2021-04-07 f. 2020sectorale-routekaart-maatschappelijk-vastgoed-def VNG
Tekst van het document
Doelstelling is dat alle betrokkenen eenzelfde beeld hebben van de opgave, dezelfde taal spreken en dat alle relevante informatie die van invloed is op deze opgave in beeld is. Voorbeelden van vragen die hierbij moeten worden beantwoord zijn: Wat is er in het coalitieakkoord afgesproken over verduurzaming? Is er een beeld over toekomstige rol van de gemeente en het maatschappelijk vastgoed dat daarvoor nodig is? Zijn er ontwikkelingen in beleid of regelgeving en/of maatschappelijke en demografische ontwikkelingen die relevant zijn voor een visie op de duurzaamheidsopgave? Hoe zit het met de bouwkundige kwaliteit en energieprestaties van het maatschappelijk vastgoed: is dat voldoende in beeld? En hoe zit het met de Transitievisie Warmte en de daarop gebaseerde wijkgerichte aanpak? Belangrijk is om aan de hand van dit gemeenschappelijke beeld te bepalen op welke wijze sturing wordt gegeven aan het realiseren van deze opgave. Gelet op de sector overstijgende en integrale aanpak is het goed denkbaar dat hierbij wordt gekozen programmasturing. 2 Inventariseren van de vastgoedportefeuille en de maatschappelijke ontwikkelingen Een duidelijk en actueel beeld van het maatschappelijk vastgoed in gemeentelijk bezit is een van de startpunten van het opstellen van de gemeentelijke routekaart.
Dit gaat niet alleen om de objecten, maar ook om de functie die deze objecten hebben in de uitvoering van gemeentelijke taken. Het is wenselijk om daarnaast ook de maatschappelijke en demografische ontwikkelingen en ontwikkelingen in regelgeving en beleid te betrekken (Voorzieningen- of Accommodatiebeleid). Zo ontstaat een beeld van de huidige en toekomstige functies van gebouwen of het combineren van meerdere functies in een gebouw. Daarnaast is het van belang om een relatie te leggen met doelen die verband houden met deze opgave, waaronder klimaatadaptatie en circulariteit. De objecten kunnen uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) worden gehaald of het eigen vastgoedmanagementsysteem. Als dit niet recent is geüpdatet is het belangrijk om een check uit te voeren op de actualiteit en volledigheid van deze informatie en zo nodig aan te passen. Naast de objectgegevens moeten de gegevens over energiegebruik worden verzameld. Meestal kan de gemeente als eigenaar deze informatie uit energiefacturen halen, verzamelen uit een energiemanagementsysteem of bij de netbeheerder opvragen, maar dit geldt niet in alle situaties. Binnen het energiegebruik moet een splitsing worden aangebracht in gebouw gebonden gebruik en gebruik gebonden gebruik. De doelstelling in het Klimaatakkoord betreft namelijk het gebouw gebonden gebruik.
Deel van de inventarisatie betreft verder het bepalen van de energieprestatie van het maatschappelijk vastgoed per gebouw. Het op orde brengen van de energielabels is nuttig bij de inventarisatie van de portefeuille en het in beeld brengen van de energieprestaties van het gemeentelijk maatschappelijk vastgoed. Ook kan dit worden gedaan aan de hand van een benchmark van het energiegebruik (aardgas of warmte en elektriciteit) per vierkante meter. Voor zover dit nog niet is gebeurd kan voor het verkrijgen van een goed inzicht in de energetische eigenschappen van (een selectie van) de gebouwen en de potentie voor verduurzamen per gebouw een energieonderzoek worden uitgevoerd (bijvoorbeeld een energielabelmaatwerkrapportage). Aan de hand van de rapportage met de energieprestaties, Vereniging van Nederlandse Gemeenten
23
eigenschappen, reserveringen in het MJOP en de energieconcepten met hun investering kunnen daarna afwegingen worden gemaakt.
wet- en regelgeving primaire taken gemeente maatschappelijke en demografische ontwikkelingen
beleidsontwikkeling en -keuzes
kernportefeuille maatschappelijk vastgoed inventarisatie vastgoedportefeuille
portefeuilleroutekaart/ uitvoeringsprogramma
wet- en regelgeving utiliteitsbouw
Afbeelding 5. Schematische weergave processtappen naar kernportefeuille maatschappelijk vastgoed Praktische tips en aandachtspunten • Informatie uit de Basisadministratie Adressen en Gebouwen van de eigen gemeente (BAG) kritisch tegen het licht houden. • Op www.waarstaatjegemeente.nl is onder het thema Energietransitie per gemeente een overzicht opgenomen van het maatschappelijk vastgoed in de gemeente. De gegevens zijn gebaseerd op een inventarisatie van Republiq (november 2019). • De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft relevantie informatie op: https://www.rvo.nl/ onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/maatschappelijk-vastgoed. • Het is nuttig lid te worden van het forum https://energieslag.rvo.nl/groups. Hier is actuele informatie van de RVO te vinden over de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed. • Daarnaast biedt platform Bouwstenen voor Sociaal http://www.bouwstenen.nl waardevolle informatie over de ontwikkeling van het vastgoedbeheer en praktische handvatten voor verduurzaming.
3 Bepalen van de percentage vernieuwing, verduurzaming en aardgasvrij De Sectorale Routekaart beschrijft de landelijke doelstellingen ten aanzien van CO2-reductie en het aardgasvrij maken van de bestaande utiliteitsbouw. Veel gemeenten hebben daarentegen zelf nog ambitieuzere doelen ten aanzien energie- of klimaatneutraliteit of bijvoorbeeld circulariteit. Vaak is daarbij de termijn om de gewenste doelstelling te halen korter. Allereerst is daarom belangrijk om als gemeente vast te stellen welke doelstelling(en) voor het verduurzamen van het maatschappelijk vastgoed als kader worden gesteld.
Afbeelding 6. Leeftijdscategorieën vastgoedportefeuille en aanpak op hoofdlijnen
24
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Op basis van de doelstellingen kan, naar analogie van de sectorale routekaart, worden bepaald: • Vernieuwing: het aantal gebouwen dat tussen nu en 2050 aan het einde van de technische en/ of economische levensduur is en door nieuwbouw wordt vervangen. In de Sectorale Routekaart is de vernieuwingsgraad berekend op 1,33%. In een individuele gemeente kan dit anders zijn. Wanneer men uit wil gaan van bijvoorbeeld de economische levensduur (40 jaar) zou dit een aanzienlijke versnelling betekenen. Vanuit circulariteit kan ook gekozen worden voor een lagere vernieuwingsgraad om materiaal te besparen. • Verduurzaming: het aantal gebouwen dat voor 2050 nog niet aan vervanging toe is, maar waarvoor specifieke verduurzamingsmaatregelen worden genomen. Dit vraagt een slimme selectie van gebouwen die qua natuurlijke momenten (bijvoorbeeld voor de installaties of functionele verandering) en kosteneffectiviteit lonen om te verduurzamen. Dit laatste wordt afgezet tegen de gebouwen die de grootste onrendabele investering zouden vragen en wellicht alleen in aanmerking komen om aardgasvrij te maken. Daarnaast kan specifiek gekozen worden voor gebouwen met een (te) hoog energiegebruik. • Aardgasvrij maken: na de selectie van gebouwen die vervangen of verduurzaamd worden resteert een aantal gebouwen om alleen aardgasvrij te maken.
Het gaat om een categorie waarvoor geen aanvullende verduurzaming nodig, omdat de 95% CO2-reductie door vervanging en verduurzaming al wordt bereikt. Moeilijk te verduurzamen gebouwen zoals monumenten zouden in deze categorie een plek kunnen krijgen. De energiebesparingsplicht in het kader van de Wet Milieubeheer (in combinatie met de erkende maatregelen) gelden uiteraard wel voor deze gebouwen. Het resultaat van deze analyse is een overzicht van nieuwbouwprojecten die de komende 30 jaar op de agenda staan en projecten waar een gerichte verduurzaming moet worden uitgewerkt. Hier hoort vervolgens een zorgvuldige afweging bij welke gebouwen als eerste worden aangepakt, binnen de vierjarige termijn van de eerste gemeentelijke routekaart. Praktische tips en aandachtspunten • De periode dat gemeentelijke gebouwen worden gebruikt is in de praktijk vaak langer dan de economische levensduur. Dit betekent dat het gebouw feitelijk is afgeschreven en hierdoor in theorie nieuwe investeringsruimte ontstaat, die soms gebruikt wordt voor onderhoud of functionele verbeteringen. De afweging hoe deze investeringsruimte wordt gebruikt vraagt een bredere blik dan het vervangen; het kan ook een prikkel zijn om kritisch naar het gebruik van meerdere gebouwen in samenhang te kijken.
• Natuurlijke momenten binnen de exploitatietermijn van een gebouw zijn af te leiden uit bijvoorbeeld het Meerjarenonderhoudsplan (MJOP). Door te zoeken naar momenten waarbij bijvoorbeeld het dak wordt gerenoveerd of de klimaatinstallaties worden vernieuwd, kunnen de investeringen in duurzame maatregelen worden beperkt • Voor monumenten zijn natuurlijke momenten beperkt. Zo wordt de gebouwschil (zoals gevels) nooit vervangen, maar kan deze wel gerestaureerd worden. De mogelijkheden voor isoleren zijn vaak ook beperkt. Het verdient aanbeveling om voor monumenten specifieke onderzoeken te laten uitvoeren en een passende methode voor natuurlijke momenten te vinden. • De ‘slimme selectie’ van gebouwen die als eerste worden aangepakt vraagt een zorgvuldig proces. De effecten van de keuze op de portefeuillestrategie, financiële middelen en het voorzieningenbeleid moeten daarbij goed worden afgewogen. • De wijkgerichte aanpak is waarschijnlijk van grote invloed op de volgorde waarin maatschappelijk wordt verduurzaamd. Het aardgasvrij maken is een nieuw ‘natuurlijk moment’ om andere verduurzamingsmaatregelen te treffen.
4 Doorrekenen van de financiële opgave op basis van kengetallen Door gebruik te maken van de kengetallen van deze Sectorale Routekaart kan snel en op hoofdlijnen bepaald worden wat de financiële effecten zijn van de verduurzamingsopgave. Bij een doorrekening over een periode van 30 jaar is het niet heel zinvol om dit in detail per gebouw te doen. Wel kan uit deze doorrekening worden afgeleid wat er gemiddeld aan extra middelen benodigd is om de opgave te realiseren. Dit kan een richtsnoer zijn voor vertaling van het lange termijn beeld naar een uitvoeringsstrategie voor de eerste fase.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
25
Kengetallen In de bijlagen staan kengetallen die gebruikt zijn voor de financiële doorrekening van de Sectorale Routekaart. Hierin zijn investeringen per vierkante meter bruto vloeroppervlakte gegeven voor: • Maatregelenpakket aardgasvrij • Maatregelenpakket verduurzaming (inclusief aardgasvrij), specifiek voor: • Isolatie • Installatie • Opwekking Deze kengetallen zijn voor 41 archetypen maatschappelijk vastgoed opgesteld en daarmee op hoofdlijnen te gebruiken voor de gebouwen waar de eigen gemeentelijke vastgoedportefeuille uit bestaat. Zie voor een toelichting bijlage 1. De Gemeentelijke Maatsschappelijk Vastgoed Routekaart heeft tot doel in beeld te brengen hoe een gemeente op de lange termijn de CO2-reductie en aardgasvrij doelstellingen gaat realiseren. Qua uitvoering heeft de portefeuilleroutekaart echter een termijn van vier jaar voor ogen. Op basis van de ‘slimme selectie’ van gebouwen kan een werkvoorraad voor circa zes jaar worden bepaald, die in de gemeentelijke routekaart als uitvoeringsplan wordt opgenomen. Voor deze gebouwen dient een gedetailleerde technische en financiële analyse te worden gemaakt, om in te schatten wat de investeringskosten zijn. Praktische tips en aandachtspunten • In de kengetallen zijn geen uitvoeringskosten van de gemeente zelf (apparaatskosten) opgenomen.
Omdat uitvoering geven aan de Portefeuilleroutekaart waarschijnlijk een versnelling betekent, zal er extra capaciteit gevraagd worden van de afdeling die de projecten ter hand neemt. Maak hier een realistische inschatting van; • Op basis van de grove inschatting van de totale kosten over 30 jaar kunnen de gemiddeld jaarlijkse aanvullende middelen worden afgeleid. Dit biedt een leidraad om op korte termijn extra middelen voor verduurzaming concreter in beeld te brengen; • Stel de gedetailleerde investeringsvraag uit totdat helder is welke gebouwen binnen de termijn vier jaar van de gemeentelijke routekaart worden aangepakt. Voor deze gebouwen zal een gedetailleerde kostenraming (bijvoorbeeld op basis van een maatwerkadvies) en projectaanpak te worden gemaakt.
5 Uitvoeringsstrategie voor de eerste fase van vier jaar De gemeentelijke routekaart bevat een strategie voor de totale verduurzamingsopgave over een periode van 30 jaar. Daarnaast is het een plan voor vier jaar dat gericht is op is een duidelijk plan gericht op de uitvoering van verduurzamingsprojecten en de uitvoering van planmatig onderhoud. Het is belangrijk dat de gemeentelijke routekaart heldere kaders bevat voor: • Financiën: de beschikbare middelen om de werkzaamheden uit te voeren, mogelijke dekkingsbronnen (eventueel subsidies), financiering en aspecten gericht op de exploitatie (bijvoorbeeld omgaan met de split incentive bij energiebesparing en de benadering op basis van het begrip TCO, total cost of ownership); • Techniek: de inhoudelijke werkzaamheden met daarbij technische uitdagingen zoals functionele beperkingen (gebouwaanpassingen, asbest etc.), energetische beperkingen (bereik van doelstellingen, beschikbare technieken); • Beleidsmatig: de consequenties van het vastgoedbeleid (portefeuillestrategie), voorzieningenbeleid en uiteraard de wijkgerichte aanpak; • Organisatorisch: de werkwijze waarop de ambtelijke organisatie de werkzaamheden coördineert, financieel en kwalitatief beheerst en rapporteert over de voortgang. De wijze van samenwerking met gebruikers (participatie) en marktpartijen (inkoop) is hierbij van groot belang.
26
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Praktische tips en aandachtspunten • Sluit aan bij een aantal lopende investeringsvragen in gebouwen, waarvoor al eerste planvorming is doorlopen. Deze projecten kunnen sneller tot uitvoering worden gebracht • Maak een goed onderbouwde inschatting van de aanvullende capaciteit en competenties die nodig is om de versnelling te realiseren. Dit kan aan de hand van een planning van de werkvoorraad voor 4 tot 6 jaar. • Ontwikkel een strategie voor het betrekken van marktpartijen bij de uitvoering van de verduurzaming. Het vroegtijdig concretiseren hiervan in een te formuleren aanbestedingsstrategie kan zinvol zijn.
6 Uitvoering en het inrichten van de uitvoeringsorganisatie Uitvoering geven aan de gemeentelijke routekaart betekent een versnelling van de verduurzaming. Het aantal en soort projecten zal daarmee stijgen en hoge eisen stellen aan de uitvoeringsorganisatie, zoals een afdeling of team Vastgoed. Het vraagt onder andere meer beleidsmatige sturing omdat diverse vormen van Rijks- en gemeentelijk beleid van invloed zullen zijn op de uitvoering. Het vraagt ook programmatische sturing om de grote hoeveelheid projecten in onderlinge samenhang te brengen en houden. Beide zal naast extra capaciteit ook nieuwe vaardigheden van de uitvoeringsorganisatie verlangen. Daartoe moeten gemeenten aangeven welke middelen (capaciteit, kennis, vaardigheden, instrumenten) nodig zijn om de opgave te realiseren. Van de interne opdrachtgever mag worden verlangd dat duidelijke afspraken over de voortgangsinformatie worden gemaakt, zodat het bestuur periodiek kan worden geïnformeerd. 7 Voortgang, evaluatie en voorbereiding bijstelling routekaart Naast periodieke informatie over de voortgang aan de interne opdrachtgever en bestuur ligt het voor de hand dat gemeenten in de uitvoering sturen op knelpunten die zich voordoen, risico’s beheersen en eventueel komen tot bijstelling van de uitvoeringsplannen.
De verduurzamingsopgave van het maatschappelijk vastgoed is op zichzelf al complex, maar in combinatie met andere opgaven waar gemeenten mee worden geconfronteerd, zal ook veel van de creativiteit en het leervermogen van de gemeentelijke organisatie worden gevraagd. Het opdoen van ervaringen bij het uitvoeren van de eerste fase van vier jaar zal hand in hand gaan met het opdoen van de voor de opgave relevante kennis. Daarom zal de VNG in contacten met gemeenten, afhankelijk van de behoefte van gemeenten, een kennisagenda ontwikkelen. Dit gebeurt in samenwerking met kennispartners, maar belangrijker is dat ook het leren van ervaringen van collega-gemeenten daarin een plek zal krijgen. Op die manier doen de gemeenten tijdens de uitvoering in de eerste vier jaar ervaring op om routekaart voor de volgende termijn goed te kunnen voorbereiden. In de contacten tussen VNG en gemeenten zal hierbij ook relevante informatie van gemeenten naar voren komen voor de herijking van de Sectorale Routekaart in 2022.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
27
Bijlagen
28
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Bijlage 1: Kostenkengetallen verduurzaming Kengetallen maatregelenmix m2/Bruto vloeroppervlak (BVO) Kosten nieuwbouw inclusief verduurzamen
€ 2500,-
Verschil tussen huidige norm EPC 0,7 en BENG
€
Meerinvestering voor ENG ten opzichte van de huidige norm
€ 100,-
Maatregelenpakket integrale verduurzaming
€ 595,-
Aardgasvrij
€ 161,-
40,-
Kostenkengetallen voor integrale verduurzaming M3
kWh/m2
Isolatie
Installatie
Opwekking
gas/m
Investering/ m2 bvo
2
Ambtelijke huisvesting
Ambtelijke huisvesting
-
-
170
240
100
510
Ambtelijke huisvesting
Openbare orde en veiligheid
-
-
220
270
260
750
Onderwijs
Basisonderwijs 1979-1992
-
-
90
380
80
540
Onderwijs
Basisonderwijs na 1992
-
-
20
300
80
400
Onderwijs
Basisonderwijs voor 1946
-
-
130
390
80
600
Onderwijs
Basisonderwijs 1946-1978
-
-
140
390
80
610
Onderwijs
Speciaal onderwijs 1979-1992
-
-
90
380
80
540
Onderwijs
Speciaal onderwijs na 1992
-
-
20
300
80
400
Onderwijs
Speciaal onderwijs voor 1946
-
-
130
390
80
600
Onderwijs
Speciaal onderwijs 1946-1978
-
-
140
390
80
610
Onderwijs
Voortgezet onderwijs 1979-1992
-
-
80
340
70
490
Onderwijs
Voortgezet onderwijs na 1992
-
-
20
270
70
360
Onderwijs
Voortgezet onderwijs voor 1946
-
-
120
350
70
540
Onderwijs
Voortgezet onderwijs 1946-1978
-
-
120
350
70
550
Onderwijs
Overige onderwijs
-
-
230
170
120
510
Welzijn
Buurt- of wijkgebouw
-
-
450
220
230
900
Welzijn
Welzijn overig
-
-
240
250
150
640
Cultuur
Bibliotheek
-
-
180
160
130
470
Cultuur
Museum
-
-
340
350
140
820
Cultuur
Theater/schouwburg
-
-
160
260
100
530
Cultuur
Muziekcentrum/poppodium/ Concertgebouw
-
-
80
240
90
410
Cultuur
Cultuur overig
-
-
240
250
150
640
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
29
Kostenkengetallen voor integrale verduurzaming Sport
Sporthal/sportzaal
-
-
280
300
170
740
Sport
Zwembad indoor
-
-
330
150
280
760
Sport
Ijsbaan/ijshal
-
-
140
220
260
620
Sport
Gebouw bij openlucht recreatie en sport
-
-
280
150
110
540
Sport
Overige overdekte sportaccommodatie
-
-
280
290
170
740
Sport
Gymzaal
-
-
320
300
160
770
Sport
Golf – gebouw
-
-
250
150
110
510
Sport
Paardensport – gebouw
-
-
320
150
120
590
Sport
Fitness
-
-
200
140
140
480
Sport
Zwembad buiten- en binnenbad
-
-
310
150
270
730
Sport
Klimhal
-
-
380
300
140
820
Sport
Sportfunctie
-
-
220
240
150
620
Overig gemeentelijk bezit
Kinderopvang/buitenschoolse opvang
-
-
260
170
240
660
Overig gemeentelijk bezit
Kantoor
-
-
260
270
120
650
Overig gemeentelijk bezit
Gezondheidszorgfunctie
-
-
160
220
150
530
Overig gemeentelijk bezit
Onderwijsfunctie
-
-
230
170
120
510
Overig gemeentelijk bezit
Kantoorfunctie
-
-
340
280
150
770
Overig gemeentelijk bezit
Gemengd
-
-
240
250
150
640
Overig gemeentelijk bezit
Overige gebruiksfunctie
-
-
160
220
150
530
-
-
202
264
128
595*
Gemiddeld
*Voor monumenten wordt een opslag van 100% op de investeringskosten gehanteerd
30
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Kostenkengetallen voor aardgasvrij M3 gas/m2 bvo per jaar
kWh/mw bvo per jaar
Investering/m2 bvo
Ambtelijke huisvesting
Ambtelijke huisvesting
-
43,2
160
Ambtelijke huisvesting
Openbare orde en veiligheid
-
56,3
190
Onderwijs
Basisonderwijs 1979-1992
-
27,8
170
Onderwijs
Basisonderwijs na 1992
-
26,2
180
Onderwijs
Basisonderwijs voor 1946
-
49,0
190
Onderwijs
Basisonderwijs 1946-1978
-
41,9
190
Onderwijs
Speciaal onderwijs 1979-1992
-
27,8
170
Onderwijs
Speciaal onderwijs na 1992
-
26,2
180
Onderwijs
Speciaal onderwijs voor 1946
-
49,0
190
Onderwijs
Speciaal onderwijs 1946-1978
-
41,9
190
Onderwijs
Voortgezet onderwijs 1979-1992
-
22,9
150
Onderwijs
Voortgezet onderwijs na 1992
-
24,4
160
Onderwijs
Voortgezet onderwijs voor 1946
-
41,6
170
Onderwijs
Voortgezet onderwijs 1946-1978
-
39,4
170
Onderwijs
Overige onderwijs
-
55,2
120
Welzijn
Buurt- of wijkgebouw
-
38,0
130
Welzijn
Welzijn overig
-
42,4
150
Cultuur
Bibliotheek
-
52,2
140
Cultuur
Museum
-
58,2
170
Cultuur
Theater/schouwburg
-
49,8
170
Cultuur
Muziekcentrum/poppodium/ Concertgebouw
-
45,7
190
Cultuur
Cultuur overig
-
42,4
150
Sport
Sporthal/sportzaal
-
42,8
190
Sport
Zwembad indoor
-
55,2
140
Sport
IJsbaan/ijshal
-
47,4
180
Sport
Gebouw bij openlucht recreatie en sport
-
50,2
130
Sport
Overige overdekte sportaccomodatie
-
42,7
190
Sport
Gymzaal
-
43,3
180
Sport
Golf – gebouw
-
50,4
140
Sport
Paardensport – gebouw
-
51,3
140
Sport
Fitness
-
56,4
130
Sport
Zwembad buiten- en binnenbad
-
55,2
130
Sport
Klimhal
-
44,0
160
Sport
Sportfunctie
-
41,5
150
-
33,9
120
Overig gemeentelijk bezit Kinderopvang/buitenschoolse opvang
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
31
Kostenkengetallen voor aardgasvrij
32
Overig gemeentelijk bezit Kantoor
-
46,8
150
Overig gemeentelijk bezit Gezondheidszorgfunctie
-
41,7
160
Overig gemeentelijk bezit Onderwijsfunctie
-
55,2
120
Overig gemeentelijk bezit Kantoorfunctie
-
44,0
150
Overig gemeentelijk bezit Gemengd
-
43,0
150
Overig gemeentelijk bezit Overige gebruiksfunctie
-
41,6
160
Gemiddeld
-
42,1
161
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Bijlage 2 Betrokkenheid van gemeenten bij de totstandkoming van de routekaart Voor het opstellen van de Sectorale Routekaart maatschappelijk vastgoed heeft de VNG veelvuldig contact gehad met vastgoedprofessionals van gemeenten die uiteindelijk uitvoering moeten geven aan de verduurzaming. Een Klankbordgroep van gemeenten heeft inhoudelijk meegedacht over de aanpak op hoofdlijnen in de Sectorale Routekaart deel 1 en de uitvoering door gemeenten in deel 2. Deelnemende organisaties zijn daarin geweest: de gemeenten Almelo, Assen, Borsele, Bronckhorst, Delft, Eindhoven, Goeree-Overflakkee, Haarlem, Oss, Tilburg, Utrecht, Westland en Bouwstenen voor Sociaal. De contouren van de Sectorale Routekaart zijn in het najaar van 2019 gedeeld met gemeenten in de vorm van vijf bijeenkomsten van de netwerken Bouwstenen voor Sociaal en Platform31. De informatie uit deze bijeenkomsten is voor gebruikt om actuele knelpunten van gemeenten bij verduurzaming te duiden en gewenste randvoorwaarden te verkennen.
In totaal hebben aan deze bijeenkomst medewerkers van de volgende gemeenten deelgenomen: Alblasserdam, Almere, Alphen aan den Rijn, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Blaricum/Eemnes/ Laren, Breda, Buren, Deventer, Den Helder, Dordrecht, Eindhoven, Emmen, Enschede, De Fryske Marren, Gooise Meren, Groningen, Hardinxveld-Giessendam, Hattem, Heerlen, Hendrik-IdoAmbacht, ’s-Hertogenbosch, Hoeksche Waard, Koggenland, Leiden, Leiderdorp, Leudal, Moerdijk, Nijmegen, Oisterwijk, Oss, Papendrecht, Roermond, Sliedrecht, Stichtse Vecht, Terneuzen, Tilburg, Valkenswaard, Veenendaal, Veldhoven, Venlo, Weert, Wijdemeren, Zaanstad, Zoetermeer, Zutphen, Zwolle en Zwijndrecht.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
33
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag +31 70 373 83 93 naleving@vng.nl april 2020