Raadsvoorstel - Integraal huisvestingsplan onderwijs Súdwest-Fryslân 2025 – 2040
Tekst van het document
Ons nummer: R25.000041
*R25.000041*
Raadsvoorstel gemeente Súdwest-Fryslân Behandelend team Portefeuillehouder Raadscommissie Raadscommissie Raadsvergadering
: : : : :
Beleid Sociaal Domein Petra van den Akker Boarger en Mienskip 25 juni 2025 10 juli 2025
Onderwerp
:
Vaststellen integraal huisvestingsplan onderwijs Súdwest-Fryslân 2025 - 2040
Raadsvoorstel: a. het integraal huisvestingsplan onderwijs 2025-2040 en dit beleidskader vast te stellen b. levensduurverlengende renovatie in 40 jaar af te schrijven; c. de financiële vertaling van het IHP op te nemen in de Programmabegroting 2026; d. de BDB-norm jaarlijks te actualiseren via de reguliere Planning- en Controlcyclus. Samenvatting: Het doel van dit raadsvoorstel is om het integraal huisvestingsplan onderwijs (verder: IHP) vast te stellen. De gemeente heeft de wettelijke zorgplicht om te voorzien in adequate onderwijshuisvesting. Middels het IHP besluit de gemeenteraad op welke wijze zij de wettelijke zorgplicht vorm geeft. De gemeente en de schoolbesturen beschrijven in het IHP 2025-2040 op welke planmatige manier zij de regie willen voeren over toekomstige investeringen in onderwijshuisvesting. Die beschrijving is tot stand gekomen na overleg met elkaar, bestuurlijke verkenningen en informerende avonden met de gemeenteraad. Het beoogde effect dat het college wil bereiken met het IHP is dan ook om de vervangende nieuwbouw en renovatie van de schoolgebouwen te versnellen. En op deze manier de kwaliteit van de schoolgebouwen te verbeteren. Dit komt het onderwijs en de leefbaarheid ten goede. Het motto van het IHP is: “Een duurzaam IHP, een belofte voor de toekomst”. Gemeenten ontvangen geld van het Rijk via het gemeentefonds.
Dit is een algemene uitkering waaruit gemeenten veel van hun wettelijke taken bekostigen, waaronder onderwijshuisvesting. De uitkering is niet geoormerkt: gemeenten mogen zelf bepalen hoe ze het geld besteden. De verdeelsystematiek van het gemeentefonds houdt in zekere mate rekening met de VNG-norm. De VNG-norm is een adviesnorm opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De VNG-norm biedt een indicatie van welk bedrag een gemeente zou moeten uittrekken voor onderwijshuisvesting. Algemeen wordt erkend dat de uitkering van het Rijk onvoldoende is om adequate scholen te bouwen. Dit geldt ook voor onze gemeente. De VNG-norm resulteert in sobere, doelmatige scholen. Dit doet afbreuk aan de gewenste kwaliteit die we beogen en die scholen klaarmaakt voor de toekomst. Onze gemeente staat voor de uitdaging om moderne scholen te bouwen op basis van de BDB-norm van Bureau bouwkostendata. De VNG constateert dat er jaarlijks €1,2 miljard extra nodig is voor onderwijshuisvesting. Dit is gebaseerd op een analyse van de huidige staat en toekomstige behoeften van schoolgebouwen in Nederland. Deze analyse houdt rekening met de aanzienlijke vervangingsopgave van verouderde schoolgebouwen tot 2050, evenals de noodzaak om deze gebouwen toekomstbestendig, duurzaam en gezond te maken.
De oproep en lobby van de VNG aan de Tweede Kamer om jaarlijks €1,2 miljard extra beschikbaar te stellen, is bedoeld om gemeenten in staat te stellen de noodzakelijke investeringen in
1
onderwijshuisvesting te doen. Hierdoor kunnen schoolgebouwen worden vernieuwd en aangepast aan de eisen van de toekomst, wat essentieel is voor de kwaliteit van het onderwijs en het welzijn van leerlingen en onderwijspersoneel. Inleiding: Goed onderwijs begint bij de juiste omgeving. Ieder kind verdient een plek waar het zich veilig voelt, zich kan ontwikkelen, zichzelf kan zijn en het beste uit zichzelf kan halen. Onderwijshuisvesting gaat daarom niet alleen over stenen en vierkante meters, maar over kansen: kansen op leren, op gelijke startposities en op groei, voor ieder kind in onze gemeente – van stad tot dorp. In veel van onze schoolgebouwen lukt dat nu onvoldoende. Te oud, te klein, niet duurzaam of niet passend bij het onderwijs van vandaag en morgen. In dit Integraal Huisvestingsplan kiezen we daarom samen met de schoolbesturen voor toekomstgerichte oplossingen die bijdragen aan kansengelijkheid, kwaliteit van onderwijs én aan sterke dorpen en wijken. Daarbij zetten we niet alleen in op renovatie of nieuwbouw, maar ook op een aanpak waarin duurzaamheid, inclusiviteit, samenwerking en de Mienskip centraal staan. We doen dit omdat we geloven dat goed onderwijs en goede huisvesting onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dat vraagt om keuzes, om durf en om een duidelijke koers. Het IHP in het kort - De aanleiding De aanleiding voor het nieuwe IHP is tweeledig.
Ten eerste zijn veel schoolgebouwen in onze gemeente verouderd. Ze zijn vaak in de jaren 60 en 70 gebouwd. Deze scholen zijn nu aan vervanging toe. Een kenmerk van die schoolgebouwen is dat ze doelmatig maar sober gebouwd zijn. De tijden zijn veranderd en om het scholenbestand toekomstbestendig te maken, moet er veel gebeuren. Er is een inhaalslag en een kwaliteitsslag nodig. In het IHP staat hoe het college dit wil vormgeven. Ten tweede krijgt het IHP naar verwachting per 1 januari 2026 een wettelijke status. Gemeenten worden dan verplicht om een IHP vast te stellen voor de onderwijshuisvesting voor het primair, speciaal en voortgezet onderwijs. In dit IHP wordt al vooruit gelopen op deze nieuwe wettelijke status. De inhoud van het IHP Het IHP is een beleidsstuk (zie bijlage 1) waarin weergegeven wordt hoe college en scholen samen invulling willen geven aan hun taken op het gebied van onderwijshuisvesting. In het IHP staan de beleidsuitgangspunten, het wettelijke kader en de financiële verantwoording met betrekking tot onderwijshuisvesting. Alles mondt uit in het uitvoeringsprogramma 2025-2040. In het IHP wordt per school een scenario beschreven voor de komende 16 jaar.
De volgende scenario’s zijn mogelijk: - (vervangende) nieuwbouw - Vernieuwbouw - Renovatie - Uitbreiding In hoofdstuk 5 is een financiële vertaling gemaakt van de scenario’s die in hoofdstuk 4 per school zijn beschreven. Bij nieuwbouw voor het voortgezet onderwijs betreft dit de kosten van de bouw van uitsluitend de onderwijsgebouwen, gebaseerd op de BDB-norm. Dus ook als het voortgezet onderwijs zou willen kiezen voor een geclusterde voorziening is alleen de bekostiging van de onderwijsgebouwen opgenomen, volgens de systematiek en normen die in het IHP zijn beschreven. Aan het IHP kunnen door scholen geen rechten worden ontleend. (om die reden kunnen scholen ook geen bezwaar maken tegen het vast te stellen IHP) De systematiek is dat het IHP jaarlijks in het Op Overeenstemming Gericht Overleg met de scholen wordt geactualiseerd. Voor elke afzonderlijke school wordt steeds een haalbaarheidsonderzoek gedaan. De uitkomsten van het haalbaarheidsonderzoek kunnen er toe leiden dat voor een ander scenario wordt gekozen dan in het IHP is vastgelegd. Het college stelt jaarlijks een onderwijshuisvestingsprogramma vast. Op basis daarvan wordt een beschikking verleend aan de scholen. Dit is nu ook al zo.
Ook na het vaststellen van het IHP blijft nog steeds de mogelijkheid open om -op basis van het haalbaarheidsonderzoek, of wanneer de gemeentelijke financiën ontoereikend zouden zijn- een andere keuze te maken. (pag. 22 e.v.)
2
De wetgever geeft aan dat in een IHP een overzicht van de onderwijsgebouwen wordt opgenomen met de beoogde scenario’s zoals in het voorliggende IHP. Specifiek voor gebouwen ouder dan 40 jaar dient te worden opgenomen of sprake zal zijn van nieuwbouw of renovatie. De visie op adequate onderwijshuisvesting Deze visie is tot stand gekomen tijdens overleggen en bijeenkomsten met de schoolbesturen, kinderopvangorganisaties, college en gemeenteraad. Een adequaat schoolgebouw is een toekomstbestendig schoolgebouw. Het heeft een gezond binnenklimaat, een laag energieverbruik en CO₂ -uitstoot en is betaalbaar, ook in de exploitatiefase. Maar misschien nog wel belangrijker: het gebouw is ondersteunend aan het onderwijs dat gegeven wordt binnen die school, past bij het aantal leerlingen, is inclusief en toegankelijk. Daarbij hebben de scholen een belangrijke functie in de wijk of het dorp. Schoolbesturen staan open voor samenwerking met andere partners, zoals kinderopvangorganisaties. Het college realiseert zich dat we voor een grote opgave staan om deze visie te realiseren. Die kunnen we alleen realiseren door samen te werken met alle mogelijke partners, lokaal, regionaal en nationaal”. Voorgeschiedenis - bredere ontwikkelingen Op dit moment werkt de gemeente met het IHP 2017-2027. Terugkijkend op deze periode zijn er moderne kindcentra gebouwd in: Sibrandabuorren, Workum en Arum.
Er waren ook projecten die moeizaam tot stand kwamen. Er waren ontwikkelingen die de onderwijshuisvesting complex maakten. Denk aan: de COVID-19-pandemie waardoor de aandacht voor het binnenklimaat en gezondheid toenam, de stijging van de bouwkosten door ontwikkelingen in de wereld, en ook de toegenomen aandacht voor klimaat, milieu en grondstoffengebruik. De VNG-norm, die werd gebruikt bij de berekening van de bekostiging voor de bouw, bleek onvoldoende te zijn. Het nieuwe IHP sluit aan op het vorige Het nieuwe IHP sluit aan op de visie en ontwikkelingen die al in gang zijn gezet in de vorige IHPperiode. Deze ontwikkelingen worden nu vastgelegd in beleid. Ook zijn er nieuwe ambities in het IHP opgenomen, bijvoorbeeld om zo goed mogelijk te voldoen aan de doelen van het Klimaatakkoord en het beleid van inclusiviteit. Daarnaast wordt de VNG-norm ingewisseld voor een meer realistische norm: de BDB-norm. Dit is een norm die is gebaseerd op de bouwkostenontwikkeling van schoolgebouwen. De VNG-norm blijkt in de praktijk namelijk niet voldoende te zijn om de werkelijke kosten te dekken. (De BDB-norm wordt toegelicht in argument “d1.”) De uitdagingen In het IHP staan de uitdagingen, zoals die zijn besproken met de schoolbesturen, de gemeenteraad en het college.
Met deze uitdagingen worden de belangrijkste beleidsdoelstellingen om adequate onderwijshuisvesting te realiseren concreet: - De gemeente investeert in gezonde en frisse scholen. Minimaal Frisse Scholen klasse B. - De gemeente investeert in extra ruimte voor inclusiviteit. Het gaat om 5% extra ruimte bovenop de berekende ruimtebehoefte om “Passend onderwijs” te stimuleren. - De gemeente financiert ruimtes van kinderopvang voor bij nieuwbouw of vernieuwbouw/renovatie. De maatschappelijke verwachting is immers dat in schoolgebouwen meerdere functies samenkomen. - In het ontwerp houdt het schoolbestuur er rekening mee dat het gebouw makkelijk aanpasbaar is aan toekomstige ontwikkelingen, zoals leerlingenkrimp of -stijging, of een andere onderwijsvisie. - De gemeente financiert het thema energie neutraal gebouw (ENG) bij nieuwbouw en indien mogelijk ook bij renovatie. - De gemeente past maatwerk toe bij de afweging voor renovatie of vervangende nieuwbouw. - De gemeente verklaart de normvergoeding uit het Kwaliteitskader Ruimte-OK, de BDB-norm van toepassing op nieuwbouw en vernieuwbouw/renovatie. - De gemeente begroot een opslag van 10% voor de locatiegebonden kosten om flexibel te kunnen reageren op prijsstijgingen en wisselende locatie-omstandigheden. - De gemeente stelt bij ieder bouwproject een gemeentelijke projectleider aan.
3
Global Goals: Voor de bouw van scholen geldt in het algemeen Global Goal 4: Het mogelijk maken van goed en inclusief onderwijs. Dit houdt in dat de gemeente doelbewust werkt aan goede toegankelijkheid en passend onderwijs voor iedereen. Voor wat betreft de bouw en verbouw van schoolgebouwen geldt dat deze ook veel impact op andere Global Goals kunnen hebben. In bijlage 2 staat de koppeling tussen een aantal kwaliteitscriteria uit het Kwaliteitskader dat we gebruiken en de Global Goals, ook wel sustainable development goals genoemd (SDG’s). Argumenten: a.1 Het IHP geeft sturing aan de wettelijke zorgplicht van de gemeente om te voorzien in adequate huisvesting. De gemeente is verantwoordelijk om te voorzien in adequate huisvesting van de scholen voor primair, speciaal en voorgezet onderwijs in Súdwest-Fryslân. Deze verantwoordelijkheid is vastgelegd in de diverse onderwijswetten en uitgewerkt in de verordening ‘voorzieningen huisvesting onderwijs’. De verordening geeft het wettelijke en procedurele kader voor onderwijshuisvesting. Het IHP geeft de lokale beleidsvisie van gemeente en schoolbesturen ten aanzien van onderwijshuisvesting weer. a.2 Het IHP geeft aan de hand van het Uitvoeringsprogramma 2025-2040 aan welke voorzieningen en investeringen noodzakelijk zijn om adequate en toekomstbestendige huisvesting te kunnen verzorgen.
In het IHP staat voor de komende jaren een evenwichtige spreiding van de scholen die gerenoveerd of vernieuwd worden. Dit geeft houvast voor de gemeente en schoolbesturen. a.3 Met dit IHP geeft de gemeente uitvoering aan de opgaven uit het coalitieakkoord. In het coalitieakkoord staat het volgende geschreven over Jeugd en onderwijs: “ Een zorgeloze jeugd en gelijke kansen voor al onze kinderen, daar gaan we voor. Het beste onderwijs, activiteiten waar alle kinderen aan mee kunnen doen, sport en spel waarbij niemand wordt uitgesloten....” En ”We stellen een nieuw huisvestingsplan op voor het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het speciaal onderwijs. Uitgangspunt is samenwerking van scholen en voorzieningen.” Met dit IHP wil de gemeente voor toekomstbestendige, en kwalitatief goede onderwijshuisvesting zorgen. Daarnaast heeft het college de wens om van elke gerenoveerde of nieuwgebouwde school een kindcentrum te maken. In een kindcentrum kunnen onderwijs, kinderopvangorganisaties en eventueel andere partijen samenwerken op basis van een doorlopende ontwikkelingslijn. Een goede doorlopende ontwikkelingslijn bevordert een kansrijke start voor alle kinderen. Een kansrijke start zorgt voor een goede opstart om volwaardig te kunnen deelnemen aan de maatschappij. a.4 Het IHP speelt in op de ontwikkelingen die de afgelopen jaren in gang zijn gezet.
De gemeente legt deze ontwikkelingen in de onderwijshuisvesting in het nieuwe IHP vast in beleid en begroot deze. Zoals: financiële flexibiliteit om te anticiperen op bouwkostenontwikkelingen, financiering van kinderopvang, de inzet van een projectleider, de inzet van kwaliteitsthema’s als ventilatie en duurzaamheid. a.5 Er is overeenstemming met de schoolbesturen over de inhoud van het IHP. Het IHP is opgesteld in nauwe samenwerking met de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties. De schoolbesturen hebben op het OOGO van 19 maart 2025 overeenstemming bereikt met de inhoud van dit IHP (zie bijlage 3) met uitzondering van schoolbestuur BMS. Dit schoolbestuur heeft tevens een zienswijze ingediend over het IHP en uitvoeringsprogramma. Die heeft het college beoordeeld en niet overgenomen, omdat de casus geen voorziening betreft waar de gemeente wettelijk gezien verantwoordelijk voor is. b.1 De afschrijvingstermijn van 40 jaar sluit aan bij de technische levensduur van de investering. d.1 Door de jaarlijkse actualisatie blijft het bedrag dat beschikbaar is voor de bouw actueel. Dit sluit aan bij de bedoeling van het college om het IHP realistisch te begroten. De BDB-norm. Dit is een norm die is gebaseerd op de bouwkostenontwikkeling van schoolgebouwen. Deze BDB-norm is gekoppeld aan het Kwaliteitskader Huisvesting van Kenniscentrum voor het onderwijs Ruimte-OK.
Dit kwaliteitskader stelt technische en functionele standaardeisen aan schoolgebouwen en definieert daarmee de basiskwaliteit van onze nieuwe schoolgebouwen. Dit
4
kader bestaat uit kwaliteitsthema’s zoals: energieneutraal, duurzaamheid, frisse scholen en exploitatie. De BDB-norm en het kwaliteitskader worden breed gedragen door de VNG en PO/VO raad. Rol en bevoegdheid: De taken en verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbestuur zijn wettelijk bepaald. De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht om te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het onderwijs. De gemeente is verantwoordelijk voor een vastgesteld aantal voorzieningen, zoals met name (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het onderwijs en de instandhouding (onderhoud en functionele aanpassingen) van het schoolgebouw. In de aanstaande wetgeving krijgt het IHP een wettelijke status. Het Rijk stelt de gemeenten verplicht om een IHP vast te stellen voor de onderwijshuisvesting binnen de gemeentegrenzen. Risico’s: Ad. a.1 Er is sprake van een omvangrijk programma. Het gaat om de vervanging van 28 scholen in 16 jaar tijd. 5 scholen voor VO en 23 voor het PO. Waarvan het is beoogd dat 14 nieuwbouw en 9 renovatie krijgen. Het waarborgen van voldoende personele capaciteit is een risico voor schoolbesturen en gemeente. Om hieraan het hoofd te kunnen bieden, is de gemeente in overleg met de schoolbesturen om samen te werken in innovatieprogramma’s.
Deze manier van samenwerking, gestimuleerd door het ministerie van OCW, heeft als doel projecten en processen te standaardiseren om zodoende efficiënter en sneller te werken. Ad. a.2 Plannen met een lange termijn brengen onzekerheden met zich mee. Door de lange doorlooptijd van een bouwproject zal er sprake zijn van onzekerheden die de uitvoering van de onderwijshuisvesting raken. Hierbij kan gedacht worden aan onder andere: ruimtelijke procedures, rentestijgingen, bouwkosten en achterblijvende of juist versnelling van de woningbouwontwikkeling. Op termijn wordt duidelijk of de aannames die gedaan zijn voor het IHP kloppen. Dit kan een mogelijke verschuiving in de uitvoering van de plannen tot gevolg hebben. Dit wordt de komende jaren gemonitord om zodoende bij de start van een nieuwbouwproces te kunnen bijstellen als dit nodig blijkt. Ad. a.3 Het IHP vraagt om een actualisatie van de Verordening voorziening huisvesting onderwijs. In het IHP zijn de meest actuele beleidsdoelen en wetgeving opgenomen. Daarin wijkt de gemeente af van de huidige verordening. Dit zijn bijvoorbeeld het normbedrag en een aantal processen dat in het IHP anders zijn omschreven. In het najaar van 2026 wordt er een nieuwe verordening die aansluit op het IHP aan de gemeenteraad aangeboden ter besluitvorming. Ad. b.3 Er zit spanning op de kwaliteit van onze gebouwen en de betaalbaarheid.
Dit is in lijn met het landelijke beeld. De recente motie Goirle op het VNG congres doet namens de gemeenten daarom opnieuw een dringende oproep aan het kabinet: ‘Kinderen en jongeren verdienen een veilig, gezond en duurzaam schoolgebouw. Alleen met een flinke impuls van €1,2 miljard kunnen gemeenten en schoolbesturen de achterstanden aanpakken om alle scholen voor 2050 te renoveren en te vernieuwen’. Financiën: Voor de uitvoering van het Integraal Huisvestingsplan (IHP) 2025–2040 voor het primair en voortgezet onderwijs is een totale investering van circa € 185 miljoen geraamd (prijspeil 1 januari 2025). De kapitaallast zal in 2027 rond de € 422.000 bedragen. De totale investering is verdeeld over: € 77 miljoen voor het basisonderwijs en € 108 miljoen voor het voortgezet onderwijs. Van de € 77 miljoen voor het basisonderwijs betreft circa € 71 miljoen directe investeringen in schoolgebouwen en circa € 6 miljoen aanvullende kosten voor grondgebonden kosten, zoals sloop en het bouwrijp maken en de inzet van gemeentelijke projectleiders. Deze investeringen leiden tot structurele kapitaallasten, waarvan de impact is verwerkt in de meerjarenraming. Voor de periode 2026–2029 is € 28 miljoen aan investeringsruimte voor het basisonderwijs voorzien.
De bijbehorende structurele lasten worden betrokken in de integrale afweging in het proces richting de Programmabegroting 2026 en het meerjarenperspectief 20272029. De investeringsbedragen worden jaarlijks herzien en aangepast op basis van de actuele BDBnorm.
5
Voor het voortgezet onderwijs is de intentie om voor vijf middelbare scholen een vorm te vinden voor vervangende huisvesting. Door een “ingroeiende” kapitaallast te begroten wordt stapsgewijs toegewerkt naar de uiteindelijk benodigde kapitaallast van 6 tot 7 miljoen vanaf 2033. De exacte hoogte is mede afhankelijk van de uitkomsten van een lopend haalbaarheidsonderzoek en de ontwikkeling van rente en bouwkosten. Totdat de vervangende huisvesting is gerealiseerd, vallen de begrote kapitaallasten tijdelijk vrij en kunnen deze incidenteel worden ingezet. Daarnaast zijn er bijkomende kosten voor met name tijdelijke huisvesting tijdens de nieuwbouw of renovatie en sanering van asbest. Dit zijn kosten die per school kunnen voorkomen. De reservering voor de bijkomende kosten wordt gedekt vanuit de reguliere begroting, waar al € 275.000 is gereserveerd voor incidentele lasten. Daarnaast zijn er middelen beschikbaar voor de kosten van de doordecentralisatie. Deze gaat niet door en kunnen ook ingezet worden voor de dekking van de bijkomende kosten. Op dit moment ligt er een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer om te komen tot een meer planmatige en doelmatige aanpak van onderwijshuisvesting. In de aanstaande wetgeving krijgt het integraal huisvestingsplan (IHP) een wettelijke status. Gemeenten worden daarmee verplicht om een IHP vast te stellen voor de onderwijshuisvesting.
Dit voor ten minste vier jaar, met een doorkijk voor de twaalf jaren daarna. In het wetsvoorstel wordt het IHP gezien als het richtinggevend kader voor investeringen in de onderwijshuisvesting. De gemeenteraad stelt hiermee, na overleg met de betrokken schoolbesturen, de investeringen in onderwijshuisvesting vast voor een periode van vier jaar. Op basis van de toelichting op de nieuwe wet ligt het niet in de lijn van de verwachting dat de gemeente extra inkomsten kan verwachten wanneer deze wet wordt aangenomen: “Renovatie wordt voorgesteld als alternatief voor vervangende nieuwbouw, waar de gemeente op dit moment al verantwoordelijk voor is. Daarom gaat het niet om een nieuwe verantwoordelijkheid. De kosten voor de gemeente als gevolg van renovatie zijn derhalve geen extra kosten, doordat de gemeente bij de keuze voor renovatie niet tot vervangende nieuwbouw hoeft over te gaan.” (Bron: W8129.K-2) Risico’s en onzekerheden De investeringsramingen zijn gebaseerd op de BDB-norm en de gemiddelde leerlingenprognoses voor de komende 15 jaar. De actualisatie van de BDB-norm vindt jaarlijks plaats via de reguliere Planning- en Controlcyclus.
Er is daarnaast ook rekening gehouden met opslagen voor: - locatiegebonden kosten (10%) (zoals: kosten welke te maken hebben met de bouwlocatie of marktwerking); - grondgebonden kosten (5%) (zoals: aankoop grond of het bouwrijp maken) - gemeentelijke projectleiding (6%). Opslag voor kosten voor projectleiding is een gangbare werkwijze in onze gemeentelijke organisatie. Bovengenoemde opslagen zijn realistische ervaringscijfers, maar desondanks blijven er onzekerheden over de ontwikkeling van bouwkosten, rentepercentages en projectspecifieke omstandigheden. Eventuele afwijkingen worden jaarlijks meegenomen en afgewogen in de Planningen Controlcyclus. Juridisch: - Wet- en regelgeving die bepalend zijn: - Wet op het primair onderwijs (WPO); - Wet op het voortgezet onderwijs (WVO 2020); - Wet op de expertisecentra (WEC); - Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Súdwest-Fryslân Wetgeving en Verordening Zoals eerder genoemd ligt er op dit moment een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer om te komen tot een meer planmatige en doelmatige aanpak van onderwijshuisvesting. Dit betekent het volgende voor het IHP. Het uitvoeringsprogramma bij het IHP is niet juridisch bindend. Het is geen besluit met rechtsgevolgen: Het uitvoeringsprogramma is géén besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Daardoor kunnen schoolbesturen het niet juridisch afdwingen via bezwaar of beroep. Er is geen garantie op uitvoering: De gemeente blijft bevoegd om alsnog andere keuzes te maken, bijvoorbeeld bij veranderende omstandigheden of gewijzigde budgetten.
6
De verankering van het beleid en uitvoeringsprogramma van het IHP krijgt ook een plek in de herijking van de modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Alternatieven: De VNG-norm te handhaven Een alternatief is om vast te houden aan de VNG-norm die we op dit moment gebruiken. Het financiële verschil tussen de VNG-norm en de BDB-norm voor het primair onderwijs is maximaal 15%, en voor het voortgezet onderwijs 10%. De systematiek tussen de VNG-norm en de BDB-norm is voor met name het voortgezet onderwijs verschillend. BDB werkt voor het voortgezet onderwijs met één norm per m². Voor VO is rekening gehouden met een investering van € 3132 per m². De VNG norm is een fijnmazig geheel. De toe te passen norm per m² loopt zeer uiteen, afhankelijk van de leerroute. De bedragen variëren tussen en € 2608 voor Havo/VWO en € 3400 per m² voor VMBO. Daarbovenop komen nog toeslagen, waarvan de toeslag voor de fundering de meest relevante is. Deze toeslag wordt berekend op basis van het aantal m² en de toe te passen lengte van de paalfundering. Het is op dit moment niet in te schatten wat de kosten hiervan zijn. Met de VNG-norm kunnen onderwijsgebouwen gerealiseerd worden die voldoen aan de minimale vereisten uit het vigerende bouwbesluit (Bbl).
Opgemerkt moet daarbij worden dat in de vigerende Bbl nog geen rekening wordt gehouden met het feit dat de energieprestatie van onderwijsgebouwen vanaf 2027 emissievrij moet zijn (dat wil zeggen ENG i.p.v. BENG). Dit zal een kostenverhoging betekenen. Met de BDB-norm kan er gebouwd worden met aanvullende gebouwprestatie met de thema’s: energie neutraal, duurzaamheid, Frisse scholen, exploitatie, kwaliteit buitenruimte. Dit vergroot de kwaliteit en de toekomstbestendigheid van de scholen. Het nadeel dat we in de afgelopen jaren onze gemeente ervaren, is dat we met de VNG-norm de kwaliteit niet konden realiseren die werd beoogd. Er moest vaak er extra krediet beschikbaar gesteld worden om de werkelijke kosten te kunnen betalen. Dit heeft een vertragend effect op de bouw van scholen. Bouw die erg nodig is vanwege de verouderde voorraad scholen. 50% van de scholen is 40 jaar of ouder. Geen middelen voor Inclusief onderwijs beschikbaar te stellen Een alternatief is dat de gemeente de schoolbesturen voor primair onderwijs geen extra ruimte van 5% aanbiedt om inclusief onderwijs te bevorderen. Inclusief onderwijs beoogt dat kinderen weer samen naar school gaan. Dit is dat kinderen die nu naar het speciaal onderwijs gaan passender onderwijs kunnen krijgen op een basisschool (in de buurt).
Deze basisschool kan met de 5% extra middelen de toegankelijkheid van de school verbeteren en/of voor extra onderwijsruimtes zorgen. De inzet van deze middelen past in de inclusieagenda van de gemeente uit 2023. In de ‘Werkagenda route naar inclusief onderwijs 2035’ die door het ministerie en andere stakeholders is vastgesteld, staat dat wordt onderzocht wat er nodig is aan wet- en regelgeving om toegankelijke en inclusieve huisvesting te realiseren. In het IHP wordt beoogd hierop vooruit te lopen. Het nadeel van dit alternatief is dat wanneer deze middelen niet beschikbaar zijn, de gemeente deze opgave niet kan stimuleren. Het financiële voordeel in de 16-jarige IHP periode zal maximaal 3 miljoen euro bedragen. Dit bedrag is afhankelijk is van de keuze van het schoolbestuur en mogelijke nieuwe wetgeving. Het uitvoeringsprogramma te temporiseren Het uitvoeringsprogramma kan ook getemporiseerd worden. Daarmee wordt bedoeld dat het programma over een groter aantal jaren wordt verdeeld. Van belang hierbij is te constateren dat het uitvoeringsprogramma in de voorbereiding ook al is getemporiseerd. Vanwege het feit dat meer dan 50% van de scholen ouder is dan 40 jaar werd aanvankelijk en uitvoeringsprogramma van 8 jaar beoogd. De consequenties van temporiseren zijn dat dit niet overeenkomt met de afspraken die zijn gemaakt met de schoolbesturen.
Er zal eerst overleg moeten zijn met het OOGO. De kans dat de schoolbesturen instemmen is klein, omdat door temporiseren de veroudering van de gebouwen nog verder toeneemt. Dit brengt extra hoge onkosten voor het onderhoud met zich mee. Dit geld kan niet ingezet worden voor het onderwijs aan de kinderen. De scholen zullen daarnaast niet voldoen aan de eisen van duurzaamheid (Klimaatakkoord) en gezondheid (Frisse scholen).
7
Het IHP niet vast te stellen Een alternatief is om het IHP niet vast te stellen. De gemeente voldoet dan niet aan de aanstaande wettelijke verplichting om als gemeente een IHP vast te stellen. Participatie en communicatie: Het IHP is onder leiding van adviesbureau De Mevrouwen in nauwe samenwerking tussen gemeente, de betrokken schoolbesturen en kinderopvangorganisaties tot stand gekomen. Vanaf de start is door alle partijen met grote betrokkenheid en met “vertrouwen in elkaar” aan dit IHP gewerkt. Schoolbesturen hebben een stem in het beleid ten aanzien van onderwijshuisvesting. Alvorens de raad een voorstel wordt voorgelegd, moet namelijk een Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) hebben plaatsgevonden. Dit OOGO is regelmatig geweest. De schoolbesturen en kinderopvangorganisaties worden op de hoogte gebracht van het besluit van de gemeenteraad. Het is aan de individuele scholen om leerkrachten, MR-en ouders en kinderen te (blijven) informeren over het verdere verloop van de vernieuwingsopgave. De gemeente betrekt In het kader van de Omgevingswet buurtbewoners bij de nieuwbouwplannen. Planning en vervolgproces: De beleidsaanpassingen zullen-indien de gemeenteraad het IHP vaststelt worden verwerkt in de Verordening. Het wijzigen en vaststellen van de Verordening is een bevoegdheid van de gemeenteraad. Het IHP kan uitgevoerd worden volgens het Uitvoeringsprogramma 2025-2040.
De schoolbesturen vragen ieder jaar formeel hun voorziening aan. Het college beoordeelt deze. De gemeente evalueert het IHP jaarlijks met de schoolbesturen. Het college stelt ieder jaar het uitvoeringsprogramma van het IHP voor de komende 4 jaar vast. De gemeenteraad heeft op 27 februari 2025 opdracht gegeven om een haalbaarheidsonderzoek te doen naar de mogelijkheid om een nieuwe campus te stichten voor de scholen voor voortgezet onderwijs in Sneek. De kosten van € 250.000 worden gedekt ten laste van het ontwikkelfonds. De gemeenteraad wordt via de gebruikelijke rapportages geïnformeerd over dit onderzoek. Link(s) naar eerdere besluitvorming of (actieve) informatie: Geen Bijlage(n): 1. Integraal huisvestingsplan onderwijs Súdwest-Fryslân 2025-2040; 2. Koppeling SDG’s met onderwijshuisvesting; 3. Verslag OOGO 19 maart 2025.
8
Burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.
mr. drs. J.A. de Vries
drs. W.J. Sikkes
9
, burgemeester.
, wnd. gemeentesecretaris.
Raadsbesluit gemeente Súdwest-Fryslân Onderwerp Vaststellen Integraal Huisvestingsplan Onderwijs Súdwest-Fryslân 2025 - 2040 Naar aanleiding van het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 27 mei 2025;
besluit: a. b. c. d.
het integraal huisvestingsplan onderwijs 2025-2040 en dit beleidskader vast te stellen; levensduurverlengende renovatie in 40 jaar af te schrijven; de financiële vertaling van het IHP op te nemen in de Programmabegroting 2026; de BDB-norm jaarlijks te actualiseren via de reguliere Planning- en Controlcyclus.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 juli 2025
mr. drs. J.A. de Vries
G.W. Stegenga
10
, voorzitter.
, griffier.