Raadsvoorstel - Verordening op de heffing en invordering van OZB 2024
Tekst van het document
Ons nummer: R23.000215
*R23.000215* BLANCOCaseKlantCodeCaseKlantSoort
Raadsvoorstel gemeente Súdwest-Fryslân Onderwerp Raadsvergadering van Commissie Commissievergadering van Portefeuillehouder Team Adviseur
Verordening op de heffing en invordering van OZB 2024 21 december 2023 Bestjoer en Finânsjes 7 december 2023 Henk de Boer Belastingen Sieta Tiesma
Voorstel: De verordening op de heffing en invordering van OZB 2024 vast te stellen.
Samenvatting: Onroerendezaakbelastingen (OZB) wordt opgelegd aan eigenaren van onroerende zaken en aan gebruikers van niet-woningen binnen de gemeente. De OZB bestaat uit drie soorten belastingen: OZB eigenaren woningen, OZB eigenaren niet-woningen en OZB gebruikers niet-woningen. Elk jaar moeten de tarieven OZB voor 1 januari aangepast worden om de begrote opbrengst te realiseren. Met het vaststellen van de verordening OZB wordt uitvoering gegeven aan kaders die door de gemeenteraad zijn gesteld in de programmabegroting en het raadsbesluit omtrent het ondernemersfonds. Argumenten: Op 2 november jl. heeft de raad de programmabegroting 2024 vastgesteld. In de paragraaf lokale heffingen is de opbrengst voor de OZB 2024 begroot op € 25.398.307. Dit bedrag is tot stand gekomen door de opbrengst van 2023 trendmatig te verhogen met 7%, verhoogd met een extra opbrengst uit areaaluitbreiding (meer woningen, dus meer aanslagen OZB). Conform het aangenomen amendement van de Volkspartij tijdens de raadvergadering van 23 november wordt de opbrengst voor de niet-woningen verhoogd met € 1.192.000, ten behoeve van een subsidie aan het ondernemersfonds. Bij de tariefstelling speelt de jaarlijkse herwaardering een grote rol. De totale waarde van de in de heffing betrokken objecten is namelijk de basis voor de berekening van de tarieven.
Eenvoudig weergegeven resulteert de deling van de begrote opbrengst door de totale waarde van de betreffende categorie in het tarief voor die categorie. Aan de hand van de WOZ-waarde en de opbrengst zijn de tarieven OZB 2024 berekend. Dit resulteert in de volgende OZB-tarieven (% van de WOZ-waarde):
Eigenaren woningen Eigenaren niet-woningen Gebruikers niet-woningen
Tarief 2024 0,1102% 0,3238% 0,2590%
Tarief 2023 0,1059% 0,3105% 0,2490%
Bovengenoemde percentages vermenigvuldigd met de WOZ-waarde zijn de OZB aanslagen. Bij eigenaren van woningen is de stijging van de gemiddelde OZB aanslag 6,65%. Bij de niet-woningen is deze stijging 10,6%. Dat dit laatste percentage hoger is, heeft vooral te maken met een afname in het aantal niet-woningen. Hierdoor stijgt de gemiddelde waarde van een niet-woning relatief meer dan de totale waarde van de niet-woningen.
1
De OZB maakt samen met de afvalstoffenheffing en rioolheffing deel uit van de woonlasten. Deze lasten geven de belastingdruk van woningen aan. Uitgaande van de voorgestelde tarieven levert dit in vergelijking met 2023 een stijging van de woonlasten van 6,81% op. Risico’s: De tarieven voor de OZB worden altijd berekend door de begrote opbrengst te delen door de totale WOZ-waarde van alle onroerende zaken. Op het moment van het berekenen van de tarieven was 64% van alle objecten gewaardeerd. Voor de overige objecten is aan de hand van stijgingspercentages een schatting gemaakt van de uiteindelijke waarde. Dit brengt een risico voor de betrouwbaarheid van de tarieven, en daarmee samenhangend voor het realiseren van de begrote opbrengst, met zich mee. Financiën: Na vaststelling van deze verordening zullen de in de programmabegroting opgenomen opbrengst en de extra verhoging van € 1.192.000 ten behoeve van het ondernemersfonds gerealiseerd worden. Andere opties: Er zijn geen alternatieven. In de Gemeentewet zijn de kaders met betrekking tot de OZB vastgesteld. Hier moet de verordening aan voldoen. Door de raad zijn bij de vaststelling van de Programmabegroting 2024 en de vaststelling van de subsidie aan het ondernemersfonds eveneens kaders gesteld die moeten worden toegepast. Wettelijke basis: Artikel 220 e.v. van de Gemeentewet.
Global Goals: Deze belastingverordening richt zich op de uitvoering van vastgesteld beleid. In die zin is er geen link met de Global Goals. Wie zijn betrokken: Belastingplichtigen Wijze van participatie: Informeren Digitale links naar informatiebronnen: n.v.t. In welke fase: Vaststelling. Planning vervolg in de raad/LTA: Jaarlijks. Bijlage(n): n.v.t. Burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.
mr. drs. J.A. de Vries
, burgemeester.
2
drs. E.K. Strijker
, gemeentesecretaris.
3
Verordening op de heffing en invordering van OZB 2024 De raad van de gemeente Súdwest-Fryslân; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 november 2023; gelet op artikel 220 e.v. van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van OZB 2024 Artikel 1
Belastbaar feit en belastingplicht
1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3.
Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2
Belastingobject
1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3
Maatstaf van heffing
1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
4
Artikel 4
Vrijstellingen
1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, voor zover niet bedrijfsmatig geëxploiteerd, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; n. dorpshuizen, wijk- of buurtcentra, jeugdsosen, clubhuizen/verenigingsgebouwen, multifunctionele accommodaties, schouwburg/concertgebouw of kruisgebouwen, voor zover niet bedrijfsmatig geëxploiteerd; o. sportzalen, sportterreinen of speeltuinen, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen die deel uitmaken van dergelijke onroerende zaken, voor zover niet bedrijfsmatig geëxploiteerd;
5
p. volkstuinen, niet zijnde gebouwen, voor het niet bedrijfsmatig exploiteren van cultuurgrond. 2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5
Belastingtarieven
1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting 0,2590%; b. de eigenarenbelasting i. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1102%; ii. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3238%. 2. Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7
Termijnen van betaling
1. De aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen. 2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 vervalt de eerste termijn op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. De tweede termijn vervalt twee maanden later. 3. De verschuldigde bedragen kunnen ook door middel van automatische betalingsincasso worden afgeschreven overeenkomstig de voorwaarden gesteld in het 'Reglement voor de automatische incasso van de gemeentelijke belastingen in de gemeente Súdwest-Fryslân'. De aanslagen moeten dan worden betaald in acht gelijke maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in de voorgaande leden.
Artikel 8
Inwerkingtreding en citeertitel
1. De verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. 2. De Verordening OZB 2023 van 22 december 2022 wordt ingetrokken. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. Op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan blijft de Verordening OZB 2023 van toepassing. 4. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening OZB 2024.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 december 2023.
mr. drs. J.A. de Vries
, voorzitter.
6
G.W. Stegenga
, griffier.
7