Raadsvoorstel - Verordening tot eerste wijziging van de Algemene Plaats
Tekst van het document
Ons nummer: R21.000098
*R21.000098* O.0000001E
Raadsvoorstel gemeente Súdwest-Fryslân Onderwerp Raadsvergadering van Commissie Commissievergadering van Portefeuillehouder Team Behandelend ambtenaar
Verordening tot eerste wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2018 gemeente Súdwest-Fryslân 8 juli 2021 Bestjoer en Finânsjes 24 juni 2021 mr. drs. J.A. de Vries Juridische en Veiligheidszaken H.J. Jansen
Voorstel: Vaststellen Verordening tot eerste wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2018 gemeente Súdwest-Fryslân. Inleiding: Om onze APV actueel te houden, is het noodzakelijk deze regelmatig te wijzigen. Doel: Beschikken over een actuele en goed leesbare APV die voorziet in de wensen van het bestuur, de organisatie en de politie. Argumenten: De argumenten de APV te wijzigen, zijn: A. Verwerken van de wijzigingen die zijn doorgevoerd in de model-APV. De VNG licht deze wijzigingen toe in de ledenbrieven van 14 augustus 2019, 14 juli 2020 en 15 oktober 2020 (bijlagen 4a, 4b en 4c). Van belang is ook de recente ledenbrief van 12 mei 2021 over lachgas (bijlage 4d). B. Aanvullende voorstellen; C. Redactionele verbeteringen en aanvullingen; D. Noodzakelijke wijzigingen; E. Deregulering. A. Verwerken wijzigingen model-APV. De wijzigingen in de ledenbrief van 14 augustus 2019 (bijlage 4a) hebben hoofdzakelijk een formele achtergrond. Zo heeft de VNG de indeling van de model-APV gewijzigd door hoofdstukken en afdelingen te herbenoemen en een aantal titels te schrappen. De toevoegingen aan de artikelen 2:59 (Hinderlijke of gevaarlijke honden) en 5:10 (Stopverbod) zijn nodig de toepassing van deze artikelen te verbeteren. Het verbod ballonnen op te laten is al in onze APV opgenomen (artikel 4:9a).
De ledenbrief van 14 juli 2020 (bijlage 4b) heeft onder andere betrekking op de artikelen 2:28 (Exploitatie openbare inrichtingen), 2:57a (Loslopende honden) en 5:32 (Crossterreinen).
1
Deze en de andere wijzigingen worden in een aparte oplegnotitie (bijlage 1) per artikel toegelicht. In het raadsbesluit zijn de wijzigingen verwerkt in een tabel met in de ene kolom de bestaande tekst van het APV-artikel (was) en in de andere de nieuwe tekst na wijziging (wordt). De veranderingen in de bestaande tekst zijn rood gekleurd, de nieuwe tekst is groen gekleurd. B. Aanvullende voorstellen De aanvullende voorstellen betreffen 7 artikelen. Ook de wijzigingen die hieruit voortvloeien worden in de oplegnotitie (bijlage 1) per artikel toegelicht en zijn verwerkt in de tabel in het raadsbesluit. C. Redactionele verbeteringen en aanvullingen. In het raadsbesluit is onder letter RR een tabel opgenomen waarin de verbeteringen en aanvullingen uit de ledenbrieven zijn gefilterd. Deze spreken zonder toelichting voor zich. Het is van belang wel de aanvulling in artikel 2:75 (Bestuurlijke ophouding) te vermelden. De opname van het nieuwe artikel 2:50a maakt het gewenst dit artikel ook in artikel 2:75 op te nemen. D. Noodzakelijke wijzigingen ➢ Lachgas Al direct na de Sneekweek 2019 (overlast door lachgasgebruik) hebben wij de mogelijkheden onderzocht een lachgasverbod in de APV op te nemen. Door de uitbraak van corona viel de urgentie weg dit voortvarend te regelen.
Bovendien bleek halverwege 2020 dat de VNG dit onderwerp toch ging regelen door toevoeging van een nieuw artikel 2:48a in de model-APV (zie de ledenbrief van 14 juli 2020). Dit specifieke artikel over lachgas blijkt juridisch echter niet houdbaar te zijn. In de ledenbrief van 12 mei 2021 (bijlage 4d) geeft de VNG aan dat het niet mogelijk is dit artikel strafrechtelijk te handhaven. Handhaving is wel mogelijk op basis van artikel 2:74a. De VNG adviseert gemeenten het artikel niet op te nemen in de APV. Het advies laat geen ruimte vast te houden aan opname van artikel 2:48a in de APV Súdwest-Fryslân. Dit artikel hebben wij daarom geschrapt uit het aanvankelijke voorstel en is dus niet opgenomen in het raadsbesluit. Dit heeft als consequentie dat verkoop, gebruik en overlast van lachgas bestreden moet worden met bestaande artikelen in de APV. Het gaat dan om de volgende artikelen: • 2:32 Handel binnen openbare inrichting: wij stellen voor een 2e lid toe te voegen dat de verkoop van distikstofoxide (lachgas) verbiedt. • 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen. • 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen. • 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten. • 2:74a Openlijk drugsgebruik. • 5:15 Ventverbod: ook de verkoop van lachgas valt onder het verbod in dit artikel.
• Bij evenementen waarvoor een vergunningplicht geldt, is het mogelijk een ‘verbod van verkoop van lachgas’ als voorschrift in de vergunning op te nemen. ➢ Het nieuw artikel 2:50a (zichtbare uitingen van verboden organisaties) In 2020 zijn ook de mogelijkheden verkend een verbod in te stellen voor ‘zichtbare uitingen van verboden organisaties’ (zoals de OMG’s = Outlaw Motorcycle Gangs). De VNG zag ik de ledenbrief van 14 juli 2020 nog geen reden dit onderwerp te regelen in de modelAPV. In de ledenbrief van 15 oktober 2020 komt men hierop terug. Dit onderwerp is nu geregeld in het nieuwe artikel 2:50a. Voorstel is dit artikel op te nemen in de APV Súdwest-Fryslân en in samenhang hiermee ook artikel 2:26 te wijzigen door toevoeging van een 2e lid met een verbod deze uitingen zichtbaar te dragen bij evenementen.
2
➢ Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees In navolging van de gemeenten Leeuwarden en Groningen, stellen wij voor een bepaling op te nemen die voorschrijft dat ‘in het bedrijf geen prostituees werkzaam zijn die niet ingeschreven staan in het Handelsregister en die geen Burgerservicenummer hebben’. In de APV van Súdwest-Fryslân kan deze toevoeging het beste worden ondergebracht in artikel 3:14 (Leeftijd en verblijfstitel prostituees) als letter c. Hierdoor wordt het de exploitant dus verboden een prostituee voor zich of bij zich te laten werken die: a. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; b. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; en c. (toegevoegd) niet ingeschreven staat in het Handelsregister en geen Burgerservicenummer heeft. In de driehoek hebben het OM en de politie het belang onderschreven deze 3 onderwerpen goed in de APV te regelen. E. Deregulering ➢ Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg Deze wijziging hangt samen met de nadere regels die in voorbereiding zijn. Die nadere regels zijn bedoeld verzoeken tijdelijk objecten te plaatsen in de openbare ruimte snel en met minder rompslomp af te kunnen handelen. Om dit mogelijk te maken is het nodig in lid 6 te bepalen dat het verbod in lid 1 niet van toepassing is op deze objecten. Voor deze objecten geldt nu al een meldingsplicht.
Het is van belang dat ook duidelijk in lid 1 te vermelden. ➢ Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg De vergunningplicht (variant 2 in de model-APV) wordt omgezet in een meldingsplicht (variant 1). In samenhang hiermee wordt gewerkt aan beleid en nadere regels om het proces rond de melding vorm te geven. Insteek is ook dit proces zonder overbodige rompslomp in te richten en de doorlooptijd te bekorten. In samenhang met en vooruitlopend op dit (nog vast te stellen) beleid is wijziging van dit artikel noodzakelijk. ➢ Artikel 2:24 Definities (over evenementen) Om de uitvoering van dit artikel te vereenvoudigen, worden een aantal bepalingen in lid 3 aangepast om duidelijk te maken wanneer een klein eendaags evenementen is toegestaan zonder vergunning. Ook straatartiesten hebben geen evenementenvergunning nodig om op te kunnen treden. Een bepaling hierover is aan lid 1 toegevoegd. Alternatieven: •
•
Het is een optie het nieuwe artikel over zichtbare uitingen van verboden organisaties (artikel 2:50a en het gewijzigde artikel 2:26) niet op te nemen. De mogelijke komst van landelijke wetgeving, kan tot gevolg hebben dat regeling in de APV dan niet meer nodig is (of de artikelen moeten worden aangepast). Het is niet aannemelijk dat (eventuele) landelijke wetgeving dit jaar nog in werking zal treden. Het heeft daarom de voorkeur daar niet op te wachten. Bij de artikelen 2:10 en 2:12 is het een alternatief deze niet te wijzigen door vast te houden aan de huidige systematiek. De positie van derde-belanghebbenden verandert weliswaar, maar het risico daarvan is nihil. Bovendien bieden de nadere regels/ beleidsregels die in samenhang met de wijzigingen in werking zullen treden, waarborgen de belangen (ook van derden) zorgvuldig af te wegen.
3
•
De ledenbrief 2020 besteedt ook aandacht aan het artikel over vuurwerkvrije zones (artikel 2:73). Het is mogelijk dit artikel te wijzigen om de gehele gemeente aan te kunnen wijzen als vuurwerkvrije zone. Voorstel is dit nu niet te doen. Het is al mogelijk het gebruik van vuurwerk (na aanwijzing) in specifieke zones te verbieden. Aanwijzing van de gehele gemeente vraagt nader onderzoek.
Risico’s: De wijziging van de APV is niet onderworpen aan een inspraakprocedure. Dit is in lijn met artikel 2, lid 3, van de Inspraakverordening. Het risico van inspraak af te zien, is dan ook nihil. De gevolgen van de wijzigingen zijn voor de samenleving van ondergeschikte betekenis. De wijzigingen zijn weliswaar omvangrijk, maar (beleids-)inhoudelijk zitten er geen onderwerpen tussen die noodzaken tot inspraak. Bovendien zouden eventuele inspraakreacties ook geen reden kunnen geven de bestaande, nieuwe of aangepaste artikelen over lachgas, zichtbare uitingen van verboden organisaties en prostitutie, als ook de overige wijzigingen anders in te vullen. Het is van belang de nieuwe artikelen en de aanpassingen nog voor de zomer in de APV op te nemen, nu de versoepelingen langzaam maar zeker weer ruimte geven de samenleving te openen voor activiteiten van vermaak. Activiteiten die helaas ook regelmatig gepaard gaan met ongewenste praktijken waarop deze artikelen zien. Met de opname van deze artikelen is tevens het belang van kwetsbare groepen gediend. Kaders: De artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a Gemeentewet. De APV is voor een groot deel gebaseerd op de algemene verordende bevoegdheid van de gemeenteraad (artikel 149 Gemeentewet). Maar de APV bevat ook bepalingen waarvoor de verordenende bevoegdheid is gebaseerd op andere wettelijke bepalingen.
Dit zijn: de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet, artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994. Financiële aspecten/gevolgen: Geen. Duurzaamheid: n.v.t. Vervolgproces: De wijziging van de APV wordt algemeen bekend gemaakt door elektronische publicatie op Overheid.nl. Monitoring en evaluatie: De APV wordt regelmatig geactualiseerd, waarbij gewijzigde inzichten aanleiding kunnen geven artikelen te wijzigen, toe te voegen of te schrappen.
4
Gevolgen voor LTA: n.v.t. Communicatie en afstemming: De wijziging van de APV wordt algemeen bekend gemaakt door elektronische publicatie op Overheid.nl Bijlage(n)
Meegezonden: - Bijlage 1: Oplegnotitie (BIJ.302429) - Bijlage 2: verwerkt in het raadsbesluit (niet meegezonden) - Bijlage 3: verwerkt in het raadsbesluit onder letter RR (niet meegezonden) - Bijlage 4a: ledenbrief 2019 wijziging APV (BIJ.301320) - Bijlage 4b: ledenbrief 2020 wijziging APV (BIJ.301321) - Bijlage 4c: ledenbrief 2020 wijziging APV-OMG (BIJ.301334) - Bijlage 4d: ledenbrief 2020 wijziging APV-lachgas (BIJ.301335) Ter inzage: - geen
Burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.
mr. drs. J.A. de Vries
P. Zondervan
5
, burgemeester.
, gemeentesecretaris.
Verordening tot eerste wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2018 gemeente Súdwest-Fryslân De raad van de gemeente Súdwest-Fryslân; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 25 mei 2021; gelet op artikel 149 Gemeentewet en ook de artikelen 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet; tevens gelet op de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet, artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994;; overwegende dat de argumenten die in het raadsvoorstel zijn toegelicht, reden geven de Algemene Plaatselijke Verordening 2018 gemeente Súdwest-Fryslân te actualiseren; besluit: vast te stellen de Verordening tot eerste wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2018 gemeente SúdwestFryslân I.
De Algemene Plaatselijke Verordening 2018 gemeente Súdwest-Fryslân wordt gewijzigd als volgt:
A. Het opschrift van hoofdstuk 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Hoofdstuk 2. Openbare orde
Nieuwe tekst Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
B. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 1, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Nieuwe tekst Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
C. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 2. Betoging
Nieuwe tekst
D. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 3, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken
Nieuwe tekst
E. Het opschrift van artikel 2:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:6 Beperking van verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Nieuwe tekst Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
F. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 4, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 4. Vertoningen op de weg
Nieuwe tekst
G. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 5, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Nieuwe tekst Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
H. Artikel 2:10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
2.
3. 4.
5.
a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het college kan met het oog op de belangen in het eerste lid en in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:28a; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;
6. Het verbod is voorts niet van toepassing op: a. vormen van reclame die passen binnen de door het college vastgestelde beleidsregels;
Nieuwe tekst Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als a. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college; b. dat gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of c. dat gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Het college kan met het oog op de belangen in het eerste lid en in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen. 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:28a; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6. Het verbod is voorts niet van toepassing op: a. vormen van reclame die passen binnen de door het college vastgestelde beleidsregels;
b. vormen van reclame indien met de aanbieder een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten die voorziet in de plaatsing daarvan.
c. Het verbod is tevens niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Wegenverordening provincie Fryslân. I.
b. vormen van reclame indien met de aanbieder een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten die voorziet in de plaatsing daarvan; c. objecten noodzakelijk voor de uitvoering van incidentele werkzaamheden die voldoen aan de nadere regels in lid 2. 7. Het verbod is tevens niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Wegenverordening provincie Fryslân.
Artikel 2:12 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2. Het college kan de vergunning weigeren: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het college kan met het oog op de belangen in het tweede lid nadere regels stellen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Wegenverordening provincie Fryslân.
Nieuwe tekst Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of b. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Van de melding wordt kennis gegeven [op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking]. 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4. Het college kan met het oog op de belangen in het derde lid nadere regels stellen. 5. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 6.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Wegenverordening provincie Fryslân.
J. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 6, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 6. Veiligheid op de weg
Nieuwe tekst
K. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 7, wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Afdeling 7. Evenementen
Nieuwe tekst Afdeling 3. Evenementen
L. Artikel 2:24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160 eerste lid, onder h van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikel 2:39 van deze verordening; g. sportwedstrijden en andere reguliere activiteiten in en op een daarvoor bestemde locatie, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling, wedstrijd of toertocht op of aan de weg of op het ijs; e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement); f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder een klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b.
de activiteiten plaatsvinden tussen 10.00 en 23.00 uur; c. geen versterkte omroepactiviteiten plaatsvinden en geen elektronisch versterkte muziek ten gehore wordt gebracht; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten;
Nieuwe tekst Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160 eerste lid, onder g van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikel 2:39 van deze verordening; g. sportwedstrijden en andere reguliere activiteiten in en op een daarvoor bestemde locatie, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f; h. optredens van straatartiesten. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling, wedstrijd of toertocht op of aan de weg of op het ijs; e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement); f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder een klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b.
de activiteiten plaatsvinden tussen 10.00 en 23.00 uur; c. sprake is van achtergrondmuziek waarbij het geluidsniveau niet meer dan 60 decibel bedraagt, gemeten op de dichtstbijzijnde gevel; d. de activiteiten niet plaatsvinden op een (brom)fietspad, op een parkeerterrein of in een voetgangersgebied en geen overlast veroorzaken of anderszins een belemmering vormen voor het doorgaande verkeer, het openbaar vervoer en de hulpdiensten. Van een belemmering is in
e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object;
ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang wordt gelaten van 3,5 strekkende meter; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object;
M. Artikel 2:26a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:26a Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Nieuwe tekst Artikel 2:26a Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
N. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 8, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen
Nieuwe tekst Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
O. Artikel 2:27, lid 1, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.
Nieuwe tekst Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.
P. Artikel 2:28 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester, tenzij voor de openbare inrichting een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verleend. 2. Een openbare inrichting moet zodanig geëxploiteerd worden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting en/of de openbare orde niet op
Nieuwe tekst Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester, tenzij voor de openbare inrichting een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verleend. 2. Een openbare inrichting moet zodanig geëxploiteerd worden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting en/of de openbare orde niet op
ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 3. In afwijking van het eerste lid kan de burgemeester bepalen dat een openbare inrichting waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verleend, verplicht is een exploitatievergunning aan te vragen indien deze openbare inrichting ernstige overlast veroorzaakt. 4. De burgemeester weigert de vergunning als: a. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. uit een verklaring omtrent het gedrag blijkt dat de ondernemer of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slecht geheel of gedeeltelijk weigeren als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. de ondernemer of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. voor de openbare inrichting een vergunning krachtens artikel 3 van de Drank- en Horecawet is vereist en die vergunning is geweigerd, ingetrokken, of de aanvraag om die vergunning buiten behandeling is gelaten. 6. De aanvraag voor de exploitatie van een openbare inrichting wordt ingediend met een daarvoor vastgesteld formulier.
De aanvrager moet daarbij een verklaring omtrent het gedrag overleggen die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven. 7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit met dien verstande dat de openbare inrichting niet meer dan 10% van de totale overdekte en omsloten bruto vloeroppervlak bedraagt met een maximum van 150 m2; b. zorginstelling; c. museum; d. bedrijfskantine of -restaurant; e. ziekenhuis; of f. scholengemeenschap. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 3. In afwijking van het eerste lid kan de burgemeester bepalen dat een openbare inrichting waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verleend, verplicht is een exploitatievergunning aan te vragen indien deze openbare inrichting ernstige overlast veroorzaakt. 4. De burgemeester weigert de vergunning als: a. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. voor de openbare inrichting een vergunning krachtens artikel 3 van de Drank- en Horecawet is vereist en die vergunning is geweigerd, ingetrokken, of de aanvraag om die vergunning buiten behandeling is gelaten. 6. De aanvraag voor de exploitatie van een openbare inrichting wordt ingediend met een daarvoor vastgesteld formulier.
7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit met dien verstande dat de openbare inrichting niet meer dan 10% van de totale overdekte en omsloten bruto vloeroppervlak bedraagt met een maximum van 150 m2; b. zorginstelling; c. museum; d. bedrijfskantine of -restaurant; e. ziekenhuis; of f. scholengemeenschap. 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Q. Artikel 2:28a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:28a Exploitatie terras 1. Het is voor openbare inrichtingen die vallen onder de categorie natte horeca gelegen in gebied 1, verboden een terras te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Het is verboden om op en nabij het terras een tapinstallatie voor zwak-alcoholische dranken te plaatsen. 3. In geval van een evenement kan de burgemeester ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid. 4. Op de vergunning en de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Nieuwe tekst Artikel 2:28a Exploitatie terras 1. Het is voor openbare inrichtingen die vallen onder de categorie horeca gelegen in gebied 1, verboden een terras te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Het is verboden op en nabij het terras een tapinstallatie voor zwak-alcoholische dranken te plaatsen. 3. In geval van een evenement kan de burgemeester ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid. 4. Het bevoegd bestuursorgaan kan nadere regels stellen. 5. Op de aanvraag om een vergunning en een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
R. Artikel 2:32 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
2. Het in het tweede lid gestelde geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen.
Nieuwe tekst Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. 2. Het is de exploitant verboden vanuit een openbare inrichting die gelegen is in een door de burgemeester tijdelijk aangewezen gebied, distikstofoxide (lachgas) te verkopen. 3. Het in het eerste lid gestelde geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen.
S. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 8A, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over paracommerciële horecabedrijven als bedoeld in de Drank en Horecawet
Nieuwe tekst Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet
T. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 9, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Nieuwe tekst Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
U. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 10, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden
Nieuwe tekst Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
V. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 11, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Nieuwe tekst Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
W. Na artikel 2:50 wordt een nieuw artikel 2:50a ingevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
X. Artikel 2:59 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die
Nieuwe tekst Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd artikel 2:57a, eerste lid, aanhef en onder e, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die
het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Y. Artikel 2:65 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiektoegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Nieuwe tekst Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.
Z. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 12, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Nieuwe tekst Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
AA. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 13, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 13. Vuurwerk en carbid
Nieuwe tekst Afdeling 10. Consumentenvuurwerk en carbid
BB. Artikel 2:73a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:73a Verbod carbidschieten 1. Carbidschieten is verboden. 2. Het verbod is niet van toepassing wanneer het carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar, mits daarbij wordt voldaan aan de door het college gestelde voorschriften.
3. Het college kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van de natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het tweede lid niet van toepassing is. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van strafrecht van toepassing zijn.
Nieuwe tekst Artikel 2:73a Verbod carbidschieten 1. Carbidschieten is verboden. 2. Het verbod is niet van toepassing wanneer het carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar, als: a. van tevoren een melding is gedaan aan het college; b. wordt voldaan aan de door het college gestelde voorschriften. 3. Het college kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van de natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het tweede lid niet van toepassing is. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van strafrecht van toepassing zijn.
CC. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 14, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 14. Drugsoverlast
Nieuwe tekst Afdeling 11. Drugsoverlast
DD. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 15, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebiedsontzegging
Nieuwe tekst Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
EE. Artikel 3:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2, 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
Nieuwe tekst Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2, 1:5, 1:6 en 1:7 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
FF. Artikel 3:7, lid 1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; h.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; i. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer
Nieuwe tekst Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer
dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: • 1⁰. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Súdwest-Fryslân 2018; • 2⁰. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; • 3⁰. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; • 4⁰. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; • 5⁰. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of • 6⁰. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. j. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt; k. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd of een beheersverordening.
dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: • 1⁰. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; •
i. j.
2⁰. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; • 3⁰. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; • 4⁰. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; • 5⁰. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of • 6⁰. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt; de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd of een beheersverordening.
GG. Artikel 3:14 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: a. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; b. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: a. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; b. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; c. niet ingeschreven staat in het Handelsregister en geen Burgerservicenummer heeft.
HH. Het opschrift van hoofdstuk 4, afdeling 1, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting
Nieuwe tekst Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
II. Artikel 4:11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. Het is verboden een houtopstand die onderdeel uitmaakt van een groencluster of ís opgenomen in het bomenregister, zoals vastgesteld in het bomenbeleidsplan, zonder vergunning van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor: a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet, in geval van plotselinge gevaarzetting of krachtens een aanschrijving op last van het bevoegd gezag; b. het periodiek vellen van hakhout en bosplantsoen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelabeerde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud. 3. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleend voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. 4. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.
5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. 6. Van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van de houtopstand(en) mag pas gebruik worden gemaakt indien: a. binnen de daarvoor geldende termijn van de desbetreffende rechtsmiddelen geen gebruik is gemaakt; of b. in hoogste rechterlijke instantie is beslist of de omgevingsvergunning in stand blijft.
Nieuwe tekst Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. Het is verboden een houtopstand die onderdeel uitmaakt van een groencluster of ís opgenomen in het bomenregister, zoals vastgesteld in het bomenbeleidsplan, zonder vergunning van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor: a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet, in geval van plotselinge gevaarzetting of krachtens een aanschrijving op last van het bevoegd gezag; b. het periodiek vellen van hakhout en bosplantsoen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelabeerde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud. 3. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleend voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. 4. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 5. De voorschriften kunnen ook betrekking hebben op een financiële compensatie als directe herplant niet mogelijk is. 6.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. 7. Van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van de houtopstand(en) mag pas gebruik worden gemaakt indien: a. binnen de daarvoor geldende termijn van de desbetreffende rechtsmiddelen geen gebruik is gemaakt; of b. in hoogste rechterlijke instantie is beslist of de omgevingsvergunning in stand blijft.
JJ. Het opschrift van hoofdstuk 5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Nieuwe tekst Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
KK. Het opschrift van hoofdstuk 5, afdeling 1, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 1. Parkeerexcessen
Nieuwe tekst Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod
LL. Artikel 5:10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:10 Parkeren anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Nieuwe tekst Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
MM.Artikel 5:15 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:15 Ventverbod 1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 2. Het is verboden te venten tussen 21.00 en 09.00 uur. 3. Het is tevens verboden op zondag te venten door goederen danwel diensten aan huis te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
Nieuwe tekst Artikel 5:15 Ventverbod 1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 2. Het is verboden te venten tussen 21.00 en 09.00 uur. 3. Het is tevens verboden op zondag te venten door goederen dan wel diensten aan huis te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; b. het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.
NN. Het opschrift van hoofdstuk 5, afdeling 6, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 6. Openbaar water
Nieuwe tekst Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken
OO. Artikel 5:32 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.
Nieuwe tekst Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.
PP. Het opschrift van hoofdstuk 5, afdeling 8, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 8. Verbod vuur te stoken
Nieuwe tekst Afdeling 8. Vuurverbod
QQ. Het opschrift van hoofdstuk 5, afdeling 9, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 9. Verstrooiing van as
Nieuwe tekst Afdeling 9. Asverstrooiing
RR. De redactie van de artikelen genoemd in onderstaande tabel, aan te passen zoals aangegeven in de derde kolom van de tabel. Artikel(-lid)
Huidige redactie
Redactie na verbetering / aanvulling
1:1, onder b
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Bouwverordening;
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Bouwverordening van de gemeente Súdwest-Fryslân; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;
1:1, onder c 1:1, onder m
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
2:1, lid 3
Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Het is verboden zich te begeven of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
2:8, lid 4
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
2:11, lid 4
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie Fryslân, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Verordening kabels en leidingen gemeente Súdwest-Fryslân. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie Fryslân, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Verordening kabels en leidingen gemeente Súdwest-Fryslân. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Kansspelautomaten In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.