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur wegen Oude Spoorbaan, Van Gistellelaan, Dijkgraafstraat en de binnenplanse wegen van onderhavig plan. Akoestisch onderzoek is daarom uitgevoerd.
De resultaten zijn bijgevoegd in bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat voor de 30 km/uur wegen Dijkgraafstraat, Oude Spoorbaan, Van Gistellelaan en de binnenplanse wegen van onderhavig plan de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor de gezoneerde weg Buitenweg geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Een procedure hogere waarde is dan ook niet aan de orde. Aangezien in onderhavige situatie geen sprake is van een procedure hogere waarde, wordt voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.
4.5.3 Conclusie Ter plaatse van de nieuwe woningen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd, de bepalingen uit de Wet geluidhinder staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1 Beleids-/toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit
31/585
onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Tabel 4.4 Relevante luchtkwaliteitsnormen stof toetsing van grenswaarde stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 1) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie maximaal 35 keer per jaar meer dan 50 µg/m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ 1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007) Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2/µgm3); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen. 4.6.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 42 woningen. Dit aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving, en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2018 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N61 bij Terneuzen.
Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate een locatie verder van de weg ligt en gezien de ligging van het plangebied (in een dorp in Zeeland) is, ter plaatste van het plangebied, sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
32/585
4.7
Externe Veiligheid
4.7.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. 4.7.2 Toetsing Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen worden getoond, is in de nabije omgeving van het plangebied één risicovolle inrichting gelegen. Er vindt in de omgeving geen voor het plangebied relevant vervoer van gevaarlijke stoffen plaats (figuur 4.9).
Figuur 4.9: Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied rood omcirkelt. Ten noorden van het plangebied is de risicovolle inrichting Lehnkering Chemical Transport BV gelegen. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt 1.400 m. Het plangebied ligt op een afstand van ruim 500 m van het bedrijf. Het groepsrisico ligt onder de oriënterende waarde. De bijdrage van de ontwikkeling in het plangebied voor het groepsrisico wordt ten opzichte van de bijdrage van de kern Axel verwaarloosbaar klein geacht. De
33/585
ontwikkeling zorgt in geen geval voor een toename van meer dan 10% van het groepsrisico; conform het beleid van de gemeente Terneuzen is daarom ook geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. 4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid staat de ontwikkeling niet in de weg.
4.8
Kabels en leidingen
4.8.1 Beleid / toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Planologisch relevante leidingen zijn: hoogspanningsleidingen en -verbindingen van 50 kV en hoger die geen deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet milieubeheer; buisleidingen waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is; 4.8.2 Toetsing en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.9
Ecologie
4.9.1 Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
34/585
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. In Zeeland heet dit het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.