CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

TV CIE PvdA - antwoorden I deel I

Raadsvergadering 2 november 2023, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Programmabegrutting 2024 en mearjierrenrûzing 2025-20274.003 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener

Johan Feenstra

Fractie

PvdA

Commissievergadering DSO, BM, BF Datum 17, 18, 19 oktober 2023 Agendapunt Onderwerp 1.

Begroting 2024

Pag. 77 Renteontwikkelingen. Veel gemeenten zijn de afgelopen jaren langlopende geldleningen aangegaan of hebben deze overgesloten vanwege de lage rentepercentages. Sinds een poosje stijgt de rente weer en wordt een tegenvaller van € 750.000 structureel opgevoerd. Op pagina 77 is geschreven “De afgelopen jaren hebben wij kunnen profiteren van de daling van onze rentelasten”. Daarover de volgende vragen: A. Hoeveel hebben wij de afgelopen jaren kunnen profiteren van de daling van de rentelasten? Graag een overzicht van de laatste 5 jaren van rente-voordelen die ten gunste van de financiele positie zijn gebracht met daarbij per jaar de pagina in de begroting waar de meevallers te lezen zijn. B. Er wordt direct per ingang van 1 januari a.s. een tegenvaller van € 750.000 opgevoerd. Wanneer worden de leningen herzien of nieuwe middelen aangetrokken? C. Voor welk bedrag wordt tot (her)financiering over gegaan? D. Vorig jaar was de prognose in de begroting (pagina 86) nog dat er tot 2026 jaarlijks gemiddeld € 1,75 mln aan langlopende leningen moest worden afgesloten. Nu is de prognose dat dit vanaf 2024 tot en met 2027 gemiddeld € 15 mln per jaar is. Waar komen deze grote verschillen vandaan? Graag oorzaken vermelden. E. Op pagina 103 is vermeld dat we in de begroting jaarlijks voor de nieuw af te sluiten langlopende leningen uitgaan van een rentelast van 3,65% oplopend tot 3,8%.

Wordt er nu door het opvoeren van een tegenvaller van € 750.000 uitgegaan van een nog hoger percentage dan vermeld? En zo ja: van welk percentage? F. Met welk rentepercentage houden wij in de begroting rekening als we investeringen kapitaliseren? Is dat het omslagpercentage van slechts € 1,51%. G. Is het een (creatief) idee om de nieuwe investeringen te belasten met een hoger rentepercentage dan de (omslag) rente (van 1,51%), zodat er dekking vanuit de exploitatie plaats vindt en de tegenvaller van € 750.000 gereduceerd kan worden? H. Is er in het verleden naar uw mening voldoende geanticipeerd op de lage rentestanden zodat ook voor de toekomst de rentekosten laag gehouden konden worden? Antwoord: A. Het voordeel van ontvangen rentegelden op kortlopende leningen is als volgt: Jaar

Ontvangen rentegelden

2018 2019 2020 2021 2022

68.000 40.000 14.000 23.000 45.000

Bovenstaande bedragen zijn de daadwerkelijke renteontvangsten van kortlopende leningen die wij in die jaren hebben afgesloten, deze jaren konden wij profiteren van negatieve rentepercentages. Ter vergelijking met de rentepercentages van de langlopende leningen die wij in 2018 en 2019 en 2023 hebben afgesloten het volgende: Maart 2018 Langlopende lening voor 20 jaar tegen rentepercentage 1.348% Maart 2018 Langlopende lening voor 5 jaar tegen rentepercentage 0.150% April 2019 Langlopende lening voor 25 jaar tegen rentepercentage 0.987% April 2019 Langlopende lening voor 5 jaar tegen rentepercentage 0.095% -/(dus zelfs negatieve rente op langlopende geldlening) Juni 2023 Langlopende lening voor 20 jaar tegen rentepercentage 3.247% Juni 2023 Langlopende lening voor 10 jaar tegen rentepercentage 3.080% Als we nu een langlopende lening willen afsluiten is het rentepercentage 3.550% Het verloop van de rentelasten is elk jaar in de paragraaf Financiering beschreven. Bij kortlopende leningen hebben we dus echt inkomsten ontvangen. Bij de langlopende leningen zit het voordeel vooral in lagere lasten. De lagere rentelasten als gevolg van aflossingen van langlopende leningen zijn steeds al meegenomen in de meerjarenramingen. Bij het afnemen van de rentelasten ontstaat in de begroting dus niet ineens een voordeel, omdat dat verloop al is begroot.

Het aantrekken van nieuwe leningen geeft wel meteen een hogere rente/aflossingslast, omdat dat niet is begroot. Omdat we tussen april 2019 en juni 2023 geen nieuwe langlopende leningen hebben aangetrokken, is dit de afgelopen jaren beperkt gebleven. Nu hebben we te maken met een stevige verhoging van de rentelasten, vanwege de combinatie van een hoge financieringsbehoefte en een hoge rentestand. B. Leningen worden niet herzien, kortlopende leningen worden aangetrokken indien de gemeente niet meer in de liquiditeitsbehoefte kan voorzien en langlopende leningen worden aangetrokken indien 2 kwartalen achterelkaar het kredietlimiet wordt overschreden (wet FIDO). C. Gemeente Súdwest-Fryslân doet niet aan herfinancieren. D. Deze toename komt door: lopende investeringen en nieuwe investeringen, indexatie, verlaging gemeentefonds, en voorfinanciering uitgaven vluchtelingen Oekraïne. E. Nee, onze huisbankier BNG heeft voorgerekend dat vanaf 2024 voor een langlopende lening van 25 jaar lineair een rentepercentage wordt toegepast van 3,65% en de jaren erna is dat een schatting. F. Dat klopt. Bij het activeren gebruiken we in 2024 de omslagrente van 1,51%. G. De tegenvaller van € 750.000 is de werkelijke hogere rentelast die we verwachten. Dit wordt dan onderdeel van de totale rentelasten. Die totale rentelasten rekenen we toe aan de boekwaardes van investeringen via de omslagrente.

Dit is alleen maar een verdeling van de rentelasten. Per saldo is de doorrekening budgettair neutraal. De toerekening en de tegenpost zijn in evenwicht. Dus wat uiteindelijk op de begroting drukt zijn/blijven de werkelijke verwachte rentelasten. Meer rente toerekenen aan nieuwe investeringen past niet in onze systematiek, omdat we consequent de omslagrente hanteren. Wat wel mogelijk zou zijn (maar niet ons beleid is), is specifieke projectfinanciering aantrekken voor nieuwe investeringen. Daar kun je dan een ander percentage aan toe rekenen, maar ook daar staan werkelijke lasten tegenover. Deze nieuwe rentelast + de al bestaande rentelasten geven een gelijke druk op de begroting dan wanneer we de rentelasten als totaal zouden doorrekenen via de omslagrente. Of te wel, je maakt het ene project iets duurder, en het andere wat goedkoper, maar per saldo zijn het dezelfde lasten die je moet verdelen. H. De gemeente gaat pas een lening aan als de noodzaak er is. Er wordt geen lening aangetrokken omdat er in de toekomst mogelijk grote uitgaven komen en de rente op dat moment laag is

(dat is speculeren). In navolging van ons Treasurystatuut is dat ook niet toegestaan (art.3). We hebben dus gedaan wat we konden om de rentelasten zo laag mogelijk te houden. 2.

Pag. 35 Jeugdzorg. Er worden onder punt 4 voordelen voor de jeugdzorg opgevoerd van € 450.000 in 2026 en € 84.000 in 2027. Op pagina 37 is vermeld dat “Deze stelposten zijn voor ons € 450.000 en € 84.000 lager dan tot nu toe bekend was”. De laatste zin suggereert dat er sprake is van een tegenvaller terwijl een meevaller wordt opgevoerd. Kunt u dit uitleggen? Antwoord: Als onderdeel van de totale inkomsten van de Algemene uitkering (zie punt 2 op pagina 75) is dit een nadeel/tegenvaller, omdat de werkelijke toegekende bedragen lager zijn dan de eerder opgenomen stelpost. Omdat we dit zien als een taakmutatie, betekent het dat we deze tegenvaller verrekenen met de budgetten voor de jeugdzorg. Aan de uitgavenkant betekent dit dus minder geld beschikbaar voor jeugd (op dezelfde wijze is er in 2024 en 2025 meer geld beschikbaar is voor jeugdzorg). Minder geld naar jeugdzorg betekent een voordeel voor het algemene deel van de begroting. Oftewel per saldo:

3.

Lagere inkomsten Algemene uitkering (is nadeel in de begroting). Lagere uitgaven begroot bij Jeugdzorg (is voordeel in de begroting). Hierdoor is deze taakmutatie budgetneutraal begroot. Als gevolg zijn wel de budgetten voor jeugdzorg verlaagd.

Pag 38 Indexatie subsidiebedragen 2024 Hierbij is vermeld dat er voor onze eigen organisatie is sprake is van loonsomontwikkeling van 11%. Op grond daarvan komt de voor de loonsomgerelateerde subsidies de compensatie uit op 7,4% Op pagina 70 is echter vermeld dat de werkelijke loonsomstijging 10,5% is. Indien dit percentage wordt gebruikt is sprake van een subisdie compensatie van 7,1%. Een verschil van 0,3%. A. Waarom worden er 2 percentages gehanteerd (11,0% en 10,5%). B. Wat is het juiste percentage dat voor de loonsomstijging gehanteerd moet worden? C. Gezien de financiele vooruitzichten in de toekomst dienen wij scherp aan de wind te varen. Wat is het structurele positieve verschil als in plaats van 10,5% wordt uitgegaan en de index uitkomt op 7,1% in plaats van 7,4%? Antwoord: A. 11% is het verschil tussen de werkelijke loonsomontwikkeling 2023 (10,5%) PLUS de ingeschatte loonsomontwikkeling 2024 (4,0%) MINUS de al voor 2023 opgenomen loonsomontwikkeling van 3,5%. 10,5% is de werkelijke loonsomontwikkeling 2023. B. Er ontbreekt voor 2023 nog 7% (10,5% - 3,5%) en voor 2024 (naar inschatting) nog 4%. Dus er ontbreekt per saldo nog 11%. Hiermee rekenende is het juiste percentage voor de indexatie van loonsom-gerelateerde subsidiebedragen 7,4%. C. 7,1% in plaats van 7,4% zal een verlaging van het indexatiebedrag zijn met ca. € 26.000.

4.

Pagina 57 Stijging energieprijzen De gasprijs is met ongeveer 250% gestegen. De elektraprijs met ongeveer 500% zo wordt geschreven. A. Van welke prijzen wordt nu voor gas (per m3 gemiddeld) en elektra (per kwh gemiddeld) uitgegaan en van welke prijzen in het verleden? B. Voor hoe lang is het inkoopcontract afgesloten en dient een nieuw contract afgesloten te worden? C. Is het reëel te veronderstellen dat de prijzen structureel zo hoog blijven en dat dit een structurele uitzetting van € 1 miljoen rechtvaardigt? En waarop is dat gebaseerd? D. Is een mogelijke daling van de € 1 mln. structureel te verdedigen gezien de mogelijke herziening van contracten op termijn?

Antwoord: A. Elektra: 2022 2023 2024 Gas: 2022 2023 2024

€ 0,04872 per KWh € 0,23532 per KWh Nog niet bekend. (excl. belastingen en leveringskosten) € 0,1686 M³ € 0,4389 M³ Nog niet bekend.

B. Het huidige contract eindigt op 31 december 2023. Voor 2024 is een nieuw contract afgesloten. De definitieve prijzen zijn in december 2023 (pas) bekend. We zijn nog in afwachting van de netbeheerderskosten en belastingen, die worden jaarlijks in december bekend gemaakt. C. De energieprijzen zijn structureel gestegen. Dit komt door oorlog(en), verzwaring van het energienet en hogere belastingen. D. Hier kan geen concreet antwoord op worden geven. We weten niet wat de energiemarkt in de toekomst gaat doen. We verwachten wel een daling van energieverbruik door verduurzaming. 5

Pagina 59 Ingroei Onderhoud en investeringen kapitaalgoederen. Er wordt voorgesteld om het jaarlijkse beschikbare investeringsgeld te verhogen met € 1 mln. naar € 4 miljoen per jaar. Dit betekent in 2025 een structurele uitzetting van € 58.000 in 2025. A. Waarom wordt deze uitzetting al structureel voor 2025 geraamd terwijl nu de begroting 2024 voorligt en het financiele beeld in de toekomst niet rooskleurig is? B. Niet alleen voor het jaar 2025 wordt € 1 mln. extra geraamd maar ook voor de jaren 2026 en 2027 wordt er per jaar € 1 mln. aan het bestaande budget toegevoegd zonder dat dit is gemotiveerd. Waarom wordt niet gemotiveerd dat in deze beleidsplan periode het bedrag van € 3 mln wordt verdubbeld naar € 6 mln terwijl er sprake is van grote tekorten in de jaren 2026 en 2027. C. Komen onderhavige uitzettingen in de jaren 2025 – 2027 niet in aanmerking voor de integrale discussie van ombuigingsscenario’s in de eerste maanden van 2024? Antwoord: A. Dit wordt gezien als een noodzakelijkheid/onvermijdelijkheid en niet als een wens. Overigens is de verhoging van de investeringsruimte met € 1 miljoen al begroot voor 2024. De ermee gemoeide hogere kapitaallasten zijn begroot vanaf 2025. B. Er wordt voorgesteld om het jaarlijks beschikbare investeringsgeld van € 3 miljoen te verhogen met € 1 miljoen naar € 4 miljoen per jaar.

Dat betekent een extra investering van € 1 miljoen in 2024, waarvan een kapitaallast gaat lopen vanaf 2025 van ca. € 58.000 gedurende 25 jaar. In 2025 wordt opnieuw een extra bedrag geïnvesteerd van € 1 miljoen. Dat betekent dat er vanaf 2026 een nieuwe kapitaallast gaat lopen van ca. € 58.000 gedurende 25 jaar. Enzovoort. De verhoging blijft dus beperkt tot een structureel bedrag van in totaal € 4 miljoen per jaar. C. Op dit moment zijn de scenario’s nog niet uitgewerkt, maar er zal breed worden gekeken.

6

Pagina 70 Loonsomontwikkeling aanvulling 2023 Gemiddeld zien gemeenteambtenaren hun loon dit jaar met 9 procent stijgen; medewerkers in de laagste salarisschalen gaan er circa 13 procent op vooruit, hun collega’s in hogere schalen gaan er zo’n 7 procent op vooruit. (Bron Binnenlands Bestuur 5 april 2023). Verder daalden de premies voor de werkgever in 2023. De gemeenten betalen in 2023 ongeveer 1,5% minder werkgeverspensioenpremie dan in 2022. Dit komt vooral omdat de VPL premie van 3% is komen te vervallen (Bron ABP 24 november 2022). Ook zijn de franchise bedragen verhoogd. Kortom naast de cao stijging van 9% is sprake van een substantiële daling van werkgeverspremie. Zeg min 1,5%. Dat maakt dat er over de breedte sprake zou zijn van een loonsomstijging van ongeveer 7,5% (9,0 – 1,5)/ Op pagina 69 van de begroting is een tegenvaller van € 5,3 mln. vermeld. Oorzaak is een stijging van de loonsomontwikkeling van 10,5%. Dat is een verschil van ongeveer 3% (10,5 - 7,5) wat overeenkomt met een bedrag van ongeveer € 2,2 mln. structureel.

A. Het berekende percentage is 10,5 procent. Kunt u dit gedetailleerd analyseren op grond van de cao stijging en daling werkgeverspremie in 2023? Kortom graag uitsplitsen op cao en premie niveau? B. Als sprake is van een daling van de werkgeverspremies van -1,5% dan zou de cao stijging 12% moeten zijn om uit te komen op netto 10,5% uit te komen. Hoe verklaart u dit hoge percentage van 12%, want daar is als uitkomst van de cao geen sprake van. C. Kunt u de gedetailleerde berekening verstrekken van de uitkomst van € 5,3 mln. D. Hoe hoog was het salarisbedrag in de vorige begroting waarmee is vergeleken. Waar kunnen wij dat terug vinden? E. De uitkomst van het salarissysteem is vergeleken met de begroting zo staat geschreven. Kan het zo zijn dat door actuele formatieve / personele uitbreidingen het salarissysteem “vervuild en opgeplust” is en niet 1:1 goed vergeleken kan worden met de begroting van vorig jaar? Uitbreidingen in de formatie dienen namelijk anderszins en separaat financieel gedekt te worden en dienen uiteraard niet via deze weg (als verschil) gecompenseerd te worden. F. Hoe verklaart u dat de 10,5% stijging 3% meer is dan de bovengenoemde 7,5%. G. Ook bij andere gemeenten is sprake van dezelfde cao en werkgeverspercentages. Stijgingen in de loonsompercentages als gevolg van deze ontwikkelingen zullen bij andere gemeenten grotendeels overeenkomen.

Kunt u voor ons nagaan wat de percentages zijn die de gemeenten Heerenveen, Leeuwarden en Smallingerland hanteren voor de loonsomstijging als gevolg van mutaties in beide onderdelen? Antwoord: A. De gehanteerde percentages betreffen een algemene inschatting en geen individuele herrekening per persoon. Naast een kale salarisverhoging wordt rekening gehouden met: - cao nabetalingen welke een jaar later pensioengevend zijn (Cao nabetaling 2021/2022 werd in 2023 pensioengevend en aanvullend geconfronteerd met een stijging van de pensioenpremie), - individuele salariseffecten (promoties/periodieken) en doorwerking in salaristoeslagen Hieronder een specificatie op hoofdlijnen: Salarisstijging (salaris, IKB en toeslagen) + werkgeverspremies: 10,5% loonsomstijging (9% cao stijging + 1,5% m.b.t. stijging pensioenpremies en pensioengevende cao nabetaling 2021/2022 en pensioengevende promoties en periodieken) Reeds begroot: 3% salarisstijging en 0,5% stijging sociale lasten = 3,5% Nog op te nemen: 7% In de begroting 2023 is al rekening gehouden met het vervallen van de VPL-premie van 3%, derhalve is er hierdoor geen daling van de werkgeverspremies in onze begroting. De pensioenpremies (OP/NP) 2023 zijn t.o.v. 2022 gestegen met 1,56% (2022: 17,97%; 2023: 19,53%), met deze verhoging is in de begroting 2023 geen rekening gehouden. B.

Aangezien wij in de begroting 2023 al rekening hebben gehouden met het vervallen van de VPLpremie, maar niet met de stijging van de pensioenpremies, komen wij per saldo uit op een stijging werkgeverspremies van 1,5 %. Loonsomstijging wordt dan 9% + 1,5% = 10,5%. C. Zie onderstaand overzicht: Loonsom begroting 2023 peildatum 1 juli 2022 (zie tabel Bedrijfsvoering pagina 109) Af: Raad en B&W

72.870.690 is incl. 3% loonsomstijging en 0,5% sociale lasten stijging -1.521.494 71.349.196

Loonsom o.b.v. 10,5% loonsomstijging Bij: Loonsomstijging nagekomen Actualisatie begroting 2023 m.b.t. personele inzet € 1,7 mln.

76.544.526 119.000 (7% van € 1,7 mln.) 76.663.526

Tekort

5.314.330 mln.

D. Er is vergeleken met loonsom begroting 2023 vlg. tabel bij paragraaf Bedrijfsvoering (pg. 109 Programmabegroting 2024). Loonsom begroting 2023 € 72,8 mln. -/- € 1,5 mln. (Raad en B&W) = € 71,3 mln. E. Uitbreidingen in de formatie worden inderdaad uit andere financiële middelen gedekt en zijn derhalve al in mindering gebracht op de loonsom van 2023 en 2024. De vermelde loonsom 2023 en 2024 vlg. tabel paragraaf Bedrijfsvoering (pg. 109 Programmabegroting 2024) is dan ook exclusief deze financiële middelen/ dekking. F. In de begroting 2023 is al rekening gehouden met het vervallen van de VPL-premie van 3%, derhalve hierdoor geen daling van de werkgeverspremies in onze begroting, maar per saldo een stijging van 1,5% door stijging werkgeverspensioenpremies. Hierdoor loonsomstijging van 9% (cao) + 1,5% (werkg.pens.pr.) = 10,5%. G. De andere vergelijkende gemeenten hebben in hun begroting (loonsom) nog geen rekening gehouden met het vervallen van de VPL-premie van 3% en hebben daardoor een lagere loonsomstijging dan ons. Om onze loonsomstijging van 10,5% te vergelijken met die van de andere gemeenten dienen we de 3% vervallen VPL-premie in mindering te brengen. Dan zou onze loonsomstijging uitkomen op 7,5% (inclusief 0,5% sociale lasten). Gemeente Smallingerland hanteert een totale loonsomstijging van 7,8%. Gemeente Leeuwarden hanteert een totale loonsomstijging van 7%.

Gemeente Heerenveen heeft geen totale loonsomstijging aangegeven. Zij hielden in de primitieve begroting rekening met 3,6% (wij met 3,5%) en hebben aanvullend de cao-verhoging met stijging van premies doorberekend wat dit extra zou kosten. Dat bedrag is in zijn geheel verdeeld over de budgetten van de afdelingen. Eventuele afwijkingen hierop worden meegenomen in de najaarsnota. Wij hebben hiervan derhalve geen percentage loonsomstijging. 7

Pagina 54 begroting 2023 Correctie loon- en prijsstijgingen 2024 – 2027 Vorig jaar is in de begroting met ingang van 2024 bijna € 1,8 mln structureel geraamd oplopend naar € bijna € 5,3 mln. structureel in 2026. Deze bedragen zijn opgenomen om in de toekomst de werkelijke loon- en prijsstijgingen op te kunnen vangen en daarnaast ook onze budgetten te kunnen indexeren. In de begroting 2024 zijn de loon- en prijsontwikkelingen voor 2024 nu reeel geraamd zijn de vragen: A. Kan de post uit de begroting 2023 voor het jaar 2024 nu niet vrijvallen als de LPO-indexen reeel zijn opgenomen? B. Zo nee, waarom niet? C. Zo ja, op welke wijze zijn deze dan ingezet en valt dat te constateren? D. Zoals eerder geschreven zijn de financiele vooruitzichten op dit moment niet positief. Kunnen we de vorig jaar opgenomen bedragen voor 2025 en 2026 van € 1,760 mln per jaar (totaal dus € 3,520 mln.) niet laten vrijvallen in afwachting van te ontvangen LPO middelen van het rijk in de komende gemeentefondscirculaires? Wat is daar op tegen als we er anders nu al concreet voor zouden moeten bezuinigen? Antwoord: A. Nee B. Omdat deze posten bij de septembercirculaire 2022 zijn vervallen. Zie daarvoor de notitie septembercirculaire 2022 (blz 3. Het kopje: Aangepaste werkwijze aftrek loon- en prijsstijgingen) C. Zie antwoord vraag B D. Zie antwoord vraag B

8

Pagina 77 Indexatie overige inkoopbudgetten Gemeenten worden via het accres Gemeentefonds gecompenseerd voor loon- en prijsontwikkelingen. De indexen die het rijk m.b.t. de prijzen gebruikt zijn: “Prijzen netto materiele consumptie” en “Prijzen overheidsinvesteringen”. In de meicirculaire 2023 zijn voor 2024 de percentage’s 3,9% en 1,6% vermeld. De verdeling is 50% - 50% wat neer komt op een gemiddelde van 2,75%. Het was in het verleden gebruikelijk om aan te sluiten bij de systematiek die in de meicirculaire werd vermeld.

A. Waarom wordt niet aangesloten bij de systematiek van het rijk voor de vergoeding van inflatie. Dit komt neer op 2,75% in plaats van het BBP-indexcijfer van 3%? B. Waarom compenseert onze gemeente 0,25% meer dan wij van het rijk ontvangen gezien onze financiele vooruitzichten? C. Wij lezen op meer plekken in de begroting dat sprake is van 3% prijsstijging. Bijvoorbeeld pagina 38. Indien over de hele linie in de begroting m.b.t. deze budgetten wordt uitgegaan van 2,75% in plaats van 3%, wat is dan het bedrag aan minder kosten? Antwoord: A. Wij hanteren al jaren in de begroting het BBP-indexcijfer als uitgangspunt. Ook voor de Programmabegroting 2024 is uitgegaan van dit cijfer. B. Zie antwoord vraag A. In het verleden is gekozen voor het BBP-indexcijfer. Dat is nu ook gehanteerd. C. Het indexatiepercentage van 3% is gehanteerd bij de indexatie van subsidiebedragen, de indexatie van onderhoudsbudgetten kapitaalgoederen en de indexatie van overige inkoopbudgetten. Het bedrag aan minderkosten voor deze onderdelen wanneer in plaats van 3% wordt uitgegaan van 2,75% is ongeveer € 142.000 (ca. € 12.000 subsidiebedragen + ca. € 50.000 kapitaalgoederen + ca. € 80.000 inkoopbudgetten). De overige indexaties hebben afwijkende/eigen percentages. Ook aan de inkomstenkant rekenen we met het indexcijfer BBP.

Voor een eerlijke vergelijking zou ook de indexatie van de belastingsoorten dan verlaagd moeten worden met 0,25%. Dat geeft een nadeel van ca. € 57.000. Per saldo dus een voordeel van € 85.000. 9

Pagina 142 Algemene uitkering A. Graag ontvangen we dit overzicht met de bijbehorende aantallen over de genoemde jaren 20242027. B. Idem voor de jaarschijf 2023 zoals nu actueel in de begroting 2023 opgenomen? C. Het rijk berekent de algemene uitkering inclusief inflatie op grond van lopende prijzen. Onze gemeente raamt de uitkeringsfactoren 2025-2027 op grond van constante prijzen. Met welke percentage’s voor zowel lonen als prijzen is voor de jaren 2025 – 2027 zijn de uitkeringsfactoren tegen lopende prijzen “geschoond”, om tot constante prijzen te komen? Antwoord: A. Zie de bijgevoegde bijlage “Uitdraai Meicirculaire 2023 met aantallen”. B. Zie A. C. De “opschoning” van lopende naar constante prijzen wordt gemaakt door de uitkeringsfactor te verlagen met: 2025: van 1,4710 naar 1,4170 2026: van 1,4330 naar 1,3350 2027: van 1,4600 naar 1,3250 Deze verlaging is gebaseerd op de volgende percentages:

10

Pagina 109 Opbouw personeel De formatie stijgt in 1 jaar van 901,2 naar 967,9. Een stijging van 66,7 wat neerkomt op ongeveer 7,5%. Kunt u overzicht geven van de functies die het verschil verklaren en op welke wijze dat wordt betaald?

Antwoord: Verklaringen zijn diverse (toenemende) opgaven in het ruimtelijk en sociaal domein, welke doorwerken in de benodigde ondersteuning/bedrijfsvoering. o o o o

Sociaal Domein; Gebiedsteams stijging 16 Fte Met name tijdelijke inzet op Jeugd en WMO. Omgeving – Ruimtelijke ontwikkelingen; stijging 16 Fte Uitbreiding juristen, ondersteuning en advies, BOA’s. Strategie & Programma’s en Projecten; stijging 10 Fte. Functies gericht op aansturing/coördinatie programma’s en gebieden, vakinhoudelijk adviseurs, inzet t.b.v. Fryske Flexpool. Bedrijfsvoeren – stijging 8 Fte. Meer personeel bij Veiligheid, inkoop, communicatie

Daarnaast is er nog een correctie van ongeveer 17 fte aan het licht gekomen (Sociaal Domein), dit werd in september 2022 geconstateerd en in dat jaar gecorrigeerd. In 2021 is er een nieuw HR-systeem in gebruik genomen en bij overgang van het oude naar het nieuwe systeem blijkt achteraf dat de formatie niet goed verwerkt is. Deze formatiecorrectie is daarom nu pas zichtbaar in de formatie begroting 2024. Het aantal formatie fte is inclusief openstaande vacatures en tijdelijke collega’s, maar exclusief inhuur. In de jaarrekening komt de feitelijke bezetting aan de orde. Financering van deze formatie uitbreiding komt deels uit de beschikbaar gestelde middelen voor personele inzet bij de programmabegroting 2022 van € 1,3 miljoen en deels uit de beschikbaar gestelde € 1,7 miljoen voor personele inzet bij Actualisatie programmabegroting 2023. Daarnaast middelen van het Rijk m.b.t. Energietransitie, extra jeugdmiddelen en detacheringsgelden (Fryske Flexpool). Formatiestijging is een landelijke trend binnen gemeenteland: gemiddeld 4% - 7,5% bij gemeenten met 50.000-100.000 inwoners (bron: A&O fonds). De stijging binnen Súdwest-Fryslân is 7,3%.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13357158/1