TV CIE PvdA - antwoorden
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener: Fractie:
Johan Feenstra PvdA
Commissievergadering Datum:
25, 26, 27 oktober 2022
Agendapunt:
4, 5
Onderwerp:
Begroting 2023
Vragen: 1
Pagina 57 afbouw toerekening kosten aan projecten € 500.000 structureel .Onze gemeente voert vele projecten uit (zie Berap). Daarbij wordt soms extern personeel danwel “eigen” personeel ingezet. Veel (vooral grote gemeentes) werken daarbij met een projecten/ontwikkelteam om projecten e.d. ten uitvoer te brengen. Gebruikelijk is om de (personeels) kosten die voor een project worden gemaakt ook (gedeeltelijk) te laten drukken op het project zelf. Zo wordt een goed overzicht gegeven wat een project project totaal kost. Bovendien worden projecten soms ook mede betaald door derden zoals de provincie of Europa. Het voorstel is nu om voor € 500.000 de personeelskosten niet meer ten laste van projecten te brengen waarvoor men direct werkzaam is. Met andere woorden de personeelskosten worden niet meer doorberekend (rendabel gemaakt), maar drukken nu op de gehele begroting van de gemeente. Dit kost elk jaar € 500.000. Vragen: A. Sinds wanneer is de systematiek over het toerekenen van personeelskosten in onze gemeente ingevoerd? Graag de betreffende info daarbij. B. Is de hoogte van de toerekening de afgelopen jaren ook bijgesteld / gewijzigd in de begroting (zo ja wanneer en waar kunnen wij dat lezen)? C. Waar, wanneer en in welke jaarrekeningen kunnen wij lezen dat onderhavige systematiek een groot probleem is zodat het nu € 500.000 structureel moet gaan kosten. D.
Waarom wenst men af te stappen van de huidige methode om de directe kosten toe te rekenen naar de projecten. Immers door het niet meer toerekenen van eigen personeelskosten ontstaat een onjuist beeld ook richting derden en subsidieverstrekkers die meebetalen aan het project. Antwoord: A. Deze systematiek is ingevoerd bij het ontstaan van onze gemeente. Enkele fusiegemeenten van destijds maakten al gebruik van deze systematiek al. B. Eerder hadden we een omvang van toe te rekenen loonkosten aan projecten van € 2,9 miljoen. In de Programmabegroting 2017 is dit al verlaagd naar € 1,8 miljoen. Sindsdien is er al langer een wens om verder af te bouwen. C. In de Programmabegroting 2017 is aangegeven dat de realisatie van opgaven/ambities sterk gehinderd wordt, door de in 2010 gekozen systematiek van toerekening van loonkosten aan projecten. Daardoor wordt veelal de inzet leidend en niet de uitvoering van de opgave. Daardoor kan de organisatie onvoldoende slim en flexibel inspelen op ontwikkelingen. Er is nu vast personeel dat zichzelf moet terugverdienen door tijd te moeten schrijven op projecten. Dat willen we aanpassen door hier een lagere taakstelling voor in de begroting op te nemen. Het is vast personeel en dat hoort gelijk behandeld te worden als het overige vaste personeel.
Door toe te rekenen, besparen we in de begroting op loonkosten, maar door de afschrijving op projecten, komen de kosten alsnog ten laste van de begroting, maar dan als kapitaallast. De wens is om de verplicht te behalen taakstelling te
verlagen. Daarmee verlagen we de kosten van projecten, omdat we de loonkosten van vast personeel niet meer hoeven toe te rekenen aan een project. Doordat hiermee de kapitaallasten van projecten verlaagd worden, gaat dat ook weer structurele ruimte geven in de begroting. D. Wanneer het wel zinvol is om uren toe te rekenen, dan doen we dat ook. Bijvoorbeeld bij subsidieverstrekkers, om zo een hogere subsidie veilig te stellen. Tegenover de toerekening staan dan ook inkomsten. Of bij inhuur van extern personeel, dat specifiek is ingehuurd voor een bepaald project. Ook dan is er een logisch verband. Wanneer het project eindigt, dan kan ook de inhuur vervallen. Het is dan een bewuste keuze om wel toe te rekenen, omdat het voordeel oplevert. 2
Pag. 47/48. Taakstelling bedrijfsvoering € 476.000 structureel .Bij de begroting 2020 is besloten om door middel van een “Ontwikkelprogramma Continu Verbeteren” een taakstelling op de bedrijfsvoering te leggen van € 650.000 in 2020 oplopend naar € 1,550 mln. in 2023. Deze taakstelling werd als reëel beschouwd. Door meer vanuit de klant/resultaat gedachte te sturen op kwaliteit van zowel proces als inhoud, het verkorten van doorlooptijden werd een kostenverlaging haalbaar geacht. Dit zou echter niet vanzelf gaan en er zou een “uitvoeringsteam” geformeerd worden dat sturing en begeleiding en ondersteuning gaf aan de organisatie om de doelen te halen. Dit team zou nauw samenwerken met de lijnverantwoordelijken e.d. Echter de “kost gaat voor de baat uit” zo stond op pagina 73 van de begroting 2020. Om de taakstelling op de bedrijfsvoering te realiseren moest door de gemeenteraad echter incidenteel € 1,9 mln. beschikbaar gesteld worden voor o.a. voorzieningen voor mobiliteit e.d. Er moest dus eerst geïnvesteerd worden om alvorens de taakstelling te kunnen verzilveren. Nu we daadwerkelijk toe zijn aan het verzilveren wordt € 476.000,= als bezuinigingstaakstelling geschrapt. Dit betekent dat de gemeenteraad structureel € 476.000 minder kan uitgeven op het gebied van energiebesparing, armoedebestrijding, veiligheid, cultuur e.d.
Of omgerekend naar incidenteel geld komt deze € 476.000 overeen met een investeringsbedrag van ongeveer € 6 mln. (bij 20 jaar afschrijving en 3% rente). Als motivering voor de aanname dat de taakstelling van € 476.000 niet kan worden gerealiseerd wordt geschreven (pagina 48) “Inmiddels merken we dat het steeds lastiger wordt om financieel voordeel te behalen voor continu te verbeteren”. Er zijn in het leven wel meer dingen lastig, maar dat wil nog niet zeggen dat de eerder overeen gekomen afspraken en besluiten zo maar teniet gedaan moeten worden. Dat vergt meer achtergrond informatie. Daarom de volgende vragen: A. Op welke wijze zijn de voorgenomen maatregelen in het kader van “Continu Verbeteren” tot nu toe gerealiseerd. Graag concreet overzicht van doorgevoerde maatregelen en effecten met de kosten die zijn verlaagd e.d. B. Heeft er aan de ombuigingstaakstelling ook een totaal omvattend (beleids) plan ten grondslag gelegen met maatregelen om te komen tot de uiteindelijke besparing van € 1,5 mln.? Zo ja: kunnen wij dat ontvangen? Zo nee; hoe was de werkwijze dan? C. Er is een uitvoeringsteam geformeerd om de doelen te halen. Graag informatie over dit team zoals: is dit team nog operationeel; uit welke samenstelling/geledingen bestaat dit team; hoe vaak komt men bijeen e.d. D. Er is geschreven “het is steeds lastiger om financieel voordeel te behalen....” 1.
Naar aanleiding van een motie van de gemeenteraad is er eind 2021 een benchmark naar de gemeentelijke organisatie uitgevoerd. Is onderzocht of deze benchmark aanleiding geeft om efficiënter te werken en procesoptimalisatie door te voeren zodat het invulling geeft aan de € 476.000,=. Zo ja wat was de uitkomst, zo niet waarom niet. Kunnen wij de uitkomsten van die analyse ontvangen? 2. Worden de acties die het college gaat nemen op de uitkomsten van de benchmark nog aan de gemeenteraad voorgelegd? E. Efficiënter werken is een onderdeel van de opdracht om tot invulling van deze bedrijfsvoeringstaakstelling te komen. Reductie van huisvestingkosten behoort daar ook bij. De achterliggende periode met corona heeft geleerd dat werknemers ook heel goed thuis (hybride) kunnen werken. Daar wordt veelvuldig gebruik van gemaakt. Dit geeft minder drukte en werkplekruimte op het gemeentehuis. De PvdA heeft eerder gevraagd naar de wijze waarop het college (vorige) hiermee om zal gaan. Er zijn wellicht ook mogelijkheden tot besparing op de huisvesting door het minder aanwezig zijn van werknemers e.d. (minder energie, minder schoonmaak, minder reiskostenvergoedingen, mogelijk afstoten/verhuren ruimten e.d.). 1.
Is reductie van huisvestingskosten in de brede zin van het woord, ook onderzocht als efficiency maatregel om tot invulling van de bedrijfsvoeringstaakstelling te komen? Zo ja wat zijn de uitkomsten, zo neen waarom niet. 2. Komt het college nog separaat bij de gemeenteraad terug op welke wijze invulling wordt gegeven aan de huisvesting nu hybride werken normaal gebruik is geworden? F. Bedrijfsvoering is meer dan alleen personeel. Het personeelsbudget wordt voor 2023
geraamd op € 72 miljoen. Daarnaast zijn er representatiekosten, abonnementskosten, huisvestingskosten, ICT, catering, reiskostenvergoedingen en noem maar op. Hoe groot is het totale budget aan bedrijfsvoering binnen onze gemeente? Antwoord: A Uit de jaarrekening 2021: “Naast meer projectmatige aanpakken van procesoptimalisaties hebben we ook –en vooral- ingezet op een verbetercultuur waarin medewerkers zelf het voortouw nemen tot verbeteringen in de dienstverlening en de organisatie van hun eigen werk. Deze aanpakken hebben bijvoorbeeld geresulteerd in verbeteringen binnen de ketens Sociaal Domein (zoals de uitvoering van enkelvoudige hulpvragen alsook de invoering van de centrale toegang tot de gebiedsteams), Omgeving (diverse initiatieven met het oog op de nieuwe Omgevingswet), Openbare Ruimte (meldingen openbare ruimte) en Klantcontacten (o.a. belastingen). Ook in het opgaafgericht werken zijn stappen gezet in het verbreden van de advieskracht vanuit verschillende bedrijfsvoeringexpertises. Een mooi voorbeeld hiervan is “de Werkplaats”, een expertiseteam binnen HR dat mobiliteit binnen en buiten SWF stimuleert, ondersteunt, begeleidt en regisseert.” Tot nu toe is een bedrag van € 875K verzilverd en we verwachten nog € 200K aanvullend te realiseren, zoals eerder ook in de ombuigingsmonitor van de Bestuursrapportages is benoemd.
Daarmee realiseren we bijna € 1,1 miljoen structureel met een incidentele investering van € 1,9 miljoen. Dit hebben we dus binnen 2 jaar terugverdiend. In de paragraaf Bedrijfsvoering vindt u op bladzijde 91 meer (achtergrond)informatie. B Door de verschillende organisatieonderdelen zijn kansen voor verbetering (en daardoor besparing) van bedrijfsprocessen benoemd. Bij ‘continu verbeteren’ worden vooraf geen maatregelen benoemd maar tijdens verbeteraanpakken gerealiseerd. Vanuit deze aanpakken blijkt dan ook in hoeverre resultaat behaald kan worden in kwaliteit, doorlooptijd en besparing in kosten. Zoals in de paragraaf BV (blz 91) staat beschreven wordt te verzilveren capaciteit veelal ingezet om nieuwe (openstaande) beleidsambities en uitvoeringstaken uit te kunnen voeren. En kan daardoor dus niet bijdragen aan de besparingsopgaaf (ombuigingstaakstelling). C Het DT+ is als ‘uitvoeringsteam’ centraal verantwoordelijk voor de uitvoering en monitoring van ‘continu verbeteren’. Verbeteraanpakken op de inhoud kennen verschillende (vormen van) tijdelijke uitvoeringsteams, al naar gelang het specifieke bedrijfsproces.
D In de paragraaf BV (blz 91) wordt toegelicht dat we al een groot gedeelte van de ombuigingsopgaaf in de bedrijfsvoering hebben gerealiseerd, maar zoals we in de programmabegroting 2022 al hebben aangegeven komt deze steeds meer op gespannen voet komt te staan met de toenemende druk op de arbeidsmarkt. Zoals toen al werd voorzien zullen we gaan temporiseren –mede ingegeven door de resultaten van de benchmark op de formatie (2022)- in de nog resterende ombuigingslijn op bedrijfsvoering. Zoals toegezegd worden de acties die het college gaat nemen op de uitkomsten van de benchmark nog dit jaar aan de commissie BF toegelicht. E Reductie van huisvestingskosten is geen onderdeel van de bedrijfsvoeringstaakstelling omdat we nog niet in een gesettelde en beheerste situatie terecht zijn gekomen. De corona-pandemie sluimert nog, het risico bestaat dat we aan de hand van landelijke maatregelen bijvoorbeeld weer afstand dienen te houden op de werkvloer. Zoals we de afgelopen jaren hebben ervaren zijn dan alle m2 van onze huisvesting optimaal benut en kunnen we dat ook door onze moderne centrale huisvesting. Daarnaast leidt hybride werken niet tot een strikte thuis/kantoor-situatie maar biedt veel meer flexibiliteit. Bij SWF is het beleid ‘dat je daar bent waar nodig is’ (en niet vaste dagen thuis of op kantoor) en dat vraagt juist flexibiliteit van onze huisvesting.
En ook andere ontmoetingsbehoeftes (meer overlegruimtes bijvoorbeeld in plaats van standaard werkplekken). Invulling van onze huisvesting komt standaard terug in de paragraaf Bedrijfsvoering van de jaarstukken, inclusief ‘hybride werken’ (‘Anders (‘nieuwe’) Samen Werken’ zoals we dat in de jaarstukken 2021 hebben genoemd).
F Hierbij een overzicht op kostensoorten uit de Programmabegroting 2023. Deze indeling geeft een indicatie van de bedrijfsvoeringskosten. Bij Motorbrandstoffen en Gas, electra en water zijn alleen de kosten van overhead opgenomen. Anders worden ook de Motorbrandstoffen van bijvoorbeeld afvalverwijdering en groenbeheer getoond. Bij Gas, electra en water zouden anders ook kosten van openbare verlichting, onderwijshuisvesting, rioolgemalen, sportaccommodaties, strategische gebouwen en dergelijke meekomen. Nu is dit beperkt tot de kosten van eigen huisvestingskosten (gemeentehuis, buitendiensten, wijkposten). Ook bij Onderhoud is alleen geselecteerd op overhead (vooral ICT en gebouwen). Anders komen ook bijvoorbeeld onderhoudsbudgetten van kapitaalgoederen mee.
3
Pagina 52. Hogere kosten abonnementen van € 109.000 structureel. .Bij de begroting 2020 is als onderdeel van de ombuiging/taakstelling op de bedrijfsvoering (zie vraag hiervoor) besloten € 100.000 te besparen door lidmaatschappen stop te zetten (zie pagina 33 van het boekwerk “ombuigingsvoorstellen begroting 2020”). Zowel in 2020 als in 2021 blijkt uit de jaarrekening dat aan deze opdracht geen invulling is gegeven, omdat voor beide jaren financiële overschrijdingen van ongeveer 100.000,= zijn gemeld. Nu wordt dit tekort van € 100.000 aangegrepen om de afgesproken ombuiging van € 100.000 op abonnementen teniet te doen door structureel € 100.000 als financiele tegenvaller op te voeren. Hierdoor kan er maatschappelijk voor burgers e.d. minder geïnvesteerd worden. De vragen hierover zijn: A. De afspraak was dat € 100.000 bezuinigd zou worden. Hoe is deze inhoudelijk vorm gegeven/ ten uitvoer gebracht?. Welke abonnementen zijn daadwerkelijk opgezegd (graag lijst met bedrag tot € 100.000); welke acties zijn ondernomen e.d? B. Is er sprake van dan men alleen “technisch” het begrote bedrag met € 100.000 heeft verlaagd en
dat er verder geen acties zijn ondernomen en er daardoor de overschrijding ontstaan en deze niet gehaald is? C. De ombuiging om de abonnementen van € 100.000 maakt onderdeel uit van de totale bedrijfsvoeringstaakstelling. Het tekort van € 100.000 wordt nu bij de gemeenteraad neergelegd voor dekking. Hierdoor kunnen wij minder investeren. Het is toch logisch dat wanneer een onderdeel binnen de afgesproken taakstelling niet wordt gehaald er dan binnen bedrijfsvoering naar een alternatief wordt gezocht? D. Op welke wijze is het “uitvoeringsteam” (zie vorenstaande vraag) hierbij betrokken? Welke maatregelen heeft men genomen om tot uitvoering van de reductie van abonnementen te komen? E. Er is met de gemeenteraad afgesproken € 100.000 te bezuinigen op abonnementen en daartoe de begroting te verlagen. Dat is dan het “nieuwe beleid”. In de begroting wordt geschreven dat het geen beleidswijziging betreft. Het feit dat de afspraken om tot reductie van abonnementskosten te komen niet realiseert is toch een beleidswijziging? Graag reactie. F. Graag overzicht van begrotingsbedragen en rekeningsbedragen van het budget abonnementen/lidmaatschappen voor de jaren 2019, 2020, 2021. Antwoord: A. Direct na het vast stellen van de Programmabegroting 2020 (op 14 november 2019) zijn begin 2020 alle abonnementen tegen het licht gehouden.
Dit heeft geresulteerd in het opzeggen van € 4.500 aan abonnementen. Vervolgens is het restant van de taakstelling ondergebracht bij de algehele taakstelling P3 – 03 Continu verbeteren. Dit is bij de Jaarrekening 2021 gemeld en het ‘nog te realiseren’ bedrag van deze taakstelling in de Ombuigingsmonitor van alle Berap’s. B. Zoals hierboven beschreven is een aantal abonnementen daadwerkelijk opgezegd en is het restant van de taakstelling ondergebracht bij de algehele taakstelling P3-03 Continu verbeteren. C. De ombuiging van de abonnementen is inderdaad ondergebracht bij de taakstelling P3-03 Continu verbeteren. Binnen de taakstelling van P3-03 Continu verbeteren is tot op heden een totaalbedrag van € 875.000 gerealiseerd. De inschatting is dat we nog € 200.000,- financieel voordeel kunnen behalen. Daarmee is circa 70% van de originele taakstelling (€ 1.550.000 in 2023) behaald. D. Na het vast stellen van de Programmabegroting 2020 is de uitvoering om te komen tot een reductie van abonnementen direct opgepakt, zie ook antwoord A. E. De taakstelling om te bezuinigen op abonnementen is al verschoven naar de algehele taakstelling Continu verbeteren. Er rust dus geen taakstelling meer op abonnementen. Echter ook zonder taakstelling is er een tekort op het budget voor abonnementen. F. 2019 2020 2021 4
gerealiseerd 360.154 399.142 401.128
begroot 283.437 199.837 (incl. taakstelling die verschoven is naar Continu verbeteren) 292.052
Generatiepact. .Het generatiepact was een regeling binnen de gemeente die medewerkers de mogelijkheid bood om vanaf 60 jaar minder te gaan werken tegen een gedeeltelijke doorbetaling van het salaris (zoals: 50% werken; 75% salaris en 100% pensioenopbouw.) Met het generatiepact werd een verjongingsslag doorgevoerd. Er was een deelnamegraad van 52% zo valt te lezen in de begroting 2020. Om de regeling te bekostigen is in de de perspectiefnota van 2017-2020 flink geld beschikbaar gesteld (totaal over deze jaren € 1,180 mln.). In de begroting 2019 werden opnieuw kosten opgevoerd voor deze regeling. Het ging met ingang van 2019 jaarlijks om structureel € 250.000. De regeling was eindig. Bovendien werd toen aan de gemeenteraad verteld dat eerst een investering gedaan moest worden (kosten gaan voor de baten) voordat de voordelen van het generatiepact verzilverd kunnen worden. Vragen daarover zijn: A. Kan een overzicht gegeven worden van middelen die door de gemeenteraad over de jaren heen beschikbaar zijn gesteld voor het generatiepact (bovenstaande is misschien niet uitputtend)?
B. Wanneer is de regeling in onze gemeente opgehouden te bestaan? C. De regeling was tijdelijk maar de middelen zijn met ingang van 2019 structureel beschikbaar gesteld. Is of wanneer wordt de € 250.000 weer toegevoegd aan de algemene middelen in de begroting? D. De gemeenteraad heeft de afgelopen jaren dus flink geïnvesteerd in het generatiepact om ouderen te laten uitstromen en jongeren te laten instromen (mobiliteit). Jongere medewerkers zijn goedkoper dan oudere werknemers. Dit betreft dus het verzilveren waar in de begroting 2019 over is geschreven. In het verlengde van punt C..op welke wijze en hoeveel geld is inmiddels verzilverd en weer teruggevloeid naar de algemene middelen. Waar kunnen wij dat in de begrotingen van de afgelopen jaren lezen. Immers het generatiepact is expliciet bekostigd uit de algemene middelen van de begroting dus de verzilverde gelden moeten daar dan ook weer naar terug. Antwoord: A) In totaal is er tot en met 2023 € 2.970.000 voor het generatiepact aan middelen ter beschikking gesteld (€ 200.000 in 2017, € 270.000 in 2018 en 2019-2023 € 500.000 per jaar). Het genoemde bedrag van € 1,180 mio betrof niet alleen het generatiepact, maar ook de traineepool. B) De regeling liep af op 1 mei 2020. C) Het bedrag is structureel ingezet voor de dekking van de salarissen en zal daarom niet terug vloeien naar de algemene middelen.
D) Bij de fusie met Littenseradiel heeft het generatiepact geholpen bij het realiseren van de taakstelling (sociaal statuut). In dezelfde tijd is een traineepool geïntroduceerd. We zitten nog volop in het verzilveringsproces. Zodra de oudere personeelsleden met pensioen gaan, zou dit in de toekomst een financieel voordeel op kunnen leveren. 5
Pagina 40. Voor beheer en onderhoud van areaaluitbreidingen wordt een extra structurele uitgaaf .van € 270.000 opgevoerd. Vorig jaar bij de begroting 2022 (pagina 45) is hiervoor ook extra structureel geld voor beschikbaar gesteld. Toen was sprake van een bedrag van 50% minder of te wel € 135.000 en werd een 1:1 relatie gelegd met de verwachte hogere OZB opbrengsten vanwege de toename van woningen. Hierdoor verliep e.e.a. budgettair neutraal (135.000 meer kosten en 135.000 meer opbrengsten). Van de vorig jaar afgesproken systematiek wordt nu afgeweken en lijkt de 1:1 relatie met de toename van het aantal woningen/areaal niet meer van toepassing te zijn en kost dit dus extra geld (niet meer budgettair neutraal). Waarom wordt nu (na vorig jaar) al gekozen voor een andere systematiek en moet er daarom extra geld beschikbaar gesteld worden? Antwoord: Voor de programmabegroting van 2022 betrof het een incidentele bijdrage van € 135.000,-. Dat was een inschatting van de hogere OZB-opbrengsten in relatie met het aantal extra woningen. Voor de programmabegroting van 2023 zijn we uitgegaan van een stijging van de woningvoorraad van 3.000 in 10 jaar tijd. Omgerekend komt dat neer op een toename van ongeveer 0,75% per jaar. Dit percentage wordt toegepast op de gehele begroting voor kapitaalgoederen (ca. € 36 miljoen incl. loonkosten).
Dat betekent een toename van € 270.000,- per jaar (in principe voor een periode van 10 jaar). Hierdoor sorteren we al voor bij toename van het areaal.
6
Pagina 54. Correctie loon- en prijsstijgingen. .A. Er wordt een correctie doorgevoerd op de loon- en prijsverwachtingen. Deze correctie kost meer dan € 5 miljoen structureel tot en met 2026. Graag de berekening hoe deze kostenpost ontstaat (met volumes waarover berekend e.d.). B. Door het rijk is met gemeenten afgesproken dat de loon en prijsontwikkelingen periodiek worden bijgesteld op basis van de actuele ontwikkelingen zoals deze door het CPB worden geraamd. In de septembercirculaire 2022 (pagina 13) worden inderdaad de percentages genoemd van 3,4% in 2024 en 3,3% in 2025. Het accres dat de gemeenten uit de algemene uitkering van het gemeentefonds ontvangen wordt dus jaarlijks bijgesteld aan de loon- en prijsontwikkelingen die door het CPB worden geraamd. M.a.w. wij ontvangen van het rijk reële compensatie op grond van de genoemde CPB percentages om onze budgetten mee te verhogen. Graag een uitleg waarom wij dan nu totaal ruim € 5 mln. extra moeten reserveren? Voor 2024 – 2027 wordt immers tegen constante prijzen geraamd en worden de genoemde CPB inflatie percentages door het rijk nog gecompenseerd en moeten nog geraamd worden. C. Er wordt voorgesteld om een risico-opslag van 1% te hanteren als correctie op de loon- en prijs uitgaven. Dat betreft de uitgavenkant. Waarom wordt die regel niet doorgevoerd aan de inkomstenkant met betrekking tot belastingen.
Daar zouden we dan ook meerjarig moeten uitgaan van
een hogere opbrengst vanwege een te laag inflatiecijfer en daartoe nu een positieve correctie moeten doorvoeren? Antwoord: Voordat we de antwoorden op deze vragen geven het volgende: De financiële gevolgen van de septembercirculaire 2022 zijn niet in de begroting opgenomen. Het college bespreekt de notitie septembercirculaire 2022 op 25 oktober a.s. in haar collegevergadering. De planning is dat de raad na afloop van die collegevergadering direct via actieve info de notitie septembercirculaire 2022 ontvangt. In de notitie septembercirculaire 2022 wordt antwoord gegeven op de gestelde vragen A en B. In de notitie meicirculaire 2022 hadden we de volgende tekst opgenomen: “De rijksoverheid neemt in de meerjarenraming een loon/prijsontwikkeling (LPO) op en raamt dus inclusief inflatie. Wij ramen tegen constante prijzen, dus exclusief inflatie. Omdat het Rijk tegen lopende prijzen raamt en wij tegen constante prijzen, moeten we een correctie (aftrek) uitvoeren voor de jaren na het begrotingsjaar (in dit geval 2024-2026). Dit deden we tot nu toe door de uitkeringsfactor te verlagen met de in de meicirculaire opgenomen Prijsontwikkeling BBP (PBBP). De aftrek van lopende naar constante prijzen bleek de afgelopen jaren te laag, de werkelijke inflatie was hoger dan de geschatte Prijsontwikkeling BBP.
Hierdoor rekenden we ons rijker dan we waren en daardoor was er de afgelopen jaren in het nieuwe begrotingsjaar niet genoeg geld beschikbaar om de salarisstijging voor eigen personeel en verbonden partijen te compenseren. Met als gevolg dat er geen financiële dekkingsmiddelen beschikbaar waren voor prijsmutaties. Het PBBP uit de meicirculaire voor 2024 is 2,5%, aflopend naar 2,20% in 2026. Dit is erg laag vergeleken bij de huidige inflatiecijfers. In de Macro Economische Verkenningen 2022 van het CPB rekende het Rijk in haar Startnota bijvoorbeeld met 3,4% in 2024 en 3,3%,in 2025. LIAS adviseert dan ook om een hogere aftrek te hanteren en geeft daarvoor een percentage van 3,6% als voorbeeld voor 2024. Op elke percentage is wat af te dingen, wij kiezen er pragmatisch voor om elk jaar een risicoopslag van 1% te hanteren als extra aftrek. Afgerond levert dat een aftrekpost op van € 1,8 miljoen cumulatief per jaar op. De werkelijke loonen prijscompensatie ontvangen we in het eerste jaar van een begrotingsreeks. Zo creëren we ruimte om in de toekomst onze werkelijke loon-en prijsstijgingen op te kunnen vangen en daarnaast ook de budgetten te kunnen indexeren.
Afhankelijk van de werkelijke ontwikkelingen van de inflatie zullen we het opslagpercentage van 1% jaarlijks heroverwegen.“ Naar aanleiding van de hier boven genoemde werkwijze hebben wij in de begroting 2023 (gebaseerd op de meicirculaire 2022) een correctie voor loon- en prijsstijgingen opgenomen. De berekening is gebaseerd op de uitkeringsfactor waarbij in de meicirculaire 1 uitkeringspunt voor onze gemeente staat voor 160.000 euro. 2,5% (percentage waar het Rijk mee rekende in de meicirculaire) staat voor 30 uitkeringspunten, 3,5% (percentage waar wij mee rekenden in de meicirculaire) staat voor 41 uitkeringspunten. Een verschil van 11 uitkeringspunten x 160.000 per punt = afgerond 1,76 miljoen. Elk jaar is het verschil 1% extra, dus cumulatief. Jaarlijks wordt het bedrag dus 1,76 miljoen hoger. Wat staat er in de notitie septembercirculaire 2022? Lias-Pauw heeft haar berekeningswijze opnieuw tegen het licht gehouden en heeft er nu bij de septembercirculaire voor gekozen om niet langer de (te lage) prijsmutatie PBBP in haar applicatie te verwerken als correctie van lopende naar constante prijzen. In plaats daarvan corrigeert zij met ingang van de septembercirculaire 2022 wat de gemeenten via het loon- en prijsaccres (LPO) voor de loon- en prijsontwikkeling gecompenseerd krijgen.
Dit zijn de in de septembercirculaire 2022 op pagina 13 genoemde percentages van 3,38% in 2024 en 3,30% in 2025. Dit percentage sluit veel beter aan bij de huidige werkelijkheid. Uit de notitie septembercirculaire 2022 blijkt dat de uitkomst op basis van de LPO aardig overeen komt met de PBBP + 1% extra die wij in de meicirculaire 2022 hebben gehanteerd. Samenvattend: Tot en met de meicirculaire 2022 hebben we altijd gerekend met PBBP. Bij de meicirculaire 2022 hebben we voor het eerst gerekend met het PBBP + een extra aftrek van 1%. In de septembercirculaire 2022 rekenen we met het LPO. Zie onderstaande tabel: Loon- en prijsindexen
2024
2025
2026
meicirculaire 2022 PBBP
2,50%
2,50%
2,20%
extra 1%
1,00%
1,00%
1,00%
in begroting 2023 o.b.v. meicirculaire 2022
3,50%
3,50%
3,20%
notitie septembercirculaire 2022 o.b.v. LPO
3,38%
3,30%
3,10%
verschil
-0,12%
-0,20%
-0,10%
Antwoord vraag C: De berekening van de verwachte hoogte van de algemene uitkering staat in onze ogen los van andere berekeningen in de begroting. 7.
14. Pagina 56/57 Kostenstijgingen ICT Er is een tabel gepresenteerd waarbij over het jaar 2023 de kapitaallasten niet vrijvallen. Hoe kan dat? De kosten voor vervangingsinvesteringen zijn toch al in 2023 gedekt en lijken nu opgevoerd te worden tot een bedrag van ruim € 1 mln. in 2023. Graag uitleg. Antwoord: Het voorstel in de Programmabegroting 2023 is om de bedragen op het InvesteringsProgramma te laten vervallen en deze bedragen op te nemen in de reguliere exploitatie. Omdat bij ons de afschrijving pas gaat lopen per 1 januari van het jaar na gereedmelding/oplevering, gaat er pas een kapitaallast lopen in 2024 van een in 2023 uitgevoerde investering. Het laten vervallen van een investering in 2023, geeft dus pas een lagere begrote kapitaallast vanaf 2024. Reeds gedane investeringen van voor 2022 willen/kunnen we nu niet meer terugdraaien. Die kapitaallasten blijven dus gewoon doorlopen. We kijken nog wel naar 2022. Wanneer het lukt om dat te herstellen (waarschijnlijk via een voorstel in de Bestuursrapportage september, oktober 2022), zal er nog wel een voordeel in de kapitaallasten in 2023 ontstaan. Dat zal dan naar voren komen in de berekening van de werkelijke onderuitputting in 2023. Maar op begrotingsbasis kunnen we dit nu nog niet ramen.
8.
Pagina 61 Belastingen. De belastingen worden in 2023 verhoogd met 3% inflatiecorrectie. Dit is voor 2023 een aanname. Stel dat blijkt dat deze aanname volgend jaar te hoog of te laag is geweest, corrigeren wij dat dan ook? Zo ja hoe? Zo neen waarom niet? Antwoord: Wij verhogen de belastingen elk jaar met het percentage inflatiecorrectie uit de meicirculaire. Dit is een inschatting van het Rijk van dat moment. Wij passen nooit een correctie toe op dit percentage. De ene keer pakt dit voordelig uit, de andere keer nadelig. Op die manier kunnen we het nadeel van het ene jaar weg strepen tegen het voordeel van het andere jaar.
9.
Pagina 11 (onderaan de tabel): De nieuwe jaarschijf 2026 geeft een voordeel van € 1,0 mln. t.o.v. 2025. Oorzaak zijn o.a. lagere inkomsten voor jeugdzorg, wsw e.d van het rijk. Hoe kan het dat een verlaging van rijksinkomsten voordelen geven? Graag uitleg. Antwoord: Voorbeeld WSW: We krijgen via de Algemene Uitkering minder voor de WSW. Dat is in onze begroting een nadeel (minder inkomsten). Dat betekent echter ook dat we minder hoeven door te betalen aan ons WSW-bedrijf. Dus het begrote budget kan verlaagd worden. En dat is in onze begroting weer een voordeel (minder uitgaven). Eenzelfde geldt voor de middelen voor jeugdzorg.
10.
Pagina 14. De benodigde weerstandscapaciteit is geactualiseerd en berekend op € 6,2 mln. In deze begroting wordt nog gerekend met niveau van € 8,3 mln. Waarom wordt nu niet voorgesteld om uit te gaan van het meest actuele bedrag en het weerstandsniveau vast te stellen op € 6,2 mln.? Antwoord: Het verschil is een extra buffer in ons Weerstandsvermogen. Eén van de risico’s in de weerstandscapaciteit is een mogelijke ondersteuning van onze maatschappelijke instellingen in verband met de hoge energiekosten. Dat risico hebben we ingeschat op € 3 miljoen, maar het effect op het weerstandsvermogen (door de kansberekening) is maar € 1,1 miljoen. We weten nog niet wat het Rijk gaat doen, en dus ook niet wat wij moeten doen. Mochten we over moeten gaan tot het ondersteunen van onze maatschappelijke instellingen, gelijk we hebben gedaan met het
coronacompensatiefonds, dan is de extra buffer in het weerstandsvermogen zeer welkom. 11.
Pagina 39. Er wordt in 2023 een tekort verwacht van € 400.000 m.b.t. brandstofprijzen (in tekst is overigens sprake van € 500.000). Graag een overzicht wat nu aan brandstofprijzen is geraamd. Daarnaast de berekening/onderbouwing van de € 400.000 extra op grond van prijzen, kilometers e.d. Antwoord: Het volgende is aan brandstofprijzen geraamd in de begroting 2022:
De afgelopen jaren merken we ook al dat deze budgetten onder druk staan. Het verschil tussen begroot en werkelijk/realisatie is in de afgelopen jaren al opgelopen naar ca. € 200.000:
Per 31/12/2022 was de prijs van een liter brandstof (Blend) nog € 1,5529. Dat is inmiddels opgelopen naar rond de € 2,-. Met deze prijsstijging van circa 30% schatten we in dat we te maken krijgen met een aanvullend nadeel van € 200.000. 12.
Pagina 49. Vanwege het vertrek van 4 wethouders wordt voor de jaren 2023 tot en met 2025 totaal € 742.000 aan kosten opgevoerd voor wachtgeld en re-integratie. De arbeidsmarkt is gunstig om aan de slag te gaan. Is het nodig dan nodig om bijvoorbeeld ook in 2024 en 2025 beslag te leggen op de algemene middelen? Verder graag een berekening van de op welke wijze de ramingen voor 2023 tot en met 2025 tot stand zijn gekomen. Antwoord: Bij de opmaak van de begroting is rekening gehouden met wachtgeld en re-integratiekosten voor 3 wethouders en gedeeltelijk wachtgeld voor 1 wethouder (in verband met verrekening inkomsten). Het doel is om binnen de wachtgeldperiode een andere betrekking te vinden, maar vanwege de onzekerheid of dit daadwerkelijk lukt is vooralsnog de volledig verwachte wachtgelduitkering opgenomen. Berekening wachtgeld wethouder: ingangsmoment 1-6-2022 duur wachtgeld 3 jaar en 2 maanden max einddatum 1-8-2025
hoogte loonsom per jaar per 2022
1 jaar 80% en rest 70% € 110.000 3 wethouders volledig wachtgeld, 1 wethouder 20% wachtgeld
jaar 2023 (5 maanden 80% en 7 maanden 70%) 2024 (12 maanden 70%) 2025 (7 maanden 70%)
13.
wachtgeld € 244.750 € 241.267 € 151.067 € 637.084
re-integratie € 35.000 € 35.000 € 35.000 € 105.000
totaal
€ 742.084
Pagina 47/48 m.b.t. loonsomontwikkeling. Er worden structureel extra uitgaven geraamd in verband met de loonsomontwikkeling in 2023 (+ inhaalslag). De kosten zijn ruim € 4,2 mln. op basis van een stijging van 4,2%. Als de uitgangspunten bij de begroting over 2022 echter worden gehanteerd is sprake van een extra uitgaaf/verschil van bijna € 1,4 mln. structureel. Zie onderstaande berekening.
Begroting 2022 totale loonsom pagina 53
62.300.000
Stijging loonsom over 2022 pagina 53
2.059.000
Totale loonsom 2022
64.359.000
In de begroting 2023 wordt stijging geraamd van 4,4% (pagina 48). Dat is:
2.831.796
Er wordt een extra uitgaaf geraamd van 4,2 mln..
4.212.000
Verschil van bijna 1,4 mln..
1.380.204
Vraag. Wat is de verklaring voor het verschil van bijna € 1,4 mln. De uitgangspunten en berekening/verschillen analyse daarbij voegen a.u.b. Antwoord: Hieronder de onderbouwing van de stijging van de loonsom. De verklaring voor het verschil met voornoemde berekening is de loonsom waarmee wordt gerekend. De loonsom is namelijk hoger. De tekst op pagina 53 gaat als startpunt nog uit van de primitieve begroting 2021 (€ 62,3 miljoen; situatie per 1 juni 2020). In de paragraaf bedrijfsvoering (pagina 97) staat de feitelijke loonsom per 1 juni 2021: € 67,2 miljoen. Nu in de begroting 2022 ook nog extra geld voor personeel is toegekend (zie hiervoor pagina 53 van de begroting het voorstel ‘personele inzet’) én er in de bestuursrapportage juli/augustus incidenteel extra geld is begroot vanwege de duurdere cao, bedraagt de totale begrote loonsom voor 2022 ruim € 68 miljoen. Voor 2023 begroten wij een loonsom van ruim € 72 miljoen.
Wij verwachten een toename ten opzichte van 2022 van ruim € 4 miljoen, bestaande uit (afgerond): - cao stijging 2022 (vanwege duurdere cao onvoldoende structureel begroot): € 650.000 - cao stijging 2023 (3%): € 2.100.000 - hogere werkgevers lasten pensioen door hogere grondslag: € 250.000 - hogere werkgeverslasten SV door premie stijging 0,5% én hogere grondslag: € 450.000 - periodieken: € 500.000 - extra begroot ten opzichte van 2022 (stagiaires, babsen en naheffing WKR): € 150.000 14.
Pagina 57 Kerstpakketten. A. Er wordt een post van € 50.000 euro opgevoerd voor kerstpakketten. In het verleden schijnt door bezuinigingen deze post geschrapt te zijn. Wanneer is dat geweest en in welk kader. Heeft de raad daar ook kennis van kunnen nemen? B. Bij ons weten zijn de afgelopen jaren (gelukkig) wel kerstpakketten verstrekt. Als er geen dekking voor was, waar zijn die kosten dan ten laste van gebracht? En kan dat dan in de toekomst ook? Antwoord: A. Al bij de behandeling van de Programmabegroting 2013 is door GroenLinks, in reactie op het wegbezuinigen van het kerstpakket, een amendement ingediend voor een alternatieve invulling van het kerstpakket als waardering voor het werk dat het personeel voor de gemeente doet. Dat amendement heeft het niet gehaald, waardoor de bezuiniging in de begroting is blijven staan.
B. Het klopt dat er afgelopen jaren wel pakketten zijn verstrekt, maar dat was ter vervanging van het kerstfeest dat vanwege de corona geen doorgang kon vinden. Deze pakketten zijn ten laste gekomen van het budget dat hiervoor was begroot. In de jaren dat er wel een kerstfeest was, zijn er vanuit de organisatie geen kerstpakketten verstrekt. 15.
Pagina 74 Indexatie onderhoud kapitaalgoederen. Op dit moment staan inwoners, bedrijven en instellingen financieel onder druk door de gestegen inflatie. Ook de gemeente. Daartoe is in samenspraak met de VNG een systematiek ontwikkeld waarbij gemeenten via het gemeentefonds de inflatie krijgen vergoed. Met die bedragen als vergoeding vanuit het rijk voor inflatie moet de gemeente het doen. Nu word voor kapitaalgoederen een indexatie toegepast hetgeen betekent dat er in 2023 structureel (en niet incidenteel) € 600.000 gedekt moet worden uit de algemene middelen. A. Graag de berekening met gehanteerde inflatiepercentages en volumes zodat deze € 600.000 wordt verklaard. B. Het rijk vergoed voor 2023 totaal 4,12% inflatie (zie pagina 13 septembercirculaire 2022). In de begroting 2023 zijn diverse extra uitgaven geraamd voor loon- en prijscompensatie. Het totaal van deze bedragen moet in verhouding staan tot het bedrag wat onze gemeente gecompenseerd krijgt via het gemeentefonds. Graag een overzicht van uitgaven en inkomsten om te kunnen beoordelen of onze gemeente redelijk uitkomt met de beschikbaar gestelde rijksmiddelen. Antwoord: A: Toelichting van de € 600.000,- aan indexatie voor kapitaalgoederen is terug te vinden op pagina 39 en 40 (punt 8). Er wordt uitgegaan van een indexatiepercentage van 2,7% (CBS 2021).
Dit berekent over € 22 miljoen aan regulier onderhoudsbudget kapitaalgoederen komt neer op € 600.000,- per jaar. Het kan zijn dat we het percentage en daarmee het bedrag bij de volgende programmabegroting moeten aanpassen. B: In de Programmabegroting 2023 hebben we de volgende bedragen opgenomen die te maken hebben met indexatie:
Voor de volledigheid: Daarnaast hebben we nog extra bedragen begroot voor Gemeenschappelijke Regelingen (SDF, FUMO en VRF) en Kostenstijging exploitatie ICT. Ook in die bedragen zal een stukje indexatie zitten. Dat hebben we voor de beantwoording van deze vraag niet nader uitgesplitst. Het bovenstaande lijstje geeft al een goede indruk van de omvang van indexaties. Het Rijk geeft in de septembercirculaire 2022 aan dat zij gerekend heeft met een loon- en prijscompensatie voor 2023 van 4,12%. Het nominale deel (de compensatie voor loon- en prijsstijgingen) bedraagt volgens de septembercirculaire 2022 landelijk voor het uitkeringsjaar 2023 € 1.453 miljoen (= de 4,12%). Voor 2023 is één punt uitkeringsfactor € 29 miljoen en de loon- en prijsontwikkeling gebaseerd op het lpo-accres komt dan neer op ongeveer 50 uitkeringspunten. Voor Súdwest-Fryslân is één uitkeringspunt voor uitkeringsjaar 2023 ongeveer € 160.000. Het nominale deel van het accres is daarmee dan ongeveer € 8.000.000.