CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-06-23 a. Besluit op bezwaar tegen raadsbesluit over 6e versie bp wozoco Sluiskil - Ontwerpbesluit

gemeenteraad 6 juli 2021, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Besluit op bezwaar tegen het raadsbesluit over de 6e versie van het conceptbestemmingsplan Woonzorgcomplex te Sluiskil3.822 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeenteraad Ontwerpbesluit

Zitting van 6 juli 2021 Omgeving & Economie - Planvorming zaaknummer: 339897

2021_Raad_00143 - Besluit over het ingediende bezwaarschrift namens Roobeek Ontwikkeling BV tegen het raadsbesluit over de 6e versie van het conceptbestemmingsplan Woonzorgcomplex te Sluiskil Portefeuillehouder Frank Hulle,van Programma en/of paragraaf Programma Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing Besluit Besluitpunt 1 De gemeenteraad besluit het bezwaar van Roobeek Ontwikkeling BV ontvankelijk en ongegrond te verklaren. Besluitpunt 2 De gemeenteraad besluit het verzoek tot vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 7:15, lid 2 Awb af te wijzen.

Wat is de aanleiding? Op 26 juni 2020 diende Roobeek Ontwikkeling BV (hierna: Roobeek) een aanvraag in bij de gemeenteraad om: "akkoord te gaan met de bij de aanvraag gevoegde 6e conceptversie van het bestemmingsplan voor het WoZoCo te Sluiskil, zodat het plan na het wettelijk te voeren vooroverleg kan worden vastgesteld en de uitvoering gefaseerd kan plaatsvinden". Op 4 februari 2021 besloot de gemeenteraad met toepassing van artikel 3.9 Wet ruimtelijke ordening deze aanvraag af te wijzen (bijlage1). Binnen de daarvoor openstaande termijn diende Moree Gelderblom, namens Roobeek Ontwikkeling BV, tegen het raadsbesluit een bezwaarschrift in. Het pro forma bezwaarschrift van 11 maart 2021 (bijlage 2), vulde Moree Gelderblom inhoudelijk aan op 7 april 2021 (bijlage 2). Het college stelde voor de behandeling van het bezwaarschrift in de commissie voor de bezwaarschriften, een verweerschrift op (bijlage 3). Na bespreking van het bezwaarschrift in de commissie voor de bezwaarschriften op 19 mei 2021, bracht deze commissie daarover een advies uit aan de gemeenteraad. Dit advies voegden wij als bijlage (10) aan dit voorstel toe.

1/8

Wat willen we bereiken? Het nemen van een besluit over het namens Roobeek ingediende bezwaarschrift.

Argumenten In het voorstel van het college dat leidde tot het raadsbesluit van 4 februari 2021 over het WoZoCo te Sluiskil, ging het college uitvoerig in op de voorgeschiedenis van het plan. Dat behoeft hier geen herhaling. Het college verwijst naar de bijlagen Onderliggende stukken (bijlagen 4 en 5), Exploitatieplan (bijlage 6) en de 6e versie van het concepotbestemmingsplan WoZoCo (bijlagen 7a en 7b) Voor een besluit op het bezwaarschrift geldt het volgende: 1. De commissie voor de bezwaarschriften adviseert het bezwaarschrift ongegrond te verklaren. Het advies van de commissie en de daarbij behorende aanbiedingsbrief aan de gemeenteraad treft u als bijlagen 10 aan bij dit voorstel. Dit advies kwam tot stand na het uitvoerig horen van partijen tijdens de hoorzitting van 19 mei 2021. Het proces-verbaal van deze hoorzitting voegen wij als bijlage 9 toe aan dit voorstel. De raad is van mening dat het advies op zorgvuldige manier tot stand is gekomen. Op grond daarvan kan de gemeenteraad zich vinden in de argumenten die de commissie ten grondslag legt aan haar advies. De gemeenteraad neemt het advies en de conclusie daaruit inhoudelijk over. Dat betekent dat de gemeenteraad besluit tot het ongegrond verklaren van het bezwaarschrift. Daarnaast wenst de gemeenteraad op enkele onderdelen van het bezwaarschrift, aanvullend aan het commissie-advies nog nader in te gaan. 2.

Geen verwachtingen gewekt dat de gemeenteraad een positief besluit op de aanvraag zou nemen In het bezwaarschrift stelt Roobeek op meerdere plaatsen dat het college toezeggingen deed over onderdelen die betrokken zijn bij het concept van het bestemmingsplan. Die toezeggingen zouden zodanig zijn dat Roobeek er op had mogen vertrouwen dat de raad een ander besluit over de aanvraag zou hebben genomen. Het gaat daarbij specifiek om:  De vermeende toezegging van het college dat er tussen partijen een exploitatieovereenkomst ( anterieure overeenkomst) zou worden gesloten. Het college ontkent het bestaan van een dergelijke toezegging. Een randvoorwaarde voor het verlenen van ruimtelijke medewerking is niet synoniem aan een toezegging. Daarnaast merkt het college op dat in de jurisprudentie een vaste lijn bestaat dat niet eenvoudig een toezegging van het ene bestuursorgaan van een gemeente toegerekend kan worden aan een ander bestuursorgaan van diezelfde gemeente. In het bezwaarschrift heeft Roobeek het bestaan van een dergelijke toezegging niet onderbouwd noch aangetoond. Ook draagt zij geen inhoudelijke argumenten aan die het bestaan van een dergelijke toezegging aannemelijk zou maken. Roobeek verwijst naar een e-mailbericht van de wethouder van 15 november 2016, waarin gesproken wordt over het feit

2/8

dat de plannen in een "précontractueel stadium" verkeren. Roobeek legt die zinsnede uit als een "toezegging" tot het opstellen en afsluiten van een anterieure overeeenkomst (=exploitatieovereenkomst). Los van de aanname op dit onderdeel in het advies van de commissie bezwaarschriften wijst de gemeenteraad op de volgende frase in het emailbericht van 15 november 2016 van de wethouder aan Roobeek: "In je reactie stel je dat de anterieure overeenkomst nog altijd niet is toegezonden. Dat klopt. Het is naar mijn mening volstrekt zinloos een dergelijke overeenkomst voor te bereiden bij gebreke van overeenstemming over de inhoud van het plan dat in het exploitatiegebied zou moeten komen en bij gebreke van inzicht in de financiële uitvoerbaarheid van welk plan dan ook." Roobeek is te zien als een professionele ontwikkelaar, met kennis op dit terrein. Op basis van de inhoud van het e-mailbericht had Roobeek redelijkerwijs kunnen weten dat de totstandkoming van een anterieure overeenkomst tussen partijen tenminste aan een aantal voorwaarden verbonden was. Die voorwaarden zijn ook met de 6e versie van het conceptbestemmingsplan voor het WoZoCo nog altijd niet ingevuld. Naast het vastleggen van afspraken over plan en voortgang is de voornaamste bedoeling van een anterieure overeenkomst, het verhalen van plankosten op de initiatiefnemer.

Dit is vastgelegd in afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze mogelijkheid tot kostenverhaal bestaat naast het instrument van het exploitatieplan. Omdat in het najaar van 2016 de besprekingen met Roobeek over de randvoorwaarden van het plan niet tot overeenstemming leidden, nam het college het initiatief tot het opstellen van een dergelijk exploitatieplan (bijlage 6). Het concept van dit plan is op 6 juni 2018 aan Roobeek toegestuurd. Ook op grond van dit feit had Roobeek moeten inzien dat van een toezegging tot het opstellen van een anterieure overeenkomst geen sprake was. Het college verwijst naar diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals de uitspraak van 29 mei 2019 in een zaak van de Amsterdamse dakopbouw (ECLI:NL:RVS:2019:1694), de uitspraak van 28 augustus 2019 inzake de gemeente Kaag en Braassem (ECLI:NL:RVS:2019:2949). In deze uitspraken formuleerde de Afdeling 3 stappen die doorlopen moeten zijn, alvorens van een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel sprake kan zijn. De raad komt tot het oordeel dat de eerste stap (is de juridische kwalificatie van de uitlating/gedraging waarop Roobeek zich beroept, te kwalificeren als een toezegging?) negatief beantwoord moet worden. De gemeenteraad sluit zich hiertoe aan bij de overwegingen in het advies van de commissie voor de bezwaarschriften.

Los hiervan is het ook niet zo dat een afgesloten anterieure overeenkomst tussen het college en een initiatiefnemer van een ruimtelijk project, de gemeenteraad in een positie brengt dat hij verplicht is tot het instemmen met c.q. vaststellen van het daarmee gemoeide bestemmingsplan. De gemeenteraad heeft op dit onderdeel een eigenstandige bevoegdheid.  De vermeende toezegging over het beschikbare aantal nieuwbouwcontingenten voor de uitvoering van het WoZoCo-plan Het college heeft vanaf het begin helder gemaakt dat voor de uitvoering van het plan, 8 eenheden beschikbaar waren ten laste van het gemeentelijke nieuwbouwcontingent. De overige 49 eenheden van het plan zouden uitdrukkelijk geoormerkt moeten worden als rechtens afdwingbare zorgeenheden, om daarbij buiten het nieuwbouwcontingent te vallen. 3/8

Dat de portefeuillehouder zou hebben toegezegd dit aantal op te hogen met 10 eenheden ontkent het college. Op 12 november 2019 vond tussen Roobeek en de portefeuillehouder overleg plaats. In dat overleg stelde de portefeuillehouder van het college dat hij zich in het college sterk zou willen maken voor het beschikbaar stellen van 10 aanvullende eenheden voor het plan. Dit omdat een appartementenplan bij de locatie Baljuwstraat op dat ogenblik niet doorging. De portefeuillehouder verbond aan zijn mededeling echter uitdrukkelijk de voorwaarde dat het plan van Roobeek aan alle gemeentelijke randvoorwaarden zou moeten voldoen. Op grond van jurisprudentie (Amsterdamse dakopbouw 29 mei 2019) kan een dergelijke mededeling niet als een toezegging gelden. Er was namelijk sprake van een voorwaarde. Het college concludeerde op 11 december 2018 dat het plan niet aan de eerder gestelde eisen voldeed. Daarmee werd de randvoorwaarde die de portefeuillehouder eerder stelde niet ingevuld. Een redelijk denkende partij had moeten begrijpen - ook gelet op de deskundigheid van Roobeek op het gebied van projectontwikkeling – dat van een toezegging geen sprake kon zijn. Het college merkt op dat Roobeek wel stelt dat sprake is van een toezegging, maar de juistheid van die stelling, noch in het bezwaarschrift noch in de pleitnota voor de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften, aantoont.

Die verplichting rust wel op Roobeek, ondersteund door eerder genoemde jurisprudentie. Het college wil in dit verband ook niet onvermeld laten dat het de bevoegdheid is van de gemeenteraad tot het vaststellen van de (regionale) woonvisie en woningbouwplanning. Ook in jurisprudentie geldt dat de machtenscheiding (trias) in de weg staat aan het toerekenen van een toezegging aan een ander orgaan van dezelfde rechtspersoon. Conclusie:Ten aanzien van de toezeggingen die het college dan wel de portefeuillehouder uit het college aan Roobeek zou hebben gedaan, concludeert het college dat van dergelijke toezeggingen geen sprake is, dat Roobeek die ook niet aantoont, en dat op deze onderdelen de in de jurisprudentie verwoordde stappen niet leiden naar een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Het college verwijst onder andere naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierboven genoemd. 3. Wijzigend beleid moeten we meewegen bij latere besluitvorming. Van het begin van het proces rond het WoZoCo maakte het college duidelijk dat Roobeek de behoefte zou moeten aantonen. Dat vloeit voort uit de Laddertoets opgenomen in artikel 3.1.6, lid 2 Besluit ruimtelijke ordening. Bijlage 3 van het 6e concept van het bestemmingsplan, bevat een dergelijk onderzoek naar de woningbehoefte. Voor Sluiskil is die berekend op 35 eenheden voor een periode van 10 jaren.

Het college onderschrijft dit rapport op die onderdelen. Het plan Baljuwlaan bevat een plancapaciteit van 19 eenheden. Dit plan is deels al uitgevoerd en deels nog in uitvoering. Dat betekent dat de berekende behoefte deels al is ingevuld. Na het uitvoeren van het plan Baljuwlaan resteert voor Sluiskil nog een woningbehoefte van 16 reguliere eenheden. Deze behoefte zou deels ingevuld kunnen worden door het plan van Roobeek. Tot eind 2018 zegde het college hiervoor 8 eenheden toe. In maart 2020 kwam aan het licht dat o.a. de gemeente Terneuzen een zogenaamde "negatieve laddercapaciteit" heeft. De omvang van deze negatieve laddercapaciteit bedraagt volgens het Dashboard laddercapaciteit Zeeuws-Vlaanderen, 483 eenheden. Dit betekent dat de woningbouwcapaciteit in alle bestemmingsplannen (harde plancapaciteit), de gemeentelijke behoefte volgens het Kwalitatief WoonOnderzoek Zeeland (KWOZ) fors 4/8

overschrijdt. Gedeputeerde Staten maakten kenbaar dat de gemeente haar harde plancapaciteit zou moeten terugbrengen. Daartoe kwam op 12 mei 2020 het Plan van aanpak plancapaciteit Terneuzen 2020, tot stand. Het verminderen van de plancapaciteit is een niet geringe opgave, waarbij harde planologische ingrepen niet uitgesloten zijn. Omdat het college op 11 december 2018 de ruimtelijke medewerking aan het WoZoCo-plan beëindigde, betekent dit dat de oorspronkelijk 8 toegezegde eenheden na 12 mei 2020 niet langer beschikbaar zijn. De ruimtelijke medewerking was immers beëindigd, gelet op de discussie over beleidsaspecten en de invulling van omgevingsfactoren tussen de gemeente en Roobeek. Het toevoegen van nieuwe plancapaciteit verzwaart immers de déprogrammeringsopgave voor de gemeente. Het nieuwe beleid heeft dus ook zijn effecten op het plan van Roobeek. Door steeds de gemeentelijke randvoorwaarden te negeren, en een onvolkomen en juridisch niet afdwingbaar concept van een bestemmingsplan in te dienen, nam Roobeek het risico dat tussentijdse beleidsaanpassingen ook doorwerken naar haar plan. 4. Het college stelde niet steeds nieuwe eisen. Herhaaldelijk komt dit verwijt in het bezwaarschrift aan de orde. Vanaf januari 2016 volgde het college een consistente koers op het punt van de randvoorwaarden waaraan Roobeek zou moeten voldoen bij de planvorming.

Deze lagen op het terrein van: 1. De volkshuisvesting, waaronder aantonen van de behoefte, het contingentsbeslag, en de afdwingbare koppeling Wonen en Zorg; 2. Positieve uitkomsten van onderzoeken naar de effecten van het plan op omgevingsfactoren, zoals geluid, water, natuur en externe veiligheid; 3. Aantonen van de economische en financiële uitvoerbaarheid. Onder punt 3 van zijn pleitnota (zie bijlage 8) voor de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften geeft Moree Gelderblom aan dat het college steeds nieuwe belemmeringen opwierp. Moree Gelderblom geeft in zijn pleitnota aan, welke obstakels eind 2018 voor een vervolgstap in het planproces zouden bestaan t.w.  Het borgen van zorg in de planregels. Dit betreft een volkshuisvestelijk aspect, omdat bij onvoldoende borging van de appartementen voor de zorg, het gehele plan drukt op de eerder genoemde laddercapaciteit c.q. het niet langer bestaande nieuwbouwcontingent. Dit aspect speelde al in 2018 en is anno 2021, bij de 6e versie van het conceptbestemmingsplan, nog altijd aan de orde. Op dat punt is er geen sprake van een nieuwe eis.  het bieden van inzicht in de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Tot maart 2020 weigerde Roobeek om inzicht te geven in zijn exploitatieberekening van het WoZoCo-plan.

In 2018 bestond de blokkade voor een vervolgstap dus niet uit een inhoudelijke beoordeling van de financiële uitvoerbaarheid, maar uit de onmogelijkheid voor het college om deze uitvoerbaarheid te beoordelen. Vanaf maart 2020 kon het college een conclusie trekken uit de overgelegde exploitatieopzet. Deze conclusie was niet positief voor het plan. Weliswaar om andere redenen vormt de financiële uitvoerbaarheid van het plan in 2021 een obstakel voor een vervolgstap. Dit nadere inzicht is echter niet het college te verwijten, maar is terug te voeren tot de weigering van Roobeek tot het beschikbaar stellen van haar financiële gegevens over dit project. Al in 2016 maakte het college aan Roobeek de

5/8

noodzaak kenbaar deze financiële gegevens beschikbaar te stellen. Dat Roobeek dit niet deed, valt niet het college te verwijten. Op dit onderdeel is zeker geen sprake van een nieuwe eis.  het bieden van inzicht in de mate van veiligheid. Dit aspect herkent het college niet als onderdeel van de discussie met Roobeek, eind 2018. Wellicht heeft Roobeek hier het onderdeel Waterveiligheid op het oog. Dat komt later terug, maar is zeker niet als een nieuwe eis te zien die het college stelde rondom de totstandkoming van het bestemmingsplan. Het aspect veiligheid speelt anno 2021 niet langer als belemmerende factor voor een vervolgstap in het plan.  een adequate regeling voor bouwen in een geluidzone Nog altijd is deze discussie niet opgelost. De eis tot het bouwen van een dove gevel voor die delen van het WoZoCo, die een geluidbelasting op de gevel ontvangen van meer dan 55 dB(A), bestond in 2018 en is anno 2021 nog altijd actueel. Er is geen sprake van een nieuwe eis. Roobeek wijzigde wel steeds de grondslag waarop hij van mening was, dat er geen noodzaak bestond tot het bouwen van een dove gevel. In het 5e concept van het bestemmingsplan onder par. 4.5.3, van oktober 2018, deed Roobeek een beroep op "vervangende nieuwbouw" ( artikel 61 Wet geluidhinder -Wgh) als argument voor het toestaan van een hogere geluidbelasting(> 55 dB(A)) op de gevels van het WoZoCo.

In 2020 bij het 6e concept van het bestemmingsplan stelt Roobeek als grondslag voor die hogere gevelbelasting, de toepassing van artikel 65 van de Wet geluidhinder voor. Van gemeentewege is op dat punt sprake van een consistente lijn t.w.: Bij een geluidbelasting op een gevel van het complex boven 55 dB(A) moet een dove gevel worden aangebracht, omdat wettelijke ontheffingsmogelijkheden boven dat geluidniveau in de situatie van het voormalig waterschapslaboratorium niet van toepassing zijn. Het is Roobeek zelf die de grondslag wijzigt voor een beroep op een hogere geluidbelasting boven 55 dB(A). Meerdere malen maakte het college kenbaar aan Roobeek dat noch artikel 61 noch artikel 65 van de Wet geluidhinder een mogelijkheid biedt voor het verlenen van een hogere waarde voor de geluidbelasting op de gevels van het WoZoCo boven 55 dB(A). Het college verwijst ook naar onderdeel 5 van dit voorstel.  een woningbehoefte-onderzoek (WBO) Deze eis is niet nieuw. Roobeek voldeed aan deze eis bij het indienen van het 5e concept van het bestemmingsplan in oktober 2018. De eis van een WBO was in 2018 voor het college, en is ook nu, geen onderdeel van de motieven van de gemeenteraad om niet akkoord te gaan met het bestemmingsplan. Het gaat om de vertaling van de uitkomsten van dit WBO naar de plantoelichting en de planregels.

Elementen als borging van zorgwoningen in de planregels en een adequate en afdwingbare fasering vloeien uit dit volkshuisvestelijk aspect voort. Roobeek stelt in het bezwaarschrift dat strijd met het gemeentelijke (volkshuisvestings)beleid niet eerder is opgeworpen als belemmering voor het plan. Deze constatering in het bezwaarschrift klopt niet met de feiten. Eind juni 2017 diende Roobeek het 1e concept van het bestemmingsplan in bij het college, en verzocht het vooroverleg te starten. Op 11 juli 2017 vroeg Roobeek per e-mail naar de stand van zaken rond haar verzoek. Hierop volgde op 12 juli 2017 per e-mail een reactie van de gemeente aan Roobeek. In die e-mailreactie is de volgende zinsnede opgenomen:

6/8

“Vóórdat de gemeente een bestemmingsplan in vooroverleg brengt toetst zij intern bij de beleidsafdelingen (milieu, volkshuisvesting, verkeer, water etc.) of wat in het concept van het bestemmingsplan is opgenomen, past binnen de gemeentelijke en zo nodig regionale beleidskaders. De gemeente wil niet een "product" naar buiten brengen - in dit geval voor vooroverleg - waarin zaken zijn opgenomen, die zich niet verdragen met gemeentelijk beleid. Is dat het geval, dan vragen wij de initiatiefnemer om aanvulling en/of wijziging. Pas nadat de inhoud van een bestemmingsplan in de ogen van de gemeente deze beleidstoets kan doorstaan, sturen wij dit in vooroverleg”. Dat strijd met gemeentelijk beleid niet eerder als belemmering naar voren zou zijn gebracht berust dus op een feitelijke onjuistheid.  een kwelwaterberekening Deze ontbrak in het 5e concept van het bestemmingsplan van oktober 2018, en leidde dus tot een kanttekening van het college op 11 december 2018. Nadien voerde Roobeek alsnog een kwelwaterberekening uit, en voegde die als bijlage 11 toe aan het 6e concept van het bestemmingsplan. Er is hier geen sprake van een nieuwe eis, maar van een door onderzoek inmiddels ingevulde randvoorwaarde. Immers uit het toegevoegde onderzoek blijkt dat uitvoering van het plan geen of nauwelijks effect zal hebben op de waterveiligheid.

Het element waterveiligheid speelt geen rol in het raadsbesluit van 4 februari 2021. Conclusie: Waar Roobeek stelt dat het college/de gemeenteraad steeds met nieuwe eisen of belemmeringen komt, wordt die stelling niet door de feiten gedragen. 5. Een ontheffing voor een hogere geluidbelasting is niet mogelijk. De Wet geluidhinder laat een maximale geluidbelasting door industrielawaai op gevels van geluidgevoelige objecten toe, van 50 dB(A). Er is een algemene mogelijkheid om voor deze gevelbelasting een hogere in de plaats te stellen, echter tot maximaal 55 dB(A). Vervolgens biedt een 3-tal artikelen in de Wgh hier bovenop nog een mogelijkheid tot een hogere waarde boven 55 dB(A). In het 6e concept van het bestemmingsplan beroept Roobeek zich daarbij op artikel 65 Wgh. Dit artikel heeft betrekking op geluidvoorschriften, te stellen aan inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer. Zonneklaar is dat het WoZoCo niet onder de omschrijving van een dergelijke inrichting valt. Los daarvan is deze bepaling alleen toepasbaar indien de bestaande geluidbelasting in belangrijke mate wordt bepaald door inrichtingen als bedoeld in artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. Die bepaling heeft het oog op inrichtingen die vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer.

De geluidbelasting waar het bij het WoZoCo om gaat, komt voornamelijk voort uit een inrichting die vergunningplichtig is en zeker niet te rangschikken valt onder 8.40 Wet milieubeheer. Daar komt nog bij dat het om een tijdelijke ophoging van de toelaatbare geluidbelasting gaat met 2 dB(A), en dat er uitzicht moet zijn op het terugbrengen van de geluidbelasting op afzienbare termijn. Een dergelijk uitzicht bestaat er niet. Het beroep op positieve effecten door inwerkingtreding van de Omgevingswet, zoals Roobeek doet, deelt het college niet. Het invoeren van de Omgevingswet is in de tijd nog onzeker. Ook geschiedt deze invoering, blijkens de toelichting op het wetsontwerp, in principe beleidsneutraal. Het is zeker prematuur te stellen - zoals Roobeek doet - dat de geluidproductieplafonds die via een Omgevingsplan ingesteld moeten worden, tot gevolg zullen hebben dat de geluidbelasting vanwege de industrie bij Sluiskil, zal verminderen. Het "redelijkerwijs aannemen" van die gedachte wil het college nu niet ondersteunen.

7/8

Dat artikel 65 Wgh toepassing mist wanneer de geluidbelasting niet afkomstig is van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.40 Wet milieubeheer, sprak de Afdeling bestuursrechtspraak al uit op 10 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG6413). De conclusie op dit onderdeel is dat het raadsbesluit op goede gronden het "geluidsaspect", en dan vooral het niet afdwingbaar opnemen van een dove gevel bij gevels van het WoZoCo met een geluidbelasting > 55 dB(A), als motief aanvoert voor het niet instemmen met de aanvraag van Roobeek. 6. Het college dwong Roobeek nergens toe. De gemeente zou Roobeek haast gedwongen hebben tot het in de arm nemen van een stedenbouwkundig adviseur, valt te lezen op blz. 5 van het bezwaarschrift. Dit onderdeel is op geen enkele wijze een motief voor de raad bij het besluit van 4 februari 2021. De uitlating in het bezwaarschrift is ook feitelijk onjuist wat blijkt uit meerdere e-mailberichten die Roobeek aan de gemeente verstuurde, nadat eind 2016 de discussie over de invulling van de randvoorwaarden op niets uitliep.

Roobeek meldde vervolgens in een e-mailbericht van 5 januari 2017 aan het college: “Omdat ook je beide toezeggingen (toezenden concept anterieure overeenkomst en offertes stedenbouwdigen) nog niet werden nagekomen nam Roobeek inmiddels zelf actie richting stedenbouwkundige om de wijziging van het plan voor dat gebied op te stellen en daarin in ieder geval op te nemen de exploitatieopzet, de zorgcomponent en de daarbij behorende woningbehoefte. Vanzelfsprekend worden daarbij ook de overige randvoorwaarden van B&W ingevuld en voor zover nodig voorzien van onderliggende rapporten". Vervolgens komt in een e-mailbericht van 12 juli 2017 van Roobeek naar de gemeente de volgende passage voor: "dat de opdracht tot wijziging van het bestaande bestemmingsplan verstrekt is aan een door u geadviseerd bureau”. Conclusie: Van gemeentelijke dwang is nimmer sprake geweest. Deze passage in het bezwaarschrift wordt niet gedragen door de feiten.

Kanttekeningen 1. Tegen het raadsbesluit op bezwaar is beroep mogelijk Tegen het besluit tot ongegrond verklaren van het bezwaarschrift kan Roobeek beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wat mag het kosten? Aan het opstellen van dit voorstel zijn geen directe materiële kosten verbonden

Wat gaan we ervoor doen? Nadat de gemeenteraad een besluit neemt over het ingediende bezwaarschrift, zal het college dit besluit aan Moree Gelderblom kenbaar maken.

8/8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10256873/1