CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-01-19 a. Advies toekomst GI Intervence - Ontwerpbesluit

gemeenteraad 4 februari 2021, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Beschikbaar stellen incidentele bijdrage via achtergestelde lening GI Intervence6.342 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeenteraad Ontwerpbesluit

Zitting van 4 februari 2021 Samenleving - Maatschappelijke Ontwikkeling zaaknummer: 330925

2021_Raad_00010 - Advies Toekomst GI Intervence Portefeuillehouder Sonja Suij Besluit Besluitpunt 1 De raad besluit een incidentele bijdrage van € 491.982 in 2021 via een achtergestelde lening beschikbaar te stellen voor de transitieperiode en overgang van cliënten van de GI Intervence.

Wat is de aanleiding? We informeerden u eerder over het onderzoek naar de uitvoering van de GI-functie in Zeeland in relatie tot de GI Intervence. Wij gaan ervan uit dat de informatie uit deze memo’s bekend is, maar nemen u kort nog even mee. Al lange tijd zijn de Zeeuwse gemeenten en de St. Intervence in gesprek over de dienstverlening en de bekostiging van de diensten. In 2019 is daarvoor een bestuursakkoord gesloten met de Raad van Toezicht, de Zeeuwse gemeenten en het Ministerie van J&V. In dat bestuursakkoord is afgesproken dat Intervence gedurende twee jaar (2019 en 2020) een instandhoudingsbijdrage zou krijgen, waarna de organisatie de zorg binnen de gestelde kaders (pxq) zelfstandig zou moeten uitvoeren. Totaal betaalden de Zeeuwse gemeenten in twee jaar een bedrag voor de instandhoudingsbijdrage van € 1.442.000 (€ 838.000 over 2019 en € 604.000 over 2020). Ook verhoogden we de tarieven in 2019. Onderdeel van de afspraken in het bestuursakkoord februari 2019 was ook dat de Zeeuwse gemeenten de GI Intervence structureel gingen bevoorschotten, op basis van toen geldende productiecijfers. De verrekening van de voorschotten met de werkelijke productie wordt dan aan het einde van elk boekjaar door de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland (IJZ) geregeld.

Bij de verrekening van 2019 bleek dat Intervence tot en met april 2020 een bedrag van € 1.218.000 te veel bevoorschot was en dit bedrag moet terugbetalen aan de Zeeuwse gemeenten. Dit omdat de geleverde productie afweek van het bevoorschotte bedrag. We hebben geen inzicht in de boeken, oorzaken kunnen onder andere zijn het grote aantal vertrekkende medewerkers, hoog ziekteverzuim en de afname van zaken in het preventief justitieel kader (drang). Door een vertegenwoordiging van de Zeeuwse wethouders jeugd, de programma-manager jeugd en de directeur van de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland is de afgelopen maanden

1/20

intensief over de zorgen rondom de GI Intervence gesproken met de Raad van Toezicht en de directeur-bestuurder van Intervence. Ook het Ministerie van J&V is daarbij betrokken, evenals het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (in de vorm van procesbegeleiding). U bent daar op verschillende momenten over geïnformeerd. In november 2020 zijn de resultaten van het scenario-onderzoek gepresenteerd in de Bestuurscommissie Jeugd. Bijgevoegd vindt u hierover ter kennisname de onderstaande documenten: 1. Matrix kansen en bedreigingen voor scenario 1, 2, 3a en 3b 2. Matrix ter voorbereiding voor besluitvorming 3. Oplegnotitie met samenvatting van de belangrijkste onderdelen van beide matrixen.

Wat willen we bereiken? Als gemeenten zijn wij gezamenlijk verantwoordelijk voor de instandhouding van een GIfunctie in Zeeland. We zijn niet verantwoordelijk voor de instandhouding van een GIorganisatie. Dit is ook zo vastgesteld in de Sturingsvisie (2016) en Visie op het specialistisch zorglandschap Jeugd (2017). Er zijn al lange tijd belangrijke aandachtspunten bekend voor de uitvoering van de maatregelen en de samenwerking tussen Intervence en de gemeenten. (Foto en Verbeterplan 2019/2020) Ook was de cultuur van communicatie intern bij Intervence niet zoals gewenst. De discussie tussen de gemeentelijke toegang en de GI over de inzet van jeugdhulp vanuit jeugdbescherming en jeugdreclassering kost soms veel tijd, omdat er verschil van mening was over verantwoordelijkheden en de jeugdbeschermers naar mening van de gemeenten niet transparant waren. Dit alles betekende dat de kwaliteit niet was zoals gewenst door de Zeeuwse gemeenten, ondanks dat Intervence wel het benodigde Keurmerkinstituut certificaat heeft om de maatregelen uit te kunnen voeren. Begin 2020 is geconstateerd dat de financiële situatie bij Intervence dermate zorgwekkend was, dat besloten is tot een scenario-onderzoek naar de uitvoering van de GI-functie in Zeeland in relatie tot de rol die Intervence daarin kan hebben.

Dit met als doel om op basis van de juiste feiten een beslissing te kunnen nemen door de dertien Zeeuwse gemeenten over de contractering van Intervence vanaf 2021.

Argumenten 1.1 Er is onderzoek gedaan naar 3 mogelijke scenario's: 1. Intervence wordt gecontracteerd vanaf 2021 inzake GI-functies voor de Zeeuwse gemeenten. Intervence voert als zelfstandige GI deze werkzaamheden uit. Dit vindt plaats aan de hand van een meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen Intervence en de Zeeuwse gemeenten. 2. Intervence wordt overgenomen door een andere partij, waarna Intervence (als dochter of werkmaatschappij van een nieuwe eigenaar) de GI-werkzaamheden zal uitvoeren voor de Zeeuwse gemeenten. Dit vindt plaats aan de hand van een

2/20

meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen de eigenaar van Intervence en de Zeeuwse gemeenten. 3. De werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden (eventueel stapsgewijs) afgebouwd, waarna de organisatie stopt. De werkzaamheden worden vanaf 2021 uitgevoerd door een andere GI. Het onderzoek is uitgevoerd door Intervence (scenario 1 en 2) en de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland (directeur in samenwerking met de Programmamanager Jeugd Zeeland, scenario 3). De voortgang en resultaten zijn steeds besproken in het bestuurlijk overleg. In de onderzoeken zijn zowel de kwaliteit van zorg als de financiële situatie van Intervence aan de orde geweest.

1.2 Onderstaand een korte beschrijving van de resultaten van het scenario-onderzoek voor de GI-functie in Zeeland: •

Scenario 1.

De Raad van Toezicht van Intervence heeft geconcludeerd dat scenario 1 geen reële optie is. Dit omdat uit onderzoek, dat is opgesteld samen met adviesbureau EHdK, het niet haalbaar blijkt om de organisatie Intervence te laten voortbestaan op basis van de gestelde kaders (PxQ en zonder instandhoudingsbijdrage) en er geen break-even moment te noemen is. Er zijn te weinig casussen voor Intervence en daarmee is Intervence als zelfstandige organisatie niet levensvatbaar. Wanneer er wel gekozen zou worden voor scenario 1 betekent dit dat de instandhoudingsbijdrage voor Intervence (die nodig is om Intervence dan in stand te houden) ook betaald zou moeten worden aan de andere gecontracteerde GI’s (i.v.m. de Europese aanbestedingsregels). Dit zou betekenen dat de tarieven voor de GI’s met 25% omhoog zouden moeten, met een toename van zo’n € 2 miljoen structureel. •

Scenario 2.

Er is in het proces aan zes GI’s gevraagd of zij mogelijkheden zagen voor overname. Voor scenario 2 heeft één landelijke GI op verzoek van de gemeenten onderzoek gedaan, met als doel te onderzoeken of het haalbaar was om Intervence in te lijven binnen deze organisatie. Op basis van de businesscase heeft betreffende GI zelf besloten geen aanbod aan de Zeeuwse gemeenten en Intervence te doen voor overname van de organisatie Intervence. Men vond de risico’s ook te groot voor de eigen organisatie. Een andere GI heeft, voorafgaand aan het onderzoek, een aantal zekerheden gevraagd die voor gemeenten een te hoge drempel opwierpen. Betreffende GI vroeg bijvoorbeeld een garantie vooraf voor het uitvoeren van het onderzoek en een garantie van een hoog bedrag. Dit betekent dat ook scenario 2 niet uitvoerbaar bleek. •

Scenario 3.

Voor scenario 3 hebben de drie andere in Zeeland al gecontracteerde GI’s aangegeven dat zij bereid zijn om casussen van Intervence over te nemen en de medewerkers uit het primaire proces van Intervence de kans te willen geven bij hen in dienst te komen.

3/20

Met dit scenario is de continuïteit van de zorg zoveel mogelijk gegarandeerd. De risico’s voor de Zeeuwse gemeenten zijn minder groot en ook contractueel zijn er minder risico’s. Bij keuze voor uitrol van dit scenario zijn er na afronding geen vier, maar drie GI’s in Zeeland werkzaam, waarmee het aantal casussen onder minder GI’s verdeeld worden.

Uit het scenario-onderzoek is geconcludeerd dat Intervence de zorg niet binnen de gestelde financiële kaders kan organiseren (scenario 1) en er ook geen overnamepartner voor Intervence is gevonden (scenario 2). We komen dan uit op scenario 3: de werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden afgebouwd, waarna de organisatie stopt. De werkzaamheden worden overgedragen aan andere GI’s. De hulpverleningstrajecten die in de betreffende casussen worden uitgevoerd door andere partijen (zoals bijvoorbeeld Juvent), gaan onverminderd door. 1.3 Op basis van deze uitslag van het scenario-onderzoek heeft de bestuurscommissie Jeugd op 26 november 2020 besloten om het contract van Intervence per 2021 te beëindigen. De bestuurscommissie heeft deze gedelegeerde bevoegdheid. Vanuit de dertien wethouders en alle betrokken ambtenaren wordt benadrukt dat zij liever hadden gezien dat Intervence zelfstandig had kunnen blijven bestaan. Helaas hebben de feiten laten zien dat scenario 3 uiteindelijk het enige haalbare scenario is. Dat was de reden voor het scenario-onderzoek, zodat op basis van feiten adviezen voor besluitvorming kunnen worden voorgelegd. 1.4 In de bekostiging van Intervence hebben we de keuze uit: •

Lening

•

Achtergestelde lening

•

Subsidie

In deze afweging moet worden meegenomen dat het verstrekken van een lening kan leiden tot het benadelen van bestaande crediteuren, waardoor Intervence in de positie kan komen te besluiten tot het direct aanvragen van een faillissement. Dat kan een verhoogd risico geven voor de continuïteit van zorg. Een achtergestelde lening is een krediet waarbij de verlener in het geval van faillissement van de lener wordt achtergesteld in zijn positie als schuldeiser: de achtergestelde schuldeiser komt in een faillissement in de volgorde van schuldeisers dus achter de concurrente ('gewone') schuldeisers zoals de werknemers en de banken. Door deze voorwaarden loopt de schuldeiser een hoger risico dat hij een deel van zijn verstrekte krediet niet terugbetaald krijgt. Een subsidie toekennen zou een langer traject met een openstelling voor meerdere partijen betekenen.

4/20

Op basis van bovenstaande en ondanks dat het risico groot is dat de gemeenten de middelen niet terug kunnen krijgen, adviseren wij om Intervence te financieren middels een achtergestelde lening.

Kanttekeningen 1.1 Opzeggen van het contract betekent automatisch dat Intervence zal stoppen. De Zeeuwse gemeenten zijn immers hun enige opdrachtgever. Voor de uitvoering van scenario 3 zijn er twee mogelijkheden: 1. Faillissement 2. Liquidatie Formeel ligt de verantwoordelijkheid van uitvoering van scenario 3 bij Intervence. Voor Intervence is het echter van belang vooraf te weten welke ondersteuning zij van de gemeente zal ontvangen om uitvoering te geven aan de keuze. Hiervoor is het advies van de landsadvocaat gevraagd. Zijn advies is als bijlage toegevoegd. 1.2 Samenvattend kan gesteld worden dat overname van onderneming een groot risico is bij zowel liquidatie als, in mindere mate, faillissement. De overnemende GI’s zijn geen van allen in staat om in te steken op ‘overgang van onderneming”. Het financiële risico voor partijen is dan te groot (vergelijkbaar met de uitwerking van scenario 2). Wanneer overname van onderneming onderdeel van de liquidatie is, wordt geadviseerd om de ondersteuning voor liquidatie in te trekken waarna Intervence zal moeten overgaan tot aanvraag van faillissement.

1.3 Volgens de huidige financiële doorrekening vraagt een faillissementssituatie een iets lagere bijdrage van de gemeenten. De kosten voor de gemeenten bedragen in scenario 3a ongeveer 2,75 miljoen, terwijl de kosten in scenario 3b uitkomen op 3,2 miljoen. Verdeeld over de dertien Zeeuwse gemeenten die opdracht geven aan Intervence is het verschil in de bijdrage per gemeente dan echter klein. Een faillissement brengt veel minder voorspelbare variabelen met zich mee. Dit omdat bij faillissement de curator de regie krijgt. De ervaring is dat met een curator op zich goede (inspannings)afspraken zijn te maken omtrent continuïteit van zorg (denk recent aan de casussen MC Slotervaart en IJsselmeerziekenhuizen), maar er geldt wel dat de gemeenten aanmerkelijk minder controle over het proces zullen hebben en dat de curator zich primair moet richten op opbrengstmaximalisatie voor de gezamenlijke schuldeisers. Bij liquidatie kan het proces van overdracht van casussen (en medewerkers) meer in onderlinge afstemming en meer geleidelijk plaatsvinden. Tot slot is het risico op groter verloop onder de medewerkers van Intervence bij scenario 3 het grootst. Dat is niet afhankelijk van het scenario liquidatie of faillissement, maar wel van

5/20

het feit dat onzekerheid over de persoonlijke toekomst de kans op verloop groter maakt. Conclusie: geen van de scenario’s is zonder risico’s. De risico’s bij faillissement lijken op dit moment wel groter dan bij liquidatie. Wat mag het kosten? Er zijn bij Intervence onvoldoende financiële middelen om het proces van uitvoering van scenario 3 vorm te geven. Zoals bovenstaand beschreven heeft Intervence een negatief eigen vermogen en dat maakt de kans op terugvordering van de teveel bevoorschotte bedragen zeer klein. Dit is een financieel risico waar rekening mee gehouden moet worden. Intervence zal in de afbouwperiode volgens pxq betaald moeten worden. Dit geldt dan voor de casussen die zij nog uitvoeren. Dit zal periodiek afgebouwd worden wanneer casussen en medewerkers overgaan naar de andere GI’s. Totaal vraagt de afbouw van Intervence en de overdracht van de casussen een bedrag van ongeveer € 3.275.000 van de Zeeuwse gemeenten. Voor de verdeelsleutel per gemeente verwijzen wij naar de bijlage. Deze bijdrage betreft het budgetrecht van de raad, op basis van de financiële verordening van de Gemeente Terneuzen. Een dekking van dit bedrag wordt voorzien door de mutaties (taakstelling) Sociaal Domein te verhogen. Het is belangrijk dat gemeenten ook in de afbouwperiode grip houden op de uitgaven van Intervence.

Daarom is het advies om als voorwaarde voor de steun bij liquidatie te stellen dat een vertegenwoordiging namens gemeenten de uitvoering van de plannen nauwlettend volgt. Dit is ook zo geregeld in het Overbruggingscontract. Wat gaan we ervoor doen? Contractueel moet Intervence actief meewerken aan de overdracht van de casussen en met de andere GI’s in overleg gaan over de overdracht van de medewerkers. Vooral voor de uitvoerende medewerkers (jeugdbeschermers, jeugdreclasseerders en gedragsdeskundigen) is de kans groot dat zij in aanmerking komen voor een contract bij één van de andere GI’s. Voor de ondersteunende diensten is deze kans minder groot. Omdat alle maatregelen gebaseerd zijn op een uitspraak van de Rechtbank moet bij de overdracht een nieuwe beschikking gevraagd worden bij de Rechtbank. In andere regio’s (Noord-Holland) is ervaring hiermee opgedaan om dat gefaseerd in een ‘bulk-aanvraag' te organiseren. Of de Rechtbank Zeeland West-Brabant daar mee zal instemmen moet nog onderzocht worden. Daarom is het niet zeker hoe lang de periode van de transitie zal duren. We schatten op dit moment in dat het zo’n 6 tot 9 maanden zal duren. De overdracht krijgt vorm op basis van een Transitieplan. Dit plan moet in afstemming met de vier GI’s, de gemeenten, de Jeugdautoriteit en de Inspecties worden opgesteld en goedgekeurd.

Dit plan is naar verwachting rond 21 januari 2021 klaar. Gedurende de hele transitieperiode wordt Intervence met een ‘Overbruggingscontract’ in stand gehouden. Insteek is dat er zoveel mogelijk wordt gewerkt vanuit het principe “medewerker volgt maatregel”, maar het is aan de drie GI’s te bepalen welke medewerkers zij in dienst willen nemen en aan de medewerkers naar welke GI zij over willen gaan. Ook hebben pleegouders inspraak in de GI waar hun pleegkind aan wordt overgedragen.

6/20

Voor de tussenliggende periode zijn afspraken gemaakt tussen de vier GI’s, de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de Rechtbank hoe om te gaan met nieuwe maatregelen en verlenging van de maatregelen. Tot het akkoord van de Jeugdautoriteit en de Inspecties op het Transitieplan is afgesproken met de Minister van Veiligheid (S. Dekker) dat er geen onomkeerbare acties worden uitgevoerd. Dat betekent dat de huidige situatie zowel voor medewerkers als kinderen hetzelfde blijven. Pas na vaststelling van het Transitieplan kan een start gemaakt worden met overdracht van bestaande maatregelen en nieuwe maatregelen naar de andere 3 GI’s. Communicatie De communicatie wordt zoveel als mogelijk gezamenlijk opgepakt. Helaas is bij de medewerkersbijeenkomst van 01.12.2020 gebleken dat dit niet altijd gaat zoals afgesproken. Afspraak was dat eerst de medewerkers en cliënten geïnformeerd zouden worden en er op 02.12.2020 een persmoment zou zijn. Helaas was de pers al eerder op de hoogte waardoor de communicatie naar medewerkers en cliënten niet zoals afgesproken is verlopen. Hierdoor is (mogelijk) de maatschappelijke onrust groter dan voorzien.

Bijlagen 1. 01 - Toekomst GI-functie - Bijlage 1 Advies landsadvocaat.pdf 2. 02 - Toekomst GI-functie - Bijlage 2 Overzicht kosten per gemeente.pdf 3. 03 - Toekomst GI-functie - Bijlage 3 Memo raden situatie Intervence 08-12-2020.pdf 4. 04 - Toekomst GI-functie - Bijlage 4 Feitenoverzicht Intervence.pdf 5. 05 - Toekomst GI-functie - Bijlage 5 Reactie inkooporganisatie jeugd (IJZ) op feitenoverzicht Intervence.docx.pdf

7/20

Advies landsadvocaat Wij begrijpen op basis van het gesprek en de aan ons toegezonden stukken dat Intervence al geruime tijd in financieel noodweer verkeert en dat verschillende scenario’s voor de toekomst van Intervence zijn onderzocht (1. zelfstandig voortbestaan, 2. overname van Intervence, 3. afbouw al dan niet in faillissement). De keuze ligt momenteel tussen scenario 3a (faillissement en overname activiteiten door 3 GI’s) en 3b (liquidatie zonder faillissement en overname activiteiten door 3 GI’s). U heeft ons verzocht de risico’s met betrekking tot deze beide scenario’s te onderzoeken en hieromtrent te adviseren. Wij bespraken dat wij, vooruitlopend op ons advies, vandaag al een indicatie zouden geven van onze eerste bevindingen. Een belangrijk aandachtspunt is de mogelijkheid dat sprake is van overgang van onderneming. Een overgang van onderneming vindt plaats als sprake is van overgang van een economische eenheid die haar identiteit behoudt en de ‘exploitatie’ van de onderneming dus in feite wordt voortgezet. Voor het antwoord op de vraag of de identiteit is behouden moet gekeken worden naar de feitelijke omstandigheden als bijvoorbeeld de interne organisatie binnen Intervence en hoe de werkzaamheden, personeel (kwantitatief als kwalitatief) en cliënten worden overgedragen aan de drie GI’s.

Deze risico’s zijn behoorlijk in het geval van een geleidelijke afbouw en overgang buiten faillissement. Intervence kwalificeert, zo op het eerste oog, als een arbeidsintensieve onderneming. Intervence schrijft zelf in haar standpuntbepaling: ‘ontleent Intervence haar bestaansrecht aan het personeel’. Een overgang van de maatregelen en (een groot deel van) het personeel buiten faillissement leidt daarom zeker tot vragen omtrent een mogelijke overgang van onderneming. Overigens kan een discussie over een overgang van onderneming ook in faillissement ontstaan gelet op het feit dat betrokken partijen een overgang al enige tijd aan het voorbereiden zijn (gesprekken, verslagen, financiële rapporten, en businesscases). Als sprake is van overgang van onderneming, dan gaat personeel mee over. Ook personeel dat een overnemende partij mogelijk niet over wilde nemen. Naar huidige financiële doorrekening is een faillissementssituatie iets goedkoper voor de gemeenten. Naar wij hebben begrepen zijn de kosten van de gemeenten in scenario 3a ongeveer 2,75 miljoen, terwijl de kosten in scenario 3b uitkomen op 3,2 miljoen. Verdeeld over de dertien Zeeuwse gemeenten die opdracht geven aan Intervence, valt de absolute besparing per gemeente overigens mee (450.000 gedeeld door 13 gemeenten komt neer op ongeveer € 35.000 gemiddeld per gemeente).

De praktijk leert overigens dat de kosten in een faillissementssituatie vaak tegenvallen. Het is dan ook de vraag of de gemeenten daadwerkelijk deze kosten zal besparen. Een faillissement brengt veel minder voorspelbare variabelen met zich mee, die naar onze inschatting niet of te positief zijn betrokken bij de berekeningen van de kosten voor de gemeente. Een aantal van deze factoren zijn: •

•

bestaande contracten met toeleveranciers die een dwangpositie kunnen innemen (bijvoorbeeld als gebruik wordt gemaakt van ict-systemen) komen onder druk te staan. Dergelijke toeleveranciers zullen in voorkomend geval strikte betalings- of afkoopvoorwaarden stellen, hetgeen kostenverhogend kan werken; de inschattingen omtrent mogelijke uitkeringen aan concurrente crediteuren (30% resp. 70%) zijn naar onze inschatting te positief. Deze uitkeringen zijn als wij het goed zien wel meegewogen in de financiële doorrekening die tot het beperkte verschil in kosten voor de gemeenten leiden. De boedelkosten (waaronder salaris curator, maar ook verplichtingen 8/20

•

•

aan UWV en fiscus) kunnen aanzienlijk zijn. Een voorzichtige maar reële verwachting is dat in het geval van faillissement van Intervence geen uitkering aan concurrente crediteuren zal plaatsvinden. Dat is de situatie in 96% van de faillissementen; als de onderneming nog enige tijd wordt voortgezet en de liquiditeitstekorten worden afgedekt door een concurrente lening, kunnen de overige crediteuren in het faillissement daardoor benadeeld worden (paulianeus handelen). Uit de brief van bestuur blijkt dat zij zich van dergelijke risico’s ook goed bewust zijn; Het is hierboven al aangestipt, maar ook in een faillissement bestaat er een risico dat de overname door de drie GI’s gekwalificeerd kan worden als overgang van onderneming, met alle mogelijke gevolgen van dien.

Bovenstaande gevolgen staan daarbij nog los van andere (praktische) onzekerheden die kunnen spelen in een faillissement. Ingeval van een faillissement zal de curator een belangrijke positie innemen. Hoewel mijn ervaring is dat met een curator op zich goede (inspannings)afspraken zijn te maken omtrent continuïteit van zorg (denk recent aan de casussen MC Slotervaart en IJsselmeerziekenhuizen), geldt de gemeenten aanmerkelijk minder controle over het proces zullen hebben en dat de curator zich primair moet richting op opbrengstmaximalisatie voor de gezamenlijke schuldeisers. Alle arbeidsovereenkomsten zullen met een maximale termijn van zes weken door de curator beëindigd worden. Deze onvoorspelbaarheid legt druk op het personeel die sneller geneigd zullen zijn elders te solliciteren en de onzekerheden omtrent het faillissement hebben in de praktijk ook negatieve invloed op de uitvoering van de werkzaamheden door het personeel gedurende de opzegperiode. Ook kunnen publicitaire risico’s en politiek-bestuurlijke risico’s ontstaan ingeval van een faillissement, met name omdat het hier om een kwetsbare groep cliënten gaat (zorgbehoevende jeugd), ten aanzien waarvan op de gemeenten op grond van de wet (waarover hieronder meer) de verantwoordelijkheid rust. Op basis van het voorgaande zouden wij aanraden zo mogelijk weg te blijven bij een faillissement.

Alle betrokken partijen hebben belang bij continuïteit van de zorg en een zorgvuldige overdracht en afwikkeling van Intervence. Dat is gelet op het voorgaande mogelijk als het – met name ook gelet op de overgang van onderneming-risico’s – goed en in relatieve rust buiten een faillissement geregeld kan worden. Zeker gezien het per gemeente niet veel meer lijkt te kosten, terwijl dat veel meer controle op het proces oplevert. In dat kader wijzen wij er graag nog op dat uit de memorie van toelichting van de Jeugdwet volgt dat dat de Colleges van B&W van de gemeenten erop toe moeten zien dat een nieuwe aanbieder of instelling met de voorgangers overlegt over de overname van het betrokken personeel (Memorie van toelichting: Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, toelichting artikel 2.10). Hoewel dit in de context van een aanbesteding is gezegd, blijkt hier wel uit dat ook de wetgever hecht aan het zoveel mogelijk waarborgen van de behandelrelatie en dat daar een taak voor de gemeente ligt.

Nu Intervence in scenario 3b aanstuurt op een ongelimiteerde toezegging, raden wij wel aan dat de gemeenten een cap inbouwen (bijvoorbeeld door een toezegging te doen dat de gemeenten maximaal een bedrag van X, bijvoorbeeld 10% boven het nu berekende bedrag, ter beschikking stellen) en/of te bedingen dat een persoon namens de gemeenten kan meekijken bij de uitvoering van de plannen en zo vinger aan de pols kan houden. Als gezegd zal een grote uitdaging in scenario 3b zijn de mogelijke overgang van onderneming. Dat kan zelfs zo ver gaan dat niet te voorkomen is dat de overnemende GI’s personeelsleden in dienst krijgen die zij bij een vrije keuze niet zouden hebben willen overnemen. Hier zal nader juridisch

9/20

onderzoek en een zorgvuldige begeleiding moeten plaatsvinden. En als een dergelijk risico zich toch verwezenlijkt, zal daar een zo goed mogelijke oplossing op moeten worden gevonden, maar wij schatten in dat dit risico van onvoldoende gewicht is om alsnog voor een faillissement te kiezen, niet in de laatste plaats omdat dit risico zich ook in faillissement kan verwezenlijken.

Met vriendelijke groet, Mohammed Kalmoua & Jorrit van der Weide

10/20

Gemeente Borsele Goes Kapelle Noord-Beveland Reimerswaal Schouwen-Duiveland Tholen # Middelburg Veere Vlissingen # Hulst Sluis Terneuzen Totaal

#

Verdeelsleutel 2020

# # # # # # # # # # # # # # # # # # # #

Bedrag per gemeente

5,63% 9,83% 2,68% 2,22% 6,03% 7,41% 7,46%

184.413 321.890 87.829 72.624 197.612 242.630 244.164

16,01% 3,95% 12,73%

524.305 129.454 416.781

6,44% 4,59% 15,02%

211.042 150.275 491.982

100,00%

3.275.000

11/20

Geachte leden van de gemeenteraad, Op 26 november 2020 heeft de Bestuurscommissie inkoop jeugdhulp besloten om het contract met stichting Intervence niet te verlengen. Dat houdt in dat het contract op 31 december 2020 eindigt. Hierover bent u vorige week via een aparte memo geïnformeerd. Dit besluit heeft maatschappelijk tot veel vragen geleid, zowel bij het personeel als bij de cliënten van Intervence. Dit begrijpen we ook. We hebben daarnaast gemerkt dat er ook bij u veel vragen zijn en dat er behoefte is aan extra informatie over zowel het proces als de inhoud. Afgelopen jaren bent u op verschillende momenten via memo’s geïnformeerd over het scenario-onderzoek dat gedaan is naar de uitvoering van de GI-functie in Zeeland. Wij verwijzen u ook naar die eerdere memo’s. Door middel van deze memo gaan wij hier nader op in. Intervence is één van de Gecertificeerde Instellingen (GI) voor jeugdbescherming en jeugdreclassering in Zeeland. Deze organisaties hebben de uiterst belangrijke taak om gezinnen met complexe opvoed- en opgroeiproblematiek te ondersteunen en te begeleiden, specifiek wanneer de veiligheid of de ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. GI’s voeren de maatregelen van de Kinderrechter uit en is door de Zeeuwse gemeenten gecontracteerd om dit te doen. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de GI-functie.

Uit zorgvuldig onderzoek naar de mogelijkheden van Intervence om de GI-functie in Zeeland uit te voeren, is gebleken dat Intervence helaas geen stabiele organisatie is, zowel op financiële onderwerpen maar ook op onderdelen als kwaliteit en continuïteit van de begeleiding. Daarmee biedt Intervence een te onzekere basis om als uitvoeringsorganisatie de taken in Zeeland te blijven voeren. Daarom hebben wij als gemeenten op basis van de feiten uit het scenario -onderzoek uiteindelijk besloten om de jeugdbescherming en jeugdreclassering te borgen bij andere, al gecontracteerde GI’s. Bij dit besluit hebben wij nadrukkelijk oog voor de belangen van de organisatie, medewerkers, cliënten en de gemeentelijke verantwoordelijkheden. We willen benadrukken dat Intervence niet per 1 januari 2021 ophoudt met bestaan en dat betekent dat de ondersteuning vanuit Intervence aan de Zeeuwse jongeren en gezinnen dus ook niet per deze datum stopt. Er zal zeker nog een periode van 6-9 maanden nodig zijn waarin Intervence de maatregelen over moet dragen. De Zeeuwse gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk ervoor te zorgen dat Intervence dit ook kan doen . Hiervoor wordt een projectorganisatie opgericht onder begeleiding van een onafhankelijke procesbegeleider.

Langdurig overleg Al lange tijd zijn wij (de Zeeuwse gemeenten) en Stichting Intervence in gesprek over de dienstverlening en de bekostiging van de diensten. In februari 2019 is daarvoor een bestuursakkoord gesloten met de Raad van Toezicht van Intervence (RvT), de Zeeuwse gemeenten en het Ministerie van Justitie & Veiligheid (J&V). In dat bestuursakkoord is afgesproken dat Intervence gedurende twee jaar (2019 en 2020) een instandhoudingsbijdrage zou krijgen, waarna de organisatie de zorg binnen de gestelde financiële kaders zelfstandig zou moeten uitvoeren. Totaal betaalden wij in twee jaar een instandhoudingsbijdrage van € 1.442.000 (€ 838.000 over 2019 en € 604.000 over 2020). Hierover bent u geïnformeerd in de memo Situatie bevoorschotting van 13 mei 2020. Ook zijn in 2019 de tarieven voor de diensten verhoogd.

8 december 2020

12/20

1

Onderdeel van de afspraken in het bestuursakkoord was ook dat wij de GI Intervence structureel gingen bevoorschotten, op basis van toen geldende productiecijfers. De verrekening van de voorschotten met de werkelijke productie wordt dan aan het einde van elk boekjaar door de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland (IJZ) geregeld. Bij de verrekening van 2019 bleek dat er tot en met april 2020 een bedrag van € 1.218.000 te veel bevoorschot was en dat Intervence dit bedrag moest terugbetalen aan ons. Dit omdat de geleverde productie afweek van het bevoorschotte bedrag.

Gezamenlijk scenario-onderzoek Vanaf februari 2020 is er intensief over de zorgen rondom de GI Intervence gesproken met de RvT en de directeur-bestuurder van Intervence. Ook het Ministerie van J&V is daarbij betrokken evenals het OZJ1 (in de vorm van procesbegeleiding). U bent daarover geïnformeerd op 23 september 2020 in de memo Uitwerking scenario’s.2 In februari 2020 is geconstateerd dat de financiële situatie bij Intervence dermate zorgwekkend was, dat besloten is tot een scenario-onderzoek naar de uitvoering van de GI-functie in Zeeland in relatie tot de rol die Intervence daarin kan hebben. Zodat de 13 Zeeuwse gemeenten op basis van de juiste feiten een beslissing te kunnen nemen over de contractering van Intervence vanaf 2021. Het betreft de volgende scenario’s: 1. Intervence wordt gecontracteerd vanaf 2021 inzake GI-functies voor de Zeeuwse gemeenten. Intervence voert als zelfstandige GI deze werkzaamheden uit. Dit vindt plaats aan de hand van een helder meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen Intervence en de Zeeuwse gemeenten. 2. Intervence wordt overgenomen door een andere partij, waarna Intervence (als dochter of werkmaatschappij van een nieuwe eigenaar) de GI-werkzaamheden gaat uitvoeren voor de Zeeuwse gemeenten.

Dit vindt plaats aan de hand van een meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen de eigenaar van Intervence en de Zeeuwse gemeenten.

Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd, vanuit VNG en VWS ingericht De bestuurlijke gesprekken met Intervence vinden plaats door vaste personen namens de gemeenten. Dit zijn: - Wethouder Jack Werkman (Gemeente Sluis en coördinerend wethouder voor de Zeeuwse Jeugdregio en voorzitter van het Zeeuwse portefeuillehoudersoverleg Jeugd/Bestuurscommissie IJZ). Hij treedt in deze situatie ook op als woordvoerder namens de 13 Zeeuwse gemeenten. - Wethouder Albert Vader (Gemeente Vlissingen, plaatsvervangend voorzitter) - Wethouder Rene Ruissen (Gemeente Hulst en bestuurlijk kartrekker Vaart in Veiligheid). Zij zijn hierin ambtelijk ondersteund door: - Corette van Dijke (Directeur Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland) - Olga Idema (Programmamanager jeugd Zeeland, namens de 13 Zeeuwse gemeenten) 1 2

8 december 2020

13/20

2

3. De werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden (eventueel stapsgewijs) afgebouwd, waarna de organisatie stopt. De werkzaamheden worden vanaf 2021 uitgevoerd door een andere GI.

In de bijlage ontvangt u de twee matrixen (niet openbaar), die een samenvatting geven van de resultaten van het scenario-onderzoek en een Oplegnotitie (niet openbaar) met de conclusie uit de matrixen. Deze stukken zijn samen met Intervence opgesteld. In de bijlage ontvangt u ook een tijdspad met daarin de opsomming van de gesprekken die in 2020 gevoerd zijn door de Kopgroep en de Bestuurscommissie. De verslagen van de overleggen van de Bestuurscommissie van 2019 en 2020 vindt u ook in de bijlage. Bevoegdheden Voor de helderheid zetten we de bevoegdheden van de 13 Zeeuwse gemeenten rondom de besluitvorming op een rij. 1. De gemeenten hebben de bevoegdheid voor het afsluiten van de contracten gedelegeerd (overgedragen) aan de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland. In de praktijk gebeurt dit door de 13 wethouders Jeugd die samen de Bestuurscommissie vormen. De Bestuurscommissie besluit over de contractering. Dat betekent dat noch de colleges noch de gemeenteraad het besluit over de contractering van Intervence kunnen nemen. Dit is gebaseerd op een raadsbesluit van september 2014. In deze context is op 26 november 2020 besloten om het contract met Intervence niet te verlengen. 2. De colleges van B&W besluiten op 15 december 2020 over de uitvoering van scenario 3.

Voor de uitvoering van scenario 3 tijdens de transitieperiode van Intervence zijn er twee mogelijkheden: - Faillissement - Liquidatie Formeel ligt de verantwoordelijkheid van uitvoering van scenario 3 bij Intervence. Voor Intervence is het echter van belang vooraf te weten welke financiële ondersteuning (achtergestelde lening) zij van de gemeenten zal ontvangen om uitvoering te geven aan de keuze. Daarnaast wordt aan de colleges gevraagd om incidenteel financiële middelen beschikbaar te stellen voor de overdracht van de maatregelen naar de andere gecontracteerde GI’s. 3. De gemeenteraden besluiten op basis van het budgetrecht over de benodigde financiën voor de uitvoering van scenario 3. Voor uitvoering van scenario 3 is advies gevraagd aan de landsadvocaat. Daarnaast zijn ook adviezen in het kader van monitoring, continuïteit en kwaliteit aan de Jeugdautoriteit en de inspecties gevraagd.

8 december 2020

14/20

3

Raadsbrief Intervence Op 4 december 2020 heeft Intervence een feitenoverzicht gestuurd aan de gemeenteraden met een kopie naar de colleges. Naar aanleiding hiervan heeft de Inkooporganisatie een reactie opgesteld, die als bijlage wordt meegestuurd. Daarnaast zijn er diverse raadsvragen over dwang versus drang gesteld. Intervence stelt in het feitenoverzicht dat zij het met voldoende maatregelen wel zou redden. Intervence neemt daarvoor minimaal 150 drangcasussen in hun begroting mee en gaat ook uit van een minimum aan dwangmaatregelen. Landelijk beleid is echter dat drangcasussen 3 niet meer bij een GI belegd moeten worden. Reden hiervoor is dat het voor ouders en jongeren niet duidelijk is dat zij vrijwillige hulp ontvangen. Hierdoor ontstaat verwarring. Daarnaast is het niet wenselijk dat het aantal dwangmaatregelen stabiel blijft. We streven er juist naar om het aantal maatregelen naar beneden te halen met o.a. preventieve inzet, Vaart in Veiligheid en diverse lokale preventieve initiatieven. Financiën Er zijn bij Intervence zelf onvoldoende financiële middelen om het proces van uitvoering van scenario 3 vorm te geven. Intervence heeft een negatief eigen vermogen en dat maakt de kans op terugvordering van de teveel bevoorschotte bedragen zeer klein. Dit is een financieel risico waar rekening mee gehouden moet worden.

Intervence zal in de afbouwperiode volgens pxq betaald moeten worden. Dit geldt dan voor de casussen die zij nog oppakken. Dit zal afgebouwd gaan worden wanneer casussen en medewerkers overgaan naar de andere GI’s. Conform contract vraagt de transitieperiode van Intervence ook financiële middelen. In de bekostiging van Intervence hebben we de keuzemogelijkheden van: • Lening • Achtergestelde lening • Subsidie In deze afweging moet worden meegenomen dat het verstrekken van een lening kan leiden tot het benadelen van bestaande crediteuren, waardoor Intervence in de positie kan komen te besl uiten tot het direct aanvragen van een faillissement. Dat kan een verhoogd risico geven voor de continuïteit van zorg. Een achtergestelde lening is een krediet waarbij de verlener, in het geval van faillissement van de lener, wordt achtergesteld in zijn positie als schuldeiser: de achtergestelde schuldeiser komt in een faillissement in de volgorde van schuldeisers dus achter de concurrente ('gewone') schuldeisers zoals de werknemers en de banken. Door deze voorwaarden loopt de schuldeiser een hoger risico dat hij een deel van zijn verstrekte krediet niet terugbetaald krijgt. Een subsidie toekennen zou een langer traject met een openstelling voor meerdere partijen betekenen. Op basis van bovenstaande en ondanks dat het risico groot is dat de gemeenten de middelen niet

3

Dit zijn casussen in het vrijwillig kader, dus zonder dat de kinderrechter er aan te pas is gekomen.

8 december 2020

15/20

4

terug kunnen krijgen, worden de colleges geadviseerd om Intervence te financieren middels een achtergestelde lening.

Overdracht Contractueel moet Intervence actief meewerken aan de overdracht van de casussen en met de andere GI’s in overleg gaan over de overdracht van de medewerkers. Vooral voor de uitvoerende medewerkers (jeugdbeschermers, jeugdreclasseerders en gedragsdeskundigen) bestaat de kans dat zij in aanmerking komen voor een contract bij één van de andere GI’s. Voor de ondersteunende diensten is deze kans minder groot. Omdat alle maatregelen gebaseerd zijn op een uitspraak van de Rechtbank moet er bij de overdracht een nieuwe beschikking gevraagd worden bij de Rechtbank. In andere regio’s (o.a. Noord- Holland) is ervaring opgedaan om dat gefaseerd in een ‘bulk-aanvraag’ te organiseren. Het streven is om dergelijke afspraak ook met de Rechtbank Zeeland West-Brabant te maken. Daarom is het niet zeker hoelang de periode van de transitie zal gaan duren. We schatten op dit moment in dat het zo’n 6 tot 9 maanden in beslag zal nemen.

We vertrouwen er op dat we het vervolgtraject – in het belang van de kinderen, gezinnen en medewerkers – op een constructieve manier samen op kunnen pakken zodat de maatschappelijke onrust zoveel mogelijk wordt beperkt en we een goede oplossing vinden voor zowel cliënten en personeel.

Met vriendelijke groeten,

De portefeuillehouders Jeugd van de 13 Zeeuwse gemeenten

Jack Werkman, Sonja Suij, René Ruissen, Albert Vader, Carla Doorn, Chris Maas, Paula Schot, Anja Slenter, Joost de Goffau, Marga van de Plasse, Annebeth Evertz, Kees Verburg, Corniel van Leeuwen

8 december 2020

16/20

5

17/20

*

18/20

19/20

Aanvullende informatie van de inkooporganisatie jeugdhulp inzake feitenoverzicht Intervence d.d. 4 december 2020 1. Het gemiddeld aantal jeugdigen betreft eigenlijk het gemiddeld aantal maatregelen. Stel dat 1 kind voor 6 maanden in een jaar 1 maatregel heeft, dan telt hij in de cijfers van Intervence mee als 0,5 (niet geheel onlogisch). Heeft dat kind echter drie maatregelen die voor het hele jaar van kracht zijn, dan telt het mee als 3. Vanuit IJZ rekenen wij met unieke cliënten en niet met cliënten. Onze cijfers zijn daarmee gebaseerd op aantallen kinderen op dit moment (of een vastgestelde datum). 2. Het verloop van gezinsmanagers lijkt dit jaar heel laag te zijn. Dat zou overigens best kunnen kloppen. Daarbij moeten we wel rekening houden met de effecten van een nieuwe bestuurder en de corona crisis. De kans dat het verzuim, net als in 2018 en 2019 weer heel hoog zou worden in 2021 is daarmee best groot. Er is in elk geval geen permanente verandering die dat lagere verloop verklaart. 3. Het langdurig ziekteverzuim was in september nog 12,8% volgens EHdK. We kunnen niet herleiden waar de prognose van 10% vandaan komt. (Wat niet betekent dat het niet klopt). 4. De genoemde netto resultaten zijn inclusief de instandhoudingsbijdrage. Zonder de financiële steun van de gemeenten was het verlies dus € 800.000 respectievelijk € 600.000 hoger geweest.

Het rendement zonder instandhoudingsbijdrage was daarmee rond de -15% geweest. Dat is voor geen enkele organisatie lang houdbaar. 5. Naast de instandhoudingsbijdrage is er vanuit de Zeeuwse gemeenten meer aan voorschot uitbetaald dan de waarde van de door Intervence uitgevoerde maatregelen. Een deel daarvan is verrekend in de maandelijkse voorschotbedragen vanaf de tweede helft van dit jaar. Dit bedrag is niet zichtbaar in het feitenoverzicht van Intervence.

20/20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9611745/2