TV RAAD PvdA - vervolgvragen deel 1 cie - antwoorden
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener
Johan Feenstra
Fractie
PvdA
Raadsvergadering Datum 2 november 2023 Agendapunt Onderwerp 1.
Begroting 2024
Nieuwe vraag: Proces beantwoording technische vragen. De technische vragen dienen uiterlijk donderdag 26 oktober a.s. om 9.00 uur ingediend zijn voor beantwoording op uiterlijk dinsdag 31 oktober. Dat betekent dat de vragen in 4 werkdagen beantwoord worden. Nu wij op vrijdag 20 oktober deze vragen indienen zouden wij het zeer op prijsstellen om de antwoorden ook binnen de termijn van 4 dagen te ontvangen met ingang van a.s. maandag. Dat betekent dat we de antwoorden op uiterlijk donderdag 26 oktober graag tegemoet zien. Reden is dat we op deze manier voldoende tijd hebben om goed kennis te nemen van de antwoorden en deze kunnen bespreken in de fractie. Dinsdag 31 oktober is te laat daartoe. Over het proces zal door ons in de auditcommissie worden teruggekomen. Kunt u er voor zorgdragen de vragen binnen 4 werkdagen (uiterlijk donderdag 26 oktober) te beantwoorden. Zo niet, waarom niet? Antwoord: We doen altijd ons best om de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden, maar we zijn soms afhankelijk van de beschikbaarheid van specifieke medewerkes voor het juiste antwoord. In verband met de herfstvakantie is niet iedereen deze week aanwezig.
2.
Pag 38 Indexatie subsidiebedragen 2024 Hierbij is vermeld dat er voor onze eigen organisatie is sprake is van loonsomontwikkeling van 11%. Op grond daarvan komt de voor de loonsomgerelateerde subsidies de compensatie uit op 7,4% Op pagina 70 is echter vermeld dat de werkelijke loonsomstijging 10,5% is. Indien dit percentage wordt gebruikt is sprake van een subisdie compensatie van 7,1%. Een verschil van 0,3%. A. Waarom worden er 2 percentages gehanteerd (11,0% en 10,5%). B. Wat is het juiste percentage dat voor de loonsomstijging gehanteerd moet worden? C. Gezien de financiele vooruitzichten in de toekomst dienen wij scherp aan de wind te varen. Wat is het structurele positieve verschil als in plaats van 10,5% wordt uitgegaan en de index uitkomt op 7,1% in plaats van 7,4%? Antwoord: A. 11% is het verschil tussen de werkelijke loonsomontwikkeling 2023 (10,5%) PLUS de ingeschatte loonsomontwikkeling 2024 (4,0%) MINUS de al voor 2023 opgenomen loonsomontwikkeling van 3,5%. 10,5% is de werkelijke loonsomontwikkeling 2023.
B. Er ontbreekt voor 2023 nog 7% (10,5% - 3,5%) en voor 2024 (naar inschatting) nog 4%. Dus er ontbreekt per saldo nog 11%. Hiermee rekenende is het juiste percentage voor de indexatie van loonsom-gerelateerde subsidiebedragen 7,4%. C. 7,1% in plaats van 7,4% zal een verlaging van het indexatiebedrag zijn met ca. € 26.000. VERVOLGVRAAG: Naar aanleiding van een eerdere vraag (9) is geantwoord dat voor wat betreft de aftrek van het gemeentefonds van lopende naar constante prijzen onze gemeente de prognoses van het CEP gebruikt. Voor 2024 is dat voor de loonvoet 5,2% en voor de prijzen een gemiddelde van 2,75%. Voor 2024 wordt nu geschreven dat er m.b.t. gesubisieerde instellingen voor 2024 wordt uitgegaan van 4% voor de loonsomontwikkeling. A. Waar is die 4% op gebaseerd? Waar kunnen we dat lezen, op grond waarvan e.d.? B. Waarom wordt voor de eenduidigheid niet 1:1 aangesloten op de cijfers van het CEP zoals wij die ook zelf hanteren voor de aftrek van lopende naar constante prijzen? Antwoord: A. De verwachte loonsomontwikkeling van 4% is gebaseerd op de inflatieverwachting loonontwikkeling van het CPB van 4,8% voor 2024 (https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-RamingCentraal-Economisch-Plan-CEP-2023-Verdieping.pdf). En daarnaast is rekening gehouden met een verlaging van de sociale premiedruk van 0,8% (vnl. pensioenpremie). B.
Via een motie van 14 november 2019 heeft de raad aangegeven dat ‘voor gesubidieerde instellingen met een loongevoelige component een percentage wordt gehanteerd conform de gemeentelijke uitgangspunten’. Aan deze motie is later invulling gegeven via een raadsbesluit van 27 februari 2020. Derhalve sluiten we bij gesubsidieerde instellingen met een loongevoelige component aan op de loonsomontwikkeling die we als gemeente verwachten voor de eigen medewerkers. En die verwachting is gebaseerd op cijfers CEP, maar met correctie sociale premiedruk. 3
Pagina 59 Ingroei Onderhoud en investeringen kapitaalgoederen. Er wordt voorgesteld om het jaarlijkse beschikbare investeringsgeld te verhogen met € 1 mln. naar € 4 miljoen per jaar. Dit betekent in 2025 een structurele uitzetting van € 58.000 in 2025. A. Waarom wordt deze uitzetting al structureel voor 2025 geraamd terwijl nu de begroting 2024 voorligt en het financiele beeld in de toekomst niet rooskleurig is? B. Niet alleen voor het jaar 2025 wordt € 1 mln. extra geraamd maar ook voor de jaren 2026 en 2027 wordt er per jaar € 1 mln. aan het bestaande budget toegevoegd zonder dat dit is gemotiveerd. Waarom wordt niet gemotiveerd dat in deze beleidsplan periode het bedrag van € 3 mln wordt verdubbeld naar € 6 mln terwijl er sprake is van grote tekorten in de jaren 2026 en 2027. C. Komen onderhavige uitzettingen in de jaren 2025 – 2027 niet in aanmerking voor de integrale discussie van ombuigingsscenario’s in de eerste maanden van 2024? Antwoord: A. Dit wordt gezien als een noodzakelijkheid/onvermijdelijkheid en niet als een wens. Overigens is de verhoging van de investeringsruimte met € 1 miljoen al begroot voor 2024. De ermee gemoeide hogere kapitaallasten zijn begroot vanaf 2025. B. Er wordt voorgesteld om het jaarlijks beschikbare investeringsgeld van € 3 miljoen te verhogen met € 1 miljoen naar € 4 miljoen per jaar.
Dat betekent een extra investering van € 1 miljoen in 2024, waarvan een kapitaallast gaat lopen vanaf 2025 van ca. € 58.000 gedurende 25 jaar. In 2025 wordt opnieuw een extra bedrag geïnvesteerd van € 1 miljoen. Dat betekent dat er vanaf 2026 een nieuwe kapitaallast gaat lopen van ca. € 58.000 gedurende 25 jaar. Enzovoort. De verhoging blijft dus beperkt tot een structureel bedrag van in totaal € 4 miljoen per jaar. C. Op dit moment zijn de scenario’s nog niet uitgewerkt, maar er zal breed worden gekeken.
VERVOLGVRAAG: A. In deze beleidsplan periode wordt over de periode 2025 – 2027 1 miljoen per jaar extra aan onderhoud en investeringen uitgegeven (3 maal 1 mljoen) terwijl er al 3 miljoen per jaar beschikbaar is. Er wordt als antwoord gegeven dat deze 3 mln euro extra (voor 3 jaar) onvermijdelijk is, terwijl in de tekst staat “wij stellen voor…”. Waarom is dit niet een keus gezien het feit dat we gewoon het geld op dit moment niet hebben en zwaar in het rood zitten in de jaren 2026 en 2027. Je kunt het geld toch niet uitgeven als je het niet hebt? B. Er is dus al € 3 miljoen investeringsgeld per jaar beschikbaar voor de ingroei. De uitzetting naar verolgens 4 miljoen per jaar is per jaar 1 miljoen meer. Deze uitzetting wordt noodzakelijk/oververmijdelijk gezien. Als deze extra uitgaven van totaal 3 miljoen over de beleidsplan periode tot 2027 als onontkoombaar beschouwd zou moeten worden dan moet het ook duidelijk voor de gemeenteraad zijn waar we deze extra miljoenen precies aan gaan uitgeven zodat wij transparant een keus kunen maken. Dit mede gelet op onze financiele situaltie. Daarom de vraag om een overzicht van concrete uitgaven zodat wij tot een goede afweging kunnen komen. Antwoord A.
Zoals in de Programmabegroting is opgenomen, is door de gemeenteraad ingezet op het inhalen van achterstanden en vast te houden aan de kwaliteit ‘Gemiddeld Basis’ voor onze kapitaalgoederen (Nota Openbare Ruimte 2020-2025). De afgelopen jaren zijn de prijzen in de weg- en waterbouw flink gestegen (circa 25% vanaf 2020) en daarnaast zijn de constructie-eisen verder toegenomen. Bij het vervangen van wegen, bruggen en kades zien we de investering dan ook flink toenemen. Om dezelfde hoeveelheid werk te kunnen blijven uitvoeren is € 1 miljoen per jaar extra (vanaf 2024) structureel nodig. Deze stijging wordt als noodzakelijk/onvermijdelijk gezien, want anders worden de opgaven niet gehaald en lopen de achterstanden verder op. Uiteindelijk leidt het tot uitputting van de kapitaalgoederen, doordat noodzakelijke vervangingen worden uitgesteld. Dat brengt risico’s met zich mee qua veiligheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid en zorgt voor klachten/meldingen. De verwachting is dat de opgaven de komende jaren blijven toenemen, gezien de leeftijd van een aantal kapitaalgoederen binnen de weg- en waterbouw. B. Jaarlijks wordt een lijst van investeringswerken opgesteld en vastgesteld door het college, waarbij de gemeenteraad actief wordt geïnformeerd. De keuzes die hierin worden gemaakt, gebeuren op de wijze van ‘Asset Management’.
Hierbij wordt afgewogen op kosten, prestaties en risico’s, door onder andere de risicomatrix toe te passen. Hiermee ligt er jaarlijks een gedegen voorstel om de huidige € 3 miljoen vrij te maken voor de daadwerkelijke uitvoering. De werken waaraan de investeringsmiddelen van 2022 en 2023 zijn (of nog worden) besteed, komen structureel terug in de bestuursrapportages om de gemeenteraad op de hoogte te houden van de voortgang. Voor de komende jaren (2024-2028) staan er ook nog veel investeringswerken (vervangingen) op de voorlopige planning. Hierbij kan gedacht worden aan: buitenhaven Makkum, Houkeslootsteiger Sneek, diverse kademuren in de gemeente, kades Kleine en Grote Dijlakkers Bolsward, verschillende wegen in Arum, Easterwierrum, Exmorra en IJlst en de stadsrondwegen in Sneek. De lijst zal de komende jaren verder aangevuld worden met noodzakelijke vervangingen en renovaties. Zo wordt de lijst bijvoorbeeld aangevuld met te vervangen bruggen, zodra de bruggeninspectie eind 2023 is afgerond. Met de huidige lijst ligt er al een opgave van (naar schatting) € 26 miljoen. Daar komen dus nog werken bij, maar natuurlijk wordt er ook gezocht naar slimme oplossingen en combinaties (werk met werk maken, subsidies, etc.).
4
Pagina 70 Loonsomontwikkeling aanvulling 2023 Gemiddeld zien gemeenteambtenaren hun loon dit jaar met 9 procent stijgen; medewerkers in de laagste salarisschalen gaan er circa 13 procent op vooruit, hun collega’s in hogere schalen gaan er zo’n 7 procent op vooruit. (Bron Binnenlands Bestuur 5 april 2023). Verder daalden de premies voor de werkgever in 2023. De gemeenten betalen in 2023 ongeveer 1,5% minder werkgeverspensioenpremie dan in 2022. Dit komt vooral omdat de VPL premie van 3% is komen te vervallen (Bron ABP 24 november 2022). Ook zijn de franchise bedragen verhoogd. Kortom naast de cao stijging van 9% is sprake van een substantiële daling van werkgeverspremie. Zeg min 1,5%. Dat maakt dat er over de breedte sprake zou zijn van een loonsomstijging van ongeveer 7,5% (9,0 – 1,5)/ Op pagina 69 van de begroting is een tegenvaller van € 5,3 mln. vermeld. Oorzaak is een stijging van de loonsomontwikkeling van 10,5%. Dat is een verschil van ongeveer 3% (10,5 - 7,5) wat overeenkomt met een bedrag van ongeveer € 2,2 mln. structureel. A. Het berekende percentage is 10,5 procent. Kunt u dit gedetailleerd analyseren op grond van de cao stijging en daling werkgeverspremie in 2023? Kortom graag uitsplitsen op cao en premie niveau? B. Als sprake is van een daling van de werkgeverspremies van -1,5% dan zou de cao stijging 12% moeten zijn om uit te komen op netto 10,5% uit te komen.
Hoe verklaart u dit hoge percentage van 12%, want daar is als uitkomst van de cao geen sprake van. C. Kunt u de gedetailleerde berekening verstrekken van de uitkomst van € 5,3 mln. D. Hoe hoog was het salarisbedrag in de vorige begroting waarmee is vergeleken. Waar kunnen wij dat terug vinden? E. De uitkomst van het salarissysteem is vergeleken met de begroting zo staat geschreven. Kan het zo zijn dat door actuele formatieve / personele uitbreidingen het salarissysteem “vervuild en opgeplust” is en niet 1:1 goed vergeleken kan worden met de begroting van vorig jaar? Uitbreidingen in de formatie dienen namelijk anderszins en separaat financieel gedekt te worden en dienen uiteraard niet via deze weg (als verschil) gecompenseerd te worden. F. Hoe verklaart u dat de 10,5% stijging 3% meer is dan de bovengenoemde 7,5%. G. Ook bij andere gemeenten is sprake van dezelfde cao en werkgeverspercentages. Stijgingen in de loonsompercentages als gevolg van deze ontwikkelingen zullen bij andere gemeenten grotendeels overeenkomen. Kunt u voor ons nagaan wat de percentages zijn die de gemeenten Heerenveen, Leeuwarden en Smallingerland hanteren voor de loonsomstijging als gevolg van mutaties in beide onderdelen? Antwoord: A. De gehanteerde percentages betreffen een algemene inschatting en geen individuele herrekening per persoon.
Naast een kale salarisverhoging wordt rekening gehouden met: - cao nabetalingen welke een jaar later pensioengevend zijn (Cao nabetaling 2021/2022 werd in 2023 pensioengevend en aanvullend geconfronteerd met een stijging van de pensioenpremie), - individuele salariseffecten (promoties/periodieken) en doorwerking in salaristoeslagen Hieronder een specificatie op hoofdlijnen: Salarisstijging (salaris, IKB en toeslagen) + werkgeverspremies: 10,5% loonsomstijging (9% cao stijging + 1,5% m.b.t. stijging pensioenpremies en pensioengevende cao nabetaling 2021/2022 en pensioengevende promoties en periodieken) Reeds begroot: 3% salarisstijging en 0,5% stijging sociale lasten = 3,5% Nog op te nemen: 7% In de begroting 2023 is al rekening gehouden met het vervallen van de VPL-premie van 3%, derhalve is er hierdoor geen daling van de werkgeverspremies in onze begroting. De pensioenpremies (OP/NP) 2023 zijn t.o.v. 2022 gestegen met 1,56% (2022: 17,97%; 2023: 19,53%), met deze verhoging is in de begroting 2023 geen rekening gehouden. B. Aangezien wij in de begroting 2023 al rekening hebben gehouden met het vervallen van de VPLpremie, maar niet met de stijging van de pensioenpremies, komen wij per saldo uit op een stijging werkgeverspremies van 1,5 %. Loonsomstijging wordt dan 9% + 1,5% = 10,5%.
C. Zie onderstaand overzicht: Loonsom begroting 2023 peildatum 1 juli 2022 (zie tabel Bedrijfsvoering pagina 109) Af: Raad en B&W
72.870.690 is incl. 3% loonsomstijging en 0,5% sociale lasten stijging -1.521.494 71.349.196
Loonsom o.b.v. 10,5% loonsomstijging Bij: Loonsomstijging nagekomen Actualisatie begroting 2023 m.b.t. personele inzet € 1,7 mln.
76.544.526 119.000 (7% van € 1,7 mln.) 76.663.526
Tekort
5.314.330 mln.
D. Er is vergeleken met loonsom begroting 2023 vlg. tabel bij paragraaf Bedrijfsvoering (pg. 109 Programmabegroting 2024). Loonsom begroting 2023 € 72,8 mln. -/- € 1,5 mln. (Raad en B&W) = € 71,3 mln. E. Uitbreidingen in de formatie worden inderdaad uit andere financiële middelen gedekt en zijn derhalve al in mindering gebracht op de loonsom van 2023 en 2024. De vermelde loonsom 2023 en 2024 vlg. tabel paragraaf Bedrijfsvoering (pg. 109 Programmabegroting 2024) is dan ook exclusief deze financiële middelen/ dekking. F. In de begroting 2023 is al rekening gehouden met het vervallen van de VPL-premie van 3%, derhalve hierdoor geen daling van de werkgeverspremies in onze begroting, maar per saldo een stijging van 1,5% door stijging werkgeverspensioenpremies. Hierdoor loonsomstijging van 9% (cao) + 1,5% (werkg.pens.pr.) = 10,5%. G. De andere vergelijkende gemeenten hebben in hun begroting (loonsom) nog geen rekening gehouden met het vervallen van de VPL-premie van 3% en hebben daardoor een lagere loonsomstijging dan ons. Om onze loonsomstijging van 10,5% te vergelijken met die van de andere gemeenten dienen we de 3% vervallen VPL-premie in mindering te brengen. Dan zou onze loonsomstijging uitkomen op 7,5% (inclusief 0,5% sociale lasten). Gemeente Smallingerland hanteert een totale loonsomstijging van 7,8%. Gemeente Leeuwarden hanteert een totale loonsomstijging van 7%.
Gemeente Heerenveen heeft geen totale loonsomstijging aangegeven. Zij hielden in de primitieve begroting rekening met 3,6% (wij met 3,5%) en hebben aanvullend de cao-verhoging met stijging van premies doorberekend wat dit extra zou kosten. Dat bedrag is in zijn geheel verdeeld over de budgetten van de afdelingen. Eventuele afwijkingen hierop worden meegenomen in de najaarsnota. Wij hebben hiervan derhalve geen percentage loonsomstijging. VERVOLGVRAAG: A. In juli 2022 zijn de premieprognoses van het ABP bekend geworden. Nu blijkt, dat wel de verlaging van 3% m.b.t. de VPL premie is meegenomen, maar de stijging van de pensioenpremie niet. We moeten daarvoor nu extra 1,5% ramen zo blijkt. Waarom is vanuit de prognoses van het ABP wel rekening gehouden met een verlaging en niet de verhoging? Kan dat uitgelegd worden? B. Voor 2024 wordt m.b.t. de lonen een loonsomontwikkeling een verhoging van 4,0% verwacht in verband met de nieuwe cao. Voor de sociale premiedruk is geen mutatie opgenomen. Deze is dus 0% Volgens de prognose van het ABP daalt de premie van het ouderdoms- en nabestaanden pensioen met 0,9%. Waarom wordt niet rekening gehouden met een mutatie in de sociale premiedruk voor 2024 mede gezien de prognose van het ABP? Antwoord A.
Op het moment van opmaken van de begroting 2023 (loonsom peildatum 1-7-2022) was al wel bekend dat de VPL-premie zou komen te vervallen, maar nog niet wat de totale sociale premiedruk zou worden (incl. pensioenpremies), derhalve alleen rekening gehouden met het vervallen van de VPLpremie van 3%.
B. De verwachte loonsomontwikkeling van 4% voor 2024 is incl. de sociale premiedruk. Wij hebben de inflatieverwachting loonontwikkeling van het CPB gehanteerd van 4,8% voor 2024 (https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Raming-Centraal-Economisch-Plan-CEP2023-Verdieping.pdf). En daarnaast rekening gehouden met een verlaging van de sociale premiedruk van 0,8% (vnl. OP/NP premie). 5
Pagina 54 begroting 2023 Correctie loon- en prijsstijgingen 2024 – 2027 Vorig jaar is in de begroting met ingang van 2024 bijna € 1,8 mln structureel geraamd oplopend naar € bijna € 5,3 mln. structureel in 2026. Deze bedragen zijn opgenomen om in de toekomst de werkelijke loon- en prijsstijgingen op te kunnen vangen en daarnaast ook onze budgetten te kunnen indexeren. In de begroting 2024 zijn de loon- en prijsontwikkelingen voor 2024 nu reeel geraamd zijn de vragen: A. Kan de post uit de begroting 2023 voor het jaar 2024 nu niet vrijvallen als de LPO-indexen reeel zijn opgenomen? B. Zo nee, waarom niet? C. Zo ja, op welke wijze zijn deze dan ingezet en valt dat te constateren? D. Zoals eerder geschreven zijn de financiele vooruitzichten op dit moment niet positief. Kunnen we de vorig jaar opgenomen bedragen voor 2025 en 2026 van € 1,760 mln per jaar (totaal dus € 3,520 mln.) niet laten vrijvallen in afwachting van te ontvangen LPO middelen van het rijk in de komende gemeentefondscirculaires? Wat is daar op tegen als we er anders nu al concreet voor zouden moeten bezuinigen? Antwoord: A. Nee B. Omdat deze posten bij de septembercirculaire 2022 zijn vervallen. Zie daarvoor de notitie septembercirculaire 2022 (blz 3. Het kopje: Aangepaste werkwijze aftrek loon- en prijsstijgingen) C. Zie antwoord vraag B D. Zie antwoord vraag B VERVOLGVRAAG: A.
Bij antwoord B wordt geschreven dat “dat deze posten bij de septembercirculaire 2022 zijn vrijgevallen”. Wij lezen in de notitie wel een beschrijving van een nieuwe werkwijze, maar constateren niet een vrijval of anderszins een berekening in die notitie. Bovendien heeft de gemeente raad in november 2022 volgend op de septembercirculaire de begroting 2023 aangenomen met de correctie van de loon- en prijsstijgen oplopend naar € 5,280 miljoen nadeel in 2026. Hoe dit nu precies zit is ons onduidelijk. Derhalve een brede uitleg hoe dit zit en waar we kunnen lezen en constateren dat bedragen zijn vrijgevallen of anderszins. B. Hoe zijn de bedragen op pagina 52 in de begroting 2023 nu precies geraamd. Zijn dit stelposten? En waar zijn deze voor de jaren 2024 e.v. geraamd. C.(zie ook vraaag A) In antwoord op een eerdere vraag (9) wordt de methode uitgelegd met welke loon- en prijsstijgen er rekening gehouden. Deze zijn gebaseerd op het CEP. Nu er binnen het gemeentefonds dus al rekening is gehouden met deze reele percentages hoe zit het dan met die risico-opslag van vorig jaar oplopend naar € 5,280 mln en waartoe de raad in november jl heeft besloten. De bedoeling was om ruimte in de toekomst te creeren om onze werkelijke loon- en prijsontwikkeling op te kunnen vangen. Dat is toen zo beschreven. Graag brede uitleg?
Antwoord A. De correctie van de loon- en prijsstijgen oplopend naar € 5,280 miljoen nadeel in 2026 was een negatieve stelpost omdat we ervan uitgingen dat de loon-en prijs compensatie van het Rijk (tegen PBBP) in die jaren ontoereikend zou zijn voor de werkelijke verwachte loon- en prijstijgingen in die jaren. Dit kwam tot uiting in de aftrek van lopende naar constante prijzen: deze was te laag. Daarom hebben we een extra aftrek gedaan om tot de werkelijk door ons ingeschatte noodzakelijke aftrek van lopende naar constante prijzen te komen. Dat was de systematiek zoals we die in de meicirculaire 2022 hebben toegepast. Bij de septembercirculaire 2022 heeft LIAS/Pauw haar berekenigssystematiek van de Loon- en Prijscompensatie aangepast. In onze notitie septembercirculaire 2022 hebben wij daarover de volgens tekst opgenomen: “Lias-Pauw heeft haar berekeningswijze opnieuw tegen het licht gehouden en heeft er nu bij de septembercirculaire 2022 voor gekozen om niet langer de (te lage) prijsmutatie PBBP in haar applicatie te verwerken als correctie van lopende naar constante prijzen. In plaats daarvan corrigeert zij met ingang van de septembercirculaire 2022 wat de gemeenten via het loon- en prijsaccres (LPO) voor de loon- en prijsontwikkeling gecompenseerd krijgen.
Dit percentage sluit veel beter aan bij de huidige werkelijkheid en komt ook bijna overeen met de PBBP + 1% die wij in de meicirculaire 2022 hebben gehanteerd.”
Het gevolg van deze wijziging was dat de totale berekende uitkomsten tegen constante prijzen nu wel juist (tegen LPO uit de CEP berekeningen) uit de Pauw applicatie kwamen. In het totale bedrag dat wij aan inkomsten uit de algemene uitkering hebben opgenomen in de notitie septembercirculaire 2022 zat dus al de hogere, werkelijk door ons verwachte, aftrek van lopende naar constante prijzen verwerkt. Het voordeel dat hierdoor t.o.v. de meicirculaire is onstaan maakt onderdeel uit van het totaal vrij besteedbare extra budget AU uit onderstaande tabel (te vinden in onze notitie septembercirculaire 2022 op blz 7).
Tabel 5 Vrij besteedbaar deel Septembercirculaire 2022 Septembercirculaire 2022 t.o.v. begroting 2023 (tabel 2) Taakmutaties (tabel 3) Correctie fout WOZ Totaal vrij besteedbare extra budget AU:
2022
2023
2024
2025
2026
5.035.117 -5.027.000
2.127.786 -290.000 -1.232.000 605.786
1.829.944 -240.000 -1.232.000 357.944
1.827.611 -75.000 -1.232.000 520.611
7.829.353 -75.000 -1.232.000 6.522.353
8.117
B. Voor 2023: Zie bijlage H. van de Programmabegroting 2023. Het Meerjarenoverzicht algemene uitkering geeft aan hoe de omvang van de algemene uitkering is berekend. Bij onderdeel G staan de ‘Aanvullingen van de gebruiker’. De totaalbedragen zoals hier opgenomen, zijn ook de totalen aan algemene uitkering die zijn begroot in de Programmabegroting 2023. Voor 2024: Zie bijlage G. van de Programmabegroting 2024. Het Meerjarenoverzicht algemene uitkering geeft aan hoe de omvang van de algemene uitkering is berekend. Bij onderdeel G staan de ‘Aanvullingen van de gebruiker’. De totaalbedragen zoals hier opgenomen, zijn ook de totalen aan algemene uitkering die zijn begroot in de Programmabegroting 2024. Het onderdeel ‘correctie voor loon- en prijsstijgingen’ is in 2024 vervallen als Aanvulling van de gebruiker, omdat hier in de basisopzet van de berekening van de algemene uitkering al rekening mee is gehouden. C. Zie ook antwoord A. Aanvullend daarop: het was inderdaad bij de Meicirculair 2022 de bedoeling om ruimte in de toekomst te creëren om onze werkelijke loon- en prijsontwikkeling op te kunnen vangen. Dit was echter niet meer nodig bij de Septembercirculaire 2022 omdat de bedragen toen aansloten bij de werkelijk verwachte loon- en prijstijgingen voor de komende jaren. 6
Pagina 77 Indexatie overige inkoopbudgetten Gemeenten worden via het accres Gemeentefonds gecompenseerd voor loon- en prijsontwikkelingen. De indexen die het rijk m.b.t. de prijzen gebruikt zijn: “Prijzen netto materiele consumptie” en “Prijzen overheidsinvesteringen”. In de meicirculaire 2023 zijn voor 2024 de percentage’s 3,9% en 1,6% vermeld. De verdeling is 50% - 50% wat neer komt op een gemiddelde van 2,75%. Het was in het verleden gebruikelijk om aan te sluiten bij de systematiek die in de meicirculaire werd vermeld.
A. Waarom wordt niet aangesloten bij de systematiek van het rijk voor de vergoeding van inflatie. Dit komt neer op 2,75% in plaats van het BBP-indexcijfer van 3%? B. Waarom compenseert onze gemeente 0,25% meer dan wij van het rijk ontvangen gezien onze financiele vooruitzichten? C. Wij lezen op meer plekken in de begroting dat sprake is van 3% prijsstijging. Bijvoorbeeld pagina 38. Indien over de hele linie in de begroting m.b.t. deze budgetten wordt uitgegaan van 2,75% in plaats van 3%, wat is dan het bedrag aan minder kosten? Antwoord: A. Wij hanteren al jaren in de begroting het BBP-indexcijfer als uitgangspunt. Ook voor de Programmabegroting 2024 is uitgegaan van dit cijfer. B. Zie antwoord vraag A. In het verleden is gekozen voor het BBP-indexcijfer. Dat is nu ook gehanteerd. C. Het indexatiepercentage van 3% is gehanteerd bij de indexatie van subsidiebedragen, de indexatie van onderhoudsbudgetten kapitaalgoederen en de indexatie van overige inkoopbudgetten. Het bedrag aan minderkosten voor deze onderdelen wanneer in plaats van 3% wordt uitgegaan van 2,75% is ongeveer € 142.000 (ca. € 12.000 subsidiebedragen + ca. € 50.000 kapitaalgoederen + ca. € 80.000 inkoopbudgetten). De overige indexaties hebben afwijkende/eigen percentages. Ook aan de inkomstenkant rekenen we met het indexcijfer BBP.
Voor een eerlijke vergelijking zou ook de indexatie van de belastingsoorten dan verlaagd moeten worden met 0,25%. Dat geeft een nadeel van ca. € 57.000. Per saldo dus een voordeel van € 85.000. VERVOLGVRAAG: A. Met betrekking tot de antwoorden A en B wordt geschreven dat in het verleden is gekozen om BBPindexcijfer. Het feit dat in het verleden is gekozen voor het BBP wil o.i. niet zeggen dat de gemeente dat tot in lengte van dagen moet blijven doen. Integendeel. In de notitie over de uitkomsten van de septembercirculaire 2022 is uitgelegd dat ook LIAS niet meer uitgaat van de prijsmutatie PBBP, omdat het niet aansluit bij de huidige werkelijkheid. Als dit percentage niet aansluit bij de huidige werkelijkheid, waarom blijven wij dat aan de uitgaven kant wel hanteren? B. In relatie en aanvulling op bovenstaande vraag, vragen we waarom niet aangesloten wordt op de systematiek van het rijk en de percentages die wij zelf hanteren voor de opschoning van lopende naar constante prijzen (zie tabel CEP antwoord vraag 9 eerdere vraag). Waarom maken we een onderscheid en vergoeden we het BBP percentage voor de inkoopbudgetten e.d. Als we aansluiten op de percentages van het CEP waarmee we zelf het gemeentefonds schonen dan onstaat er toch veel meer duidelijkheid? Graag een gemotiveerd antwoord.
C. Welke percentages worden nu in de begroting gehanteerd, zowel voor compensatie van de inkomsten als uitgaven (gesubdisieerde instellingen e.d.) Kan daar een overzicht van worden gemaakt? Waarom niet meer eenduidigheid?
ANWOORD A. In het verleden is hiervoor gekozen. Het is dus een bestendige gedragslijn om dit te blijven hanteren. Dat wil inderdaad niet zeggen dat dit nooit heroverwogen kan worden. In de Septembercirculaire 2023 heeft het Rijk aangegeven om vanaf 2027 de algemene uitkering te indexeren met de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp). Ons inziens is het dan logisch om ook aan de uitgavenkant dit indexcijfer te (blijven) gebruiken. Tekst uit de Septembercirculaire: Het kabinet heeft, als uitwerking van het coalitieakkoord, besloten dat het gemeente- en provinciefonds vanaf 2027 geïndexeerd worden op basis van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp). Uitgangspunt is dat de fondsen (gemeente- en provinciefonds) meerjarig de ontwikkeling van het nominaal bbp volgen. De volumeontwikkeling van de fondsen wordt gebaseerd op het 8-jarig historisch gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp, waardoor de fondsen minder schommelen. De indexatie voor inflatie volgt de prijs van het bbp van het lopende jaar, waardoor de fondsen reëel ‘op niveau’ blijven. B. Zie antwoord op vraag A. C.
Inkomsten Algemene uitkering - WSW loon- en prijsindexatie - Loon- en prijsbijstelling 2023 overige participatie - Loon- en prijsstijgingen (algemeen) - Loon- en prijsbijstelling Jeugdzorg - Loon- en prijsbijstelling Voogdij 18% Algemene Belastingsoorten - (OZB, forensen, precario, RZB) Afvalstoffenheffing Rioolheffing Uitgaven Indexatie subsidiebedragen - Zonder looncomponent - Met looncomponent Stichting Sociaal Collectief Centrumregeling Sociaal Domein Fryslân (SDF) Sociaal Domein - Wmo HH - Wmo Begeleiding - Wmo hulpmiddelen - Wmo taxivervoer - Leerlingenvervoer - Jeugd Energieprijzen Bijdrage Gemeenschappelijke Regeling FUMO Onderhoudsbudgetten kapitaalgoederen Investeringen kapitaalgoederen Loonsom - Loonsom 2023 - Loonsom 2024 Bijdrage Gemeenschappelije Regeling Veiligheidsregio Indexatie overige inkoopbudgetten - kostencategorie inhuur derden - alle overige inkoopcategorieën
Bedragen volgens uitkomsten LIAS/Pauw. Hier zijn geen percentages aan te koppelen. 7% (3% BBP + correctie 2023) 6,4% (waaronder 3% voor indexatie kosten + loonkosten conform begroting) 7,7% (waaronder 3% voor indexatie kosten + loonkosten conform begroting)
3% (conform BBP) 7,4% (0,45 x 3% + 0,55 x (7% + 4%)) o.a. inclusief deel CAO-stijging o.a. inclusief deel CAO-stijging (5%) O.b.v. contractuele verplichting: 0,00% correctie 2023 + 10,00% voor 2024 1,83% correctie 2023 + 4,94% voor 2024 10,20% correctie 2023 + 3,10% voor 2024 8,10% correctie 2023 + 5,00% voor 2024 8,10% correctie 2023 + 5,00% voor 2024 2,09% correctie 2023 + 4,94% voor 2024 O.b.v. inschatting inkoopprijzen Incl. indexering conform begroting GR 3% (conform BBP) Ook onder andere agv prijsstijgingen 3,5% al in PB2023 + 7,0% inhaalslag 4,0% inschatting Incl. indexering conform begroting GR 10% 3% (conform BBP)
We proberen zo veel mogelijk aan te sluiten bij het indexcijfer BBP, maar we hebben te maken met verschillende CAO’s met verschillende loonsomontwikkelingen. Ook bestaan er diverse indexatiecijfers, voor diverse sectoren. We hebben verschillende contracten waarin verschillende indexatiepercentages zijn vastgelegd. We kunnen daarom niet overal hetzelfde percentage hanteren.