CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-06-22 bijlage 3 nieuwe wet inburgering Terneuzen

gemeenteraad 6 juli 2021, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Invoeren Wet inburgering6.109 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

De nieuwe Wet inburgering in de gemeente Terneuzen

Inhoud Inleiding

blz 2

1. Een nieuw inburgeringsstelsel

blz 3

2. Toelichting op de nieuwe wettelijke verplichtingen

blz 7

3. Uitgangspunten

blz 10

4. Beschikbare middelen

blz 13

5. Uitvoering

blz 15

6. Routekaart

blz 17

1

Inleiding Sinds 2020 bereiden de Zeeuwse gemeenten zich voor op de nieuwe Wet inburgering. Na een aantal keren uitstel treedt de wet nu op 1 januari 2022 in werking. Deze notitie start met een beschrijving van de belangrijkste elementen van de nieuwe wet. Ook de doelgroepen en financiering komen aan de orde. In het eerste hoofdstuk van deze notitie staat de Zeeuwse aanpak op hoofdlijnen beschreven. Hoofdstuk 2 is de kern van deze notitie met een omschrijving van onze opdracht en de gemeentelijke uitgangspunten. In hoofdstuk 3 beschrijven we hoe de wet past in het beleidskader sociaal domein. Daarna gaan we in de hoofdstukken 4 en 5 in op de beschikbare middelen en de uitvoering. De notitie eindigt met een routekaart tot 1 januari 2022 (ingangsdatum nieuwe wet). Zo ontstaat inzicht in de te ondernemen (proces)stappen en de aanvullende besluiten die zowel college als gemeenteraad nog moeten nemen.

2

1. Een nieuw inburgeringsstelsel Veel inburgeraars lopen tegen dezelfde problemen aan als andere kwetsbare burgers. De groep inburgeraars is een zeer kwetsbare groep waardoor knelpunten leiden tot problemen in het kwadraat. Zij kennen de taal niet en weten niet hoe de overheid in Nederland is georganiseerd. Daarnaast zijn er grote cultuurverschillen en ontbreekt het de inburgeraar aan een sociaal netwerk. Zij moeten bij aankomst in de gemeente veel regelen. Bij nieuwkomers met een vluchtelingenachtergrond komt daar nog bij dat zij vaak traumatische ervaringen hebben opgelopen en angstig en argwanend zijn ten opzichte van autoriteiten. Als het ergens in het proces mis gaat, gaat het vaak goed mis. Uit landelijke evaluatie van het huidige inburgeringsstelsel blijkt dat de scheiding tussen participatie en inburgering in het algemeen niet effectief en doelmatig is. Op dit moment is inburgeren de eigen verantwoordelijkheid van de statushouder. Deze moet zelf een inburgeringscursus zoeken en financieren. Dit met behulp van een lening bij DUO. Hierdoor is het voor gemeenten lastig om (in)zicht te krijgen in het verloop van de inburgering. Gemeenten kunnen de begeleiding naar werk en opleiding vaak moeilijk afstemmen op het inburgeringstraject. Ook kunnen ze de kwaliteit van het inburgeringsonderwijs niet waarborgen.

Zo doen inburgeraars er te lang over om in te burgeren en worden ze niet gestimuleerd om het hoogst mogelijke taalniveau te behalen. Vaak is de maatschappelijke begeleiding met aandacht voor alle hierboven genoemde facetten onderbelicht gebleven. Tijd dus voor een nieuwe aanpak! De minister constateerde een aantal knelpunten binnen het huidige stelsel: • het is niet altijd duidelijk waar de inburgeraar terecht kan met vragen of problemen. Er zijn veel partijen betrokken en regievoering en integrale oplossingen ontbreken; • inburgeraars hebben moeite om informatie te vinden en te begrijpen; • inburgeraars vinden het moeilijk om zelf cursussen in te kopen en ervaren dat de trajecten onvoldoende duaal zijn; • inburgeraars komen in de schulden doordat zij de inburgering niet tijdig halen en daardoor boetes krijgen en leningen moeten terugbetalen; • het bestaande systeem laat ruimte voor kwaadwillenden om bijvoorbeeld via het declaratiesysteem bij de taallessen te frauderen.

Een nieuwe wet In juli 2018 kondigde minister Koolmees aan dat hij het inburgeringsstelsel ging aanpassen. In het nieuwe stelsel krijgen gemeenten regie op de inburgering, waardoor de mogelijkheden voor het inrichten van een duaal traject van inburgeren én leren/werken worden vergroot. Uitgangspunt is dat iedereen op een zo hoog mogelijk niveau inburgert en op eigen niveau zo goed mogelijk participeert in de Nederlandse samenleving. Inmiddels stemde de tweede kamer in met het wetsvoorstel voor een nieuw inburgeringsstelsel. In dit nieuwe stelsel leren nieuwkomers zo snel mogelijk de Nederlandse taal en gaan ze aan het werk. Meedoen is immers de beste weg naar een succesvolle inburgering. Daarbij staan maatwerk en snelheid centraal.

Uitgangspunten De uitgangspunten en kenmerken van de nieuwe wet zijn: • •

de regie over de uitvoering komt terug bij gemeenten te liggen; de inburgeraar blijft zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de inburgeringsplicht;

3

• • • • • • •

•

• •

•

•

ontheffing van de inburgeringsplicht is niet langer mogelijk; gemeenten moeten de inburgeringstrajecten voor statushouders inkopen; gezins- en overige gezinsmigranten krijgen wel een advies over het inburgeringstraject, maar zijn zelf verantwoordelijk voor de inkoop; gemeenten zijn verantwoordelijk voor de maatschappelijke begeleiding en het financieel ontzorgen van statushouders. Gemeenten betalen vaste lasten door uit de bijstand; de taaleis (het te behalen niveau) gaat omhoog van A2 naar B1 (van niveau groep 6 basisschool naar niveau mbo 1, 2, 3); gemeenten doen een brede intake en stellen voor elke inburgeraar een plan “Inburgering en Participatie” (PIP) op; een inburgeringstraject bestaat uit één van de drie leerroutes: de B1-route (een basis niveau halen), de Onderwijsroute (waarna een inburgeraar kan doorstromen naar een vervolgopleiding) of de Zelfredzaamheidsroute (de Z-route voor de groep waarvoor het B1 niveau niet haalbaar is). een inburgeringstraject bestaat in ieder uit geval de verplichte onderdelen Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM), de Module Arbeidsmarkt & Participatie (MAP) en het Participatieverklaringstraject (PVT); tijdens het inburgeren wordt het leren van de taal zoveel mogelijk gecombineerd met participatie (dualiteit); gemeenten moeten voor alle inburgeraars de voortgang volgen en moeten waar nodig handhaven.

Hierbij zijn de eisen voor inburgering verhoogd: o.a. een hogere taaleis (B1) en er kunnen maatregelen/boetes worden opgelegd bij onvoldoende inzet; gemeenten ontvangen een specifieke uitkering van het Rijk, bedoeld voor de financiering van het PVT en de MAP (voor alle inburgeringsplichtigen) en voor de maatschappelijke begeleiding van het inburgeringsaanbod (alleen voor statushouders); het jaarlijks macrobudget verdeelt het Rijk op basis van een verdeelmodel, inclusief een prestatiebekostiging.

Regie bij gemeenten Gemeenten krijgen een belangrijke rol in het nieuwe stelsel. De verantwoordelijk voor een brede intake, de begeleiding van inburgeraars en het zorgen voor voldoende cursusaanbod komt onder regie van de gemeenten. Ook gaan gemeenten de statushouders die bijstand ontvangen ontzorgen. De gemeenten moeten voor deze groep de eerste zes maanden de huur, zorgverzekering en rekeningen voor gas, water en licht vanuit die bijstand betalen. Uit onderzoek van de Inspectie SZW blijkt dat asielstatushouders de eerste maanden vaak nog niet financieel zelfredzaam zijn. Daarom de extra begeleiding. Dit moet zorgen voor rust en stabiliteit bij het begin van de inburgering.

Ingangsdatum De ingangsdatum van de nieuwe Wet Inburgering is al een aantal keer verschoven. De planning is nu om de wet op 1 januari 2022 in te voeren. Van gemeenten verwacht de minister op dit moment wel al de statushouders zo te begeleiden als hij bedoelt in de nieuwe wet.

De (nieuwe) doelgroepen Inwoners uit de EU, de EER (EU + Liechtenstein, Noorwegen, IJsland) hebben geen inburgeringsplicht als zij in Nederland komen wonen. Migranten uit een ander land van herkomst hebben wel inburgeringsplicht. In tegenstelling tot de huidige situatie worden Turkse nieuwkomers door de nieuwe Wet inburgering ook inburgeringsplichtig. Voor Turkse burgers die nu al in Nederland zijn, geldt dit niet. In de nieuwe wet wordt er voor de uitvoering onderscheid gemaakt tussen twee groepen inburgeringsplichtigen:

4

•

•

Statushouders (ook wel vergunninghouders genoemd) zijn asielzoekers die als vluchteling worden erkend en een verblijfsvergunning krijgen. Nieuwe statushouders worden door het COA (Centraal orgaan Opvang Asielzoekers) gekoppeld aan een gemeente, die vervolgens een geschikte woonruimte moet aanbieden. Nagenoeg alle statushouders ontvangen in eerste instantie een Participatiewet-uitkering om in hun levensonderhoud te voorzien. Statushouders kunnen hereniging aanvragen voor hun gezinsleden. Als de gezinsleden in Nederland aankomen worden zij nareizigers genoemd. Ook zij zijn statushouders. Nareizigers die een Participatiewet-uitkering aanvragen zijn in het huidige inburgeringsstelsel bij de gemeente bekend. Nareizigers die geen beroep doen op de gemeente voor huisvesting én die geen Participatiewet-uitkering aanvragen zijn in het huidige stelsel niet bekend bij de gemeente. Na invoering van de nieuwe inburgeringswet krijgen ook alle nareizigers met inburgeringsplicht een brede intake, PIP en een inburgeringstraject. Gezins- en overige migranten (of huwelijksmigranten) zijn personen die naar Nederland komen om te trouwen met een in Nederland gevestigde partner. Als zij uit een land komen waarvoor inburgeringsplicht geldt, start de inburgering al buiten Nederland. Zij leggen in het land van herkomst het basisexamen inburgering buitenland af.

Eenmaal in Nederland moeten zej het inburgeringsexamen halen. Op dit moment zijn gezinsmigranten meestal niet bij de gemeente in beeld, omdat zij vaak deel uitmaken van een huishouden waar voldoende inkomen is en zij daarom geen Participatiewet-uitkering (kunnen) ontvangen. Naast de gezinsmigranten zijn er nog twee groepen met inburgeringsplicht. Dit zijn geestelijk bedienaren en personen met een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk humanitair verblijfsdoel. Deze twee groepen worden samengevat onder de noemer ‘overige migranten’. Momenteel zijn we als gemeente alleen betrokken bij inburgeraars met een uitkering vanuit de Participatiewet. Met de nieuwe inburgeringswet worden we als gemeente ook verantwoordelijk voor inburgeringsplichtigen zónder uitkering. Dit betekent dat er in het nieuwe inburgerings-stelsel meer mensen in beeld komen bij de gemeente.

Het aanbod Het aanbod dat gemeenten moeten doen, verschilt voor statushouders van gezins- en overige migranten. Dit verschil is er omdat voor gezinsmigranten geldt dat er al een gezinslid (referent) in Nederland woont die de weg in de maatschappij kan wijzen. Daarnaast is de inschatting dat hun weerbaarheid en zelfredzaamheid groter is omdat zij geen vluchtgeschiedenis hebben. Voor statushouders krijgt de gemeente meer wettelijke taken. Omdat een integrale aanpak de beste kansen biedt om een nieuw bestaan op te bouwen, gaat inburgering ook over huisvesting, inkomen (en schulden), maatschappelijke begeleiding, taalontwikkeling, (arbeids)participatie en gezondheid. Statushouders wonen eerst in het Asielzoekerscentrum (AZC). Tijdens de wachttijd tot de huisvesting in de gemeente biedt het COA voorinburgering aan. De bedoeling van minister Koolmees is dat in deze fase al de brede intake plaatsvindt. Gemeenten bieden de brede intake aan aan statushouders en aan gezins- en overige migranten. Dit geldt ook voor het PIP en de verplichte onderdelen van de inburgeringswet. Ook wordt aan beide groepen begeleiding geboden om de voortgang te volgen. Voor beiden kan er handhaving worden ingezet. Het verschil zit hem in het aanbod van de taaltrajecten. Gezins- en overige migranten krijgen advies over de aanbieders van taaltrajecten, maar zij moeten het traject zelf inkopen.

Voor statushouders wordt het taaltraject ingekocht door de gemeente. De meeste statushouders zijn voor hun inkomen in de eerste fase van huisvesting bovendien vaak afhankelijk van een uitkering in het kader van de participatiewet. Kortweg hebben gemeenten de volgende verplichtingen per doelgroep. Deze verplichtingen moet de gemeente ook handhaven.

5

Aanbod Brede intake en opstellen PIP Financieel ontzorgen Maatschappelijke begeleiding Leerroutes en KNM (kennis Nederlandse Maatschappij Participatieverklaringstraject Module Arbeidsmarkt en Particiaptie Participatie

statushouders X X X X X X X

Gezinsmigranten e.o X

X X

Gezamenlijke Zeeuwse voorbereiding De Zeeuwse gemeenten en Goeree Overflakkee trekken samen op voor de voorbereidingen op de nieuwe wet. Vanuit de centrumgemeente van de arbeidsmarktregio is er ondersteuning voor dit proces. Divosa financiert per arbeidsmarktregio de inzet van een coördinator. De intentie is daar waar mogelijk samen te werken en van elkaar leren. Alles is er op gericht op tijd klaar te zijn met de voorbereiding van de nieuwe wet. Het Zeeuwse kernteam (met daarin alle gemeenten) legde al voorstellen voor aan het VZG portefeuillehoudersoverleg. Het is de bedoeling dat deze voorstellen de basis vormen van de voorbereiding in alle gemeenten. De voorstellen van de VZG zijn verwerkt in deze notitie.

6

2. Toelichting op de nieuwe verplichtingen Het doel van de nieuwe wet is dat statushouders zo snel mogelijk mee kunnen doen in de Nederlandse samenleving. Daarvoor gaan de gemeenten de begeleiding op zich nemen. De bedoeling is uitgewerkt in een aantal nieuwe taken voor de gemeenten. In het vorige hoofdstuk zijn de nieuwe taken al kort genoemd. Hierna zijn de extra gemeentelijke taken verder uitgewerkt.

De brede intake De brede intake vormt samen met de leerbaarheidstoets de basis voor het inburgeringsplan dat een gemeente voor elke inburgeringsplichtige moet opstellen. De brede intake is een onderzoek naar de mogelijkheden die de inburgeringsplichtige heeft om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Mede aan de hand van de leerbaarheidstoets bepaalt de gemeente welke leerroute zij de inburgeringsplichtige aanbiedt: de reguliere inburgeringsroute (B1-route) (art. 7), de onderwijsroute (het taalschakeltraject, opgenomen in de Wet educatie en beroepsonderwijs) (art. 8), of de zelfredzaamheidsroute (de Z-route) (art. 9). Gemeenten kunnen grotendeels zelf bepalen hoe zij de brede intake vormgeven. Wel wordt in lagere regelgeving op hoofdlijnen vastgelegd welke onderdelen hierin aan bod dienen te komen. Verplicht onderdeel is in ieder geval een leerbaarheidstoets die landelijk wordt ontwikkeld. Op dit moment is nog niet duidelijk welke instantie deze leerbaarheidstoets gaat afnemen

Het Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) De brede intake moet voor iedere inburgeraar resulteren in een PIP. In dit plan wordt vastgelegd welke leerroute de inburgeringsplichtige dient te volgen en welke ondersteuning en begeleiding daarvoor nodig is. Voor statushouders wordt ook de intensiteit van de leerroutes vastgelegd. Voor personen met een bijstandsuitkering komt er bij het Persoonlijk Plan Inburgering ook de beschikking in het kader van de Participatiewet waarin de rechten of plichten op het gebied van participatie en de verplichting om mee te werken aan het financieel ontzorgen worden vastgelegd. Het Persoonlijk Plan Inburgering en de Participatiewet-beschikking samen heten dan het Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP).

Financieel ontzorgen In de nieuwe inburgeringswet is opgenomen dat de gemeenten waar het gaat om statushouders verantwoordelijk worden voor het financieel ontzorgen. Financieel ontzorgen houdt in dat de gemeente de vaste lasten (huur, energiekosten, verplichte verzekeringen) direct doorbetaalt uit de bijstand of uit een bufferkrediet. Dit moet worden gezien als een eerste stap naar zelfredzaamheid. Als de statushouder namelijk volledig in beslag wordt genomen door problematiek op financieel/administratief gebied, is het vaak niet meer mogelijk om stappen te zetten op de andere leefgebieden. Daarnaast is een periode van ontzorgen ook belangrijk in het voorkomen van schulden. In het nieuwe artikel 56a Participatiewet worden inburgeringsplichtigen met recht op bijstand die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben, verplicht ‘ontzorgd’ door het college. Deze verplichting geldt dus niet voor de gezinsmigranten en andere migranten. Vanaf de datum dat de asielstatushouder recht op bijstand heeft, betaalt het college zes maanden lang een aantal vaste lasten vanuit de bijstandsuitkering. Het gaat om huur, gas, water, stroom en de zorgverzekering. De inburgeringsplichtige asielstatushouder is verplicht hieraan mee te werken, wat ook betekent dat hij het college moet machtigen om namens hem betalingen te verrichten.

Maatschappelijke begeleiding Alleen ontzorgen is niet voldoende. Het doel is immers dat statushouders uiteindelijk zelf (financieel) zelfredzaam worden. Gemeenten moeten de inburgeringsplichtige asielstatushouders hierin begeleiden, om te voorkomen dat na de periode van het verplichte ontzorgen alsnog financiële problematiek ontstaat.

7

In artikel 13 van de nieuwe Wet inburgering 2021 staat dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het bieden van maatschappelijke begeleiding. Deze bestaat ten minste uit het bieden van praktische hulp bij het regelen van basisvoorzieningen en voorlichting over die voorzieningen in de Nederlandse samenleving. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om hulp bij het regelen van en voorlichting over voorzieningen zoals wonen, zorg, werk, inkomen, gezondheid, verzekeringen en onderwijs. Gemeenten hebben verder ten aanzien van de inhoud, uitvoering en tijdsduur van de begeleiding wel de ruimte om maatwerk te kunnen toepassen. De Wet inburgering schrijft voor dat gemeenten statushouders maatschappelijke begeleiding moet bieden, aanvangend op de dag dat de inburgeringsplichtige in de gemeente is ingeschreven. Overige migranten komen in het nieuwe stelsel niet in aanmerking voor de maatschappelijke begeleiding. Deze blijft voorbehouden aan statushouders, vanwege hun andere startpositie in Nederland.

Leerroutes en verplichte modules Gemeenten krijgen de wettelijke plicht te zorgen dat er aan de inburgeringsplichtige statushouder tijdig een inburgeringsaanbod wordt gedaan dat aansluit bij de leerroute en andere elementen die in het PIP zijn vastgelegd. De gemeente moet hiervoor verschillende leerroutes aanbieden: de Onderwijsroute, de B1-route en de Z-route (zelfredzaamheid). In alle leerroutes is in ieder geval een taaltraject en de module Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM) opgenomen. Aan gezinsen overige migranten hoeft de gemeente geen aanbod te doen. Wel dient de gemeente hen advies te geven over de geschikte aanbieders van trajecten in de regio, maar de gezins- en overige migranten betalen dit traject zelf. De routes en modules staan hieronder kort beschreven. • Onderwijsroute: het aanbieden van een taalschakeltraject gericht op de onderwijspotentie van de inburgeraar en het benutten ervan. Een duurzaam perspectief op de arbeidsmarkt staat centraal. Het taalschakeltraject is een voltijdstraject op relatief hoog leerniveau dat gemiddeld anderhalf jaar duurt. Het doel is dat inburgeraars worden voorbereid op- en voor hun 30e jaar instromen in het beroeps of wetenschappelijk onderwijs en zo recht hebben op studiefinanciering. Een diploma is behaald als alle examenonderdelen zijn behaald op B1 niveau en het examenonderdeel KNM is behaald.

Daarnaast zijn de module loopbaan oriëntatie en Pvt onderdeel van het traject. • B1 route: het doel van de route is dat de inburgeraar zelfstandig kan participeren in de Nederlands maatschappij. Traject is gericht op het behalen van taalniveau B1 (in de oude wet was dit A2) waarbij alleen na een aanzienlijke inspanning en via objectieve toets, het B1 examen niet haalbaar is, kan teruggevallen worden op 1 of meerdere onderdelen van het examen op A2 niveau. B1 niveau is toereikend om uit te stromen naar betaald werk (tijdens of na het traject) of een andere passende vorm van Participatie. De inburgeraar voldoet aan de inburgeringsplicht als de module Arbeidsmarkt en Participatie en Pvt zijn doorlopen, de examenmodule KNM is behaald en de examenonderdelen (lezen, luisteren, spreken en schrijven) op B1 zijn behaald of onder voorwaarden A2. • Z-route: is voor personen met een lage leerbaarheid. Er is objectief is vastgesteld dat hun leervermogen dermate beperkt is, dat de reguliere examenroute geen optie is. De Z route bestaat uit een inburgeringscursus met taalles en kennis van de Nederlandse maatschappij (KNM) voor minimaal 800 uur en Participatieactiviteiten voor minimaal 800 uur (inclusief MAP en Pvt). De inburgering is voltooid als in een eindgesprek met de gemeente is bepaald dat aan alle genoemde inspanningen is voldaan. • MAP: Module arbeidsmarkt en participatie.

De eindtermen voor deze module worden nader uitgewerkt in lagere regelgeving. • PVT: Participatieverklaringstraject: dit bestaat uit minimaal 12 contacturen en 1 excursie waarin een Nederlandse waarde centraal staat.

8

Participatie De nieuwe Wet inburgering schrijft voor dat statushouders op een zo hoog mogelijk niveau de Nederlandse taal leren, dat zij richting werk worden geactiveerd en dat zij volwaardig aan de Nederlandse samenleving deelnemen. De doelstellingen op deze verschillende onderdelen en het daaraan gekoppelde tijdspad worden vastgelegd in het persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP). Deze doelstellingen worden afgestemd op de persoon. Daarmee is het PIP altijd maatwerk, waarvan de uitvoering wordt bewaakt door de regisseur inburgering. Participatie en taalvaardigheid beïnvloeden elkaar. Participeren vergroot de taalvaardigheid en een goede taalvaardigheid maakt participeren makkelijker. Hetzelfde principe geldt ook voor de beide onderdelen van participatie. Een hoger taalniveau vergroot de kans op werk (betaald en onbetaald) en maakt het gemakkelijker om deel te nemen aan de Nederlandse samenleving. En aan de andere kant helpen werk en deelname aan de samenleving bij het verbeteren van de taalvaardigheid. Participatie heeft naast het verbeteren van de taalvaardigheid ook andere positieve effecten. Participeren is goed voor de gezondheid, helpt bij het voorkomen van eenzaamheid en maakt dat mensen zich nuttig en gewaardeerd voelen.

Mensen die meedoen in de maatschappij, breiden hun sociale netwerk uit en zullen beter en sneller integreren in de Nederlandse samenleving. Hierdoor vergroten zij hun zelfredzaamheid en maken zij minder gebruik van professionele hulp en middelen.

Overzicht van de nieuwe taken De nieuwe wet is anders dan het oude inburgeringsstelsel op de volgende punten: • •

• • • • •

de aantallen te begeleiden mensen nemen toe (ook Turken en gezins/overige migranten vallen nu onder de doelgroep); de taken worden intensiever: uitvoeren van brede intake (al op het moment dat inburgeraar nog bij het COA zit), opstellen van een PIP en uitvoeren van de PIP. We moeten de financiële ontzorging inregelen. We gaan mensen begeleiden het zelf te leren; er zijn meer vrijwilligers nodig voor uitgebreidere maatschappelijke begeleiding, de gemeente werft en begeleidt de vrijwilligers; we gaan inburgeringstrajecten inkopen voor alle drie de routes; we gaan de inburgeringstrajecten opvolgen; we gaan meer mensen eerder begeleiden naar participatie; we handhaven als er verwijtbaar geen voortgang is van een PIP.

Naast extra werkzaamheden door de komst van de nieuwe wet, verandert de taakstelling voor de aantallen te huisvesten statushouders regelmatig. In 2021 is er een verdubbeling van de taakstelling (76 personen) ten opzichte van 2020 (37 personen). Dit betekent dat er meer mensen gaan inburgeren waarvoor de nieuwe regels gaan gelden (afhankelijk van wanneer ze gehuisvest worden). Deze mensen moeten we ook huisvesten en er zijn extra aanvragen/instroom voor de Participatiewet.

9

3. Uitgangspunten Gemeentelijke uitgangspunten De bedoeling van onze inspanningen in het sociaal domein is dat alle inwoners van Terneuzen actief kunnen deelnemen aan de samenleving, gezond en zelfredzaam zijn. We streven ernaar dat inwoners in ieder geval: - toegankelijkheid van voorzieningen (van vervoer tot gebouwen en van voorliggende voorzieningen tot specifieke zorg), - vroegtijdig en integraal signaleren van mogelijke problemen op sociaal gebied, - gezond en veilig opgroeien en zich optimaal ontwikkelen, - we doen wat nodig is: passend maatwerk voor iedereen die dat nodig heeft, - meedoen: van betaald werk tot vrijwilligerswerk, van dagbesteding tot ontmoeting, - bestaanszekerheid: een inkomen hebben, - financiën op orde hebben en houden, - een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin inwoners (zo lang mogelijk) zelfstandig en veilig wonen, - een eigen huishouding voeren en voor zichzelf zorgen. Vooral bij mensen die vaak nieuw zijn in onze gemeente en in ons land is duidelijk dat een goede integratie verder gaat dan alleen het halen van een inburgeringscertificaat. Belangrijk is dat er een goede basis is voor onze inwoners. Bij inburgeraars of statushouders betekent dit dat we voldoen aan onze taakstelling voor het huisvesten van statushouders. Vroeg erbij We werken preventief en zijn er zo vroeg mogelijk bij als zich problemen voor doen.

Het voorkomen van ernstige, multiproblematiek betekent dat we effectief met de middelen om kunnen gaan. Kansengelijkheid Belangrijkste doel van de inspanningen van de gemeente Terneuzen op het sociaal domein is dat iedereen kan (en mag) meedoen in Terneuzen. We willen een samenleving waarin iedereen mee kan doen. Dit geldt voor alle inwoners, van alle leeftijden. Zo’n samenleving is in elk opzicht een inclusieve samenleving. En een samenleving waarin het veilig is om op te groeien en om je te ontwikkelen Autonomie en zelfbeschikking We gaan ervan uit dat mensen autonoom zijn en zelf beschikken over hun leven. Dit geldt ook voor mensen met een sociaal-maatschappelijke kwetsbaarheid. We erkennen, waarderen en respecteren ieders eigenheid. Doel van ondersteuning en dienstverlening = herstel regie en zelfredzaamheid Centraal in de dienstverlening aan en ondersteuning van inwoners staat het behoud en herstel van regie en zelfredzaamheid. We sluiten aan bij wat mensen kunnen en kunnen leren. Dit doen we door hun inzicht in hun situatie en hun eigen mogelijkheden te vergroten. We doen wat nodig is: passend maatwerk voor iedereen die dat nodig heeft Uitgaan van eigenheid en regie van inwoners betekent ook dat we aansluiten bij de oplossingen die inwoners zelf aandragen en waarvoor ze zelf in beweging komen.

We leveren indien nodig maatwerk en benutten daarvoor de ruimte binnen de regelgeving. En als het echt nodig is, kleuren we buiten de lijnen. Hoe pakken we het aan Om de ambities waar te kunnen maken, richten we ons in de uitvoering vooral op het realiseren:

10

-

-

-

-

Een goede basis: we zorgen voor goede basisvoorzieningen en een goede infrastructuur. Dit maakt dat mensen zich optimaal kunnen ontwikkelen, (al dan niet arbeidsmatig) participeren, zelfstandig en zelfredzaam kunnen zijn, voor elkaar kunnen zorgen en uitgenodigd worden om gezond te leven (bewegen, gezonde voeding, ontmoeting, ontspanning). We hebben het dan bijvoorbeeld over welzijnsvoorzieningen als buurt- en dorpshuizen, goed onderwijs, kinderopvang, over sport- en culturele voorzieningen, over preventieve jeugdgezondheidszorg en een goede ondersteuning van mantelzorgers. Het gaat dan ook over beweegvriendelijke en veilige inrichting van de openbare ruimte. Deze voorzieningen moeten voor iedereen toegankelijk zijn, dus ongeacht beperking. En belangrijk is dat deze voorzieningen daadwerkelijk waarde toevoegen en werken vanuit dezelfde uitgangspunten. Hoe beter we de basis op orde hebben, des te beter mensen voor zichzelf en elkaar kunnen zorgen en des te minder mensen gebruik hoeven te maken van professionele ondersteuning. Vroeg erbij: we zorgen ervoor dat als er problemen ontstaan we zo snel mogelijk ondersteuning inzetten. Vroegtijdige aanpak voorkomt dat problemen groter en complex worden. Dit vraagt om goed vormgeven van vroegtijdige signalering.

Passende ondersteuning: we zorgen voor ondersteunings- en hulpaanbod dat past bij wat mensen hier nodig hebben, dat aansluit bij onze basisvoorzieningen, effectief, dichtbij en betaalbaar. Stimuleren en ondersteunen van burgerinitiatieven en zelfregie: we geven burgers de ruimte om voor zichzelf en elkaar te zorgen. Dit doen we door initiatieven van burgers te ondersteunen. Vrijwilligers, inwoners, buurten, sociale cohesie zijn belangrijk om een stad een prettige plek om te wonen te maken.

Voorwaarden voor succes Om ervoor te zorgen dat inwoners zo snel en goed mogelijk ondersteund worden nu en in de toekomst, is van belang: - Integrale benadering van vragen, optimale dienstverlening Effectieve ondersteuning vraagt om een integrale benadering van de vraag. We kijken met inwoners integraal naar behoeften en mogelijkheden. Integraal wil zeggen dat we bij een aanvraag of melding naar de gehele leefsituatie kijken van de betreffende inwoner en naar die van zijn of haar gezin. Daarbij zorgen we ervoor dat een inwoner met een vraag één centrale contactpersoon heeft. (1 gezin, 1 plan, 1 casusregisseur.) - Samenwerking We kunnen het als gemeente niet alleen bepalen en doen. Om te zorgen dat we de juiste dingen doen en op de goede manier gaan we de dienstverlening inrichten samen met inwoners en relevante partijen. We gaan uit van lerende netwerken en flexibele vormen. We houden vast aan het principe van gezamenlijke verantwoordelijkheid, zoals bij de inkoop van de Wmo vanuit bestuurlijk aanbesteden en passen dit waar mogelijk toe. - Kostenbeheersing en risicomanagement, een toekomstbestendig en dus betaalbare inrichting van het sociaal domein We kunnen ons geld maar een keer uitgeven. Om het aan de juiste zaken uit te geven is het nodig dat we onderzoek blijven doen naar de effectiviteit en rechtmatigheid van de geleverde ondersteuning.

We zetten in op kwaliteitsbewaking en we onderzoeken de aanpak van complexe ondersteuningsvragen en dure zorg. We zetten in op efficiënte ondersteuning waarbij we ook ‘buiten de lijnen’ kleuren indien dit zorgt voor het substantieel terugdringen van maatschappelijke kosten. We houden de risico’s in beeld. - Maximale participatie inwoners, ondersteunen burgerinitiatieven We ondersteunen statushouders om zelf wegwijs te geraken in Terneuzen. Een grote groep vrijwilligers is hierbij actief.

11

De uitgangspunten en het (beleids)kader voor de uitvoering van de Wet inburgering sluiten aan bij het beleidskader sociaal domein en de Zeeuwse uitgangspunten. Deze uitgangspunten dragen bij aan het sneller en duurzamer bereiken van het doel van de wet. Eerdere decentralisaties leerden dat goede resultaten (het bereiken van de bedoeling van de wetgever, we willen uiteindelijk allemaal hetzelfde) staan of vallen door de mate waarin we als gemeente in staat zijn preventief te werken en maatwerk te leveren. Door in een vroeg stadium (bij aankomst van een statushouder in onze gemeente) aandacht te hebben voor de problematiek en van daaruit te werken aan de vaardigheden levert snelle participatie en voorkomt multiproblematiek op termijn. Onderstaande ambities die Zeeuws zijn afgestemd zijn gestoeld op dezelfde uitgangspunten en passen daarom ook binnen onze doelen op het sociaal domein in de gemeente Terneuzen. • •

•

• • •

• •

• •

• • • • •

•

Maatwerk: de persoon staat centraal en niet de regels. Ga uit van een plan passend bij de persoonlijke omstandigheden en capaciteiten van de inburgeraar. Een gemeentelijke regisseur inburgering (klantmanager) per inburgeraar die voldoende aandacht heeft voor het cultuur sensitieve aspect. Deze regisseur draagt zorg voor de brede intake en het opstellen van een PIP. Ook bewaakt deze functionaris de uitvoering er van en de voortgang van de gekozen leerroute. Het uitgangspunt is een maximale caseload van 30-36 inburgeraars (statushouder) per fte omdat deze doelgroep veel begeleiding nodig heeft. Onderzoek welke onderdelen van de maatschappelijke begeleiding de regisseur inburgering in eigen beheer (met behulp van vrijwilligers) uitvoert en welke aanvullende expertise ingekocht moet worden. Integraal: bij de inburgering worden alle leefgebieden meegenomen en de samenhang ertussen wordt bewaakt. Investeer in inburgering met als doel snelle integratie, duurzaam werk en voorkomen van schulden. Kies voor een begeleidingsperiode van 4 jaar per inburgeraar waarin de regisseur inburgering verantwoordelijk blijft (en doorzettingsmacht heeft) voor alle (gemeentelijke) trajecten en voorzieningen. Voldoende aandacht voor de positie van de vrouw en de kinderen. Breng met de inburgeraar de basis op orde.

De eerste periode ligt de nadruk op het wennen in de nieuwe omgeving (landen), (financieel) ontzorgen en een intensief taaltraject. De eerste 6 maanden van het inburgeringstraject worden statushouders met een uitkering vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Aandacht voor informatieverstrekking. Breng zo eenvoudig en duidelijk mogelijk over wat van de inburgeraar wordt verwacht en wat de inburgeraar van de gemeente mag verwachten. Het Zeeuwse advies met betrekking tot de rechten en plichten van statushouders is het uitgangspunt bij het opstellen van de Verordening en beleidsregels. De modules MAP en het PVT zijn integraal onderdeel van de leerroute. De leerroutes zijn duaal waarbij de component (vrijwilligers)werk na verloop van tijd toeneemt. De B1 route en de Z route kopen we gezamenlijk in met de gemeenten Hulst en Sluis. De regisseur Inburgering beschikt over een HBO werk- en denkniveau en goede communicatieve vaardigheden. Verder is deze persoon creatief en werkt oplossingsgericht. Betrokken medewerkers volgen een training cultuursensitiviteit en een basistraining taalcoach.

12

4. Beschikbare middelen Geld voor inburgering kwam tot nu toe binnen via de algemene uitkering in het gemeentefonds. Verder is er extra geld beschikbaar gesteld via de Decentralisatie Uitkeringen (DU). In de meicirculaire 2019 stond dat de gemeente per inburgeringsplichtig persoon een bedrag ontvangt via het gemeentefonds voor maatschappelijke begeleiding van € 2.370. Het COA betaalde ook een vergoeding voor hervestigers (gezinshereniging) van € 500 per persoon. Verder was met het oog op de wetswijziging ook bedrag voor 2019 en 2020 beschikbaar gesteld via het Gemeentefonds voor verhoging van het taalniveau van statushouders. De bijdrage in het kader van de Decentralisatie Uitkeringen en het Gemeentefonds zijn in principe niet geoormerkt. De minister heeft met dit geld wel de bedoeling dat de gemeenten dit gebruiken voor huisvesting, maatschappelijke begeleiding en verhoging van het taalniveau van statushouders. De uitgaven voor uitvoering vinden plaats in de jaren 2022 tot en met 2025. We voegen dit bedrag in 2021 toe aan de reserve budgetoverhevelingen.

In februari 2019 hebben de Zeeuwse gemeenten gezamenlijk een subsidieaanvraag ingediend in het kader van de Subsidieregeling Asiel, Migratie- en Integratiefonds (AMIF) en Fonds voor Interne Veiligheid (ISF) 2014–2020 (‘Nieuwe Zeeuwen’) ten behoeve van meer financiële armslag voor Zeeuwse gemeenten in de begeleiding en arbeidstoeleiding van statushouders. De subsidieregeling geeft specifiek aan welke kosten subsidiabel zijn. Daarmee zijn deze gelden dus wel geoormerkt. De extra gelden uit de DU en de subsidie van het AMIF zijn voor werkzaamheden die we nu al grotendeels uitvoeren. De gemeente draagt daarvoor ook de kosten. Helaas konden door corona deze activiteiten deels niet doorgaan. Voor het behalen van het inburgeringsexamen bepaalt een inburgeringsplichtige nu zelf welk type onderwijs het beste bij hem of haar past. Als een inburgeringsplichtige onvoldoende inkomsten heeft, kan bij DUO een lening worden verkregen van maximaal € 10.000 voor de cursus en het examen. Mensen die op tijd het examen halen, hoeven deze lening niet terug te betalen. Anderen moeten de lening wel terugbetalen. Voor uitvoering van de nieuwe Wet inburgering ontvangen gemeenten via het gemeentefonds incidentele uitvoeringskosten voor de inrichting van beleid en processen, inrichten van communicatie en het opleiden en werven van medewerkers.

Daarnaast worden via het gemeentefonds ook (structurele) uitvoeringskosten beschikbaar gesteld voor het organiseren van de brede intake, opstellen PIP, houden van voortgangsgesprekken, handhaving, ontzorgen, financieel coachen, inkoop en beleid. Gemiddeld wordt uitgegaan van € 4.200 per statushouder en € 2.700 per gezinsmigrant. De bedragen die onze gemeente kreeg voor de in- en uitvoeringskosten voor 2020, 2021 (voorbereiding op de nieuwe wet) en 2022 zijn respectievelijk € 47.000, € 30.000 en € 67.000. Vanaf 2023 is er structureel € 74.000 extra beschikbaar. Daarnaast wordt een specifieke uitkering verstrekt (SPUK) om leerroutes in te kopen en de MAP, PVT en maatschappelijke begeleiding vorm te geven. Vanuit dit bedrag moeten ook tolkkosten worden betaald. De voorlopige budgetten worden 3 maanden voor het uitvoeringsjaar bekend gemaakt. Er wordt uitgegaan van gemiddeld € 13.100 per statushouder en € 600 per gezinsmigrant. Dit bedrag is opgebouwd uit € 10.000 voor een leerroute (3 jaar), € 250 per PVT en € 2.250 voor maatschappelijke begeleiding van een persoon. Tot en met 2024 is er een vast bedrag per inburgeraar en met ingang van 2025 deels (10%) prestatiebekostiging. De compensatie voor gemeenten in de kosten voor ICT voorzieningen en de zogenaamde “lage regelgeving” worden nog uitgewerkt.

De SPUK is tot nu toe niet toegekend, de exacte hoogt van het bedrag is daardoor op dit moment nog niet bekend.

13

We verwachten dat voor het uitvoeren van de extra taken door het Rijk voldoende middelen beschikbaar zijn gesteld. We onttrekken in 2022-2025 de hieronder genoemde bedragen aan de reserve budgetoverhevelingen voor de extra uitvoeringstaken die voortvloeien uit de nieuwe Wet inburgering: In 2022: € 64.000, 2023: € 47.000, 2024: € 47.000 en in 2025: € 47.000.

14

5. Uitvoering Met de nieuwe Wet inburgering krijgen gemeenten de regie over de uitvoering hetgeen betekent dat we er extra taken bij krijgen. Behalve het bewaken van de integraliteit en samenwerking moeten we nieuwe processen uitvoeren: 1. Brede toegang en PIP’s (nieuw) 2. Voortgang en handhaving (nieuw) 3. Aanbieden leerroutes (nieuw) 4. Ontzorgen (deels nieuw) 5. Participatieverklaringen (intensiever) 6. Module arbeidsmarkt en participatie (intensiever) 7. Maatschappelijke begeleiding (bestaand) 8. Beleids- en sturingsprocessen (intensiever) 9. Ondersteunende processen, waaronder inkoop onderwijsroutes (intensiever) De huidige wet- en regelgeving kent een breed spectrum aan wet- en regelgeving binnen het sociaal domein die van toepassing is. De meest relevante wet- en regelgevingen zijn: 1. Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2. Participatiewet 3. Wet Inburgering 4. Huisvestingswet Andere wetten die van toepassing kunnen zijn op statushouders (maar er niet specifiek op gericht) zijn: 5. Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 6. Wet maatschappelijke ondersteuning 7. Jeugdwet 8. Leerplichtwet Om een eerlijke verdeling van vergunninghouders over alle gemeenten te realiseren, hebben gemeenten een taakstelling opgelegd gekregen die is vastgelegd in de Huisvestingswet 2014 (punt 4).

De taakstelling is de wettelijke verplichting van gemeenten om het aantal vergunninghouders dat elk halfjaar aan hen is toegewezen te huisvesten. De berekening van de taakstelling is gebaseerd op een verdeelsleutel naar inwonertal van de gemeenten in Nederland. Conform de Huisvestingswet 2014 wordt de landelijke taakstelling voor aanvang van het betreffende kalender halfjaar in de Staatscourant bekend gemaakt. Artikel 28 van de Huisvestingswet stelt dat Burgemeester en wethouders zorg moeten dragen voor de voorziening in de huisvesting van vergunninghouders in de gemeente overeenkomstig de voor de gemeente geldende taakstelling. In de artikelen 29 en 30 wordt verder invulling gegeven aan deze taakstelling. We huisvesten de statushouders en nagenoeg alle statushouders maken in eerste instantie gebruik van een Participatiewet-uitkering om in hun levensonderhoud te voorzien en zijn zo in beeld van de gemeente. Vrijwilligers van de gemeente draaien in overleg met de eigen medewerkers een juridisch en financieel spreekuur en pakken de maatschappelijke begeleiding op direct na aankomst van de gezinnen in Terneuzen. De gemeente adviseert de statushouders bij aankomst over het aanbod van inburgeringscursussen. Statushouders die nog een verder scholingstraject kunnen volgen, gaan vooral naar Scalda, ouderen volgen hun inburgering voornamelijk bij PIBLW.

Met deze instituten zijn afspraken gemaakt waardoor de gemeente de voortgang van het PVT van de SH’s in beeld heeft. Hierdoor kan snel

15

geschakeld worden als uitstroom of re-integratie mogelijk is. Door deze bestaande werkwijze betekent de invoering van de nieuwe wet dat er geen nieuwe organisatie van de taken nodig is. Er komen wel meer mensen, extra taken en verantwoordelijkheden op het bordje van de medewerkers die zich bezig houden met inburgering. Hiervoor is extra inzet nodig. Deze inzet past binnen de extra financiële middelen die we als gemeente ontvangen en beschreven in hoofdstuk 4. De inkoop van de leerroutes betalen we uit de daarvoor bestemde SPUK. Hoe dit er exact uit komt te zien werken we de komende maanden uit.

16

6. Routekaart De nieuwe Wet inburgering gaat 1 januari 2022 in. Tot die tijd moet er nog een aantal zaken worden geregeld. In onderstaande tabel geven wij op hoofdlijnen een overzicht van de te ondernemen acties, de periode dat dit moet worden opgeleverd en hoe besluitvorming plaatsvindt. Onderwerp Beleidsuitgangspunten en kaderbrief Uitwerken lagere regelgeving in Verordening Opstellen beleidsregels op basis van Verordening Vaststellen implementatieplan (Organisatie, Processen en ICT) Inkoop leerroutes Start uitvoering nieuwe wet

Datum Juli 2021 November 2021 Eind 2021 Eind 2021

Besluitvorming door Raad Raad College MO/DO - college

Mei 2021 – december 2021 Januari 2022

College

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10266745/1