2021-04-07 a. Verschuldigdheid en hoogte dwangsom - Ontwerpbesluit
Tekst van het document
Gemeenteraad Ontwerpbesluit
Zitting van 22 april 2021 Omgeving & Economie - Planvorming zaaknummer: 229583
2021_Raad_00060 - Vaststellen verschuldigdheid en hoogte dwangsom wegens niet tijdig beslissen op aanvraag van Roobeek Ontwikkeling BV Portefeuillehouder Frank Hulle,van Programma en/of paragraaf Programma Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing Besluit Besluitpunt 1 De gemeenteraad besluit de verschuldigdheid van de dwangsom aan Roobeek Ontwikkeling BV af te wijzen, en de hoogte van de dwangsom te bepalen op nul euro
Wat is de aanleiding? Op 18 december 2020 stelde Moree Gelderblom, advocaten, de gemeenteraad in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag van Roobeek Ontwikkeling BV (Roobeek) om in te stemmen met de 6e planwijziging van het bestemmingsplan Woonzorgcomplex te Sluiskil (bijlage 1). De gemeente ontving die ingebrekestelling op 22 december 2020. In de ingebrekestelling nam Moree Gelderblom een termijn van 2 weken op om alsnog een besluit op aanvraag te nemen. De beslistermijn voor de gemeenteraad eindigde dus op 5 januari 2021. Bij overschrijding van de beslistermijn maakte Moree Gelderblom aanspraak op de wettelijke dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Deze dwangsom is geregeld in artikel 4:17 en volgende van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De gemeenteraad nam een besluit op de aanvraag van Roobeek op 4 februari 2021. Hij overschreedt daarmee de in de ingebrekestelling opgenomen termijn met 30 dagen. Hiermee zou een dwangsom gemoeid zijn van € 902,00 (Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, geldend vanaf 1 maart 2019). Op grond van artikel 4:18 Awb stelt het betrokken bestuursorgaan binnen 2 weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom vast. Het college was niet overtuigd van de toepasbaarheid van de dwangsomregeling wegens niet tijdig beslissen.
Wij hebben op 16 februari 2021, aan Moree Gelderblom verduidelijking gevraagd. Wij vroegen om een reactie op een tweetal elementen op uiterlijk 23 februari 2021. Moree Gelderblom reageerde via een emailbericht van 2 maart 2021. De elementen uit de reactie van Moree Gelderblom nemen wij mee onder de "Argumenten".
1/3
Wat willen we bereiken? Een besluit op de in de ingebrekestelling door Moree Gelderblom opgenomen aanspraak op de wettelijke dwangsom bij niet tijdig beslissen op de aanvraag van Roobeek
Argumenten 1.1. De ingebrekestelling was onredelijk laat Een dwangsom is niet verschuldigd als een ingebrekestelling onredelijk laat na afloop van de beslistermijn is ingediend. De aanvraag van Roobeek aan de gemeenteraad, waarin hij verzocht, in te stemmen met de 6e planwijziging van het bestemmingsplan Woonzorgcomplex te Sluiskil, kent een wettelijke reactietermijn van 8 weken. Dit vloeit voort uit artikel 3.9 Wet ruimtelijke ordening. Deze reactietermijn hield in dat de gemeenteraad uiterlijk op 21 augustus 2020 een besluit op de aanvraag van Roobeek had moeten nemen. De ingebrekestelling die Moree Gelderblom op 22 december 2020 bij uw raad indiende, kwam dus binnen, 4 maanden nadat de wettelijke beslistermijn was verstreken. Artikel 4:17, lid 6 onder a van de Awb bepaalt dat geen dwangsom verschuldigd is indien de ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend. In de term "onredelijk" zit uitleg voor interpretatie. Algemeen en ook in jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat een aanvrager belang heeft bij een ingebrekestelling, zo snel mogelijk nadat de wettelijke beslistermijn is verstreken. Hiervoor geldt in het algemeen een termijn van enkele weken (ECLI:NL:RBDHA:2019:4782). De ingebrekestelling door Moree Gelderblom kwam pas binnen, 4 maanden na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn.
In zijn reactie van 2 maart 2021 stelt Moree Gelderblom dat Roobeek na 21 augustus 2021 diverse malen navraag deed naar de stand van zaken en verzoeken indiende. Wij gingen de stukken en ingekomen berichten - ook bij de Griffie- na. Hieruit kwam een e-mailcontact naar voren met Roobeek van 23 oktober 2020. Dat bericht handelde over de vraag in hoeverre de stukken van het bestemmingsplan openbaar gemaakt konden worden. Op geen enkele manier, noch eerder noch naderhand, drong Roobeek aan op besluitvorming op zijn verzoek. Ook overleg over het verzoek vond niet plaats. Dat Roobeek over de voortgang en afdoening van zijn verzoek aan de gemeenteraad, meerdere malen contact met de gemeente had, is ons niet gebleken. Moree Gelderblom levert ook geen enkel nader bewijs voor de veronderstelde contacten met de gemeente. Een vertegenwoordiger van Roobeek sprak in bij de commissie Omgeving op 28 oktober 2020. Ook op dat moment maakte deze vertegenwoordiger toen niet kenbaar dat hij van oordeel was, dat de beslistermijn voor zijn verzoek overschreden was. Integendeel, hij beklemtoonde "slechts" de correctheid van genoemd bestemmingsplan. Op grond hiervan komen wij tot de conclusie dat tussen partijen tussen 21 augustus 2020 en 22 december 2020 geen contact plaatsvond over de voortgang en afhandeling van het verzoek van Roobeek.
Wij zijn van mening dat hierdoor sprake is van een onredelijk late ingebrekestelling. 1.2. Besluit over vaststelling bestemmingsplan is geen beschikking
2/3
De dwangsomregeling uit de Awb is niet van toepassing op besluiten van algemene strekking, ook niet als hieraan een aanvraag ten grondslag ligt (Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, geldig vanaf 1 maart 2019). Artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, definieert een beschikking als: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Voorwaarde voor het toepasselijk zijn van de dwangsomregeling bij niet tijdig besluiten als bedoeld in artikel 4:17 Awb is, dat er sprake is van een beschikking. Algemeen geldt dat het vaststellen van een bestemmingsplan gezien wordt als een besluit van algemene strekking. Moree Gelderblom verwijst op dit onderdeel in haar brief van 2 maart 2021 naar de bundel "Tekst en Commentaar Ruimtelijk Bestuursrecht". In die bundel staat inderdaad een verwijzing opgenomen naar de toepasselijkheid van de dwangsomregeling indien niet tijdig beslist wordt op een aanvraag tot vaststelling van een bestemmingsplan. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State sprak inmiddels meerdere malen uit, dat een besluit over het vaststellen van een bestemmingsplan geen beschikking is in de zin van artikel 1:3 lid 2 Awb (ABRvS 4 mei 2010, zaaknr. 201001808/1/R3 ECLI:NL:RVS:2010: BM3260 en ABRvS 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:210).
Hieronder valt ook een besluit als bedoeld in artikel 3.9 Wro tot het afwijzen van een aanvraag over de vaststelling van een bestemmingsplan. Dit betekent dat de artikelen 4:17 tot 4:20 van de Awb niet van toepassing zijn op een besluit over de vaststelling van een bestemmingsplan. Een bestuursorgaan verbeurt geen dwangsom indien zij niet tijdig beslist op een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen Ook op grond van dit aspect is er geen sprake van het verschuldigd zijn van welke dwangsom dan ook, in verband met uw besluit van 4 februari 2021.
Wat mag het kosten? Aan de voorbereiding en de uitvoering van dit besluit zijn geen kosten verbonden. De hiermee gemoeide personele kosten zijn reeds gedekt
Wat gaan we ervoor doen? Nadat de gemeenteraad een besluit neemt over het voorstel over de verschuldigdheid van de dwangsom, zullen wij Moree Gelderblom hierover informeren
3/3