2021-04-22 C2 - het niet in rekening brengen van leges Westkade Sas van Gent - bijlage (legal audit) (AVG)
Tekst van het document
XX, zaterdag 10 oktober 2020
LEGAL AUDIT: Niet opleggen legesaanslag Samenvatting en conclusie Bevoegdheid Bij gemeenten treedt de heffingsambtenaar treedt in bevoegdheden en de verplichtingen van de inspecteur, de invorderingsambtenaar treedt in bevoegdheden en de verplichtingen van de ontvanger. De raad treedt in de rol van de Tweede Kamer en het college treedt in de rol van de Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur. Voor zover het bevoegdheden in het kader van de Algemene wet rijksbelastingen. De conclusie kan dan ook zijn dat de bevoegde ambten of bestuursorganen in het kader van de heffing en de invordering van de gemeentelijke belastingen de heffingsambtenaar en invorderingsambtenaar zijn. Conform de wettelijke regeling ligt bij hen de bevoegdheid tot het heffen en invorderen van de gemeentelijke belastingen. De rollen van raad en college zijn in de sfeer van de heffing en invordering echter zeer gering. De minister of staatsecretaris treedt niet in de bevoegdheid van de inspecteur ten aanzien van de aanslagoplegging van een individueel dossier1. Het betreft hier geattribueerde bevoegdheden die niet overgedragen kunnen worden aan college of raad, hoogstens kunnen deze bevoegdheden gemandateerd aan ondergeschikten van de heffings- of invorderings-ambtenaar.
Verordening De Legesverordening vormt het gemeentelijk wettelijk kader zoals dat door de raad van de gemeente Terneuzen vastgesteld op 7 november 2019. De verordening is bekendgemaakt in het gemeenteblad op 13 december 2019. De legesverordening is vastgesteld door de raad, het daartoe bevoegde orgaan. De datum van ingang is 1 januari 2020. De verordening is ruimschoots gepubliceerd voor deze in werking trad en ruimschoots gepubliceerd voor het belastbaar feit zich voordeed. Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Als belastingplichtige wordt aangemerkt de aanvrager van de dienst. Het gehanteerde legesbegrip is conform de gemeentewet. Er blijken slechts zeer specifieke vrijstellingen aanwezig te zijn. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Waarbij voor de berekening van de leges een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid wordt aangemerkt. De maatstaven en tarieven zijn conform het vigerende recht. Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend.
Er kan pas van kwijtschelding sprake zijn als de legesaanslag is opgelegd en verzonden, de betaaltermijn is verstreken, de aanmaning en het dwangbevel zijn verzonden en de invordering van de aanslag door financieel technische factoren niet slaagt. Echter voor de leges wordt kwijtschelding geheel uitgesloten. Het betreft hier immers een dienst aan de aanvrager. En men is niet verplicht tot het aanvragen van een dienst. Voormelde legesverordening voldoet aan alle formele en materiele vereisten, zij is rechtsgeldig en niets staat aanslagoplegging op basis van deze verordening derhalve in de weg.
1 In 1985 kwam staatssecretaris XX (financiën) in het nieuws doordat hij zich op verzoek van XX persoonlijk met
diens belastingaangifte zou hebben bemoeid. De Tweede Kamer sprak hier zijn afkeuring over uit. Sindsdien heet een dergelijk verzoek van een belastingplichtige om interventie van de staatssecretaris in zijn aanslag bij de belastingdienst een “Wibootje’
1
Raadsbesluit Hieronder wordt het raadsbesluit weer gegeven en wordt er commentaar opgegeven. Ten aanzien van de motivering van het raadsbesluit richten wij ons louter op juridisch relevante aspecten. Het commentaar wordt cursief weergegeven in de tekst. Besluitpunt De raad besluit ermee in te stemmen om voor de reconstructie van de Westkade in Sas van Gent aan Rosier Nederland BV geen leges in rekening te brengen. 1: De raad is niet bevoegd om in de bevoegdheden van de heffingsambtenaar te treden. Het is de bevoegdheid van de heffingsambtenaar als zelfstandig bestuursorgaan om wel of niet een aanslag op te leggen. Het is de heffingsambtenaar als eigenstandig bestuursorgaan die moet bezien of er sprake is van een belastbaar feit in het licht van de legesverordening. De heffingsambtenaar dient ook te bezien of er sprake is van een mogelijke vrijstelling. Nu de aanslag niet is opgelegd door de heffingsambtenaar omdat deze waarschijnlijk zijn bevoegdheid niet wil gebruiken waar voor hij niet is gegeven: ”het de facto geven van een vrijstelling op basis van subjectieve, dus niet objectieve, gronden aan een belastingplichtige”. Omdat de legesverordening onverkort uitgevoerd dient te worden aan de hand van de voorliggende feiten en omstandigheden, kan de heffingsambtenaar niet anders doen dan deze aanslag opleggen.
Ondanks dat de heffingsambtenaar hiërarchisch ondergeschikt is aan het college kan hij op grond van zijn eigenstandige bevoegdheid als bestuursorgaan in de hoedanigheid van heffingsambtenaar ook niet toe gedrongen worden. De heffingsambtenaar heeft bij zijn taakvervulling het wettelijk kader in acht genomen en zich bovenal een persoon getoond die, ondanks alle druk van uit de ambtelijke hiërarchie die op hem is uitgeoefend, zijn werkzaamheden met de hoogste integriteit heeft uitgevoerd. De heffingsambtenaar verdient hier voor alle lof van uw raad en dient als een exempel gezien te worden. 2: Het is niet aan de raad om in een individueel geval te beslissen of er wel of niet een aanslag moet orden opgelegd. De raad heeft op het gebied van belastingen louter een verordenende bevoegdheid, het stellen van regels: algemeen verbindende voorschriften. De raad heeft een kaderstellende rol en heeft dus geen (bestuurs-)bevoegdheid om in een individueel dossier op te treden. Hoe vaak hebben raadsleden niet van het college moeten aanhoren dat deze zich niet met individuele zaken moesten bezig houden omdat zoiets uitvoering was en de raad slechts een kaderstellende rol heeft en geen bestuursbevoegdheid. Het raadsbesluit is dan ook van rechtswege nietig. Het is immers genomen door een niet daar toe bevoegd orgaan.
3: Ook het college heeft in de bovenstaande casuspositie geen rechtsgeldige bevoegdheid om in te grijpen in de individuele aanslag oplegging. Het college lijkt zich hier ook terdege van bewust. Het is om die reden dat zij aan de raad een besluit voorlegt om op de voorgestelde wijze te beslissen. Het college behoort te weten dat het voorgestelde raadsbesluit niet conform wet- en regelgeving is. In feite zet het college hiermee de raad op het verkeerde been en laat zij de raad, wetende, dat het besluit in strijd is met wet- en regelgeving, dit onwettige besluit nemen. Hieronder komen wij nader terug op de handelswijze van het college.
Wat is de aanleiding? (….) In de zomer van 2019 bereikten partijen een principeakkoord. Dit leidde ertoe dat de gemeenteraad eind september een bijdrage van € 850.000 euro beschikbaar stelde voor de reconstructie van de Westkade. Daarna is door partijen doorgesproken over de juridische vertaling van voornoemd principeakkoord in een vaststellingsovereenkomst(…). De vaststellingsovereenkomst werd uiteindelijk op 24 januari 2020 afgesloten, waarna vervolgstappen konden worden gezet. Begin februari zijn de benodigde vergunningaanvragen door Rosier ingediend. Er is dus sprake van een aanvraag voor een (omgevings-)vergunning door Rosier. Er sprake van een belastbaar feit in het kader van de Legesverordening. Onder de naam ‘leges’ worden namelijk rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Het in behandeling nemen van een aanvraag om een
2
omgevingsvergunning voor een project is op grond van de Legesverordening (Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning) is de door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte dienst. Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst. De belastingplichtige is het toepasselijke legesbedrag verschuldigd. De omgevingsvergunning is op 6 april jl. door DCMR verleend. Omdat Rosier een BRZO-bedrijf is, was niet de gemeente, maar de provincie Zeeland bevoegd gezag. Enige weken later, op vrijdag 24 april jl., volgde ook de Waterwetvergunning, die werd verleend door Rijkswaterstaat. (…). In het onderhandelingsproces om te komen tot een door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst heeft ook de gemeente Terneuzen toegevingen moeten doen. Daarover gaat dit voorstel aan de gemeenteraad. De burgemeester heeft de fractievoorzitters van de politieke partijen hierover op een eerder moment tijdens een vergadering van het Presidium reeds geïnformeerd. Wat deze toezeggingen inhielden die het college heeft gedaan wordt pas duidelijk in de volgende passage:
Wat willen we bereiken? (…)Hiervoor was het nodig een vaststellingsovereenkomst te sluiten tussen de drie partijen. Om de totstandkoming van deze overeenkomst te realiseren, heeft het college ermee ingestemd om een bedrag aan leges tot een maximum van 100.000 euro gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval niet in rekening te brengen aan Rosier. Het college, als partij, bij de vaststellingsovereenkomst, in die overeenkomst een passage laten opnemen waarmee zij to zegt om een bedrag aan leges tot een maximum van € 100.000 euro niet in rekening te brengen. Het college is, als bevoegd orgaan, hiermee een contractuele verplichting aangegaan over de aanslagoplegging van een legesbedrag, zij heeft hiermee haar bevoegdheid grovelijk overschreden. Niet alleen heeft zij geen bevoegdheid in het kader van de individuele aanslagoplegging. Ook had zij behoren te weten dat er over de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid niet op deze wijze gecontracteerd kan worden. Daartegenover liet Rosier haar mogelijke claim op nadeelcompensatie vallen. Het college achtte dit een verdedigbaar onderhandelingsresultaat. Het onderhandelingsresultaat kan dan wel bevredigend zijn vanuit de optiek van het college, dit doet echter niets af aan de onrechtmatigheid van de gevolgde weg.
Het geval wil echter dat het niet in rekening brengen van leges geen bevoegdheid is van het college, maar van de gemeenteraad. Daarom verzoeken wij uw raad ermee in stemmen dat we aan Rosier geen leges in rekening brengen. In plaats van zelf de verantwoordelijkheid te nemen voor haar onrechtmatig handelen in de contactuele fase door te stellen dat het college geen bevoegdheid ter zake het niet in rekening brengen van leges, maar dat de raad daar wel toe bevoegd is. Opgemerkt moet worden dat het college zich wel bevoegd achtte om zich contractueel vast te leggen om een bepaald bedrag niet in rekening te brengen. Hier stelt zij dat zij echter hiertoe onbevoegd is. Onverkort stel het college dat de raad hier toe bevoegd is, hiermee zet zij de raad op het verkeerde been. De raad is immers onbevoegd om te treden in een individueel dossier zoals hierboven uiteengezet. Het (niet) in rekening brengen van leges is geen bevoegdheid van de raad.
Argumenten 1.1 Door het niet in rekening brengen van de leges is het gelukt te komen tot een ondertekende vaststellingsovereenkomst. De onderhandelingen verliepen stroef, het lukte niet om tot overeenstemming te komen. Door de geste van de gemeente om geen leges in rekening te brengen werd overeenstemming bereikt. Dit argument snijdt geen hout om tot een rechtvaardiging te komen van onwettige en onrechtmatig handelen van de gemeente, het overtreden van wetten welke door de wetgever: de regering en de Staten-Generaal zijn vastgesteld. Waarbij de onrechtmatigheid haar oorzaak vindt in een bevoegdheidsoverschrijding van het college.
3
1.2. Door het niet in rekening brengen van de leges voorkwamen we een potentiele nadeelcompensatieclaim door Rosier. Met deze overeenkomst hebben we een potentieel groter financieel risico voor de gemeente Terneuzen afgewend. Door de advocaat van Rosier is in het proces gesproken over een mogelijke claim van € 400.000. Ook dit argument kan geen rechtsgeldige legitimatie zijn van de onwettige en onrechtmatig handelen van de gemeente, het overtreden van wetten welke door de wetgever: de regering en de Staten-Generaal zijn vastgesteld. 1.3 Alleen omdat Rosier bouwheer is voor de reconstructie van de Westkade ontvangen wij leges. De gezamenlijke keuze van partijen om Rosier bouwheer te laten zijn was vooral een praktische (regie in 1 hand, efficiënt bouwproces, etc.) Als de gemeente bouwheer zou zijn geweest, hadden we ook geen leges ontvangen. Ook dit argument, met name het argument van de efficiency, kan geen rechtsgeldige legitimatie zijn van de onwettige en onrechtmatig handelen van de gemeente, het overtreden van wetten welke door de wetgever: de regering en de Staten-Generaal zijn vastgesteld. 1.4 Overeenstemming over de reconstructie van de Westkade dient een groot maatschappelijk belang. Het zo snel mogelijk weer open krijgen van de Westkade was en is in het belang van de inwoners en ondernemers van Sas van Gent en van de gehele gemeente Terneuzen.
Ook dit argument, het grote maatschappelijke belang, kan geen rechtsgeldige legitimatie zijn van de onwettige en onrechtmatig handelen van de gemeente, het overtreden van wetten welke door de wetgever: de regering en de StatenGeneraal zijn vastgesteld.
Kanttekeningen 1.1. Het niet in rekening brengen van leges leidt wellicht tot precedentwerking Uitgangspunt is en blijft dat leges geheven worden conform de vastgestelde legesverordening. In dit bijzondere geval - en dat is ook zo vastgelegd in de overeenkomst - is daar vanaf gezien. Andere legesplichtigen kunnen daar geen rechten aan ontlenen. Door voor een individueel geval de leges op onrechtmatige wijze niet in rekening te brengen is het zeer waarschijnlijk dat de verordening onverbindend kan worden verklaard indien een lege plichtige zich op dit precedent beroept. De mening van het college dat andere legesplichtigen geen rechten hier aan kunnen ontlenen is dan ook niet juist.
Wat mag het kosten? Als gevolg van dit besluit ontvangt de gemeente geen inkomsten uit leges. Ook dit oordeel is niet juist. Nu er geen rechtmatige gronden zijn om het legesbedrag niet op te leggen zal het verschuldigde bedraag onder de inkomsten uit de leges dienen te worden omgeboekt. Nu geen betaling van de belasting zal komen zal de niet-betaling van het bedrag op andere wijze dienen te worden verwerkt. Deze verwerking zal voor de raad verduidelijken uit welk begrotingsartikel deze persoonlijke begunstiging zal worden gefinancierd.
Bestuurlijke integriteit? 4: Op grond van artikel 170 meer specifiek het tweede lid, bevordert de burgemeester de bestuurlijke integriteit van de gemeente. Daarnaast dient op grond van artikel 273 Gemeentewet de burgemeester indien een besluit naar zijn oordeel voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, door tussenkomst van gedeputeerde staten, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast. Hiermee is aan de in artikel 10:34 Awb vervatte grondslag van een wettelijke vernietigingsbevoegdheid voldaan. Op grond van artikel 10:35Awb kan vernietiging alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Het is overduidelijk dat er hier sprake is van strijd met het recht.
4
Behoorlijk taakuitoefening van de burgemeester als hoogste rijksambtenaar bij een gemeente vereist dat de burgemeester dit besluit had moeten voordragen voor vernietiging bij de Kroon.
5: Bovendien is hier sprake van grove integriteitschendingen met name door de burgemeester en het college. Met name zijn deze schendingen van de burgemeester als hoeder van de bestuurlijke integriteit bij de gemeente op geen enkele wijze te tolereren. Een functionaris die op deze wijze omspringt als wettelijke hoeder met de bestuurlijke integriteit omspringt ontbeert elk gezag om aan de bestuurlijke integriteit vorm te geven.
Onderbouwing: Formeel wettelijk kader I (verordenden bevoegdheid) Verordende bevoegdheid: De raad besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening2. Inhoud verordening: Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is3. Behoudens het bepaalde in andere wetten dan de gemeentewet en in de tweede en derde paragraaf van hoofdstuk XV van de gemeentewet kunnen de gemeentelijke belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen4. Belastingbegrip: Behalve de gemeentelijke belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten dan deze geschiedt, worden geen andere belastingen geheven dan die bedoeld in de tweede en derde paragraaf van hoofdstuk XV van de gemeentewet5. Leges: Rechten kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten 6 .
Leges worden aangemerkt als een vorm van gemeentelijke dienstverlening en zijn dus rechten in de zin van de gemeentewet en dus gemeentelijke belastingen. De rechten worden aangemerkt als gemeentelijke belastingen7. Delegatie van bevoegdheid: De raad kan aan het college bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet8. De raad kan in ieder geval niet overdragen de bevoegdheid tot de heffing van andere belastingen dan de belastingen, parkeerbelasting, de precariobelasting, de rioolheffing, de rechten, genoemd in artikel 229, de rechten waarvan de heffing geschiedt krachtens andere wetten dan deze wet en de afvalstoffenheffing. De verordenende bevoegdheid in zake de leges kan derhalve gedelegeerd worden door de raad aan het college. Formeel wettelijk kader II (heffings- en invorderingsbevoegdheid) Toepasselijke regelgeving: Op grond van 230 en 231 Gemeentewet (Gem) geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990 (Inv) en de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) als waren die belastingen rijksbelastingen.
De heffing van de gemeentelijke belastingen, dus ook de rechten en dus ook de leges geschieden 2 Artikel 216 Gemeentewet 3 Artikel 217 Gemeentewet 4 Artikel 219, twee lid Gemeentewet 5 Artikel 219, eerste lid Gemeentewet 6 Artikel 229, eerste lid, onderdeel b Gemeentewet 7 Artikel 229, derde lid Gemeentewet 8 Artikel 115, eerste lid Gemeentewet
5
op basis van AWR. De invordering geschiedt op basis van de Invorderingswet 1990, op de daarbij in rekening te brengen kosten is de kostenwet van toepassing. Het heffings- en invorderingstraject van de gemeentelijke belastingen verloopt conform de wetgeving voor de rijksbelastingen. De AWR kent specifieke ambten waar bevoegdheden aan toegekend worden. Nu de AWR zich richt op de rijksbelastingen zullen deze ambten vertaald moeten worden naar de gemeentelijke belasting. Dit geschiedt middels de zogenaamde vertaalbepaling van artikel 231, lid 2 Gem: gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen: a. Onze Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur: het college; b. de inspecteur: de heffingsambtenaar; c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de heffingsambtenaar; d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de gemeenteambtenaren belast met de heffing of de invordering; e. de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen gemeenteambtenaar; f. de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Tweede Kamer: de raad.
De heffingsambtenaar treedt in bevoegdheden en de verplichtingen van de inspecteur, de invorderingsambtenaar treedt in bevoegdheden en de verplichtingen van de inspecteur. De raad treedt in de rol van de Tweede Kamer en het college treedt in de rol van de Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur. De conclusie van dan ook zijn dat de bevoegde ambten of bestuursorganen in het kader van de heffing en de invordering van de gemeentelijke belastingen de heffingsambtenaar en invorderingsambtenaar zijn. Conform de wettelijke regeling ligt bij hen de bevoegdheid tot het heffen en invorderen van de gemeentelijke belastingen. De rollen van raad en college zijn in de sfeer van de heffing en invordering echter zeer gering. De minister of staatsecretaris treedt niet in de bevoegdheid van de inspecteur ten aanzien van de aanslagoplegging van een individueel dossier9. Het betreft hier geattribueerde bevoegdheden die niet overgedragen kunnen worden aan college of raad, hoogstens kunnen deze bevoegdheden gemandateerd aan ondergeschikten van de heffings- of invorderingsambtenaar.
Formeel wettelijk kader III (de legesverordening) Artikel 2 Belastbaar feit 1. Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor: a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten; b.(…); Artikel 3 Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst, (…)
9 In 1985 kwam staatssecretaris XX (financiën) in het nieuws doordat hij zich op verzoek van XX persoonlijk met
diens belastingaangifte zou hebben bemoeid. De Tweede Kamer sprak hier zijn afkeuring over uit. Sindsdien heet een dergelijk verzoek van een belastingplichtige om interventie van de staatssecretaris in zijn aanslag bij de belastingdienst een “Wibootje’
6
Artikel 4 Vrijstellingen Leges worden niet geheven voor: a. diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald; b. diensten die ingevolge wettelijk voorschrift zijn vrijgesteld van rechtenheffing of kosteloos moeten worden verleend; c. het in behandeling nemen van een verzoek van rechthebbende tot het verstrekken van een afschrift van jaaropgave en uitkeringsspecificatie in het kader van de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven 1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2.
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet. 3. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 Vermindering of teruggaaf Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst wordt verleend overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in die tarieventabel opgenomen bepaling.
Uit de tarieventabel: Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning 2.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd. 2.2.1 Bouwactiviteiten 2.2.1.1 Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:
7
2.2.1.1.1 indien de bouwkosten minder dan € 150.000 bedragen: 2,25% van de bouwkosten, met een minimum van € 111,00 2.2.1.1.2 indien de bouwkosten € 150.000 tot € 500.000 bedragen: € 3.375,00, vermeerderd met 1,79% van het bedrag waarmee die bouwkosten € 150.000 te boven gaan Hierboven het gemeentelijk wettelijk kader, voor zo ver relevant, zoals dat door de raad van de gemeente Terneuzen is vastgesteld op 7 november 2019 door de Raad van Terneuzen. De verordening is bekend gemaakt in het gemeenteblad op 13 december 2019. De legesverordening is vastgesteld door de raad, het daartoe bevoegde orgaan. De datum van ingang is 1 januari 2020. De verordening is ruimschoots gepubliceerd voor deze in werking trad en ruimschoots gepubliceerd voor het belast baar feit zich voordeed. Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Als belastingplichtige wordt aangemerkt de aanvrager van de dienst. Het gehanteerde legesbegrip is conform de gemeentewet. Er blijken slechts zeer specifieke vrijstellingen aanwezig te zijn. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Waarbij voor de berekening van de leges een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid wordt aangemerkt.
De maatstaven en tarieven zijn conform het vigerende recht. Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend. Er kan pas van kwijtschelding sprake zijn als de legesaanslag is opgelegd en verzonden, de betaaltermijn is verstreken, de aanmaning en het dwangbevel zijn verzonden en de invordering van de aanslag door financieel technische factoren niet slaagt. Echter voor de leges wordt kwijtschelding geheel uitgesloten. Het betreft hier immers een dienst aan de aanvrager. En men is niet verplicht tot het aanvragen van een dienst. Voormelde legesverordening voldoet aan alle formele en materiele vereisten, zij is rechtsgeldig en niets staat aanslagoplegging op basis van deze verordening derhalve in de weg.
Bijlage formeel wettelijk kader (alle hieronder aangeduide wetsartikelen zijn afkomstig uit de gemeentewet, tenzij anders aangegeven)
8
Gemeentewet 1. De raad kan aan het college en aan een door hem ingestelde bestuurscommissie bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen. verzet Artikel 156 2. De raad kan in ieder geval niet overdragen de bevoegdheid tot: a. de instelling van een rekenkamer, bedoeld in artikel 81a, of het bij verordening stellen van regels voor de uitoefening van de rekenkamerfunctie, bedoeld in artikel 81oa; b. de instelling van een onderzoek, bedoeld in artikel 155a, eerste lid; c. de vaststelling of wijziging van de begroting, bedoeld in artikel 189; d. de vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 198; e. het stellen van straf op overtreding van de gemeentelijke verordeningen; f. de vaststelling van de verordeningen, bedoeld in de artikelen 212, eerste lid, 213, eerste lid, en 213a, eerste lid; g. de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in artikel 213, tweede lid; h. de heffing van andere belastingen dan de belastingen, genoemd in artikel 225, de precariobelasting, de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a, de rechten, genoemd in artikel 229, de rechten waarvan de heffing geschiedt krachtens andere wetten dan deze wet en de heffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 3.
De bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen, door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven, kan de raad slechts overdragen voor zover het betreft de vaststelling van nadere regels met betrekking tot bepaalde door hem in zijn verordeningen aangewezen onderwerpen. 4. De artikelen 139, tweede lid, 140 en 141 zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit dat wordt genomen op grond van het eerste lid. Artikel 216 De raad besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening. Artikel 217 Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is. Artikel 219 1.Behalve de gemeentelijke belastingen waarvan de heffing krachtens andere wetten dan deze geschiedt, worden geen andere belastingen geheven dan die bedoeld in de tweede en derde paragraaf van dit hoofdstuk.
2.Behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze en in de tweede en derde paragraaf van dit hoofdstuk kunnen de gemeentelijke belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Artikel 229 1. Rechten kunnen worden geheven ter zake van: a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn; b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;
9
c. het geven van vermakelijkheden waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur getroffen wordt. 2. Geen rechten kunnen worden geheven ter zake van het gebruik van voorzieningen en het genot van diensten waarvan de kosten kunnen worden bestreden door het heffen van een belasting als bedoeld in artikel 228a, zulks met uitzondering van het aanbrengen van een aansluiting op een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in artikel 10.31 van de Wet milieubeheer of op een systeem als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van die wet.
3. Voor de toepassing van deze paragraaf en de eerste en vierde paragraaf van dit hoofdstuk worden de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als gemeentelijke. belastingen
10
Gemeentewet Artikel 230 In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. Algemene wet: Algemene wet inzake rijksbelastingen; b. heffing op andere wijze: heffing op andere wijze dan bij wege van aanslag of bij wege van voldoening op aangifte. Artikel 231 1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen. 2. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen: a. Onze Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur: het college; b. de inspecteur: de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen; c. de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen; d. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de gemeenteambtenaren belast met de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen; e.
de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen gemeenteambtenaar; f. de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Tweede Kamer: de raad. 3. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen in de Algemene wet en in de Invorderingswet 1990 voor «algemene maatregel van bestuur» en voor «ministeriële regeling» gelezen: besluit van het college. 4. Met betrekking tot gemeentelijke belastingen wordt in artikel 24 van de Invorderingswet 1990 voor «de Staat» gelezen: de gemeente. 5. Indien een Commissiebesluit als bedoeld in artikel 1 van de Wet terugvordering staatssteun verplicht tot terugvordering van staatssteun en die staatssteun voortvloeit uit een gemeentelijke belasting als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt deze staatssteun op dezelfde wijze teruggevorderd als staatssteun die voortvloeit uit de toepassing van een belastingwet als bedoeld in artikel 20a van de Algemene wet. Artikel 255 1. De in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bedoelde kwijtschelding wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen verleend door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde gemeenteambtenaar. 2. Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. 3.
De raad kan bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend. 4. Met inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te stellen regels kan de raad met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan en de wijze waarop het vermogen in aanmerking worden genomen afwijkende regels stellen die er toe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend. 5. Het college kan de belasting geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren. Het daartoe strekkende besluit ontheft de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen van de verplichting verdere pogingen tot invordering te . doen
11
AWR Artikel 63 Onze Minister is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen. Gemeentewet Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging Artikel 268 1. Een besluit dan wel een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg van het gemeentebestuur kan bij koninklijk besluit worden vernietigd. 2. Ten aanzien van de vernietiging van een niet-schriftelijke beslissing gericht op enig rechtsgevolg zijn de artikelen 273 tot en met 281a alsmede de afdelingen 10.2.2 en 10.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Artikel 273 1. Indien een besluit naar het oordeel van de burgemeester voor vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, door tussenkomst van gedeputeerde staten, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast. 2. Gedeputeerde staten zenden de stukken, vergezeld van hun advies, binnen een week na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester toe aan Onze Minister wie het aangaat. 3.
Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor schorsing of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen vier weken na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester is geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd. AWB
12
Afdeling 10.2.2. Vernietiging Artikel 10:33: Deze afdeling is van toepassing indien een bestuursorgaan bevoegd is buiten administratief beroep een besluit van een ander bestuursorgaan te vernietigen. Artikel 10:34: De vernietigingsbevoegdheid kan slechts worden verleend bij de wet. Artikel 10:35: Vernietiging kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Artikel 10:36: Een besluit kan alleen dan gedeeltelijk worden vernietigd, indien gedeeltelijke instandhouding strookt met aard en inhoud van het besluit. Artikel 10:37: Een besluit waarover de rechter uitspraak heeft gedaan of waarbij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de rechter wordt uitgevoerd, kan niet worden vernietigd op rechtsgronden welke in strijd zijn met die waarop de uitspraak steunt of mede steunt. Artikel 10:38 1. Een besluit dat nog goedkeuring behoeft, kan niet worden vernietigd. 2. Een besluit waartegen bezwaar of beroep openstaat of aanhangig is, kan niet worden vernietigd. Artikel 10:39 1. Een besluit tot het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling kan niet worden vernietigd, indien dertien weken zijn verstreken nadat het is bekendgemaakt. 2. Indien binnen de termijn genoemd in het eerste lid overeenkomstig artikel 10:43 schorsing heeft plaatsgevonden, blijft vernietiging binnen de duur van de schorsing mogelijk. 3.
Indien een besluit als bedoeld in het eerste lid aan goedkeuring is onderworpen, vangt de in het eerste lid genoemde termijn aan nadat het goedkeuringsbesluit is bekendgemaakt. Op het goedkeuringsbesluit zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing. 4. Dit artikel is niet van toepassing indien vernietiging geschiedt wegens strijd met de bij of krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of het Verdrag betreffende de Europese Unie op Nederland rustende verplichtingen. Artikel 10:40: Een besluit dat overeenkomstig artikel 10:43 is geschorst, kan, nadat de schorsing is geëindigd, niet meer worden vernietigd. Artikel 10:41 1. Vernietiging vindt niet plaats dan nadat aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, gelegenheid tot overleg is geboden. 2. De motivering van het vernietigingsbesluit verwijst naar hetgeen in het overleg aan de orde is gekomen. Artikel 10:42 1. Vernietiging van een besluit strekt zich uit tot alle rechtsgevolgen waarop het was gericht. 2. In het vernietigingsbesluit kan worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of ten dele in stand blijven. 3.
Indien een besluit tot het aangaan van een overeenkomst wordt vernietigd, wordt de overeenkomst, zo zij reeds is aangegaan en voor zover bij het vernietigingsbesluit niet anders is bepaald, niet of niet verder uitgevoerd, onverminderd het recht van de wederpartij op schadevergoeding.
13