Raadsvoorstel - Erfgoedverordening Súdwest-Fryslân 2024
Tekst van het document
Ons nummer: R23.000111
*R23.000111* BLANCOCaseKlantCodeCaseKlantSoort
Raadsvoorstel gemeente Súdwest-Fryslân Onderwerp Raadsvergadering van Commissie Commissievergadering van Portefeuillehouder Team Adviseur
Erfgoedverordening Súdwest-Fryslân 2024 23 november 2023 Doarp, Stêd en Omkriten 7 november 2023 Petra van den Akker Ruimtelijke Ontwikkeling Atty De Haan
Voorstel: De erfgoedverordening 2024 gemeente Súdwest-Fryslân vast te stellen.
Samenvatting: Erfgoedverordening De Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking. Deze wet heeft gevolgen voor de erfgoedverordening, omdat de erfgoedverordening ook regels bevat over de fysieke leefomgeving. De erfgoedverordening is in 2022 aangepast naar aanleiding van de nieuwe erfgoedwet die op 1 juli 2016 was ingevoerd. De Erfgoedwet heeft verschillende wettelijke regelingen vervangen en geïntegreerd op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Omgevingswet. De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de Omgevingswet door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet en de invoering van de Omgevingswet stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving.
Door de invoering van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke erfgoedverordening in vergelijking met de verordening vóór 1 juli 2016 zowel breder – het betreft nu monumenten én cultuurgoederen – als smaller: belangrijke fysieke onderwerpen zoals de aanwijzing of bescherming van stads- of dorpsgezichten of archeologische waarden en verwachtingen worden steeds minder geregeld via een verordening en meer via het bestemmingsplan en straks, onder de Omgevingswet, het omgevingsplan. Per saldo leidt een en ander tot een vereenvoudigde erfgoedverordening. In de Omgevingswet wordt materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-één overgenomen. Wel vindt op een aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies, de aanwijzing van gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezichten en in dat kader het opstellen van beschermende bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen, gaan over naar de Omgevingswet. Deze verordening ziet in beginsel niet meer op archeologie.
Archeologische waarden moesten ook voor de Omgevingswet worden geborgd via het ruimtelijke spoor (lees: de bestemmingsplannen en de afwijkvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht.
1
Omdat er binnen de gemeente nog enkele ruimtelijke plannen zijn waarin de bescherming van archeologische monumenten niet (voldoende) is geregeld en die na de inwerkingtreding van de Omgevingswet deel uitmaken van het (tijdelijke) omgevingsplan, is in het overgangsrecht afzonderlijk in een vangnetbepaling voorzien (artikel 21 en verder). De erfgoedverordening Súdwest-Fryslân 2021 is nog niet volledig aangepast op de Omgevingswet omdat destijds nog niet bekend was wanneer de Ow nu daadwerkelijk in zou gaan. De ‘erfgoedverordening gemeente Súdwest-Fryslân 2021’ is nu dan ook geactualiseerd. Het resultaat hiervan is een ontwerp ‘erfgoedverordening gemeente Súdwest-Fryslân 2024’. Het ontwerp is in lijn met de Omgevingswet die per 1 januari 2024 in werking treedt. Met deze actualisatie willen we bereiken dat cultureel erfgoed door regelgeving wordt beschermd en behouden. Argumenten: a. De erfgoedverordening is verouderd. Aanpassing van de verordening is noodzakelijk vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De huidige verordening verwijst naar de oude wetgeving. b. De erfgoedverordening voldoet aan de te stellen eisen. Om te komen tot een nieuwe verordening heeft de modelverordening van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) als voorbeeld gediend. Daarmee sluiten we zoveel mogelijk aan op de landelijke systematiek, de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet.
Natuurlijk is de unieke situatie van Súdwest-Fryslân hier in verwerkt. c. De aanwijzing als gemeentelijk monument gebeurt uitsluitend ambtshalve Rijksmonumenten worden uitsluitend ambtshalve aangewezen. Er is gekozen om voor gemeentelijke monumenten hetzelfde systeem aan te houden. De aanwijzing als gemeentelijk monument gebeurt na vaststelling van deze erfgoedverordening dan ook uitsluitend ambtshalve. De mogelijkheid om verzoeken in te dienen voor aanwijzing als beschermd monument is dan ook volledig geschrapt bij vaststelling van deze verordening in verband met de nog uit te voeren herijking van de gemeentelijke monumentenlijst. Ook in het erfgoedbeleid ‘Erfgoed is geen keus’ is aangegeven dat wij als gemeente beperkt gemeentelijke monumenten aanwijzen, waarbij er eerder naar kwaliteit dan naar kwantiteit wordt gestreefd. Er dient eerst nog een herijking plaats te vinden van de gemeentelijke monumentenlijst. Centraal staat hierbij dat de gemeentelijke monumentenlijst een representatieve afspiegeling vormt van het waardevolle erfgoed in deze gemeente. Deze herijking is dit jaar opgestart en de verwachting is om dit eind 2024 aan te kunnen vaststellen nadat hiervoor nog een participatietraject met inwoners en erfgoedinstanties is doorlopen. Aanvragen zijn vanaf 31 december 2023 niet meer mogelijk.
Om nu al objecten aan te wijzen zonder dat het herijkingsonderzoek klaar is, brengt een risico met zich mee. Een object of pand dat wij nu aanwijzen, zou straks in theorie bij de herijking namelijk weer af kunnen vallen. Dit omdat het object niet het meest representatief is in zijn categorie, of omdat deze categorie bijvoorbeeld al oververtegenwoordigd is. Dit zou dan dubbel werk zijn. Bovendien zorgt het voor een grote teleurstelling bij de mensen die zich hard hebben gemaakt voor een gemeentelijke status. Vandaar dat we tot de herijking klaar is in principe alleen objecten aanwijzen die onder druk komen te staan doordat ze bijvoorbeeld met sloop worden bedreigd of anderszins in verval dreigen te raken. Dit is dan ook in het gemeentelijk erfgoedbeleid opgenomen. Echter moet in de huidige situatie elk verzoek om een gemeentelijk monument nog volledig in behandeling worden genomen. De aanvraag moet onderzocht worden, er moeten onderzoeken ingediend worden en de aanvraag moet voorgelegd worden aan de monumentencommissie. Tot slot moet het college beslissen om het object wel of niet aan te wijzen. Dit betreft een grote procedure en kost veel tijd veel tijd terwijl dus nog niet duidelijk is of het pand past in het toekomstbeeld van de gemeentelijke monumentenlijst. Vandaar dat het advies is om de erfgoedverordening op dit punt aan te passen, net als het rijk ook heeft gedaan.
Met de herijking willen we samen met de mienskip beleid opstellen voor gemeentelijke monumenten waarbinnen het duidelijk is voor eenieder waar een object aan zou moeten voldoen om de status van gemeentelijke monument te kunnen dragen.
2
Uiteraard kunnen suggesties voor ambtshalve aanwijzing als gemeentelijk monument worden gedaan aan het college. De suggesties worden behandeld als verzoeken als bedoeld in artikel 5 van de Grondwet en leiden tot een gemotiveerde reactie. Een dergelijk verzoek heeft echter niet de status van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Risico’s: Het betreft een minimale aanpassing van de al bestaande verordening om deze aan te laten sluiten bij de nieuwe Omgevingswet. Alleen heeft de keuze om aanvragen voor gemeentelijke monumenten enkel ambtshalve in te dienen wel gevolgen voor de mienskip. Er kan gekozen worden om dit niet door te voeren. Dit kan alleen wel leiden tot het aanwijzen van objecten tot gemeentelijk monument die na de herijking van het gemeentelijk beleid direct weer af zouden kunnen vallen. Dit kost het ambtelijk apparaat veel tijd en kan ook leiden tot grote teleurstelling bij de mensen die de aanvraag ingediend hebben en die zich hard hebben gemaakt voor een gemeentelijke status. Financiën: Geen Andere opties: De verordening niet vast te stellen. De gemeente heeft dan een erfgoedverordening die niet up to date is en naar de juiste regelgeving verwijst. Dit aangezien de Omgevingswet gevolgen heeft voor de Erfgoedverordening, omdat de Erfgoedverordening ook regels bevat over de fysieke leefomgeving.
Met ingang van 1 januari 2024 moet de Erfgoedverordening technisch zijn aangepast aan de Omgevingswet. Wettelijke basis: Artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet 1988. Global Goals: SDG 11- Duurzame steden en landschappen Wie zijn betrokken: Team Ruimtelijke Ontwikkeling (cluster Erfgoed), Team JVZ Wijze van participatie: Informeren. Digitale links naar informatiebronnen: https://vng.nl/brieven/wijziging-vng-model-erfgoedverordening-2016-ivm-omgevingswet In welke fase: Realisatie/ Uitvoering Planning vervolg in de raad/LTA: N.v.t. Bijlage(n): 1. Bijlage 1a FAMKE steentijd-bronstijd 2. Bijlage 1b FAMKE ijzertijd-middeleeuwen 3. Erfgoedverordening toelichting 2024 4. Erfgoedverordening 2021 Burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.
3
mr. drs. J.A. de Vries
, burgemeester.
drs. E.K. Strijker
, gemeentesecretaris.
4
Erfgoedverordening Súdwest-Fryslân 2024 De raad van de gemeente Súdwest-Fryslân; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 10 oktober 2023; gelet op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en artikel 38 van de Monumentenwet 1988; overwegende dat: • De erfgoedverordening gaat over het aanwijzen van cultureel erfgoed dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis; • De nu vast te stellen verordening geactualiseerd is zodat deze in lijn is met de Omgevingswet die per 1 januari 2024 in werking treedt. besluit: vast te stellen de Erfgoedverordening Súdwest-Fryslân 2024
Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: a. college: het college van burgemeester en wethouders b. gebied met een archeologische verwachtingswaarde: zone die op de gemeentelijke FAMKE staat aangegeven als “karterend onderzoek” en “quickscan”, waar op basis van historische bronnen, archeologisch onderzoek en de geologische en bodemkundige opbouw een hoge dichtheid aan archeologische sporen of vondsten wordt verwacht; c. gebied met een hoge archeologische waarde: zone die op de gemeentelijke FAMKE staan aangegeven als “streven naar behoud” en “waarderend onderzoek”, waar op basis van historische bronnen en archeologisch onderzoek een hoge dichtheid van archeologische waarden bekend is; d. gemeentelijke FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra): twee kaarten van het gemeentelijke grondgebied, één voor de periode ‘steentijd – bronstijd’, en één voor de periode ‘ijzertijd – middeleeuwen’ waarop gebieden met een hoge archeologische waarde en gebieden met een archeologische verwachtingswaarde zijn aangegeven; e. gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid; f.
gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18; g. gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; h. gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; i. lage archeologische verwachting: kleine kans op archeologische vondsten of informatie; j. minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; k. monumentencommissie: gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Leden van het gemeentebestuur maken geen deel uit van de adviescommissie. l. omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht; m. rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet; n. Plan van Aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;
5
o. Programma van Eisen: programma dat door het bevoegd gezag wordt goedgekeurd en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek; p. provinciaal erfgoedregister: register als bedoeld in artikel 3.17 van de Erfgoedwet; q. verstoren: het beroeren, aantasten of vernielen van de bodem, waarbij afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden. Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college houdt een voor iedereen te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van het op grond van deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijk monument; b. gegevens uit de afschriften die het college heeft ontvangen van de minister over de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid van de erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. c.
Gegevens over een door het college van deputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologische monument of provinciaal beschermd stads-en dorpsgezicht. Paragraaf 2. Aanwijzing gemeentelijke beschermd cultuurgoed of gemeentelijke beschermde verzamelingen Artikel 3. Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1. Het college kan besluiten een cultuurgoed dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed, indien dat cultuurgoed: a. een bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis heeft; b. van uitzonderlijke schoonheid is; c. onvervangbaar en onmisbaar is voor het gemeentelijk cultuurbezit; d. In eigendom van de gemeente is, of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd. 2. Het college kan besluiten een verzameling aan te wijzen als gemeentelijke beschermde verzameling, indien deze verzameling: a. een bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis heeft; b. onvervangbaar en onmisbaar is voor het gemeentelijk cultuurbezit. c. die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn; d.
In eigendom van de gemeente is, of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd. 3. Voor de aanwijzing in het eerste en tweede lid is toestemming van de eigenaar vereist. 4. Het college vraagt advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet: a. over het voornemen van een aanwijzing in het eerste of tweede lid; b. over het voornemen een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijke beschermde verzameling te vervreemden of afstand te doen van de zorg daarvoor. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a. door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 6. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijke erfgoedregister. Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1. Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken.
6
2. Artikel 3, vierde lid is op lid 1 van overeenkomstige toepassing, tenzij: a. het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft; b. het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. Door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 4. Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
Paragraaf 3. Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college kan besluiten ambsthalve een monument of archeologisch monument aan te wijzen als gemeentelijk monument indien dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege: a. zijn schoonheid; b. betekenis voor de wetenschap; c. cultuurhistorische waarde. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. 3. Het college kan nadere regels opstellen ten aanzien van het in het eerste lid genoemde bevoegdheid. Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing 1. Het college maakt een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 7. Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is bekendgemaakt. 2.
De voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 8. Advies gemeentelijke adviescommissie 1. Over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5, eerste lid, vraagt het college advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en Verordening op de adviescommissie omgevingskwaliteit gemeente SúdwestFryslân. 2. De monumentencommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.
7
Artikel 9. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Het college beslist binnen 26 weken na hun voornemen, als bedoeld in artikel 6, over de aanwijzing. 2. De beslistermijn kan eenmaal met 26 weken worden verlengd. Belanghebbenden worden hierover schriftelijk geïnformeerd. 3. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 10. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 11. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na uiterlijk 26 weken of zodra het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5, eerste lid. 3.
Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 12. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument, waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in: a. het rijksmonumentenregister; of b. een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. 4. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister.
Paragraaf 4. Bescherming gemeentelijk monument Artikel 13. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 14. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt: b. alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument, dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.
8
c. Het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is, met inachtneming van de monumentale waarden: 1.Plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; 2.Doen van begravingen of asbijzettingen, of 3.ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.
Artikel 15. Weigeringsgronden 1. Het college verleent de omgevingsvergunning alleen als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument, als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.
Paragraaf 5. dorpsgezicht
Aanwijzing
gemeentelijk
beschermd
stads-
of
Artikel 16. Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2. Het college zendt het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8 eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt. 7.
Dit artikel is niet van toepassing op een beschermde stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 17. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 16, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing. 2. Indien de wijziging of intrekking een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft is als zodanig tenietgegaan blijft toepassing van artikel 16, tweede en derde lid achterwege. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht, waar de aanwijzing betrekking op heeft, wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 4.
Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.
9
Artikel 18. Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1. Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. 2. Het college kan de omgevingsvergunning weigeren als naar het oordeel van het college het niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 6. Handhaving en toezicht Artikel 19. Strafbepaling Degene die handelt in strijd met artikel 13 of met het bepaalde krachtens artikel 14, derde lid wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 20. Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de aangewezen toezichthouders en de gemeentelijk archeoloog. 2. Het college kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
Paragraaf 7. Vangnet Archeologie en nadere regels Artikel 21. Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend; b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids- waarden- of verwachtingskaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2.
Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.
Artikel 22. Gemeentelijke FAMKE 1. Het college stelt (opnieuw) de gemeentelijke FAMKE vast, die dient als basis voor: a. de verordening; b. ruimtelijke ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen het omgevingsplan; c. de aanwijzing van gemeentelijke monumenten. 2. Resultaten van archeologische onderzoeken uitgevoerd door daarvoor gecertificeerde bedrijven, die nog niet zijn verwerkt in de gemeentelijke FAMKE, worden meegenomen bij de aspecten zoals bedoeld onder lid 1 onder b en c.
10
Artikel 23 Verplichting tot archeologisch onderzoek Archeologisch onderzoek is verplicht: 1. in een gebied met een hoge archeologische waarde en in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde zoals aangegeven op de gemeentelijke FAMKE en de ingreep groter is dan de betreffende oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven: ‘Streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek op vuursteenvindplaatsen, kopjes en terpen’ > 50 m²; ‘waarderend onderzoek dobben’ en ‘karterend onderzoek 1’ > 500 m²; ‘karterend onderzoek 2’ > 2500 m²; ‘karterend onderzoek 3’ en ‘quickscan’ > 5000 m². 2. De verplichting van archeologisch onderzoek is niet van toepassing indien: a. de ingreep kleiner is dan de oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven; b. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend; c. de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 40 centimeter onder maaiveld; d.
een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: • het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd en/of; • de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad en/of; • in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. e. naar oordeel van het bevoegd gezag voldoende is aangetoond zonder archeologisch rapport dat de archeologische waarden in de bodem door de bouwwerken niet onevenredig worden aangetast en/of dat er geen sprake (meer) is van archeologische waarden (bijvoorbeeld een bodemkundig rapport); f. de grondwerkzaamheden op archeologisch onderzoek gericht zijn; g. het de aanleg van ondergrondse infrastructuur betreft met een maximum diameter van 0,40 meter, mits deze sleufloos wordt uitgevoerd; h. het de vervanging, vernieuwing of verandering betreft van bestaande bovengrondse bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut en/of niet dieper wordt vergraven dan de te verwijderen fundering. 3. Van de vrijgestelde verstoringsdiepte genoemd in lid 2, onder c kan worden afgeweken als dit: a.
bij een afwijking minder diep dan 40 centimeter aantoonbaar noodzakelijk wordt geacht voor het behoud van de archeologische (verwachtings)waarden; b. bij een afwijking dieper dan 40 centimeter aantoonbaar het behoud van de archeologische (verwachtings)waarden niet zal schaden. Artikel 24. Voorwaarden en voorschriften archeologisch onderzoek en omgevingsvergunning 1. Voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning kan een archeologisch onderzoek worden verplicht. Hierbij moet de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate worden vastgesteld. Dit onderzoek voldoet aan: a. de vigerende kwaliteitsnorm (KNA); b. de eisen vanuit de FAMKE; c. de Richtlijnen archeologisch onderzoek (Bijlage 2 Richtlijnen voor archeologisch onderzoek en bouwhistorie, Erfgoednota) 2. Indien uit het onderzoek blijkt dat sprake is van een behoudenswaardige archeologische vindplaats, die zal worden verstoord door de grondwerkzaamheden, kunnen één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen (bijvoorbeeld een archeologievriendelijk heipalenplan), waardoor ondanks de uitvoering van de grondwerkzaamheden de archeologische resten in de gronden kunnen worden behouden, en/of b.
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, en/of
11
c. de verplichting de grondwerkzaamheden te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen. Artikel 25 Archeologische monumentenzorg in het omgevingsplan Artikel 23 is niet van toepassing wanneer in het geldende omgevingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.
Paragraaf 8. Slotbepalingen Artikel 26. Intrekken oude verordening De Erfgoedverordening gemeente Súdwest-Fryslân 2021, vastgesteld 18 november 2021, wordt ingetrokken. Artikel 27. Overgangsrecht 1. Een krachtens de Erfgoedverordening gemeente Súdwest-Fryslân 2021 aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, wordt geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 2. Aanvragen en bezwaren die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening gemeente Súdwest-Fryslân 2021.
Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 31 december 2023. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening Súdwest-Fryslân 2024.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 23 november 2023.
mr. drs. J.A. de Vries
, voorzitter.
G.W. Stegenga
, griffier.
12