Bijlage - Startdocument parapluplan SWF kleine windmolens
Tekst van het document
STARTDOCUMENT PARAPLUPLAN SWF KLEINE WINDTURBINES Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op 4 april 2019 heeft de gemeenteraad van SWF een motie aangenomen waarin het college is verzocht bij het college van Gedeputeerde Staten er op aan te dringen om meer ruimte te bieden voor de plaatsing van kleine solitaire windmolens met een masthoogte tot 15 meter in het landelijk gebied. Deze motie is mede aanleiding geweest voor de provincie om haar beleid ten aanzien van kleine windmolens aan te passen. Hiertoe hebben Provinciale Staten van Fryslân op 30 juni een partiële herziening van de verordening Romte 2014 vastgesteld. Dit beleid maakt het plaatsen van maximaal 3 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf onder voorwaarden mogelijk. Deze voorwaarden zijn: a. De windturbines mogen een maximale as-hoogte van 15 meter hebben. b. Het op te stellen vermogen is gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf. c. De turbines moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke- en de cultuurhistorische kernkwaliteiten, waarbij de mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend. d.
De plaatsing van de turbines alleen mogelijk wordt gemaakt met toepassing van een ruimtelijke procedure waarbij wettelijk vooroverleg met de provincie verplicht is. 1.2 Paraplubestemmingsplan In de geldende bestemmingsplannen in de gemeente SWF zijn geen specifieke regels voor kleinschalige windturbines opgenomen. Daarom wordt hiervoor een paraplubestemmingsplan opgesteld. Een paraplubestemmingsplan is een partiële herziening van meerdere bestemmingsplannen. Op één of meer aspecten (in dit geval de kleine windturbines) worden diverse bestemmingsplannen met een paraplubestemmingsplan aangepast of aangevuld, voor het overige blijven de desbetreffende bestemmingsplannen van kracht. 1.3 Doel van dit document Doel van deze notitie is de uitgangspunten vast te stellen die als basis dienen voor het op te stellen paraplubestemmingsplan. 1.4 Soorten windturbines In de categorie kleinschalige windturbines (windturbines met een hoogte van maximaal 15,00 m) maken verschillende merken uiteenlopende windturbines. Al die windturbines zijn echter tot twee typen te onderscheiden: 1. Turbines met een horizontale as (ook wel HAT-type genoemd); 2. Turbines met een verticale as (ook wel VAT-type genoemd). Het HAT-type komt veruit het meest in Nederland voor. Voor dit type is de optimale stand naar de wind toe, de turbine zoekt zelf deze stand op met behulp van een staart of kruimotor.
Hierdoor zijn locaties met een constante windrichting het meest geschikt voor dit type. Van dit type windturbine is hieronder een afbeelding ingevoegd.
Naast de windturbines met een horizontale as, bestaan er dus ook windturbines waarbij de as waar de wieken omheen draaien verticaal zijn georiënteerd. Doordat deze windturbines geen staart nodig hebben, ze staan immers altijd in de juiste positie gepositioneerd, hebben de zogenoemde VAT-type windturbines een kleinere omvang en zijn zij beter geschikt voor plaatsen waar de windrichting erg veranderlijk is. Van een windturbine met een verticale as is hieronder een afbeelding opgenomen.
Een windturbine waarvan de as verticaal is georiënteerd.
Hoofdstuk 2 Uitgangspunten nieuw bestemmingsplan Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. In de volgende paragrafen worden de uitgangspunten per onderdeel beschreven. 2.1 Toelichting Ligging plangebied Het plangebied behelst een groot deel van het grondgebied van de gemeente SWF. Het betreft die gebieden waarin agrarische bedrijven zijn gelegen. Dit betreft in ieder geval de plangebieden van de volgende bestemmingsplannen: - buitengebied SWF - buitengebied Bolsward - buitengebied Boarnsterhim - buitengebied Littenseradiel - buitengebied Wymbritseradiel Deze lijst wordt nog aangevuld met andere in SWF geldende bestemmingsplannen waarin agrarische bedrijven zijn gelegen. Beleidskader De uitgangspunten voor het bestemmingsplan zijn gebaseerd op vastgestelde wet- en regelgeving van het rijk, de provincie, de regio en de gemeente. Voor zover wet- en regelgeving wordt gewijzigd of nieuw wordt vastgesteld vóór het moment van vaststelling, wordt het gewijzigde of nieuwe beleid in het bestemmingsplan verwerkt. Omgevingsaspecten In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot een aantal kwaliteitseisen uit hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Met andere woorden, er moet sprake zijn van een goede omgevingssituatie.
In het bestemmingsplan zal in ieder geval aandacht worden gegeven aan de volgende omgevingsaspecten: - Geluid - Slagschaduw - Externe veiligheid, waaronder afstand tot gasinfrastructuur en afstand tot hoogspanningsinfrastructuur en de windturbine zelf - Ecologie - Landschap en cultuurhistorie
2.2 Regels In de ‘Inleidende regels’ wordt een lijst opgenomen van bestemmingsplannen waarop het paraplubestemmingsplan van toepassing is. Zie ook hiervoor onder 2.1, ligging plangebied. In de ‘Algemene regels’ wordt bepaald dat kleine windturbines niet bij recht zijn toegestaan, maar via een afwijking van het parapluplan wel te realiseren zijn. Daarvoor moet voldaan worden aan een aantal voorwaarden die worden vastgelegd in aparte beleidsregels. De beleidsregels zijn bedoeld voor kleinschalige windturbines die gebruikt worden voor de energievoorziening van de locatie van een bestaand agrarisch bedrijf. In de beleidsregels zullen in ieder geval voorwaarden worden opgenomen ten aanzien van: - De maximale ashoogte van een turbine (= 15 m). - Het maximaal aantal te plaatsen turbines per agrarisch (bouw)perceel. - Het op te stellen vermogen in relatie tot de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf. - De combinatie van opwekking energie uit zon en wind. - Landschappelijke inpassing van een turbine. - Betrokkenheid provincie. - Participatie. Bij het opstellen van de voorwaarden ten aanzien van landschappelijke inpassing wordt in ieder geval rekening gehouden met het ‘Burgerforumadvies’ over de verduurzaming van energie. In dit advies worden drie belangrijke punten genoemd, dit zijn: 1. Het centraal stellen van het landschapsbehoud. 2.
Het minimaliseren van ingrepen aan het landschap. 3. Gebieden daar waar al turbines staan niet meer belasten. Daarnaast wordt rekening gehouden met het eerder ingenomen standpunt van de raad inhoudende geen verdere energie-opwek te willen op de Kop Afsluitdijk. Wat exact onder het gebied ’Kop Afsluitdijk’ wordt verstaan moet nog worden bepaald. 2.3 Verbeelding De verbeelding van het paraplubestemmingsplan beperkt zich tot een plancontour van het plangebied. Zie ook hiervoor onder 2.1, ligging plangebied. Voor het hele plangebied blijft daarnaast de verbeelding geldig, zoals deze onderdeel uitmaakt van de overige geldende bestemmingsplannen.
Hoofdstuk 3 Overige aspecten 3.1 Grondexploitatieplan De Wet ruimtelijke ordening verplicht gemeenten om bij ontwikkelplannen een exploitatieplan op te stellen, tenzij het kostenverhaal anderzijds is verzekerd. De kosten voor het opstellen van dit plan komen voor rekening van de gemeente. Het oprichten van kleinschalige windturbines is alleen toegestaan na het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bestemmingsregels. De kosten voor de gemeente betreffen het beoordelen van deze aanvragen. Deze kosten worden door middel van leges gedekt. De economische uitvoerbaarheid ligt in de handen van initiatiefnemers. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet aan de orde. 3.2 Communicatie Communicatie speelt een grote rol in het verkrijgen van draagvlak voor nieuw beleid. Opstellen bestemmingsplan c.q. beleidsregels Uitgangspunt is bewoners en ondernemers/instanties uit te nodigen mee te denken over de voorwaarden waaraan voldaan moet worden voor het plaatsen van een kleine windturbine (cocreatie). Inspraak c.q. indienen zienswijzen Wanneer bij het opstellen van de voorwaarden voor het plaatsen van kleine windturbines in cocreatie gebeurd, is het terinzagelegging van een voorontwerpbestemmingsplan niet nodig. Een ieder heeft dan nog de volgende mogelijkheden om in te spreken c.q. beroep aan te tekenen. bestemmingsplan
-
Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Een ieder kan een zienswijze indienen. De openbare bekendmaking van de terinzagelegging van het ontwerpplan is de start van de wettelijke bestemmingsplanprocedure. - Na vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad wordt het plan opnieuw voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn kunnen door belanghebbenden beroep en een verzoek om voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingediend. Beleidsregels - Tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan worden de beleidsregels ter inzage gelegd. Op basis van de gemeentelijke inspraakverordening hebben ingezetenen van de gemeente dan de mogelijkheid om een reactie in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders. - Het college is bevoegd de beleidsregels vast te stellen. De raad wordt hierover advies gevraagd. Tegen de vaststelling van de beleidsregels kan geen beroep worden ingesteld.
3.3 Planning en vervolg Nadat deze uitgangspuntennotitie door de raad is vastgesteld, worden het bestemmingsplan en de beleidsregels opgesteld en na instemming van het college van burgemeester en wethouders in procedure gebracht. Als gevolg van reacties en/of zienswijzen kunnen aanpassingen in het plan of de beleidsregels noodzakelijk zijn.