CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel - Bestemmingsplan Hemelumer Hoeve

Informatiebijeenkomst 16 juni 2021, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Raadsvoorstel - Bestemmingsplan Hemelumer Hoeve + bijlagen5.584 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ons nummer: R21.000101

*R21.000101* O.0000001E

Raadsvoorstel gemeente Súdwest-Fryslân Onderwerp Raadsvergadering van Commissie Commissievergadering van Portefeuillehouder Team Behandelend ambtenaar

Bestemmingsplan Hemelumer Hoeve 8 juli 2021 Doarp, Stêd en Omkriten 22 juni 2021 drs. F.J.R. Faber Vergunningen R. Boersma

Voorstel: a. De reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’ vast te stellen; b. Het bestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’ ongewijzigd vast te stellen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan, dat ter inzage heeft gelegen waarbij het raadsvoorstel tevens onderdeel uitmaakt van dit besluit; c. Te bepalen dat voornoemd bestemmingsplan langs elektronische weg is vastgelegd in het GMLbestand NL.IMRO.1900.2018BPDeSoal4-vast en tevens in die vorm is vastgesteld; d. Te bepalen dat voor de locatie van de geometrische planobjecten gebruik is gemaakt van een ondergrond welke is ontleend aan de Grootschalige Basiskaart Nederland. e. Geen exploitatieplan voor het bestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’ vast te stellen. Inleiding: De voorgeschiedenis die heeft geleid tot dit raadsvoorstel is uw raad bekend. Daartoe verwijst het college onder meer naar het raadsvoorstel zoals behandeld is in de commissievergadering van 26 maart 2019 en de raadsvergadering van 4 april 2019. De inhoud daarvan dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Dit raadsvoorstel uit 2019 is als bijlage 2 bij dit raadsvoorstel gevoegd. Tevens verwijst het college naar het ontwerpbestemmingsplan, waarvan de tekst van de toelichting is geactualiseerd.

De regels en verbeelding zijn ongewijzigd gebleven, in vergelijking met het ontwerpbestemmingsplan zoals dat vanaf 30 november 2018 voor de duur van 6 weken ter inzage heeft gelegen. Met dit raadvoorstel vult het college het raadsvoorstel uit 2019 aan en wordt daarop een aantal verbeteringen doorgevoerd. De aanleiding daarvoor is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 maart 2021, waarmee het besluit van uw raad om het bestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’ niet vast te stellen, is vernietigd. Aan de hand van de overwegingen van de Afdeling, en de aanvulling van de motivering van het onderliggende besluit, kan uw raad een goed gemotiveerd besluit nemen op het verzoek tot het vaststellen van het bestemmingsplan “ De Soal 4 te Hemelum”. Om die reden is tevens een alternatief besluit met motivatie en onderbouwing uitgewerkt.

1

Doel: Een juridisch planologisch kader te scheppen voor de realisatie van de voorgenomen uitbreiding. Argumenten: 1.1 Beoogde situatie houdt deels verplaatsing en kleine uitbreiding bouwvlak in Om inzichtelijk te maken wat er feitelijk mogelijk wordt gemaakt qua gebouwen met dit nieuwe bestemmingsplan, zijn hieronder twee (indicatieve en dus niet exact op schaal) figuren voor de beeldvorming opgenomen. In figuur 1 is het huidige bouwvlak in het bestemmingsplan Buitengebied met rood omlijnd. Het deel dat paars is gearceerd is het deel van het huidige bouwvlak dat nog niet is bebouwd (en wat dus nog kan worden bebouwd zonder dat er een nieuw bestemmingsplan nodig is). In figuur 2 is het beoogde nieuwe bouwvlak in blauw opgenomen. In het paarse deel mag alleen mestverwerking en voerbewerking plaats te vinden (en niet het houden van dieren). De rest van de blauwe omlijning is bedoeld voor de intensieve veehouderij. Met de gele arcering is aangegeven welk deel van het bestaande bouwvlak (bestemmingsplan Buitengebied) wordt “weggesneden” en dus komt te vervallen in het nieuwe bestemmingsplan.

Figuur 1: bestaande bouwvlak

Figuur 2: nieuw bouwvlak

In de bestaande situatie is het bouwvlak ten behoeve van de intensieve veehouderij ca. 1,28 Ha. In de nieuwe situatie zal maximaal 1,5 Ha aan gebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij mogelijk gemaakt worden. Voor het onderdeel mestverwerking en voorbereiding is maximaal 0,5 Ha mogelijk (het bouwvlak hiervoor is overigens kleiner). Dit verzoek voorziet dus in het gedeeltelijk verplaatsen van het bestaande bouwvlak en het vergroten van het bouwvlak (tot maximaal 17% voor de intensieve veehouderij ten opzichte van het bestaande bouwvlak). De verplaatsing en deels vergroting van het bouwvlak is in westelijke richting (dus van het dorp Hemelum af). 1.2 Reactienota is niet gewijzigd ten opzichte van de vorige keer In de voorbereiding van het raadsbesluit van 4 april 2019, heeft het ontwerpbestemmingsplan op grond van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegen. Er zijn reacties binnengekomen. Deze reacties worden behandeld in de reactienota. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan dient uw raad ook de ingediende zienswijzen te betrekken. Door het vaststellen van de eerder opgestelde reactienota doet u dit ook. Het college ziet geen aanleiding voor het aanpassen van de reactienota op de daarop ingediende zienswijzen. Voor zover in dit raadsvoorstel al wordt afgeweken van die reactienota, prevaleert de inhoud van dit raadsvoorstel.

2

Voor wat betreft het ontwerpbestemmingsplan is er in de planregels en de verbeelding niets veranderd. Dit is het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. In de toelichting zijn kleine aanpassingen in de tekst gedaan vanuit de actualisatie. In de uitspraak van de Afdeling is expliciet aangegeven dat er niet nogmaals ter inzage gelegd hoeft te worden. Dat is ook niet gedaan. Wel is zowel de initiatiefnemer als de werkgroep Geen megastal in Hemelum (verder De werkgroep) in de gelegenheid gesteld om eventuele aanvullende reacties te geven. Ook heeft er met beide partijen een gesprek plaatsgevonden. De werkgroep heeft op 28 april 2021 een adviesmemo van De Roever omgevingsadvies ingediend. In dit raadsvoorstel zal hier een inhoudelijke reactie op worden gegeven. 1.3 De Afdeling heeft in haar uitspraak duidelijkheid gegeven over verschillende zaken De Afdeling heeft uw besluit van 4 april 2019 getoetst en is tot de conclusie gekomen dat dit besluit niet in stand kon blijven. Zo was de motivering onder uw besluit onvoldoende. De Afdeling vat onder rechtsoverweging 5 kort samen waarom uw raad het bestemmingsplan op 4 april 2019 niet heeft vastgesteld (de motivering van uw besluit destijds): a.

omdat uw raad op het adres De Soal 4 geen andere ontwikkelingen mogelijk wil maken dan die zijn toegestaan op grond van het huidige bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân van 5 oktober 2017; b. omdat uw raad er niet zeker van is dat kan worden voldaan aan artikel 6.1.3, tweede lid, van de Verordening Romte Fryslân 2014; c. omdat uw raad de ontwikkeling niet passend vindt in de omgeving; d. omdat uw raad zich op het standpunt stelt dat geurhinder een belemmering vormt voor de vaststelling van het plan. In dit raadsvoorstel wordt achtereenvolgens op die vier onderwerpen ingegaan en wordt gemotiveerd waarom wij u adviseren dat er geen gronden (meer) zijn die een belemmering kunnen vormen voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Tot slot wordt naar aanleiding van vragen van de werkgroep (middels de genoemde memo De Roever d.d. 28 april 2021) aandacht besteed aan de stikstofproductie en de nieuwste regelgeving daaromtrent in relatie tot de Wnb-vergunning waarover de Hemelumer Hoeve B.V. beschikt, geur en de MER-plicht. Ad a. Inhoud bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân Onder de rechtsoverwegingen 10.1 tot en met 10.2 van haar uitspraak legt de Afdeling uit waarom het conserverende bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân geen belemmering behoeft te vormen voor het uitbreidingsplan van de Hemelumer Hoeve B.V.

Zij concludeert ‘dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan Hemelumer Hoeve B.V. geen ontwikkelingsmogelijkheden worden toegekend, omdat wat bij recht is toegestaan in het vorige bestemmingsplan de bovengrens vormt voor wat betreft de omvang, capaciteit en functie van het topfokbedrijf.’ Dat onderbouwt de Afdeling als volgt: “Hierbij betrekt de Afdeling dat in het bestreden besluit geen argumenten zijn gegeven die inzichtelijk maken waarom de uitbreiding van de Hemelumer Hoeve op ruimtelijke bezwaren stuit. Zoals hiervoor in 9.2 is overwogen, wijst de raad op de ligging nabij de kern van Hemelum, maar de raad heeft niet gemotiveerd waarom dit vanuit ruimtelijk oogpunt problematisch is. Verder is ter zitting vast komen te staan dat de raad niet met Hemelumer Hoeve B.V. heeft gesproken over eventuele alternatieve locaties waar Hemelumer Hoeve B.V. haar bedrijf zou kunnen voortzetten. Omdat het bedrijf nagenoeg op slot wordt gezet door de weigering om het plan vast te stellen, had het op de weg van de raad gelegen om hierover met Hemelumer Hoeve B.V. in gesprek te gaan. Het besluit is ook in zoverre gebrekkig gemotiveerd en onzorgvuldig genomen.”

3

Zoals in het ontwerpbestemmingsplan valt te lezen, is de ruimtelijke impact van de uitbreiding minimaal. De nieuwe bebouwing wordt met name achter (westelijk van) de bestaande bebouwing gesitueerd, gezien vanuit de bebouwde kom van Hemelum. De bebouwing wordt aan alle zijden aan het zicht ontnomen door de landschappelijke inpassing ervan door middel van de plaatsing van afschermende beplanting. Van verkeerstoename is geen sprake, zo blijkt ook uit het ontwerpbestemmingsplan. Alternatieve locaties zijn binnen de gemeente Súdwest-Fryslân niet beschikbaar. Een gesprek daarover met de Hemelumer Hoeve B.V. heeft daarom geen toegevoegde waarde. Hoewel het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân de gewenste uitbreiding niet mogelijk maakt, concluderen wij dat de ruimtelijke voordelen van de uitbreiding, opwegen tegen de nadelen. Het enige nadeel dat kan worden aangewezen is de toename van de omvang van de bebouwing. Nu de totale bebouwing zorgvuldig wordt afgeschermd met beplanting en niet in het zicht van de bebouwde kom van Hemelum ligt, wegen de voordelen die worden behaald in milieubelasting en dierenwelzijn zwaarder dan de toename aan bebouwing. In het navolgende wordt dat nader toegelicht. Ad b. Er is geen strijd met de verordening Romte Fryslân 2014 Onder de rechtsoverwegingen 7.

tot en met 7.3 van haar uitspraak legt de Afdeling uit waarom Verordening Romte Fryslân 2014 geen belemmering vormt voor het uitbreidingsplan van de Hemelumer Hoeve B.V. Zij concludeert dat ‘de stelling van de raad dat mogelijk niet kan worden voldaan aan artikel 6.1.3, tweede lid, van de Verordening kan geen reden zijn om de vaststelling van het plan te weigeren’. Dat onderbouwt de Afdeling als volgt: “De Afdeling overweegt dat uit artikel 6.1.3, eerste lid, van de Verordening dus volgt dat het bouwperceel in dit geval maximaal 2,0 ha mag bedragen. Ter zitting bestond er verschil van mening over hoe artikel 6.1.3, eerste lid, van de Verordening moet worden uitgelegd. De Afdeling overweegt dat de artikelsgewijze toelichting van artikel 6.1.3, eerste lid, van de Verordening onderschrijft dat de hiervoor genoemde uitleg de juiste uitleg is. Het tweede lid van artikel 6.1.3 ziet op situaties waarin kan worden afgeweken van het eerste lid, maar afwijking van het eerste lid is hier niet aan de orde, omdat aan de voorwaarden van het eerste lid wordt voldaan.” Hiermee staat (juridisch gezien) onherroepelijk in rechte vast dat in de Verordening Romte 2014 geen ruimte kan worden gevonden voor een besluit tot weigering van het bestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’.

Ook in het ontwerp voor de Omgevingsverordening Fryslân 2022, die ter inzage heeft gelegen van 1 maart tot en met 12 april 2021, verandert dit niet. In tegendeel, daaruit volgt in artikel 2.20 lid 2 onder b. dat voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven het maximale bouwperceel 2 ha. mag bedragen, zonder dat daaraan nog langer de voorwaarden worden verbonden zoals omschreven in de Verordening Romte 2014. De verordening Romte maakt een scherp onderscheid tussen een intensieve veehouderij (waarvoor maximaal 1,5 ha beschikbaar mag zijn) en ondersteunende functies (waarvoor maximaal 0,5 ha beschikbaar mag zijn). Het uitbreidingsplan van de Hemelumer hoeve voorziet hier ook uitdrukkelijk in. Ad c. Inpassing in de omgeving Onder de rechtsoverwegingen 9. tot en met 9.2 concludeert de Afdeling (los van het onderwerp geurhinder); ‘voor het overige is de weigering om het plan vast te stellen niet ingegeven door ruimtelijke argumenten die deugdelijk zijn onderbouwd’. Dat onderbouwt de Afdeling als volgt:

4

“De enkele omstandigheid dat het bedrijf op korte afstand is gesitueerd van Hemelum is een onvoldoende dragende onderbouwing. De raad motiveert niet waarom dit vanuit ruimtelijke oogpunt problematisch is. Er is door de raad na het bestreden besluit nog naar voren gebracht dat uitbreiding van Hemelumer Hoeve B.V. leidt tot verkeersoverlast, maar waar deze uit bestaat blijkt nergens uit.” Zoals hiervoor onder de kop ‘Ad a. Inhoud bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân’ reeds is aangegeven, kan in de ruimtelijke impact van de bebouwing op de omgeving als ook in de verkeersaspecten geen aanleiding worden gevonden voor de conclusie dat het uitbreidingsplan niet inpasbaar is in de omgeving. Tot slot kan het standpunt dat intensieve veehouderij niet gewenst is uit het oogpunt van dierenwelzijn, niet gehanteerd worden in het kader van een ruimtelijke afweging. Het dierenwelzijn in de stallen heeft geen ruimtelijk effect op de omgeving, behoudens waar het de hoeveelheid te houden dieren betreft in het kader van geurhinder. Het aspect geurhinder wordt hierna separaat toegelicht. Overigens voorziet de uitbreiding tevens in een verbetering vanuit het oogpunt van dierenwelzijn, zodat ook om die reden daarin geen argument gevonden kan worden gevonden om het bestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’ niet vast te stellen. Ad d. Geurhinder Onder de rechtsoverwegingen 8.

tot en met 8.7 concludeert de Afdeling ‘dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij, ondanks de mogelijkheden voor geurreductie die het plan biedt, geen medewerking heeft verleend aan de vaststelling daarvan’. Dat onderbouwt de Afdeling als volgt: “De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat de raad er belang aan hecht om mogelijk nadelige effecten van geurhinder op de gezondheid van omwonenden zoveel mogelijk te beperken. Tussen partijen is niet in geschil dat de vaststelling van het plan mogelijkheden biedt om de geursituatie te verbeteren ten opzichte van de bestaande situatie. De reden hiervan is dat de uitbreiding gepaard zal gaan met het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wgv en deze maatregelen kunnen leiden tot een zodanige geurreductie dat omwonenden minder geurhinder zullen hebben.” En: “Het is niet duidelijk waarom de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening meent dat hij de gezondheidskundige advieswaarde van de GGD als beoordelingskader moet hanteren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de milieugezondheidskundige beoordeling van de GGD Fryslân staat dat de Hemelumer Hoeve B.V. niet hoeft te voldoen aan de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 passend bij maximaal 12% hinder, maar dat de Hemelumer Hoeve B.V.

moet streven naar deze gezondheidskundige advieswaarde.” Naar aanleiding van de laatste hierboven geciteerde zin is de GGD Fryslân om aanvullend advies gevraagd, hetgeen heeft geresulteerd in het GGD-advies van 11 mei 2021. Daaruit volgt dat de GGD Fryslân de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 adviseert, uit het oogpunt van volksgezondheid. De vraag of en in hoeverre deze gezondheidskundige advieswaarde als norm of als richtwaarde voor dit specifieke bestemmingsplan wordt gehanteerd, dient door uw raad te worden beantwoord. De GGD Fryslân adviseert uw raad om in het kader van dit bestemmingsplan een advieswaarde van 2,0 ouE/m3 te hanteren. Dit betekent dat gelet hierop er geen medewerking aan het bestemmingsplan verleend zou moeten worden aangezien deze advieswaarde niet wordt gehaald. Het aanvullend GGD-advies is aan dit raadsvoorstel gevoegd onder bijlage 3.

5

Vervolgens is het de vraag in hoeverre het redelijk is een dergelijk strenge waarde op te leggen aan een bestaand bedrijf ter plaatse. Dit bedrijf wil uitbreiden met inachtneming van de maximale waarden die op grond van artikel 3, vierde lid van de Wet geurhinder en veehouderij (de 50/50regeling) toelaatbaar zijn voor de geurbelasting die de veehouderij op een gevoelig object mag veroorzaken. Waarbij ook in aanmerking moet worden genomen dat de Hemelumer Hoeve B.V. die maximale waarden ruimschoots haalt en zelfs extra geurreductie realiseert door extra investeringen te doen. Hierbij is ook de recent door uw raad vastgestelde Omgevingsvisie gemeente SúdwestFryslân (29 april 2021) in ogenschouw genomen, waarbinnen uw raad het aspect gezondheid als belangrijk item heeft aangemerkt. Het college meent dat het, gezien de feitelijk bestaande (legale) situatie, niet redelijk is om geen bestemmingsplan vast te stellen voor het uitbreidingsplan van de Hemelumer Hoeve B.V. omdat de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 niet wordt gehaald. Zij benadert die advieswaarde namelijk wel en het verschil in geur tussen de advieswaarde en de uiteindelijk door de Hemelumer Hoeve B.V. te behalen waarden, rechtvaardigt een dergelijk ingrijpend besluit niet.

Het gevolg van dat besluit zal immers zijn dat het bedrijf niet goed kan uitbreiden, geen geurreductie zal realiseren en er geen verbetering van dierenwelzijn zal zijn. De bestaande situatie heeft in verhouding met het beoogde nieuwe plan veel meer geuremissie. Deze bestaande situatie is vergund en op basis daarvan dus ook legaal aanwezig. Voor wat betreft geur zou het niet vaststellen van het bestemmingsplan dan ook inhouden dat de geurhinder voor de omgeving (veel) meer zal zijn dan in de beoogde nieuwe situatie. De gevolgen van het niet vaststellen van het voorliggende bestemmingsplan zijn voor de Hemelumer Hoeve B.V. dermate groot, dat de relatief beperkte extra geurreductie die kan worden gerealiseerd door de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 als norm te stellen in het kader van dit specifieke bestemmingsplan (en die niet haalbaar is voor de Hemelumer Hoeve), daar niet tegenop weegt. Zeker niet als hierbij de bestaande situatie wordt betrokken (dus waar het bedrijf vandaan komt en welke geurwinst wordt behaald). Deze geurwinst die wordt behaald past in onze ogen ook binnen de doelstelling van de recent door uw raad vastgestelde Omgevingsvisie. Daarnaast resteert in het geval van weigering een weliswaar kleiner, maar voor de omgeving zwaarder belastend bedrijf.

Een bedrijf dat (mogelijk) nog geruime tijd gebruik kan maken van de door haar verworven rechten op een (relatief) hoge geurbelasting op de omgeving en waarvoor het in de nabije toekomst waarschijnlijk niet rendabel zal zijn om anderszins gebruik te maken van de 50/50-regeling. Het feit dat de Hemelumer Hoeve B.V. op 9 juli 2020 een omgevingsvergunning verleend heeft gekregen voor een nieuwe luchtwasser aan stal nummer 1, doet daar niet aan af. Die luchtwasser installeerde zij als gevolg van een handhavingsverzoek van omwonenden, die terecht stelden dat het bedrijf niet voldeed aan het Besluit emissiearme huisvesting. De omwonenden stellen nu dat bij de berekening die ten grondslag moet liggen aan de toepassing van artikel 3, vierde lid van de Wet geurhinder en veehouderij een ander uitgangspunt moet worden gehanteerd. Te weten de geurbelasting na installatie van deze luchtwasser. Zij hebben dit eerder ingebracht bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, in een verzoek om voorlopige voorziening gericht op het vergund krijgen van die luchtwasser.

De Voorzieningenrechter oordeelde daaromtrent in zijn uitspraak van 2 april 2019 als volgt: “Op het moment dat de aanvraag tot uitbreiding van het bedrijf is gedaan, waarbij derdepartij (de Hemelumer Hoeve B.V., red.) de door de plaatsing van een nieuwe luchtwasser te creëren geurruimte kon aanwenden voor de uitbreiding van zijn bedrijf, is er voor derde-partij op grond van de wet ook een aanspraak ontstaan op die geurruimte en daarmee gepaard gaande uitbreidingsmogelijkheid. De voorzieningenrechter acht het

6

in strijd met de systematiek van de wet dat het enkele feit dat de derde-partij hangende de vergunningprocedure, al dan niet op grond van een last, feitelijk op die uitbreiding vooruitloopt door het aanbrengen van de nieuwe luchtwasser, er toe zou leiden dat de rechtens verkregen ruimte voor uitbreiding verloren zou gaan. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er op dat de milieutechnische en ruimtelijke vergunning van de voorgenomen uitbreiding van het bedrijf met inbegrip van de bedoelde luchtwasser in een vergevorderd stadium is.” En: “Het enkele feit dat derde-partij zich stelselmatig niet heeft gehouden aan zijn vergunning, maakt niet dat verweerder nu in redelijkheid van derde-partij zou kunnen verlangen dat zij door middel van het aanvragen van een vergunning voor alleen de nieuwe luchtwasser haar mogelijkheid tot uitbreiding van het bedrijf zou opgeven en maakt niet dat verweerder vervolgens door het verlenen van een dergelijke vergunning de uitbreiding van het bedrijf onmogelijk zou maken.” Kortom; het feit dat tussentijds een luchtwasser is geplaatst en vergund, betekent niet dat daarmee het aangevraagde bestemmingsplan en de aangevraagde omgevingsvergunning in een ander daglicht komen te staan. Daarbij speelt mee dat de betreffende luchtwasser al deel uitmaakte van het uitbreidingsplan en de daarmee te bereiken geurreductie.

Volgens de Voorzieningenrechter moet de vergunde situatie van het bedrijf ten tijde van de voornoemde aanvragen als uitgangspunt worden genomen. Hierbij wordt nog opgemerkt dat ook in de situatie dat een hogere rechter daar anders tegenaan zou kijken, te weten dat moet worden uitgegaan van de vergunde situatie ten tijde van het besluit op voornoemde aanvragen, dit nog steeds geen verschil maakt in de uitkomst. Uit de berekening van de geurbelasting na de uitbreiding, uitgaande van de vergunde situatie ten tijde van de aanvragen, blijkt immers dat de Hemelumer Hoeve B.V. ruimschoots aan de normen die voortvloeien uit artikel 3, vierde lid van de Wet geurhinder en veehouderij wordt voldaan. Dit vanwege de extra inspanningen en investering die de Hemelumer Hoeve B.V. doet en waarmee zij zo veel als mogelijk de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 probeert te benaderen. Zie daartoe de berekening in bijlage 4 bij dit raadsvoorstel. Dit heeft tot gevolg dat ook uit de berekening van de geurbelasting na de uitbreiding (luchtwasser), uitgaande van de vergunde situatie ten tijde van het besluit op de aanvragen, volgt dat de Hemelumer Hoeve B.V. voldoet aan de normen die dan voortvloeien uit artikel 3, vierde lid van de Wet geurhinder en veehouderij. Zie daartoe de berekening in bijlage 5 bij dit raadsvoorstel.

Concluderend kan gesteld worden dat in beide gevallen er sprake is van een vergunbaar uitbreidingsplan, reden waarom de vraag welk juridisch uitgangspunt heeft te gelden, niet relevant is. Voor wat betreft het ingenomen standpunt van de omwonenden dat de berekeningen niet betrouwbaar zijn, omdat combi-luchtwassers niet betrouwbaar zijn in hun werking, wijst het college op het volgende. In de berekeningen is rekening is gehouden met deze discussie, zodat al is uitgegaan van een worst-case scenario. Er is zodoende geen aanleiding om te veronderstellen dat de berekende beperking van de geurbelasting niet wordt bereikt. 1.4 Wet natuurbescherming (stikstof) De Hemelumer Hoeve B.V. beschikt over een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming (verder Wnb) die door Gedeputeerde Staten van Fryslân op 10 mei 2016 (gewijzigd) is verleend op basis van het uitbreidingsplan. Die vergunning is niet aangevochten en zodoende staat die vergunning in rechte vast (onherroepelijk).

7

De werkgroep stelt dat die vergunning niet klopt, omdat daarin is uitgegaan van een positievere werking van luchtwassers dan in werkelijkheid het geval zou zijn. Zij menen dat uit een herberekening van de stikstofdepositie op omliggende natura 2000-gebieden volgt dat sprake is van een toename van de belasting van deze volgens hen stikstofgevoelige natuurgebieden. Toetsing aan de Wnb is in beginsel een taak van Gedeputeerde Staten van Fryslân. Als geen sprake is van een verleende Wnb-vergunning (of in het geval hier een wijziging op aan de orde is), dient uw raad in bepaalde gevallen om een verklaring van geen bedenkingen te verzoeken bij Gedeputeerde Staten van Fryslân. In dit geval speelt dat niet. Er is immers reeds een Wnb-vergunning verleend die specifiek ten behoeve van dit uitbreidingsplan is aangevraagd door de Hemelumer Hoeve B.V. In een eerder stadium is een ontwerp vvgb door de provincie afgegeven voor het onderliggende plan. De wijziging ten opzichte van de onherroepelijke Wnb-vergunning zit hem namelijk onder meer in het toepassen van extra luchtwassers. Er is geen sprake van aanpassing van het aantal (of soort) dieren. Deze wijziging houdt, ten opzichte van de onherroepelijke Wnb-vergunning, een verlaging van de stikstofdepositie in (dus een verbetering).

Voor een situatie waarbij er ten opzichte van de vergunde situatie een verlaging van de stikstofdeposite aan de orde is, is in de huisige wet- en regelgeving geen vvgb meer vereist. Dit wordt “ intern salderen” genoemd en is zondermeer toegestaan (zonder aanvullende/gewijzigde vergunning). Dit is naar aanleiding van een recente uitspraak van de Afdeling duidelijk geworden en ook als zodanig in Nederland gehanteerd. Omdat de eerder gehanteerde AERIUS-berekening bij uw raadsbesluit van 4 april 2019 was gebaseerd op een verouderde AERIUS-versie, zijn door de initiatiefnemer vernieuwde AERIUS-berekeningen aangeleverd. Uit deze berekening komt hetzelfde beeld en dus wijzigt onze conclusie niet. Deze vernieuwde AERIUS-berekening is als bijlage 6 opgenomen bij de raadsvoorstel. Gedeputeerde Staten van Fryslân heeft de genoemde Wnb-vergunning uit 2016 niet ingetrokken en ook anderszins is niet in rechte vast komt te staan dat deze vergunning onjuist is. Op basis daarvan kan dit dan ook geen reden zijn om op die grond het bestemmingsplan niet vast te stellen. De betreffende Wnb-vergunning is immers een door de Hemelumer Hoeve B.V. verworven (onherroepelijk) recht, waartoe de bevoegdheid om daarop in te breken uitsluitend berust bij de verlener ervan.

Het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat er aan de Wnb wordt voldaan en heeft hier een vergunning voor verleend voor dit plan (en zelfs een ontwerp vvgb voor de kleine aanpassingen in het plan). Er zijn in onze ogen geen juridisch gerechtvaardigde redenen om aan het oordeel van het bevoegd gezag te twijfelen. 1.5 MER-plicht In de memo van de werkgroep wordt gesteld dat er een MER-plicht aan de orde is. Dit in tegenstelling tot eerder door de gemeente is vastgesteld (Mer-beoordelingsbesluit van 28-04-2015). Voor de beoordeling of een MER vereist is, moet worden gekeken naar de toename van het aantal dieren ten opzichte van de (milieu)vergunde situatie. Het aantal zeugen neemt toe met 498 naar 922 en die toename is minder dan het aantal van 900 waarop de MER-drempel ligt. De werkgroep stelt zich echter op het standpunt dat een aantal vleesvarkens opgeteld moet worden bij de zeugen, omdat die volgens hen ook als opfokzeug zouden fungeren. Verder stelt de werkgroep dat binnen het jaar 40% van de zeugen wordt vervangen. Die tellen zij er ook bij op. Hetgeen de werkgroep stelt is echter onjuist. Allereerst is hierbij goed te beseffen dat er uit moet worden gegaan van hetgeen is aangevraagd. De aanvraag bepaalt wat er uiteindelijk ook mogelijk wordt gemaakt. Uit deze aanvraag volgt niet dat vleesvarkens als opfokzeug fungeren.

De aanvraag en dit bestemmingsplan voorziet dus niet in het mogelijk maken van het als opfokzeug gebruiken van de vleesvarkens. Op ons verzoek heeft de aanvrager ook verklaard dat hier geen sprake van zal zijn. Daarmee kan hier juridisch gezien geen onduidelijkheid meer over zijn.

8

Voor wat betreft het vervangen van zeugen binnen een jaar (40%) kan het volgende worden opgemerkt. Indien dit al aan de orde zou zijn, dan nog is de toename minder dan de grens van 900. Immers, als deze 40% van in de nieuwe situatie 922 aanwezige zeugen zou moeten worden opgeteld bij de uitbreiding met 498 komt de toename uit op 867. Daarom is geen sprake van een MER-plicht. Deze conclusie wordt ook bevestigd door de FUMO in haar advies van 1 juni 2021 (bijlage 11). 1.6 Algehele conclusie Gelet op de wet- en regelgeving zijn er bij uw afweging of er wel of niet een bestemmingsplan wordt vastgesteld, slechts enkele aspecten waarbij er afwegingsruimte is voor uw raad. De overige elementen zijn vastgelegd in de wet en daaraan wordt voldaan (ofwel heeft de Afdeling al uitgesproken dat dit geen weigeringsgrond kan bieden). Alleen op het aspect “geur” en het aspect “strijd met het bestemmingsplan Buitengebied” heeft uw raad gelegenheid om een politieke afweging te maken. Voor wat betreft het aspect stikstof is deze ruimte er in veel mindere mate vanwege de bevoegdheid van de provincie (en de onherroepelijke vergunning). Zoals in dit voorstel naar voren komt zijn wij van mening dat gelet op de feitelijke (legale) situatie en de situatie in de beoogde nieuwe situatie, het element geur niet tot een weigering van het bestemmingsplan zou moeten leiden.

Ook voor wat betreft de ruimtelijke impact komen wij tot die conclusie aangezien het een bestaande intensieve veehouderij betreft die gedeeltelijk uitbreidt (in de andere richting dan de ligging van het dorp). Gelet hierop stellen wij u dan ook voor het bestemmingsplan De Soal 4 te Hemelum vast te stellen. Alternatieven: Besluit tot niet vaststellen van het bestemmingsplan Na afweging van de betrokken belangen kan uw raad ook tot de conclusie komen dat er geen bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Indien u hiertoe besluit, is het van belang dat de motivering van uw besluit volledig en zorgvuldig is. In bijlage 1 (kenmerk i21.707419) hebben wij voor deze situatie de motivering van dat raadsbesluit opgenomen. Hiermee willen wij voorkomen dat, als uw raad een ander besluit neemt, dit besluit onvoldoende gemotiveerd is. Wij adviseren u dan ook, indien u wenst te besluiten om geen bestemmingsplan vast te stellen, deze motivering onderdeel te laten uitmaken van uw uiteindelijke besluit. Deze motivering kan dan (eventueel aangevuld met amendementen) zorgen voor een zorgvuldige en goede onderbouwing van uw weigeringsbesluit. In dat alternatieve geval stellen wij uw raad voor als volgt te besluiten: a. Het bestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’ niet vast te stellen; b. Het document met kenmerk i21.707419 als motivering van dit besluit te hanteren. c.

Het college op te dragen de onder b. genoemde motivering om te zetten in een besluit, dit besluit aan te vullen met de inhoud van de door de raad aangenomen amendementen en dat besluit namens de raad te verzenden aan de initiatiefnemer.

9

Ten overvloede merken wij op dat zowel het vaststellen van het bestemmingsplan alswel het weigeren tot vaststellen van het bestemmingsplan verdedigbaar is. Op bepaalde aspecten zit een afwegingskader die anders ingevuld kan worden door uw raad. Wel is het van belang dat de onderbouwing van de besluiten volledig is, vandaar dat wij volledigheidshalve beide onderbouwingen van de besluiten hebben laten opstellen. Risico’s: Als uw raad besluit het bestemmingsplan vast te stellen en uw raad wordt daarin gecorrigeerd door de Afdeling op een wijze die moet leiden tot weigering van de vaststelling van het bestemmingsplan en weigering van de verlening van de Omgevingsvergunning, dan is de gemeente in beginsel schadeplichtig voor de gevolgen voor de omwonenden van eventueel door de Hemelumer Hoeve B.V. reeds veroorzaakte schade dor uitvoering van de Omgevingsvergunning terwijl die nog niet onherroepelijk was. De kans dat de Hemelumer Hoeve B.V. de uitbreiding in gang zet terwijl de Afdeling nog geen uitspraak heeft gedaan en dat dit vervolgens tot aantoonbare schade leidt bij omwonenden, acht het college niet groot. Kaders: Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening. Financiële aspecten/gevolgen: N.v.t. Duurzaamheid: Geen. Vervolgproces: Op grond van artikel 3.8 Wro is de gemeenteraad bevoegd het bestemmingsplan vast te stellen.

Op 8 maart 2019 heeft uw raad besloten de coördinatieregeling, conform artikel 3.30 Wro van toepassing te verklaren. Dit houdt in dat het college de Omgevingsvergunning kan verlenen direct nadat uw raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld. Tegen zowel de vaststelling van het bestemmingsplan als tegen het verlenen van de Omgevingsvergunning staat één beroepsgang open bij de Afdeling. Na besluitvorming in de raad over het bestemmingsplan, zal het college van burgemeester en wethouders dus een besluit moeten nemen op de aanvraag Omgevingsvergunning. Indien het bestemmingsplan niet wordt vastgesteld, zal deze Omgevingsvergunning zondermeer geweigerd moeten worden op basis van strijdigheid met het bestemmingsplan. Ongeacht welk besluit er uiteindelijk wordt genomen op het verzoek tot vaststellen van het bestemmingsplan, zal er hoogstwaarschijnlijk door ofwel de Hemelumer Hoeve B.V. danwel door de omwonenden beroep worden aangetekend bij de Afdeling. Er volgt dan een juridische procedure die al gauw een jaar in beslag neemt.

10

Monitoring en evaluatie: n.v.t. Gevolgen voor LTA: Dit voorstel is opgenomen in de LTA en aan de hierin genoemde termijnen wordt voldaan. Communicatie en afstemming: Bij de voorbereiding van dit besluit is op grond van de wet (verplichte) inspraak geweest. Na de uitspraak van de Raad van State hebben de belanghebbenden aanvullend nog kunnen reageren op dit onderwerp.

Bijlage(n) Meegezonden: - 1. Onderbouwing weigering vaststellen bestemmingsplan (kenmerk i21.707419); - 2. Raadsvoorstel 2019 (r19.00037); - 3. Aanvullend advies GGD d.d. 11 mei 2021 (kenmerk i21.707498); - 4. Geurrapport beoogde situatie (kenmerk i21.707423); - 5. Geurrapport na plaatsing luchtwasser 2020 (kenmerk i21.707422); - 6. Nieuwe AERIUS-berekening (kenmerk i21.707421); - 7. Uitspraak Raad van State Hemelumer hoeve d.d. 24 maart 2021 (kenmerk i21.707499); - 8. Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan "Hemelum De Soal 4"(kenmerk i21.707500); - 9. Memo werkgroep Geen megastal in Hemelum (De Roever) d.d. 28-04-21 (kenmerk i21.707501); - 10. Ontwerpbestemmingsplan " De Soal 4, Hemelum" 2021 (i21.707863); - 11. Advies FUMO geen MER-plicht 1 juni 2021 (i21.707841). Ter inzage: - n.v.t. Burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.

mr. drs. J.A. de Vries

P. Zondervan

11

, burgemeester.

, gemeentesecretaris.

Raadsbesluit gemeente Súdwest-Fryslân Onderwerp Bestemmingsplan Hemelumer Hoeve Naar aanleiding van het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 juni 2021; besluit de raad: a. b. c. d. e.

De reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’ vast te stellen; Het bestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’ ongewijzigd vast te stellen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan, dat ter inzage heeft gelegen waarbij het raadsvoorstel tevens onderdeel uitmaakt van dit besluit; Te bepalen dat voornoemd bestemmingsplan langs elektronische weg is vastgelegd in het GMLbestand NL.IMRO.1900.2018BPDeSoal4-vast en tevens in die vorm is vastgesteld; Te bepalen dat voor de locatie van de geometrische planobjecten gebruik is gemaakt van een ondergrond welke is ontleend aan de Grootschalige Basiskaart Nederland. Geen exploitatieplan voor het bestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’ vast te stellen.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 juli 2021

mr. drs. J.A. de Vries

G.W. Stegenga

12

, voorzitter.

, griffier.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10259372/1