Raadsvoorstel - Verordeningen op de heffing en invordering van OZB 2026 en van de belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten 2026
Tekst van het document
Ons nummer: R25.000154
*R25.000154* BLANCOCaseKlantCodeCaseKlantSoort
Raadsvoorstel gemeente Súdwest-Fryslân Team Portefeuillehouder Raadscommissie Raadscommissie Raadsvergadering Onderwerp
: : : : :
Belastingen Henk de Boer Bestjoer en Finânsjes 4 december 2025 18 december 2025
: Verordeningen op de heffing en invordering van OZB 2026 en van de belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten 2026
Raadsvoorstel: a. de verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2026 vast te stellen; b. de verordening op de heffing en invordering van de belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten 2026 vast te stellen. Samenvatting: Onroerendezaakbelastingen (OZB) wordt opgelegd aan eigenaren van onroerende zaken en aan gebruikers van niet-woningen binnen de gemeente. Ieder jaar moeten de tarieven OZB voor 1 januari worden aangepast om de begrote opbrengst te realiseren. De belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten worden opgelegd aan eigenaren van roerende woonruimten en eigenaren en gebruikers van roerende bedrijfsruimten. Ieder jaar moeten de tarieven belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten voor 1 januari worden aangepast. De tarieven moeten gelijk zijn aan de tarieven voor de OZB. Inleiding: Ieder jaar moeten de belastingtarieven voor 1 januari worden aangepast. In de Gemeentewet staat dat de tarieven voor de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten gelijk moeten zijn aan de tarieven OZB. Daarom worden de verordening op de heffing en invordering van OZB 2026 en de verordening op de heffing en invordering van de belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten 2026 in 1 raadsvoorstel aangeboden. Global Goals: Niet van toepassing.
Argumenten: Ad a.1 De verordening op de heffing en invordering van OZB 2026 In de programmabegroting 2026 is de opbrengst voor de OZB vastgesteld op € 28.991.968,-. De verhoging van de opbrengst bestaat uit een trendmatige verhoging van 2,7% en een areaaluitbreiding. De opbrengst van een deel van de niet-woningen wordt gezien de jaarlijkse waardeontwikkeling buiten de trendmatige verhoging gehouden. De subsidie ten behoeve van het ondernemersfonds (in 2026 € 1.000.000,- exclusief inflatieverhoging van 2,7%) is meegenomen in de begrote opbrengst. Bij de tariefstelling speelt de jaarlijkse herwaardering een grote rol. De totale waarde van de in de heffing betrokken objecten is namelijk de basis voor de berekening van de tarieven. Eenvoudig weergegeven resulteert de deling van de begrote opbrengst door de totale waarde van de betreffende categorie in het tarief voor die categorie.
1
In oktober was 56% van alle objecten gewaardeerd. Doordat dit een risico voor betrouwbaarheid van de tarieven en het realiseren van de begrote opbrengt met zich meebrengt, is er begin december een herberekening gedaan van de tarieven. Deze herberekening is op basis van 93% van de gewaardeerde objecten. De tarieven dalen iets ten opzichte van de eerste berekening. Dit is in het voordeel voor van onze inwoners. Tijdens de commissievergadering van 4 december 2025 heeft de portefeuillehouder een verzoek aan de commissie tot wijziging van de tarieven gedaan. Aan de hand van de WOZ-waarde en de opbrengst zijn de tarieven OZB 2026 berekend. Dit resulteert in de volgende OZB-tarieven (% van de WOZ-waarde):
Eigenaren woning Eigenaren niet-woningen Gebruikers niet woningen
Tarief 2026 0,0994% 0,3237% 0,2590%
Tarief 2025 0,1068% 0,3282% 0,2626%
Ad b.1 De verordening op de heffing en invordering op de belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten 2026. In de Gemeentewet staat dat de tarieven voor de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten gelijk moeten zijn aan de tarieven OZB. Voor de verordening OZB 2026 wordt voorgesteld om de tarieven voor OZB bij te stellen. Daarom moeten de tarieven voor de belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten op hetzelfde niveau bijgesteld worden. Rol en bevoegdheid: De raad is bevoegd dit besluit te nemen krachtens artikel 216 van de Gemeentewet. Risico’s: De tarieven voor de OZB worden altijd berekend door de begrote opbrengst te delen door de totale WOZ-waarde van alle onroerende zaken. Op het moment van het berekenen van de tarieven was 93% van alle objecten gewaardeerd. Voor de overige objecten is aan de hand van stijgingspercentages een schatting gemaakt van de uiteindelijke waarde. Dit brengt een risico voor de betrouwbaarheid van de tarieven, en daarmee samenhangend voor het realiseren van de begrote opbrengst, met zich mee. Financiën: Na vaststelling van deze verordeningen zullen de in de Programmabegroting 2026 opgenomen opbrengsten worden gerealiseerd. Juridisch: Artikel 220 e.v. en 221 van de Gemeentewet. Alternatieven: Er zijn geen andere alternatieven. In de Gemeentewet zijn de kaders met betrekking tot de OZB vastgesteld.
Hier moeten de verordeningen aan voldoen. Participatie en communicatie: Informeren via wettelijke publicatie, informatiefolder bij aanslagbiljet en via de gemeentelijke website. Planning en vervolgproces: Jaarlijks op de agenda. Link(s) naar eerdere besluitvorming of (actieve) informatie: Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2025 Verordening op de heffing en invordering van de belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten 2025 Bijlage(n): Niet van toepassing.
2
Burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.
mr. drs. J.A. de Vries
, burgemeester.
drs. C. Smits
, gemeentesecretaris.
3
Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2026 De raad van de gemeente Súdwest-Fryslân; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 november 2025; gelet op artikel 220 e.v. van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2026 Artikel 1
Belastbaar feit en belastingplicht
1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven. Degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3.
Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2
Belastingobject
1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3
Maatstaf van heffing
1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
4
Artikel 4
Vrijstellingen
1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, voor zover niet bedrijfsmatig geëxploiteerd, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; n. dorpshuizen, wijk- of buurtcentra, jeugdsosen, clubhuizen/verenigingsgebouwen, multifunctionele accommodaties, schouwburg/concertgebouw of kruisgebouwen, voor zover niet bedrijfsmatig geëxploiteerd; o. sportzalen, sportterreinen of speeltuinen, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen die deel uitmaken van dergelijke onroerende zaken, voor zover niet bedrijfsmatig geëxploiteerd;
5
p. volkstuinen, niet zijnde gebouwen, voor het niet bedrijfsmatig exploiteren van cultuurgrond. 2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5
Belastingtarieven
1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting 0,2590%; b. de eigenarenbelasting i. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,0994%; ii. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3237%. 2. Indien de onroerende-zaakbelastingen met ander heffingen is verenigd op één aanslag, wordt het totaalbedrag aangemerkt als één belastingbedrag. Als dit bedrag minder is dan € 10 vindt geen invordering plaats.
Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden per aanslag geheven. Artikel 7
Termijnen van betaling
1. De aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen. 2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 vervalt de eerste termijn op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. De tweede termijn vervalt twee maanden later. 3. De verschuldigde bedragen kunnen ook door middel van automatische betalingsincasso worden afgeschreven overeenkomstig de voorwaarden gesteld in het 'Reglement voor de automatische incasso van de gemeentelijke belastingen in de gemeente Súdwest-Fryslân'. De aanslagen moeten dan worden betaald in acht gelijke maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in de voorgaande leden.
Artikel 8
Inwerkingtreding en citeertitel
1. De verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. 2. De Verordening OZB 2025 van 19 december 2024 wordt ingetrokken. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. Op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan blijft de Verordening OZB 2025 van toepassing. 4. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening OZB 2026. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2025.
mr. drs. J.A. de Vries
, voorzitter.
G.W. Stegenga
, griffier.
6
Verordening op de heffing en invordering van de belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten 2026 De raad van de gemeente Súdwest-Fryslân; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 november 2025; gelet op artikel 221 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van de belastingen op de roerende woon- en bedrijfsruimten 2026 Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als woonruimte; b. ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent gebruik; c. woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 2
Belastbaar feit en belastingplicht
1. Onder de naam ‘belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten’ worden ter zake van binnen de gemeente gelegen ruimten twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een bedrijfsruimte, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; b. het ter beschikking stellen van een bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld. 3. Degene die een bedrijfsruimte in gebruik heeft gegeven of ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die ruimte of deel daarvan in gebruik is gegeven of ter beschikking is gesteld.
Artikel 3 Belastingobject Als één ruimte wordt aangemerkt: a. een binnen de gemeente gelegen ruimte; b. een gedeelte van een in onderdeel a. bedoelde ruimte dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; c. een samenstel van twee of meer onder a. bedoelde ruimten of in onderdeel b. bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
7
d. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a. bedoelde ruimte, van een in onderdeel b. bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel c. bedoeld samenstel.
Artikel 4
Maatstaf van de heffing
1. De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. 2. In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met: a. de aard en de bestemming van de ruimte; b. de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en functionele veroudering waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. 3. In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een ruimte in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het tweede lid. Onder een ruimte in aanbouw wordt verstaan een roerende zaak of gedeelte daarvan waarvoor een omgevingsvergunning in de zin van de Omgevingswet is afgegeven en dat door bouw nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig de beoogde bestemming. 4.
In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een woonruimte, die deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet bedoelde voorwaarden, bepaald met inachtneming van een vooronderstelde verplichting om het landgoed gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte. 5. Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte.
Artikel 5
Vrijstellingen
1. In afwijking van artikel 4 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten de waarde van: a. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van de land- of bosbouw. Onder cultuurgrond wordt mede inbegrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning; c. ruimten ten behoeve van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van de delen van zodanige ruimten die dienen als woning; d. ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
8
rechtspersonen, een en ander met uitzondering van de delen van zodanige ruimten die dienen als woning; e. werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als ruimten zijn aan te merken; f. ruimten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt ten behoeve van begraafplaatsen, urnentuinen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning. g. ruimten die worden gebruikt als dorpshuis, wijk- of buurtcentrum, jeugdsoos, clubhuis, verenigingsgebouw, multifunctionele accommodatie, schouwburg/concertgebouw of kruisgebouw, voor zover niet bedrijfsmatig geëxploiteerd; h. ruimten die worden gebruikt als sportzaal, sportterrein of speeltuin, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen die deel uitmaken van dergelijke ruimten, voor zover niet bedrijfsmatig geëxploiteerd. 2. In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de bedrijfsruimte die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 6
Waardepeildatum
1. De waarde van de ruimte wordt bepaald naar de staat waarin de ruimte op de waardepeildatum verkeert. 2. De waardepeildatum ligt één jaar voor het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt bepaald. 3. In afwijking van het tweede lid, wordt de waarde van een ruimte bepaald naar de staat bij het begin van het kalenderjaar, indien die ruimte tussen de waardepeildatum en het begin van het kalenderjaar: a. opgaat in een andere ruimte dan wel in meer ruimten, of b. wijzigt als gevolg van bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, c. wijzigt door verandering van bestemming, of d. een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een andere, specifieke voor de ruimte geldende, bijzondere omstandigheid.
Artikel 7
Belastingtarieven
1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting 0,2590%; b. de eigenarenbelasting i. voor woonruimten 0,0994%; ii. voor bedrijfsruimten 0,3237%. 2. Indien de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten met andere heffingen is verenigd op één aanslag, wordt het totaalbedrag aangemerkt als één belastingbedrag. Als dit bedrag minder is dan € 10 vindt geen invordering plaats Artikel 8 Wijze van heffing De belastingen worden per aanslag geheven. Artikel 9
Termijnen van betaling
1. De aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen.
9
2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 vervalt de eerste termijn op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. De tweede termijn vervalt twee maanden later. 3. De verschuldigde bedragen kunnen ook door middel van automatische betalingsincasso worden afgeschreven overeenkomstig de voorwaarden gesteld in het 'Reglement voor de automatische incasso van de gemeentelijke belastingen in de gemeente Súdwest-Fryslân'. De aanslagen moeten dan worden betaald in acht gelijke maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in de voorgaande leden.
Artikel 10
Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. 2. De Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2025 van 19 december 2024 wordt ingetrokken. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. Op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan blijft de Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2025 van toepassing. 4. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2026. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2025. mr. drs. J.A. de Vries
, voorzitter.
G.W. Stegenga
, griffier.
10