Raadsvoorstel - Ondernemersfonds Sudwest-Fryslan
Tekst van het document
Ons nummer: R23.000168
*R23.000168*
Raadsvoorstel gemeente Súdwest-Fryslân Onderwerp Raadsvergadering van Commissie Commissievergadering van Portefeuillehouder Team Adviseur
Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân 23 november 2023 Bestjoer en Finânsjes 9 november 2023 Bauke Dam Ondersteuning en Advies Justin Rienks
Voorstel: a. medewerking te verlenen aan het verzoek van de Stichting Ondernemersfonds SúdwestFryslân om, via een verhoging van de onroerende zaak belastingen voor niet-woningen, de voortzetting van het ondernemersfonds Súdwest-Fryslân per 1 januari 2024 mogelijk te maken en een subsidieovereenkomst voor de duur van 5 jaar te sluiten. b. bij de vaststelling van de verordening OZB 2024, ten behoeve van de voeding van het fonds, de begrote opbrengst van de onroerendezaakbelastingen voor niet-woningen met € 1.000.000 te verhogen. c. de onder lid b genoemde verhoging ter beschikking te stellen aan de Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân onder toepassing van de Algemene Subsidieverordening van de gemeente Súdwest-Fryslân. Samenvatting: Het college stelt aan uw raad voor om positief te reageren op het verzoek van de Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân en dus te besluiten tot verlenging van het ondernemersfonds per 1 januari 2024. De voorwaarden die we hieraan willen verbinden worden in dit voorstel benoemd en toegelicht.
Het voorstel om op deze wijze het bestaan van een ondernemersfonds in onze gemeente te verlengen komt voort uit de overtuiging dat het fonds aantoonbaar meerwaarde biedt in deelnemende kernen en gemeentebreed, dat er naast weerstand vooral ook veel draagvlak en enthousiasme is bij ondernemers(verenigingen), dat er veel projecten en initiatieven gebaat zijn bij de (financiële) zekerheid die continuering biedt en dat er een uitgebreid onderzoek van de Rekenkamer ligt dat ons het vertrouwen geeft dat het fondsbestuur haar taken goed uitvoert en in de afgelopen jaren heeft laten zien de voorgeschreven en voorgestelde verbeteringen ook effectief uit te voeren. Aanleiding Sinds 1 januari 2016 is in de gemeente Súdwest-Fryslân een Ondernemersfonds actief. Er werd gestart met een driejarige pilot. Na een evaluatie door een extern bureau besloot de raad in 2018 om de subsidieverlening aan het Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân met vijf jaar te verlengen tot eind 2023. Dit betekent dat de huidige subsidieovereenkomst afloopt. Het fondsbestuur heeft bij het college een aanvraag gedaan voor voortzetting van het fonds per 1 januari 2024. Omdat het gaat om de inzet van een belastinginstrument is de gemeenteraad bevoegd gezag. In dit voorstel wordt aan uw raad geadviseerd in te stemmen met een verlenging.
Naast het formele verzoek tot verlenging van de stichting is er de afgelopen periode veel gepasseerd en gecorrespondeerd over het ondernemersfonds. College en raad zijn zowel door tegenstanders als voorstanders van een verlenging benaderd. Het college en raad hebben o.a. diverse brieven ontvangen en gesprekken gevoerd. De diverse formele stukken zijn bij dit advies gevoegd. Hieruit blijkt dat het ondernemersfonds een onderwerp is dat leeft bij zowel voor- als tegenstanders en daarom ook om een zorgvuldige afweging vraagt.
1
Achtergrond en (historische) context Passend bij deze zorgvuldige afweging is een helder beeld van de historie van het fonds, de eerdere besluitvorming hierover en recente (juridische) ontwikkelingen die de kaders waarbinnen een nieuw besluit genomen moet worden beïnvloeden. Ontstaan en ontwikkeling van het fonds Het ondernemersfonds Súdwest-Fryslân is tot stand gekomen op 1 januari 2016, op basis van een besluit van de raad van 17 december 2015. Hier werd besloten tot het instellen van de belastingmaatregel die voeding van het fonds mogelijk maakte. Het initiatief tot instellen van het fonds kwam van de stichting OSF, bestaande uit elf aangesloten ondernemersverenigingen in onze gemeente die gezamenlijk het bestuur vormden. Met het fonds wilden de initiatiefnemers de regionale economie versterken en een impuls geven voor meer samenwerking tussen ondernemers, zowel in grote als kleinere kernen. Een fonds voor en door ondernemers waarvan de bestedingen ten goede moeten komen aan een bloeiend ondernemersklimaat en de leefbaarheid in kernen. Dit gedachtegoed ligt nog steeds ten grondslag aan de visie van de stichting zoals bijgevoegd bij de subsidieaanvraag. In de gemeenteraad bestaat ten tijde van de oprichting een ruime politieke meerderheid voor het fonds (28 stemmen voor, 8 tegen). Er zijn ook kritische geluiden, met name over de verdeeldheid onder ondernemers.
Hiertoe wordt een motie aangenomen die toeziet op het vertegenwoordigen van belangen van groepen (lees: kernen en/of ondernemers) die weinig of geen toegevoegde waarde in het fonds zien. Geconcludeerd kan worden dat het fonds in de eerste (pilot)periode een stroeve start maakt. Er is veel onduidelijkheid bij ondernemers en ondernemersverenigingen. Over de mogelijkheden, de benodigde administratieve handelingen, de (individueel) te betalen belasting en communicatie hierover. Met name in de kleinere kernen, waar de organisatiegraad minder is, is veel onduidelijkheid en groeit de weerstand. De stroeve start wordt in de hand gewerkt doordat in het begin veel aandacht uitgaat naar de retributieregeling en de blijvende tegenstand vanuit bepaalde groepen ondernemers die de publieke opinie beïnvloedt en daarmee aandacht vraagt van het fondsbestuur en de gemeente. In het derde jaar (2018) van de eerste periode wordt door een extern bureau een evaluatie uitgevoerd. Deze evaluatie heeft aan de basis gestaan van het besluitvormingsproces in datzelfde jaar waar uiteindelijk besloten is om in te stemmen met verlening per 1 januari 2019. De hoofdaanbeveling van deze evaluatie is: ga door met het fonds.
De bereikte resultaten van het fonds in termen van aard en type activiteiten, en de initiatieven die langzamerhand in kleine kernen tot stand komen, zijn voldoende aanleiding om het fonds een volgende periode door te laten gaan. Maar er moet wel een aantal verbeteringen worden ingevoerd. Op 12 november 2018 wordt in de raad gediscussieerd over de verlenging van het ondernemersfonds. Naast de aanbevelingen vanuit de evaluatie wordt hier ook de weerstand vanuit ondernemers en andere betrokkenen meegewogen. Het raadsvoorstel om tot verlenging over te gaan wordt geamendeerd in die zin dat enkele kaders worden toegevoegd. Zo zal een raad van toezicht ingesteld moeten worden en het systeem van retributie zal vereenvoudigd moeten worden. Tevens zullen het college en de raad jaarlijks geïnformeerd moeten worden over het fonds door middel van een jaarrapportage en een jaarrekening. Dit geamendeerde besluit is de basis voor het ondernemersfonds zoals deze tot op de dag vandaag actief is. In de afgelopen jaren is de omvang (aantal deelnemende kernen en bestede gelden aan projecten) aanzienlijk gegroeid en heeft de stichting op eigen initiatief en op aanbevelen van college en de raad veranderingen doorgevoerd in organisatie en beleid.
Dit ziet er op hoofdlijnen als volgt uit: - Gemeentebreed ondernemersfonds op basis van een subsidie die verleend wordt aan de Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân. - De raad heeft besloten tot een opslag op de OZB voor niet-woningen ter hoogte van 0,06% van de WOZ-waarde, ofwel een opslag van €60 per €100.000 WOZ-waarde. De meeropbrengst van deze opslag wordt door de gemeente ter beschikking gesteld aan de Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân, waarmee het subsidiebedrag dus meebeweegt met de waardestijging van belaste niet-woningen. - Omdat de opslag een vast percentage van de WOZ-waarde is, is door de stijging van de waardes en de toename van WOZ-objecten (o.a. windpark) het subsidiebedrag de afgelopen jaren behoorlijk gegroeid tot zo’n €1,3 miljoen. - De zogenoemde trekkingsgerechtigden kunnen aanspraak maken op geld uit het fonds. Een trekkingsgerechtigde is een samenwerkingsverband (een ondernemersvereniging of anderszins) die een trekkingsgebied vertegenwoordigt. In de gemeente Súdwest-Fryslân is er
2
-
-
-
-
-
voor gekozen om de omvang van zo’n gebied vrij te laten. Om praktische redenen is de kleinste eenheid van trekkingsgebieden een postcodegebied. Daarmee is het in beginsel mogelijk dat elke kern een trekkingsgebied vormt. In totaal gaat het dan om 89 trekkingsgebieden. Er is in een trekkingsgebied een aantoonbare meerderheid nodig die wil deelnemen aan het fonds. Is die meerderheid er niet, dan wordt de betreffende kern aangemerkt als nietdeelnemende kern. 39 kernen doen mee. Deze kernen vertegenwoordigen 75% van het totaal aantal OZB niet-woningen betalende ondernemers. Er is volledige compensatie van de betaalde opslag mogelijk voor ondernemers in nietdeelnemende kernen en voor alle agrarisch ondernemers. Dit kunnen zij individueel opvragen op de website van het fonds. In de praktijk maakt 25% van de ondernemers in niet-deelnemende kernen hier gebruik van en 57% van de agrarisch ondernemers. Deze zogenoemde retributieregeling is op juridische gronden niet langer houdbaar (zie kopje rechtspraak). Het fondsbestuur heeft regels opgesteld waaraan projecten moeten voldoen en hoe deze moeten worden ingediend. In de praktijk moeten trekkingsgebieden die meedoen jaarlijks een begroting met projecten/activiteiten indienen én aantonen dat er een democratische meerderheid is voor deze projecten. Als dit wordt goedgekeurd krijgt men in delen de middelen overgemaakt.
Iedere kern heeft (mits er projecten zijn) recht op “zijn deel” van de pot. Naast trekkingsgebieden is er een gemeentebreed budget, gevuld door niet opgevraagde compensatie, niet-bestede gelden in trekkingsgebieden en de opbrengst uit windmolenparken. In basis kan iedereen in de gemeente aanvragen doen voor projecten die uit dit budget betaald worden, hierover beslist een onafhankelijke commissie. Gemeente en Ondernemersfonds (stichting) werken samen op basis van een vastgestelde samenwerkingsovereenkomst. De gemeente bemoeit zich niet rechtstreeks met governance en uitvoeringsbeleid van het fonds. De stichting wordt geleid door een onbezoldigd fondsbestuur en een bezoldigde fondsmanager. Er is een Raad van Toezicht die het bestuur aanstelt en controleert en waar nodig bemiddelt tussen bestuur en deelnemers.
In de bijlage zijn verschillende documenten opgenomen die in meer detail een beeld schetsen van het functioneren van het huidige fonds. Een van die documenten is het rapport van de Rekenkamer (2022) die in opdracht van uw raad het functioneren van het fonds heeft onderzocht. Het college heeft eerder al uitgesproken blij te zijn met dit uitvoerige onderzoek dat een objectief en actueel beeld schetst van het functioneren van het fonds in relatie tot gemaakte afspraken en de doelmatigheid. Samen met de vele stakeholdergesprekken vormt dit onderzoek voor het college dan ook een logische basis om de huidige subsidieperiode van het fonds de evalueren en dit te vertalen naar een advies aan uw raad ten aanzien van het verzoek tot verlenging. Rekenkameronderzoek De Rekenkamer heeft op verzoek van uw raad onderzoek gedaan naar de werking van het ondernemersfonds Súdwest-Fryslân. Het onderzoek betreft de tweede periode van het fonds vanaf het besluit tot verlenging door de raad in 2019. Het rapport is tot stand gekomen door gesprekken te voeren met alle betrokkenen en door zeer uitgebreid dossieronderzoek. Daarmee geeft het wat ons betreft een gedegen en goed onderbouwd beeld van hetgeen er zich in en rondom het fonds heeft afgespeeld.
Het beschrijft dat en waarom het fonds nooit onomstreden is geweest, de complexiteit en gevoeligheid van de verschillende regelingen, een vergelijk met fondsen in den lande en eventuele alternatieven en bovenal een feitelijke toets van het functioneren van het fonds(bestuur) ten aanzien van gemaakte afspraken. De Rekenkamer constateert dat “een valide en toereikend beeld is verkregen van de activiteiten die het fondsbestuur uitvoert en gesteld kan worden, dat het ondernemersfonds goed in de lijn van de beide visies, de samenwerkingsovereenkomst en het raadsbesluit opereert”. Daarnaast komt de Rekenkamer met verschillende aanbevelingen en overwegingen voor zowel de gemeente als het fonds. Het college heeft in een bestuurlijke reactie in 2022 laten weten de conclusies in algemene zin te onderschrijven en de geschetste dilemma’s te herkennen. De aanbevelingen voor het fonds zijn door de stichting meegenomen bij het opstellen van hun meest actuele visie en de aanvraag tot verlenging. De aanbevelingen en overwegingen voor de gemeente komen terug in de afwegingen in dit voorstel aan uw raad.
3
Rechtspraak Tijdens de raad van 12 november 2020 werd een motie ingediend waarin verwezen wordt naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag inzake de gemeente Teylingen. In deze uitspraak stond de rechtsvraag centraal in hoeverre een retributieregeling die open staat voor sommige ondernemers, maar voor andere ondernemers niet, zich verhoudt tot het gelijkheidsbeginsel. Kort gezegd, stelt de rechter dat door deze regeling een onwettelijk verschil bestaat in rechten van belastingbetalers. Het gerechtshof constateert dat de besluiten van de gemeenteraad van de gemeente Teylingen erop gericht zijn te bewerkstelligen dat van eigenaren en gebruikers van niet-woningen die tot bepaalde categorieën behoren, minder OZB wordt geheven. Per saldo leidt deze regeling tot een heffing van OZB die verder differentieert dan de toegestane differentiatie (OZB-eigenaren niet woningen en OZB-gebruikers niet woningen), namelijk twee verschillende tarieven voor OZB-gebruikers niet woningen en twee verschillende tarieven voor OZB-eigenaren niet woningen. Hier biedt de wet in formele zin geen ruimte voor, aldus het gerechtshof. Het vergelijk met de uitspraak inzake de gemeente Teylingen is niet onlogisch. Er zijn veel overeenkomsten, doch ook verschillen, met de regelingen zoals wij die kennen rondom het ondernemersfonds in onze gemeente.
Meer details leest u desgewenst in het bijgevoegde rapport van de Rekenkamer. Naar aanleiding van de uitspraak in Teylingen hebben 17 ondernemers in Súdwest-Fryslân beroep aangetekend tegen de aan hen opgelegde aanslagen OZB in 2021. De Rechtbank Noord-Nederland heeft hierover op 13 juli jl. uitspraak gedaan. De kernvraag van de ondernemers was of de gemeente haar in de gemeentewet gegeven bevoegdheid overschreden heeft. De ondernemers stellen dat de retributieregeling van het ondernemersfonds in strijd is met de gemeentewet, doordat er door de retributieregeling meer verschillende tarieven OZB geheven worden dan wettelijk toegestaan. De ondernemers beroepen zich daarbij op de uitspraak van het gerechtshof Den Haag in de zaak van de gemeente Teylingen. De heffingsambtenaar was het bevoegde orgaan om namens de gemeente deze rechtszaak te voeren. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen over de werking van de retributieregeling omdat dit een privaatrechtelijke regeling betreft. Daarnaast is de heffingsambtenaar van mening dat de gemeenteraad vanuit de formele wetgever wel enige beleids- en beslisruimte heeft en dat de gemeente haar bevoegdheid niet heeft overschreden. De rechtbank heeft de beroepen van de ondernemers gegrond verklaard.
Volgens de rechtbank was zij wel bevoegd omdat de retributieregeling de rechtmatigheid van de opgelegde aanslagen rechtstreeks raakt. De rechtbank gaat daarnaast in haar oordeel over het overschrijden van de bevoegdheid van de gemeente zelfs nog verder dan het gerechtshof Den Haag door te stellen dat niet alleen besluiten buiten de verordening om kunnen leiden tot een schending van de bevoegdheid tot verdergaande differentiatie van de OZB-tarieven. Ook gemaakte afspraken die erop gericht zijn voorbij te gaan aan de wettelijke beperking leiden tot deze schending. Dergelijke afspraken zijn, naar het oordeel van de rechtbank, in Súdwest-Fryslân gemaakt tussen de gemeente en het ondernemersfonds rondom de invoering van de retributieregeling voor agrariërs en kernen die niet aan het fonds deelnemen. De gemeente heeft als reactie op deze uitspraak een hoger beroep bij het gerechtshof ArnhemLeeuwarden ingediend. Dit betekent dat een definitief rechterlijk oordeel nog op zich laat wachten. Tot die tijd zijn bovenstaande uitspraken het kader waar binnen de voorgelegen aanvraag van het fonds door het college en de raad beoordeeld moet worden. De gemeente neemt een groot juridisch risico als het toch een besluit neemt over het in stand houden van een retributieregeling voor nietdeelnemende kernen en/of specifieke groepen zoals agrarische ondernemers.
Een dergelijke regeling zou geen onderdeel moeten zijn van de politieke besluitvorming. Het fondsbestuur erkent dit en pleit in haar aanvraag voor het afschaffen van een retributieregeling / compensatie mogelijkheid voor niet-deelnemende kernen en/of specifieke groepen zoals agrarisch ondernemers. Wat naast deze rechtspraak ook speelt, is dat voor de uitvoering voor de retributieregeling zoals deze in de huidige fondsperiode wordt gehanteerd administratieve handelingen van de gemeente nodig zijn die in strijd zijn met de Wet WOZ. Team Belastingen levert lijsten met WOZ-waardes van niet-woningen aan, zodat het fonds de compensatieregeling deugdelijk kan uitvoeren. Deze gegevens zijn echter niet openbaar en mogen dus niet gedeeld worden. Dit betekent dat, naast de genoemde juridische risico’s, een dergelijke regeling ook niet langer praktisch uitvoerbaar is binnen het wettelijk kader.
4
Nieuwe aanvraag Op basis van alle ervaringen en ontwikkelingen van de afgelopen acht jaren heeft de Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân een nieuwe aanvraag gedaan bij het college voor de voortzetting van het fonds per 1 januari 2024. In haar aanvraag (bijgevoegd bij dit voorstel) pleit het fondsbestuur voor een subsidieduur van ten minste 10 jaar, waarbij het fonds niet langer compensatiemogelijkheden biedt voor specifieke groepen. Een fonds voor en door alle ondernemers in de gemeente, waarbij in basis iedere kern meedoet/deelneemt. Het fondsbestuur stelt voor om de hoogte van het subsidiebedrag op dezelfde manier te bepalen als nu het geval, maar geeft daarbij aan ook open te staan voor andere constructies. Aan de basis van de subsidieaanvraag ligt een visiedocument die inzicht geeft in de plannen van het fondsbestuur voor een mogelijke nieuwe fondsperiode. Dit document is eveneens bijgevoegd. Voorstel Het voorstel aan uw raad is om positief te reageren op de aanvraag van de stichting en dus te besluiten tot verlenging van het ondernemersfonds per 1 januari 2024.
We stellen voor om ten opzichte van de huidige afspraken en de aanvraag van de stichting een aantal zaken aan te scherpen om te komen tot een overeenkomst die passend is binnen het gemeentelijk beleid en het wettelijk kader, die tegemoet komt aan wensen van ondernemers en belanghebbenden en aansluiting vindt bij de conclusies uit het rapport van de Rekenkamer en ambtelijke analyses. Het college stelt voor: - Door te gaan met een gemeentebreed ondernemersfonds door tegemoet te komen aan de subsidieaanvraag van de Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân; - De stichting een vast subsidiebedrag van €1.000.000 te verlenen in 2024 en deze jaarlijks te indexeren met het prijsindexcijfer bruto binnenlands product; - Om bij de vaststelling van de verordening OZB 2024, ten behoeve van de voeding van het fonds, de begrote opbrengst van de onroerendezaakbelastingen voor niet-woningen te verhogen met een bedrag van € 1.000.000; - Een subsidierelatie aan te gaan voor de duur van vijf jaar, waarbij in het derde jaar (2026) een evaluatie plaatsvindt door een onafhankelijke partij. Na afronding van deze evaluatie wordt een eventuele aanvraag en het daaropvolgende besluitvormingsproces tot continuering van het fonds opgestart en uiterlijk één jaar voor het einde van de subsidieperiode afgerond; - Als gemeente geen enkele wijze van retributie of compensatie voor te schrijven.
Dit betekent, in lijn met de aanvraag van het fonds, een ondernemersfonds voor en door iedere ondernemer in Súdwest-Fryslân. Hiermee krijgen alle kernen vanaf 1 januari 2024 de mogelijkheid om projectaanvragen in te dienen bij het Ondernemersfonds; - Op verzoek van het fondsbestuur jaarlijks een overzicht te maken met hoeveel procent per trekkingsgebied bijgedragen wordt aan de gehele OZB opbrengst voor niet-woningen, zodat aan de hand hiervan het fondsbestuur een verdeling kan maken van de € 1.000.000 subsidie; - Na (positieve) besluitvorming van de raad een nieuwe samenwerkingsovereenkomst met de stichting te sluiten waarin de uitgangspunten van de samenwerking zijn beschreven. Het college blijft een gepaste afstand innemen ten opzichte van het fonds zoals te doen gebruikelijk bij een gesubsidieerde instelling. De gemeente bemoeit zich niet rechtstreeks met governance en uitvoeringsbeleid van het fonds gedurende de subsidieperiode. Wel adviseren we om een aantal onderdelen vast te leggen in een op te stellen subsidie- en/of samenwerkingsovereenkomst.
We staan op afstand maar willen wel de volgende overwegingen meegeven aan het fondsbestuur: - In enige vorm tegemoet te komen aan de wensen van ondernemers(verenigingen) in reeds deelnemende kernen en het advies van de Rekenkamer om het aanvraagproces voor trekkingsgerechtigden te vereenvoudigen, waarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de (kwaliteit van) controle van het fondsbestuur op de doelmatigheid en het democratische gehalte van de bestede gelden; - Met voorgaande ook te zorgen voor een lagere drempel voor nieuwe deelnemende en kleinere kernen om gebruik te maken van het beschikbare budget uit de subsidieregeling; - De afnemende tijdsbelasting van de fondsmanager door het afschaffen van de retributieregeling en het mogelijk versimpelen van het aanvraagproces, aan te grijpen om meer tijd te besteden aan het begeleiden van kleine kernen bij de organisatiegraad rondom het ondernemersfonds; - Na besluitvorming een (communicatie)plan op te stellen dat gericht is op het informeren, enthousiasmeren en faciliteren van nieuwe deelnemende kernen;
5
-
-
Naast de trekkingsgebieden een gemeentebreed budget te behouden zoals beschreven in het visiedocument en in te zetten op de besteding van dit budget aan actuele thema’s met impact op het ondernemersklimaat en de leefbaarheid in onze gemeente, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, de transitie naar een circulaire economie en innovaties in de parelsectoren; De Raad van Toezicht uit te breiden en hierbij te zorgen voor een brede en representatieve vertegenwoordiging. Hierbij zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan representatie vanuit nieuwe deelnemende kernen, agrarisch ondernemers, ondernemers buiten de gemeente en niet-ondernemers.
Argumenten en risico’s: Bovenstaand advies is gestoeld op een brede afweging van geïnventariseerde wensen en belangen, onderzoeksresultaten en juridische kaders. Aan de hand van zes onderwerpen wordt dit advies verder beargumenteerd en worden ook risico’s, dan wel nadelen, in deze benoemd. 1. Draagvlak In het rapport van de Rekenkamer is aangegeven dat er geen grond is voor de bewering dat er geen draagvlak is. Toch is ook gebleken dat meerdere, met name kleinere kernen niet voor zijn, of in ieder geval niet met deze opzet van een fonds. Dit geldt ook voor het LTO, als vertegenwoordiging van de agrarisch ondernemers en voor een aantal individuele ondernemers die zich verenigd hebben in het Ondernemerscollectief SWF. Er zijn verschillende reacties binnengekomen bij college en raad, ook van tegenstanders van verlenging. Samengevat pleiten deze reacties tegen het voortzetten van het fonds en als het toch wordt voortgezet voor een andere opzet, bijvoorbeeld via een BIZ (Bedrijven Investeringszone). Duidelijk is wel dat een ondernemersfonds en de voeding daarvan altijd onderwerp van discussie zullen zijn en er voor- en tegenstanders zullen zijn. Dat zien we ook bij andere fondsen elders in het land.
Deels zit in deze reacties een duidelijke principiële component: het niet eens zijn met het inzetten van een belastinginstrument ten laste van individuele ondernemers/vastgoedbezitters ten behoeve van een generieke doelstelling. In het geval van Súdwest-Fryslân speelt daarbij echter ook de dimensie van de omvang van het fonds, het aantal kernen en de verschillen tussen die kernen. Met name kleine kernen zien op dit moment onvoldoende meerwaarde in een fonds of worden geremd door ervaren toetredingsdrempels. Al met al is het lastig om de mate van draagvlak volledig objectief, laat staan numeriek, te duiden. In onze optiek is het dan het meest zuiver om uit te gaan van het eerdere besluitvormingstraject en de destijds gekozen opzet gebaseerd op georganiseerde ondernemersverengingen, dorpsbelangen en de Ondernemersfederatie; besturen hiervan zijn immers op een democratische wijze gekozen en vertegenwoordigen daarmee hun achterban. In de opzet van het ondernemersfonds vertegenwoordigen deze de verschillende trekkingsgebieden. Er is sprake van een open systeem waarin trekkingsgebieden (op basis van democratische stemming) bepalen of ze al dan niet meedoen met het ondernemersfonds. De huidige deelname aan het fonds geeft daarmee ook al deels antwoord op de vraag hoe het staat met huidig draagvlak voor een fonds in de verschillende kernen.
In de afgelopen subsidieperiode is het aantal deelnemende kernen gegroeid van 18 naar 39. In deze kernen zijn 75% van de ondernemers gevestigd die OZB niet-woningen betalen. Op basis hiervan kan gesteld worden dat het draagvlak in de afgelopen vijf jaar groter is geworden. In diezelfde periode is door de deelnemende kernen ook een groter percentage (93%) van de beschikbare gelden besteed aan projecten, wat naast draagvlaak ook getuigt van meerwaarde. Ondernemersfederatie en -verenigingen De overkoepelende Stichting Ondernemersfederatie Súdwest-Fryslân heeft in een brief laten weten dat het overgrote deel van haar leden voor verlenging is. Getalsmatig vertegenwoordigen deze partijen een grote meerderheid van het aantal bedrijven in de gemeente. Naast het signaal dat er draagvlak is, zijn door deze partijen ook verbeterkansen naar voren gebracht. Deze zijn gedeeld met het college en de raad, maar ook gedeeld en besproken met het fondsbestuur. Er vanuit gaande dat een deel van deze verbeterkansen benut kan worden, zal dit verder ten goede komen aan het draagvlak. Hierbij dient opgemerkt te worden dat bij het benutten van verbeterkansen vooral ook aandacht moet zijn voor de mogelijkheden om het voor nu nog niet-deelnemende kernen aantrekkelijker en eenvoudiger te maken om gebruik te maken van de mogelijkheden van de subsidieregeling.
Uit de verschillende stakeholdergesprekken krijgen wij de indruk dat draagvlak in (kleine) niet-deelnemende kernen deels ook voortkomt uit kennisachterstand en het ontbreken van de juiste ondersteuning. Hiervoor vragen wij de expliciete aandacht van het fondsbestuur.
6
Meerdere geluiden Een ander signaal dat ons bereikt, is dat de huidige retributieregeling leidt of in het verleden heeft geleid tot verdeeldheid onder ondernemers binnen kernen en ondernemersverenigingen en daarmee het tegenovergestelde bereikt van hetgeen beoogd wordt met het fonds; samenwerking tussen ondernemers stimuleren. Onze verwachting is dat met het afschaffen van de retributieregeling en ook met de voorgestelde versimpeling van het aanvraagproces van gelden, het draagvlak in alle kernen toeneemt. Het is goed om daarbij te herhalen dat in de huidige situatie 25% van de (nietagrarische) ondernemers in niet-deelnemende kernen slechts gebruikt maakt van het recht op compensatie en 57% van de agrarisch ondernemers hiervan gebruik maakt. Het is een uitdaging om ook het draagvlak onder agrarisch ondernemers te vergroten, zonder hen in een uitzonderingspositie te zetten. Uit gesprekken blijkt dat deze ondernemers zich verbonden voelen met de mienskip, ofwel de kern waar zij wonen en ondernemen. Het college moedigt alle partijen aan om juist deze betrokkenheid aan te grijpen om met de fondsgelden als middel de positieve impact van de agrarisch ondernemers in de dorpen te vergroten.
Bovendien zien we volop kansen voor de agrarische sector om actiever een beroep te doen op beschikbare gelden vanuit het gemeentebrede budget om projecten te (co-)financieren op het gebied van innovatie en transities in de sector. Een vertegenwoordiging vanuit de sector in de Raad van Toezicht is mogelijk een aanvullende stap om de betrokkenheid en daarmee ook het draagvlak van deze groep ondernemers te vergroten. Alternatieven In het traject hebben verschillende partijen ook gewezen op mogelijke alternatieven voor een fonds, bijvoorbeeld een BIZ. We benadrukken dat er nu alleen een voorstel ligt over de subsidieaanvraag. Dit is een aanvraag, vanuit ondernemers, voor een gemeentebreed fonds op basis van een opslag op het OZB-tarief. Genoemde alternatieven zoals reclamebelasting en BIZ zullen vanuit de markt moeten worden aangedragen en voorgelegd aan het college en de raad. Hier is op dit moment geen sprake van en we hebben ook niet het beeld dat dit op termijn wél ontstaat. Zonder stil te staan bij de voor- en nadelen van deze alternatieven is het wel goed om de algemene implicaties van een alternatief te duiden. In alle gevallen geldt dat het, bij een aanvraag/aanvragen vanuit de markt en positieve besluitvorming, zou gaan om het invoeren (en uiteindelijk uitvoeren) van een nieuwe belastingsoort.
Hier is in beide gevallen veel voorbereidingstijd en arbeidscapaciteit voor nodig. Bij de gemeente, maar net zo zeer bij ondernemers(verenigingen) en een eventueel nieuw fondsbestuur. Dit zou in praktijk betekenen dat er ten minste een jaar, en in kernen met minder organisatiegraad vermoedelijk meerdere jaren, geen gelden beschikbaar komen die bedoeld zijn om financiële ondersteuning aan gezamenlijke initiatieven te bieden. Samenvattend Al met al zijn er serieus te nemen signalen over de wens tot afschaffing van het fonds of een alternatieve voeding daarvan, bijvoorbeeld in de vorm van een BIZ per kern. Toch hebben wij de indruk dat er nog steeds breed draagvlak onder ondernemers bestaat voor een gemeentebreed fonds. Een groot deel van de vertegenwoordigde ondernemers zijn nog steeds van mening dat een ondernemersfonds een positieve bijdrage levert aan het ondernemersklimaat en de leefbaarheid in onze gemeente en daarom ook in de komende jaren bestaansrecht heeft. Deze meerderheid spreekt bovendien de zorg uit over het scenario dat het fonds niet wordt gecontinueerd. Dit heeft grote impact op de bestaanszekerheid van verschillende initiatieven en projecten, in sommige gevallen zelfs op banen, waarvan in de afgelopen jaren is aangetoond dat zij een positieve bijdrage leveren aan het ondernemersklimaat en de leefbaarheid in de betreffende kern of in de hele gemeente. 2.
Meerwaarde Bij het vorige punt duidden we al kort de meerwaarde van een ondernemersfonds die door ondernemers en het college wordt gezien. Het college beoordeelt de meerwaarde van het fonds voornamelijk op de doelen die het fonds heeft; het stimuleren van collectieve ondernemersactiviteiten die bijdragen aan het verbeteren van het ondernemersklimaat en de leefbaarheid in kernen. We verwijzen in de eerste plaats naar het rapport van de Rekenkamer dat concludeert dat het fonds naar deze doelen handelt en functioneert. Het feit dat het aantal aangevraagde en gefinancierde projecten nog jaarlijks toeneemt, zowel in kwantiteit als in kwaliteit/doelmatigheid, toont wat ons betreft de meerwaarde van de subsidieregeling aan. De eerder genoemde bestedingsgraad van 93% van de beschikbare gelden aan projecten en de groei naar 39 deelnemende kernen, bieden vertrouwen. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat er ook nog steeds signalen zijn dat in de kleinere kernen meer moeite is om projecten te initiëren. Veel van de nieuwe kernen die vanaf 1 januari 2024 deelnemen vallen ook in de categorie “kleine kern”
7
en hebben bovendien nog geen ervaring met het fonds. Verwacht kan worden dat de meerwaarde in deze kernen in het eerste jaar over het algemeen kleiner is dan nu in deelnemende kernen het geval is. Dit vraagt de aandacht van het fondsbestuur om hierin te ondersteunen en mogelijk ook andere partijen hierbij te betrekken. Inhoudelijk zullen er op projectniveau natuurlijk altijd verschillen van mening bestaan over nut en noodzaak van projecten. Het draait wat ons betreft vooral om de vraag of er sprake is van projecten die passen bij de doelstellingen van het fonds en of het fonds in voldoende mate wordt ingezet voor de projecten die zijn geïnitieerd vanuit de ondernemersverenigingen. De Rekenkamer beantwoordt deze vragen positief. Dit beeld zien wij bevestigd in de dagelijkse praktijk, in de vorm van concrete projecten die mede mogelijk gemaakt worden door cofinanciering vanuit het ondernemersfonds. Denk hierbij aan de 3O-samenwerking Súdwest Werkt, het Werkfestival, projecten van Technolab, beveiliging op bedrijventerreinen, inhuur van binnenstad- en parkmanagement, de organisatie van evenementen voor toeristen en inwoners en ook voorbeelden op kleinere schaal, zoals de aanschaf van AED’s en het plaatsen van speel- en ontmoetingsplaatsen. Projecten die direct en indirect allemaal bijdragen aan de doelen en ambities van de gemeente uit het coalitieakkoord.
Naast de toegevoegde waarde van de projecten an sich, heeft het fonds ook als doel om de samenwerking tussen ondernemers in kernen te versterken. Zowel in de evaluatie in 2018 als in het rapport van de Rekenkamer wordt geconcludeerd dat het fonds hierin slaagt. Het college beroept zich in deze vooral ook op de signalen vanuit deelnemende kernen, waaruit onder meer blijkt dat deelname aan het fonds heeft geleid tot hogere opkomsten bij vergaderingen van ondernemersverenigingen, dat met name de grotere ondernemersverenigingen hun slagkracht en organisatie hebben kunnen verbeteren dankzij het fonds en dat er ook voorbeelden van kernen zijn waar door projecten vanuit het fonds de samenwerking tussen de ondernemers(vereniging) en andere verenigingen in de kern verbeterd is. De keerzijde van de medaille is, zoals hiervoor onder het kopje draagvlak benoemd, dat er ook voorbeelden zijn van kernen waar de samenwerking tussen ondernemers juist gehinderd wordt door verschillende meningen over het fonds. Zoals gezegd verwachten wij met het afschaffen van de retributieregeling, ofwel de keuze om wel of niet-deelnemende kern te zijn, dat deze situatie verbetert. Sterker, er worden vooral kansen gezien om de meerwaarde van het fonds in alle kernen te vergroten en te benutten. 3.
Retributie Het voornemen van het fonds en het voorstel van college om in geen enkele vorm een retributie- of compensatieregeling te voeren dan wel voor te schrijven, is in de eerste plaats passend binnen het huidige wettelijk kader. Doorgaan met een gemeentebreed ondernemersfonds met recht op retributie of compensatie is juridisch dusdanig risicovol dat we dit beschouwen als niet-houdbaar. De voor- en nadelen hiervan hoeven bij de besluitvorming dan ook niet te worden afgewogen. Hiervoor hebben we al wel een beeld geschetst welke effecten dit mogelijk heeft voor het draagvlak en de meerwaarde van het fonds. Voor een totaalbeeld van de (financiële) impact hiervan zetten we nog een aantal afgeronde kerngetallen van het huidige fonds (2022) op een rij: - Totale subsidie aan het fonds: €1,3 miljoen, waarvan o €250k uit OZB windmolenparken o €180k uit OZB agrarische objecten o €850k uit OZB overige niet-woningen -
Van de €850k uit OZB overige niet-woningen is 15% beschikbaar voor compensatie: €125k o Hiervan wordt slechts 25% daadwerkelijk opgevraagd: €31k o De overige 75% vloeit nu al naar het gemeentebrede budget
-
De overige 85% van de OZB uit overige niet-woningen komt dus van (niet-agrarische) ondernemers uit deelnemende kernen: €725k
-
OZB betaald door agrarisch ondernemers is volledig beschikbaar voor compensatie: €180k o Hiervan is 57% daadwerkelijk opgevraagd: ruim €100k o Wijzen we de agrarisch ondernemers toe aan de trekkingsgebieden, dan ▪ Wordt in deelnemende kernen 54% opgevraagd: €45k ▪ Wordt in niet-deelnemende kernen 60% opgevraagd: €60k
8
Eerder al benoemden we dat de 39 deelnemende kernen zo’n 75% van de totaal aantal ondernemers die OZB niet-woningen betaalt vertegenwoordigen. In combinatie met bovenstaande getallen kunnen we concluderen dat de impact van het afschaffen van de retributieregeling in verhouding beperkt is. 4. Hoogte en opbouw subsidiebedrag In haar subsidieaanvraag geeft het fonds aan geen aanleiding te zien om de opbouw en hoogte van het subsidiebedrag aan te passen, ofwel een opslag van 0,06% van de WOZ-waarde te leggen op de OZB niet-woningen en de meeropbrengst hiervan als subsidie jaarlijks uit te keren aan het fonds. Hierbij geeft het fonds ook aan dat het openstaat voor een jaarlijks te indexeren vast bedrag op dezelfde basis. Met inachtneming van de conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Rekenkamer, een analyse van de hoogte van het subsidiebedrag in vergelijking met andere gemeenten en het voorgenomen besluit om de retributieregeling af te schaffen, stellen wij voor om een vast subsidiebedrag ter hoogte van €1.000.000 te verlenen aan het fonds en dit bedrag jaarlijks te indexen met het prijsindexcijfer bruto binnenlands product. De OZB opbrengst wordt ook op basis hiervan jaarlijks geïndexeerd.
Het college heeft hiervoor de volgende argumenten: - Tijdig duidelijkheid voor alle betrokken partijen over de hoogte van het subsidiebedrag en beschikbare budgetten, onafhankelijk van vast te stellen WOZ-waardes en mogelijke bezwaren daartegen; - In lijn met de aanbevelingen van de Rekenkamer wordt het subsidiebedrag losgekoppeld van de individuele waardebepaling van niet-woningen én wordt het administratieve proces versimpeld en versneld; - Het subsidiebedrag is de afgelopen jaren flink, wellicht zelfs buiten proportioneel, gestegen door de stijging van de WOZ-waardes en de toename van WOZ-objecten (o.a. windpark) omdat de opslag een vast percentage van de WOZ-waarde is. Met een vast bedrag en het loskoppelen van de WOZ-waarde voorkomen we dit in de toekomst; - Het fonds behoudt met dit bedrag een vergelijkbaar “besteedbaar inkomen” als nu, gelet op het niet meer hoeven compenseren van gelden vanuit het totale subsidiebedrag; - Het bedrag komt hiermee meer in verhouding met andere (vergelijkbare) gemeenten met een ondernemersfonds (zie onderstaand overzicht met meest recent bekende cijfers).
Gemeente
% van OZB opbrengst nietbedrag subsidie woningen
Vlieland
€ 30.000
8,28%
Terschelling
€ 165.000
12,98%
Schiermonnikoog
€ 15.000
7,38%
Súdwest-Fryslân
€ 1.288.000
11,17%
0,06%
Súdwest-Fryslân
€ 1.000.000
8,67%
Vast bedrag
Leeuwarden
€ 1.095.323
5,50%
Heerenveen
€ 371.000
4,67%
LET OP: Vergelijk in SWF op basis van begrote opbrengst 2024 en de vergelijking met andere gemeenten op basis van begrote opbrengst 2023
Voor de betalende ondernemer is de impact hiervan beperkt. Net als in de huidige situatie is de opslag voor het ondernemersfonds niet zichtbaar op het aanslagbiljet van de OZB betaler. Het is namelijk geen individueel opgelegde opslag, maar een opslag op de totale OZB die achteraf naar rato verdeeld wordt. Om toch een financieel vergelijk te maken met de huidige regeling op aanslagniveau is hieronder een grove berekening gemaakt, waaruit dan geconcludeerd zou kunnen worden dat individuele OZB betalers minder “opslag betalen” in 2024 dan nu. Aanslag eigenaar + gebruiker bij vast percentage WOZ (0,06%) Bij subsidiebedrag van € 1.000.000
Gemiddelde aanslag € 1.569 € 1.529
9
Bijdrage OF € 162 € 121
% OF van aanslag OZB 10% 8%
LET OP: Bij berekening is uitgegaan van begrote opbrengst 2024 en WOZ-waardes 2023. Door de waardeontwikkeling zullen uiteindelijke bedragen afwijken.
5. Subsidieduur Het bestuur van de stichting pleit in haar visie en aanvraag voor een overeenkomst voor minimaal 10 jaar met een evaluatie na vier jaar en acht jaar, waarbij na acht jaar een besluit wordt genomen over de volgende subsidieperiode. Een overeenkomst voor een langere periode is volgens hen zeer wenselijk omdat dit: A. Vanuit de gemeente vertrouwen uitstraalt in een ondernemersfonds waarbij ondernemers zelf kunnen besluiten over maatregelen ter bevordering van het ondernemersklimaat. B. Trekkingsgerechtigden (i.c. ondernemers) in staat stelt een stevig fundament te leggen voor hun (meerjarige) activiteiten c.q. investeringen (zoals bewakingscamera’s), zonder zich om de paar jaar af te vragen of het fonds wel wordt voortgezet. Het college erkent de meerwaarde van een langdurige overeenkomst voor het fonds en de ondernemers in onze gemeente en herkennen ook de wens van ondernemers(verenigingen) om de zekerheid te hebben van continuïteit ten aanzien van het fonds. We hebben er bovendien vertrouwen in dat het fonds zich de komende jaren, net als in de afgelopen jaren, verder door ontwikkelt als het hiertoe voldoende tijd en vertrouwen krijgt. Vanuit dit perspectief vinden wij een subsidieperiode van vijf jaar een passende termijn.
Hiermee bieden we enerzijds vertrouwen, stabiliteit en duidelijkheid, maar hebben we ook oog voor het feit dat er met de voorgenomen besluiten veel gaat veranderen in de omvang, organisatie en uitvoeringsaanpak van het fonds. Aan beide kanten moet er ruimte zijn voor heroverwegen en we vinden dat er een constante prikkel moet zijn voor het behoud en verbeteren van draagvlak en verbeteringen in de uitvoering en organisatie. We stellen voor om in het derde jaar een uitgebreide evaluatie te laten doen door een onafhankelijke partij en de uitkomst hiervan als basis te nemen voor besluitvorming over een mogelijke volgende subsidieperiode. Deze besluitvorming moet uiterlijk één jaar vóór het einde van de subsidieperiode worden afgerond. Hiermee voorkomen we dat ondernemers(verenigingen) en andere belanghebbenden lang in onzekerheid zitten over het al dan niet beschikbaar blijven van financiële middelen en heeft de markt bij een besluit tot beëindiging van het ondernemersfonds minimaal een jaar de tijd om alternatieven te onderzoeken en eventueel ter besluitvorming voor te leggen aan het college en uw raad. 6. Organisatie en governance De gemeente bemoeit zich niet rechtstreeks met de organisatie en governance van het fonds gedurende de subsidieperiode.
Het college blijft bij haar standpunt dat het een gepaste afstand inneemt ten opzichte van het fonds zoals te doen gebruikelijk bij een gesubsidieerde instelling. De kracht van het ondernemersfonds moet ook juist zijn dat het een fonds voor en door ondernemers is, die de samenwerking tussen ondernemers versterkt. Neemt niet weg dat het college met bovengemiddelde interesse de verrichtingen en resultaten van het fonds volgt en op regelmatige basis bereid is om uitdagingen en kansen met het fondsbestuur te bespreken. Vanuit de overtuiging dat het fonds een waardevolle bijdrage levert aan de gemeentelijke ambities ten aanzien van een bloeiende en toekomstbestendige economie en de leefbaarheid in steden en dorpen. In de samenwerkings- cq. subsidieovereenkomst wordt vastgelegd wanneer en op welke manier het fonds aan de gemeente (het college en uw raad) rapporteert. Geadviseerd wordt om dit in dezelfde vorm en frequentie te doen als nu. Financiën: Het college adviseert uw raad om de begrote opbrengst van de OZB niet-woningen in 2024 te verhogen met een opslag van €1.000.000. Aan de hand van deze opbrengst en de totale WOZwaarde worden de verschillende tarieven OZB niet-woningen berekend. Aan de hand van dezelfde verdeelsleutel die nu ook in de berekening van de OZB zit, is er een verschil tussen de tarieven (inclusief opslag) die eigenaren en gebruikers van niet-woningen betalen.
De tarieven worden in de verordening OZB 2024 in de decemberraad ter vaststelling voorgelegd. Het Ondernemersfonds ontvangt gedurende de subsidieperiode jaarlijks een subsidiebedrag ter hoogte van €1.000.000 (prijspeil 2024). Dit subsidiebedrag wordt jaarlijks geïndexeerd met het prijsindexcijfer bruto binnenlands product. Het fonds ontvangt van de gemeente desgewenst jaarlijks een overzicht met hoeveel procentueel per trekkingsgebied bijgedragen wordt aan de
10
totale OZB opbrengst voor niet-woningen, zodat aan de hand hiervan door het fondsbestuur een verdeelsleutel gemaakt kan worden. Andere opties: Niet verlengen van de belastingmaatregel. Daarmee zal het fonds geen voeding meer hebben en naar alle waarschijnlijkheid ophouden te bestaan. Wettelijke basis: Verordening OZB 2024 Algemene Subsidieverordening Global Goals: - Global goal 8: Eerlijk werk en economische groei - Global goal 11: Duurzame steden en gemeenschappen Wie zijn betrokken: Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân, alle ondernemers(verenigingen) in de gemeente, dorpsbelangen, de Ondernemersfederatie, LTO, Ondernemerscollectief SWF. Indirect; projecten en organisaties die (structureel) gebruik (willen) maken van een financiële bijdrage uit het ondernemersfonds. Wijze van participatie: Op verschillende manieren is er door het college actief ingezet op het verkrijgen van een zo breed mogelijk beeld over de visie van betrokkenen op het ondernemersfonds. Hierbij een overzicht van deze inspanningen en aanvullende bronnen van input, welke zijn meegenomen in het voorstel aan uw raad: Informerende bijeenkomst commissie Bestjoer & Finânsjes d.d. 10 juli 2023 Oproep aan ondernemersverenigingen (via de Ondernemersfederatie) om zienswijze op het ondernemersfonds te delen. Inkomende brieven van ondernemersverenigingen en individuele ondernemers.
Gesprekken met en inkomende brieven van brancheorganisaties (LTO, Metaalunie). Gesprek met Ondernemerscollectief SWF Gesprek met bestuur Ondernemersfederatie Gesprekken met diverse ondernemersverenigingen Gesprekken met het fondsbestuur Rechterlijke uitspraken Teylingen en SWF (juli 2023) Onderzoek en rapport Rekenkamer SWF 2022 Digitale links naar informatiebronnen: https://ondernemersfondsswf.nl/ In welke fase: Besluitvorming. Waarbij benadrukt dient te worden dat de huidige subsidieovereenkomst met de Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân na 31 december 2023 afloopt. Planning vervolg in de raad/LTA: Het college zal, indien uw raad positief besluit, de raad actief informeren over het formaliseren van de subsidieovereenkomst en de daaraan gelieerde samenwerkingsovereenkomst. In deze overeenkomsten worden eveneens de afspraken vastgelegd of en in welke vorm en frequentie het fondsbestuur aan uw raad rapporteert. Bijlage(n): 1. Getekende subsidieaanvraag van de Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân 2. Visiedocument Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân (bijlage bij aanvraag) 3. Huidige samenwerkingsovereenkomst gemeente - Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân 4. Rapport Rekenkamer Súdwest-Fryslân 2022 5. Rechterlijke uitspraak Rechtbank Noord Nederland d.d. 13 juli 2023 6.
Ingekomen brief Ondernemersfederatie met onderliggende brieven ondernemersverenigingen 7. Ingekomen brief Ondernemerscollectief Súdwest-Fryslân d.d. 3 juli 2023
11
Burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.
mr. drs. J.A. de Vries
drs. E.K. Strijker
12
, burgemeester.
, gemeentesecretaris.
Raadsbesluit gemeente Súdwest-Fryslân Onderwerp Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân Naar aanleiding van het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 3 oktober 2023;
besluit:
a. medewerking te verlenen aan het verzoek van de Stichting Ondernemersfonds SúdwestFryslân om, via een verhoging van de onroerende zaak belastingen voor niet-woningen, de voortzetting van het ondernemersfonds Súdwest-Fryslân per 1 januari 2024 mogelijk te maken en een subsidieovereenkomst voor de duur van 5 jaar te sluiten. b. bij de vaststelling van de verordening OZB 2024, ten behoeve van de voeding van het fonds, de begrote opbrengst van de onroerendezaakbelastingen voor niet-woningen met € 1.000.000 te verhogen. c. de onder lid b genoemde verhoging ter beschikking te stellen aan de Stichting Ondernemersfonds Súdwest-Fryslân onder toepassing van de Algemene Subsidieverordening van de gemeente Súdwest-Fryslân.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 23 november 2023
mr. drs. J.A. de Vries
G.W. Stegenga
13
, voorzitter.
, griffier.