Raadsvoorstel - Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022
Tekst van het document
Ons nummer: R21.000198
*R21.000198* O.0000001E
Raadsvoorstel gemeente Súdwest-Fryslân Onderwerp Raadsvergadering van Commissie Commissievergadering van Portefeuillehouder Team Behandelend ambtenaar
Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022 18 november 2021 Bestjoer en Finânsjes 4 november 2021 G. Wielinga Belastingen S. Tiesma
Voorstel: Verordening parkeerbelastingen 2022 vaststellen. Inleiding: In de verordening parkeerbelastingen zijn jaarlijks, voor 1 januari, aanpassingen nodig die zorgen voor aansluiting bij jurisprudentie en de uitvoeringspraktijk. Doel: Het komen tot een op de actualiteiten aangepaste verordening. Argumenten: Naast een aantal redactionele aanpassingen stellen wij voor om de verordening parkeerbelastingen het volgende punt aan te passen: Verhogen kosten naheffingsaanslag In artikel 10 van de verordening worden de kosten van de naheffingsaanslag vastgesteld. Deze naheffingsaanslag wordt opgelegd aan parkeerders die niet of te weinig parkeerbelasting betaald hebben. De naheffingsaanslag bestaat uit een uurtarief parkeerbelasting en het kostenbedrag uit artikel 10. Het op te leggen kostenbedrag mag niet meer zijn dan de kosten die de gemeente maakt voor het opleggen van de naheffingsaanslag. Er wordt echter elk jaar een wettelijk maximumbedrag vastgesteld. De minister van BZK heeft bekend gemaakt dat het wettelijk maximumbedrag van dit kostenbedrag per 2022 € 66,50 bedraagt. De kosten die de gemeente maakt voor het opleggen van een naheffingsaanslag liggen hoger. Daarom is ons voorstel om het wettelijke maximumbedrag over te nemen en het kostenbedrag van de naheffingsaanslag per 1 januari 2022 vast te stellen op € 66,50 per naheffingsaanslag. In 2021 was het kostenbedrag € 65,30.
Dit was toen het wettelijke maximum.
1
Nog geen aanpassingen tarieven parkeervergunning Tijdens de behandeling van de verordening Parkeerbelastingen 2020 in de commissievergadering van 7 november 2019 heeft de commissie aangegeven dat zij voorstander is om te onderzoeken of de tarieven voor parkeervergunningen in de binnenstad van Sneek verhoogd kunnen worden. Dit naar aanleiding van de verhoging van de parkeerbelasting voor bezoekers bij de parkeerautomaten. De tarieven voor parkeervergunningen zijn in het verleden in goed overleg met belanghebbenden tot stand gekomen. Voor de totstandkoming van de parkeervisie zijn er daarnaast parkeerpetearen georganiseerd. Het is wenselijk om ook dit onderzoek in goed overleg met de belanghebbenden te organiseren. De eerste evaluatie en vervolgtraject van de parkeervisie, met ook specifieke aandacht voor de parkeervergunningen, stond begin dit jaar op de planning. We hebben echter nog geen middelen beschikbaar gehad om deze evaluatie uit te voeren. Daarnaast spelen ontwikkelingen zoals COVID-19 een rol hierbij. Deze evaluatie en vervolgtraject houdt onze aandacht. De uitkomsten worden bestuurlijk besproken en teruggekoppeld aan de raad met specifieke aandacht voor dit onderwerp. Alternatieven: Een alternatief is het niet aanpassen van de verordening parkeerbelastingen. Risico’s: Geen. Kaders: Artikel 225 van de Gemeentewet Financiële aspecten/gevolgen: Geen.
Duurzaamheid: n.v.t. Global Goals n.v.t. Vervolgproces: n.v.t. Monitoring en evaluatie: n.v.t. Gevolgen voor LTA: n.v.t.
2
Communicatie en afstemming: wettelijke publicatie Bijlage(n)
Meegezonden: - tarieventabel parkeerbelastingen 2022 Ter inzage: -
Burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.
mr. drs. J.A. de Vries
P. Zondervan
3
, burgemeester.
, gemeentesecretaris.
Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022 De raad van de gemeente Súdwest-Fryslân; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 5 oktober 2021; gelet op artikel 225 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022
Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. centrale computer: computer van het bedrijf waarmee de gemeente Súdwest-Fryslân een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon; b. gehandicaptenparkeerkaart: parkeerkaart als bedoeld in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart; c. houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens; d. motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990, met inbegrip van brommobielen zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990; e. parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; f. parkeerprovider: diensten die via applicaties op smartphones mogelijkheid bieden om in de gemeente parkeerbelasting te voldoen; g. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een h.
motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning of ontheffing voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning of ontheffing aangegeven plaats en wijze.
Artikel 3
Belastingplicht
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 2. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: a. degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; b. zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat 1e. als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd; 2e. als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 4.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene aan wie de vergunning of ontheffing is verleend.
Artikel 4 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.
Artikel 5
Wijze van heffing
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften. 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel bij wege van aanslag. 3. Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt worden opgegeven.
Artikel 6
Ontstaan van de belastingschuld
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. 2. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing wordt verleend. 3. Indien de belastingplicht voor een vergunning bedoeld in artikel 3, lid 4, in de loop van het jaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.
4. Indien de belastingplicht voor een vergunning bedoeld in artikel 3, lid 4, in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 5. Het vierde lid is alleen van toepassing indien de belastingplichtige voor tenminste één kalendermaand betaalt.
Artikel 7
Termijnen van betaling
1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren. 2. In afwijking van eerste lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald volgens de voorwaarden van de parkeerprovider, indien de parkeerapparatuur bij de aanvang van het parkeren in werking wordt gesteld met een applicatie van een parkeerprovider op een smartphone. 3. In afwijking van het eerste lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald na afloop van het parkeren indien geparkeerd wordt in een parkeergarage. 4. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing wordt verleend. Indien de belasting bij wege van aanslag wordt geheven moet de belasting binnen een maand na dagtekening van het aanslagbiljet worden betaald. 5. Een naheffingsaanslag moet binnen een maand na dagtekening van de kopie naheffingsaanslag worden betaald. Artikel 8 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.
Artikel 9 Vrijstelling gehandicapten Houders van een gehandicaptenparkeerkaart zijn voor de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, vrijgesteld, mits deze gehandicaptenparkeerkaart met de daartoe bestemde zijde op een van buitenaf duidelijk leesbare plaats, direct achter de voorruit van het motorvoertuig is geplaatst. Indien geen voorruit aanwezig is, dient de gehandicaptenparkeerkaart op een van buitenaf zichtbare plaats leesbaar te worden aangebracht.
Artikel 10 Kosten De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 66,50.
Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12
Inwerkingtreding
1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 2. De Verordening Parkeerbelastingen 2021 van 19 november 2020 wordt ingetrokken. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. Op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan blijft de Verordening Parkeerbelastingen 2021 van toepassing. 4. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Parkeerbelastingen 2022.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 november 2021
mr. drs. J.A. de Vries
G.W. Stegenga
, voorzitter.
, griffier.