CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage III - Ontwerpbestemmingsplan

Raadsvergadering 3 maart 2022, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Bestimmingsplan lytse wynturbines13.498 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ontwerp

CONCEPT*

paraplubestemmingsplan Súdwest-Fryslân - kleine windturbines (ontwerp)

TOELICHTING INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 Inleiding ........................................................................................................................ 2 1.1

Aanleiding................................................................................................................................ 2

1.2 Planvorm ..................................................................................................................................... 2 1.3 Ligging van het plangebied ......................................................................................................... 2 1.4 Leeswijzer .................................................................................................................................... 3 In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Fryslân en gemeente Súdwest-Fryslân. Hoofdstuk 3 gaat vervolgens in op de ruimtelijke randvoorwaarden voor het al dan niet toestaan van kleine windturbines. Hoofdstuk 4 gaat in op de juridische vormgeving van het plan. Ten slotte gaat hoofdstuk 5 kort in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. ................................................................................. 3 HOOFDSTUK 2 Beleidskader ................................................................................................................. 4 2.1 Rijksbeleid ................................................................................................................................... 4 2.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................

5 2.3 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 5 HOOFDSTUK 3 Omgevingsaspecten ................................................................................................... 10 3.1 Relatie Wet Milieubeheer .......................................................................................................... 10 3.2 Soorten windturbines ................................................................................................................. 10 3.3 Geluid ........................................................................................................................................ 11 3.4 Slagschaduw en hinder ............................................................................................................. 11 3.5 Externe veiligheid ...................................................................................................................... 12 3.6 Cultuurhistorie inclusief archeologie.......................................................................................... 14 3.7 Ecologie .....................................................................................................................................

16 HOOFDSTUK 4 Juridische vormgeving ................................................................................................ 17 4.1 Algemeen .................................................................................................................................. 17 4.2 Opzet en toelichting Planregels ................................................................................................. 17 4.3 Procedure .................................................................................................................................. 19 HOOFDSTUK 5 Uitvoerbaarheid .......................................................................................................... 21 5.1 Omgevingsaspecten .................................................................................................................. 21 5.2 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................... 21 5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................. 21 BIJLAGE 1 Reactienota vooroverleg .................................................................................................... 23

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

1

HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het mogelijk maken van kleine windturbines bij agrarische bouwpercelen in de gemeente Súdwest-Fryslân. Omdat de voorgenomen ontwikkeling op dit moment nog niet mogelijk is volgens de nu geldende bestemmingsplannen en omdat de gemeente door middel van een vergunningstelsel zicht wil houden op de bouw van kleine windturbines, wordt dit onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Ook worden een aantal voorwaarden gekoppeld aan de bouw van de windturbines. Deze voorwaarden zullen worden opgenomen in de ‘Beleidsregel toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân’. Dit bestemmingsplan voorziet dus in het planologisch mogelijk maken van kleine windturbines in de gemeente Súdwest-Fryslân. Artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vormt de wettelijke bevoegdheid om dit bestemmingsplan op te stellen.

1.2

Planvorm

Het is mogelijk om meerdere bestemmingsplannen tegelijkertijd op één of meerdere thema’s of onderdelen te wijzigen zodat ze weer zijn voorzien van een goede regeling. Dit kan in de vorm van een zogenaamd paraplubestemmingsplan. Omdat de regeling overkoepelend geldt voor een aantal bestemmingsplannen wordt het een paraplubestemmingsplan genoemd. Het voorliggende paraplubestemmingsplan is daarmee een aanvullende regeling voor het onderwerp kleine windturbines bij agrarische bouwpercelen en herziet de bestaande bestemmingsplannen op dit onderdeel. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een regeling om onder voorwaarden kleine windturbines op of aangrenzend aan een agrarisch bouwperceel toe te staan.

1.3

Ligging van het plangebied

Dit parapluplan heeft betrekking op een groot deel van het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. Artikel 3 van de regels bij dit paraplubestemmingsplan geeft aan op welke bestemmingsplannen dit paraplubestemmingsplan van toepassing is. De ligging en begrenzing van het plangebied is weergegeven op Figuur 1.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

2

Figuur 1

1.4

Ligging en begrenzing plangebied

Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Fryslân en gemeente Súdwest-Fryslân. Hoofdstuk 3 gaat vervolgens in op de ruimtelijke randvoorwaarden voor het al dan niet toestaan van kleine windturbines. Hoofdstuk 4 gaat in op de juridische vormgeving van het plan. Ten slotte gaat hoofdstuk 5 kort in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

3

HOOFDSTUK 2 Beleidskader 2.1

Rijksbeleid

2.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft richting voor keuzes, inspireert, stelt kaders en zorgt voor een integrale aanpak van strategische opgaven in de fysieke leefomgeving. Vier prioriteiten staan centraal: 1. een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 2. sterke en gezonde steden en regio’s; 3. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI stelt een integrale aanpak voor, waarbij samengewerkt wordt met andere overheden en maatschappelijke organisaties. De opgaven rond wonen, klimaat, energie, circulaire economie, verkeer en vervoer en landbouw zijn zo groot en ingewikkeld dat meer sturing vanuit het Rijk nodig is. Behoud van omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle ontwikkelingen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid plaatsvinden. De NOVI maakt hierbij gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Het rijk heeft de volgende inhoudelijke keuzes vastgelegd in de NOVI: 1. een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast; 2.

de transitie van de energievoorziening, bij de inpassing van duurzame energie is er oog voor de omgevingskwaliteit; 3. de transitie naar een circulaire economie met behoud van concurrentiekracht en een aantrekkelijk vestigingsklimaat; 4. de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland; hiermee stuurt het rijk op de verstedelijking in samenhang met bereikbaarheid. Woningbouw wordt versneld met oog voor omgevingskwaliteit; 5. concentratie van de stedelijke ontwikkeling/logistieke functies en behoud van de openheid van het landschap; 6. herindeling van het landelijk gebied in evenwicht met natuur en landschap. Werken aan de omslag naar de kringlooplandbouw. Om zakelijke partijen te stimuleren te investeren in kleine windturbineprojecten heeft het rijk de Investeringssubsidie duurzame energiebesparing (ISDE) in het leven geroepen. Voorwaarde voor deze subsidie is dat het rotoroppervlak per turbine ten minste 50m2 moet bedragen. Ook is het mogelijk voor meerdere kleine windturbines subsidie te ontvangen, zolang het gezamenlijke rotoroppervlak maar niet boven de 500m2 uitkomt. De subsidieregeling geldt in eerste instantie tot 31 december 2023. 2.1.2

Conclusie rijksbeleid

Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met het rijksbeleid.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

4

2.2

Provinciaal beleid

2.2.1 Verordening Romte Voor het onderhavige paraplubestemmingsplan is de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines), vastgesteld op 1 juli 2020, van belang. Deze wijziging voorziet in mogelijkheden om onder de volgende voorwaarden kleine windturbines te realiseren: 1. maximaal 3 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf; 2. de windturbines mogen een maximale ashoogte van 15 meter hebben; 3. het op te stellen vermogen is gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf; 4. de turbines moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, waarbij de mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend; 5. het verzoek moet aan de provincie worden voorgelegd. Met betrekking tot punt 5 is met de provincie een werkproces afgesproken voor aanvragen omgevingsvergunning. Dit werkproces kan als volgt worden samengevat: Concrete plannen voor kleine windturbines worden aangemeld voor het digitale spreekuur Romte. Tijdens dit spreekuur wordt het plan behandeld en voorzien van reactie van de provincie. 2.2.2

Conclusie provinciaal beleid

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het provinciaal beleid. Daarmee vormt dit beleid geen belemmering voor de planologische ontwikkeling van dit bestemmingsplan.

2.3 2.3.1

Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie 1.0 ‘Oars tinke yn Súdwest’

De gemeenteraad heeft op 29 april 2021 de Omgevingsvisie 1.0 ‘Oars tinke yn Súdwest’: samenwerken aan een gezonde leefomgeving’ vastgesteld. De Omgevingsvisie 1.0 voldoet aan de artikelen 4.9 en 4.10 van de Invoeringswet Omgevingswet. in de overgangswetgeving Omgevingswet, krijgt een structuurvisie op basis van de Wro automatisch de status van een Omgevingsvisie op basis van de Omgevingswet wanneer deze van kracht wordt. Deze visie is tot stand gekomen met de inwoners en ketenpartners van Súdwest-Fryslân. De Omgevingsvisie 1.0 schetst de hoofdlijnen van de ontwikkelingsrichting voor de woonwerk- en leefomgeving op de langere termijn. De Omgevingsvisie helpt om keuzes te maken bij ontwikkelingen die de fysieke leefomgeving beïnvloeden en nodigt uit tot ontwikkelingen. Met deze Omgevingsvisie kan de gemeente beoordelen of ontwikkelingen en projecten bij Súdwest-Fryslân passen. De Omgevingsvisie 1.0 bestaat uit vijf thema’s: 1. gezonde vitale mensen in een gezonde en veilige omgeving; 2. sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap; 3. veerkrachtige en leefbare wijken, dorpen en steden;

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

5

4. vitaal en aantrekkelijk landschap; 5. duurzaam, energieneutraal en klimaatadaptief. In de Omgevingsvisie 1.0 is een koppeling gelegd met de 17 duurzame ontwikkeldoelen (Sustainable Development Goals) zoals die wereldwijd worden gehanteerd. De gemeenteraad heeft in de Omgevingsvisie 1.0 de kaders op hoofdlijnen voor toekomstige ontwikkelingen vastgesteld. De maatregelen om de vastgestelde thema’s uit te kunnen werken worden beschreven in, samen met de ketenpartners, op te stellen omgevingsprogramma’s. Dit om de ambities uit de Omgevingsvisie 1.0 dichterbij te brengen. Het college van B&W stelt de omgevingsprogramma’s vast. Zoals in de themaonderdelen van de Omgevingsvisie benoemd, worden de volgende omgevingsprogramma’s opgesteld: • Gezond wonen • Omgevingskwaliteit • Vitaal landschap • Klimaatmitigatie • Klimaatadaptatie De ambitie voor het thema ‘duurzaam, energiecentraal en klimaatadaptief’ is dat Súdwest-Fryslân in 2050 CO2-neutraal, klimaatbestendig, energieneutraal en circulair wil zijn. Dat sluit aan bij de nationale klimaatdoelstellingen. Het is wenselijk om de verschillende opgaven met elkaar te verbinden met oog voor het landschap. Daarbij wordt gewerkt vanuit de eigen kracht van een gebied. Dat leidt tot een gezonde, veilige en goede kwaliteit van de leefomgeving.

Het heeft de voorkeur dat Súdwest-Fryslân initiatieven vanuit de mienskip aanmoedigt en mogelijk maakt. Maatschappelijke acceptatie en draagvlak zijn daarbij van groot belang. 2.3.2

Erfgoednota

Met het vaststellen van de 'Erfgoednota 2021-2026 Cultureel Erfgoed is geen keus' (april 2021) heeft de gemeente Súdwest-Fryslân haar visie en missie op behoud en ontwikkeling van het erfgoed vastgesteld. De gemeente zorgt samen met de mienskip dat cultureel erfgoed duurzaam behouden en ontsloten wordt en zichtbaar en beleefbaar is. Dit doet zij door erfgoed te waarderen en te beschermen, bewustwording en samenwerking te stimuleren en daardoor erfgoed te versterken en levend te houden. Het is een gemeentelijke wettelijke taak om te komen tot een zorgvuldige planbehandeling en besluitvorming voor wat betreft cultuurhistorie. Als gevolg van het beleid Modernisering Monumentenzorg is per 1 januari 2012 in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.6.1) bepaald dat gemeenten verplicht zijn cultuurhistorie mee te wegen bij het opstellen van het bestemmingsplan. Niet alleen de cultuurhistorische waarden in de grond (archeologie) maar ook boven de grond moeten meegenomen worden. Zo stelt de gemeente bij bestemmingsplannen cultuurhistorische analyses op en gaat de gemeente bij de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in bestemmingsplannen formeel uit van de gemeentelijke FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra), een uitsnede van de provinciale FAMKE. Voor de bekende en de te verwachten cultuurhistorische waarden gaat de gemeente uit van de Cultuur

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

6

Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK) en de Landschapsbiografie Súdwesthoeke. Deze kaarten zijn daarmee onderlegger voor het in de Erfgoednota geformuleerde beleid. Niet alle op deze kaarten aangegeven waarden kunnen echter behouden blijven, hier komt een gemeentelijke afweging aan te pas. In de toelichting van het bestemmingsplan moet beschreven worden hoe het bestemmingsplan met deze waarden omgaat. Een nadere toelichting hierop staat in paragraaf 3.6. 2.3.3

Klimaatagenda SWF 2021

In 2015 hebben alle landen van de wereld ingestemd met een Duurzame Wereldagenda tot 2013. Hieruit volgen 17 Sustainable Development Goals (SDG’s). Voor klimaat is doel 13 beschreven: neem dringend maatregelen om de klimaatveranderingen en de gevolgen ervan te bestrijden. Met de Europese Green Deal (2019) geeft de Europese Commissie aan hoe Europa in 2050 als eerste continent voor 2050 klimaatneutraal wordt. Nederland heeft dit vertaald in een Nationaal Klimaatakkoord (2019). De klimaatagenda van de gemeente Súdwest-Fryslân sluit naadloos aan op de doelen van het landelijk Klimaatakkoord. Dankzij deze koppeling wordt duidelijk wat voor onze gemeente de opgave is ten aanzien van klimaat en duurzame ontwikkeling. De klimaatagenda voor de gemeente Súdwest-Fryslân, vastgesteld door de gemeenteraad op 8 maart 2021, bestaat uit 2 delen: klimaatmitigatie en klimaatadaptatie. In de Omgevingsvisie 1.0 is de klimaatagenda opgenomen binnen het thema ‘Duurzaam, energieneutraal en klimaatadaptief’ en worden verder uitgewerkt in de omgevingsprogramma’s Klimaatmitigatie en Klimaatadaptie. 2.3.4

Ruimte voor de Zon

Op 10 november 2016 heeft de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân de notitie ‘Ruimte voor de Zon’ vastgesteld. Uitgangspunt bij realisatie van een zonneweide is dat de kwaliteit van het landschap behouden blijft en dat de bewoners niet alleen de lasten maar ook de lusten ervaren. In deze notitie wordt voorgesteld zonneweides te creëren tegen kernen met meer dan 500 inwoners, met draagvlak, met participatie en financieel haalbaar. De notitie biedt mogelijkheden om zonnepanelen te plaatsen bij boerenbedrijven mits de opbrengst ervan voorziet in de eigen behoefte. 2.3.5

Visie ruimtelijke kwaliteit

De in het kader van het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân opgestelde ‘Landschapsontwikkelingsvisie’ (2009) heeft als basis gediend voor de “Visie Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Súdwest-Fryslân” die op 23 juni 2013 is vastgesteld. De visie hanteert als uitgangspunt dat het landschap het product is van de ontwikkelingen in de landbouw, de natuur, de economie en de samenleving door de eeuwen heen; en dat dit ook in de toekomst zo zal zijn. Die veranderingen kunnen in beginsel bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit, mits ze goed op elkaar worden afgestemd. Met het gekozen abstractieniveau vormt de visie een basis voor andere sectorale beleidsvisies en andere ruimtelijke plannen, zoals gebiedsvisies, bestemmingsplannen, maar ook bijvoorbeeld de welstandsnota of beheer- en onderhoudsplannen. De visie dient als één van de toetsingskaders bij concrete initiatieven.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

7

Hoofduitgangspunt is dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen leidend zijn. Daarnaast worden ontwikkelingen gestuurd met specifieke aandacht voor de volgende uitgangspunten: −

Versterken van de grootse openheid van het klei- en veengebied en de meren.

−

Aandacht voor detail binnen het grootschalig landschap.

−

Versterken van het contrast tussen binnendijks en buitendijks gebied.

−

Behoud van authenticiteit en eenvoud.

−

Ruimte voor dynamiek, experiment en contrast.

2.3.6

Burgerforumadvies

Nederland wil in 2030 de helft van de benodigde energie duurzaam opwekken. Elke gemeente moet hieraan een bijdrage leveren en dit vastleggen in een Regionale Energie Strategie (RES). De gemeente Súdwest-Fryslân (SWF) heeft haar inwoners hierbij betrokken en gevraagd wat voor hen belangrijk is bij de verduurzaming van energie in SWF. Hiertoe organiseerde de gemeente samen met het Nederlands Platform Burgerparticipatie in Overheidsbeleid (NPBO) een burgerparticipatietraject. Als onderdeel daarvan is een internetraadpleging opgezet en een burgerforum georganiseerd. Het resultaat van de raadpleging is dat geadviseerd wordt om vijf leidende principes te hanteren bij het ontwikkelen van plannen, om op terug te kunnen vallen in lastige besluitvormingsprocessen: 1. “wij willen ons geluk behouden”; 2. versterk de zelfbeschikking van Mienskips; 3. help ons om het samen te doen; van zelfbeschikking naar ‘samenbeschikking’; 4. heb oog voor rechtvaardigheid en een eerlijke verdeling; 5. wees toekomstgericht. Ad 1 Dat bewoners een grote mate van zelfbeschikking hebben over hun eigen leefomgeving. Dat betekent dat bewoners beslissingsbevoegdheid hebben over aanpassingen aan hun woningen t.a.v. gebruik en opwekking van duurzame energie. Ad 2 Om te werken aan acceptatie van de plannen voor duurzame energie-opwekking, informeer bewoners goed zodat zij de achtergronden van plannen begrijpen.

Ad 3 Van zelfbeschikking naar samenbeschikking. Dit houdt in dat de gemeente ons ontzorgt door de regie te voeren en een duidelijk beleid af te geven. Om vervolgens ruimte te krijgen om binnen die visie zelf te doen, zelf verantwoordelijkheid kunnen dragen. Ad 4 Eerlijke verdeling van lusten en lasten. Ad 5 Landschapsbehoud centraal te stellen en ingrepen aan het landschap te minimaliseren.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

8

Te focussen op energiebesparing en een open blik te houden voor innovaties in duurzame energieopwekking. 2.3.7

Conclusie gemeentelijk beleid

De gemeente Súdwest-Fryslân wil met dit bestemmingsplan een kleine bijdrage leveren aan de ambitie om in 2030 de helft van de benodigde energie duurzaam op te wekken door planologisch gezien ruimte te bieden voor kleine windturbines bij de agrarische ondernemers in het buitengebied. Agrarische bedrijven kunnen door die windturbines verduurzamen zonder dat dit ten koste gaat van het landschap. In zoverre is dit bestemmingsplan overeenkomstig het geldende beleid.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

9

HOOFDSTUK 3 Omgevingsaspecten Dit hoofdstuk gaat in op de milieuaspecten die relevant zijn bij de voorgenomen ontwikkeling (het via een vergunningstelsel mogelijk maken om kleine windturbines in de gemeente Súdwest-Fryslân te plaatsen). Deze aspecten worden meegenomen in de overwegingen bij de te maken keuzes voor locaties voor kleine windturbines.

3.1

Relatie Wet Milieubeheer

Kleine windturbines met een rotordiameter groter dan 2.00 m vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 3.13 en verder). Dit kan worden afgeleid uit het Besluit omgevingsrecht, Bijlage 1 onder 20.2. Deze windturbines worden als een zelfstandige inrichting gezien en moeten daarom voldoen aan de bepalingen ten aanzien van geluid, veiligheid en visuele hinder zoals die in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn opgenomen. Voor deze kleine windturbines vormt het Activiteitenbesluit milieubeheer het toetsende kader ten aanzien van milieuaspecten. De paragrafen van dit hoofdstuk gaan per thema in op de normeringen van uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voor geluid, externe veiligheid, ecologie en visuele hinder. Daarnaast wordt aanvullend nog ingegaan op de cultuurhistorie inclusief archeologie en zal de eerste paragraaf eerst bespreken wat voor typen windturbines mogelijk zijn.

3.2

Soorten windturbines

In de categorie kleine windturbines (windturbines met een ashoogte van maximaal 15,00 m) die op het erf kunnen worden geplaatst, maken verschillende merken uiteenlopende windturbines. Al die windturbines zijn echter tot twee typen te onderscheiden: 1. turbines met een horizontale as (ook wel HAT-type genoemd); 2. turbines met een verticale as (ook wel VAT-type genoemd); Voor een HAT-type is de optimale stand naar de wind toe, de turbine zoekt zelf deze stand op met behulp van een staart of kruimotor. Hierdoor zijn locaties met een constante windrichting het meest geschikt voor dit type. Dit type windturbine is aangegeven in figuur 2. De omvang van dit type windturbine is groter dan die van een windturbine met een verticale as.

Figuur 2: turbine type HAT

Figuur 3: turbine type VAT

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

10

Naast de windturbines met een horizontale as, bestaan er dus ook windturbines waarbij de as waar de wieken omheen draaien verticaal zijn georiënteerd. Doordat deze windturbines geen staart nodig hebben, ze staan immers altijd in de juiste positie gepositioneerd, hebben dit type windturbines een kleinere omvang en zijn zij beter geschikt voor plaatsen waar de windrichting erg veranderlijk is. Een windturbine met een verticale as is aangegeven op figuur 3. De windturbines zijn wat betreft werking en uitstraling wezenlijk anders. Het risico op hinder of een negatieve impact op de ruimtelijke kwaliteit van VAT types is veel groter dan bij erfturbines van het HAT type. Uitgangspunt bij plaatsing is een rustig beeld in het landschap. Daarom maakt dit bestemmingsplan alleen de plaatsing van windturbines type HAT mogelijk.

3.3

Geluid

Een kleine windturbine produceert geluid. Hoeveel geluid precies is afhankelijk van het type en de windsnelheid. Voor de geluidsnormen wordt, om de hinder voor omwonenden zo veel als mogelijk te beperken, aansluiting gezocht bij de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit. Voor windturbines gelden specifieke geluidnormen: een norm van ten hoogste 47 dB Lden als dagwaarde en een norm van ten hoogste 41 dBL voor de nacht op de geval van gevoelige gebouwen en op de grens van het terrein van gevoelige terreinen. Er is op voorhand geen reden om hier in het algemeen een nog strengere normering voor te hanteren. In bijzondere omstandigheden, zoals cumulatie van verschillende geluidsbronnen of andere windturbines, kunnen op grond van artikel 3.14a, tweede en derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer maatwerkvoorschriften worden gesteld. Omdat het bestemmingsplan slechts een beperkt aantal kleine windturbines toestaat (namelijk niet meer dan nodig voor de eigen energievoorziening) per bouwvlak of bouwperceel bij agrarische bedrijven, zijn deze omstandigheden vooralsnog niet te verwachten. Daarom zijn er bij dit bestemmingsplan ook geen algemene op het Activiteitenbesluit milieubeheer aanvullende richtlijnen voor cumulatieve toetsing (ten behoeve van meldingstoetsing) nodig geacht.

Dat betekent dat het milieuaspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Aanvullend op de bepalingen in het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat de Beleidsregel ‘toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân’ als regel dat de afstand tussen de turbine en de meest nabijgelegen geluidsgevoelige bestemming minimaal viermaal de ashoogte van de turbine bedraagt. Dus indien een kleine windturbine een hoogte krijgt van vijftien meter (hetgeen de maximum hoogte is voor een kleine windturbine) dan moet deze kleine windturbine op minimaal zestig meter van de meest nabijgelegen geluidsgevoelige bestemming staan.

3.4

Slagschaduw en hinder

Door een goede positionering van kleine windturbines, waarbij men rekening houdt met zonlicht en schaduwwerking kan men het effect van slagschaduw en lichtreflectie beperken. Het Activiteitenbesluit heeft regels over lichtschittering en slagschaduw. Voor bepaalde situaties is het nodig dat een windturbine is voorzien van een automatische stilstandvoorziening, die de windturbine afschakelt als er slagschaduw optreedt bij gevoelige opbjecten. Dit is nodig als:

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

11

• • •

de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en; gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden en; al er in de door de slagschaduw getroffen gevels van gevoelige objecten ramen aanwezig zijn.

De afstand wordt bepaald van een punt op ashoogte van de windturbine tot de gevel van het gevoelige object. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het in werking hebben van een kleine windturbine aanvullende maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw en lichtschittering. Bij kleine windturbines treedt geen slagschaduw op Als de zon de rotor van een grote windturbine belicht, leidt dit tot een bewegende schaduw. Doordat de wieken van een grote windturbine heel lang zijn (30 tot 50 meter) ervaren mensen deze schaduw soms als hinderlijk. De lange wieken maken namelijk een lange schaduw en bewegen bovendien relatief langzaam bewegen (20 omwentelingen per minuut. Miniturbines kunnen geen slagschaduw maken. Enerzijds heeft dat te maken met een korte en smalle wiek (maximale wieklengte is 2,5 meter) en anderzijds door een hoog aantal (150 tot 400) omwentelingen per minuut. De wieken van een miniturbine zijn te klein en draaien te snel om een hinderlijke schaduw te kunnen veroorzaken. De wat “grotere” kleinschalige turbines (wieklengte 4,5 tot 8 meter) veroorzaken mogelijk wel slagschaduw In het Activiteitenbesluit en de activiteitenregeling staan daarom normen voor slagschaduw. Hier moet de turbine aan voldoen. Als er inderdaad slagschaduw optreedt dan is het verplicht om een automatische stilstand voorziening aan te brengen.

Aanvullend op de bepalingen in het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat de beleidsregel ‘Toetsingskader kleine windturbines' als regel dat de afstand tussen de turbine en de meest nabijgelegen gevoelige bestemming minimaal viermaal de ashoogte van de turbine bedraagt. Gevoelige bestemmingen zijn bestemmingen waar permanent verblijf is toegestaan, zoals een woning (eigen bedrijfswoningen uitgezonderd). Dus indien een kleine windturbine een hoogte krijgt van 15,00 m (hetgeen de maximum hoogte is voor een kleine windturbines) dan moet deze kleine windturbine op minimaal 60,00 m van de meest nabijgelegen gevoelige bestemming staan. Door middel van de regelgeving van het Activiteitenbesluit milieubeheer en (aanvullende) regels in de beleidsregel ‘Toetsingskader kleine windturbines SúdwestFryslân' voorkomt de gemeente Súdwest-Fryslân zoveel als mogelijk hinder. Omdat in de regels van het bestemmingsplan wordt verwezen naar deze beleidsregel, en deze regel eisen bevat die voldoen aan de geldende wet- en regelgeving, vormt het aspect hinder geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen en is het op dit onderdeel uitvoerbaar.

3.5

Externe veiligheid

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

12

De risico’s van windturbines worden de laatste tijd steeds meer aan het begrip ‘ externe veiligheid’ en omgevingsveiligheid gelinkt. Reden hiervoor is dat de aanwezigheid van windturbines in de nabijheid van risicobronnen, zoals hogedruk buisleidingen en hoogspanningsverbindingen. Dit geldt voor alle soorten windturbines. Op grootschalige windturbines is het ‘Handboek Risicozonering Windturbines’ van toepassing. Voor kleine windturbines, zoals bedoeld in dit bestemmingsplan, geldt het volgende beleid. Het is niet op voorhand mogelijk om gebieden te toetsen aan de mogelijkheid om de bouw van een kleine windturbine al dan niet toe te staan. Dit wordt daarom niet nu maar ten tijde van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een windturbine gedaan. Om die reden stelt de beleidsregel ‘Toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân’ behorend bij dit paraplubestemmingsplan eisen aan de kleine windturbines ten aanzien van de afstand tot risicobronnen en risicovolle inrichtingen. De Gasunie en TenneT hebben inmiddels beleid vastgesteld met betrekking tot de plaatsing van kleine windturbines. Dit beleid wordt hieronder kort samengevat weergegeven. Afstand tot gasinfrastructuur De aanwezigheid van een windturbine kan invloed uitoefenen op de gasinfrastructuur.

De Gasunie hanteert daarom de volgende formule: High impact zone= cirkel met een straal die bestaat uit de ashoogte van de turbine ± 1/3 van de wieklengte. In de praktijk gaat het dan meestal over minimaal 25 meter afstand. De cirkel wordt gemeten vanuit het hart van de mast van de turbine. Als zich binnen deze afstand een hogedruk gasleiding bevindt dan zal dit de faalkans van de leiding vergroten, gevaar opleveren voor de omgeving en de energieleverantie in gevaar kunnen brengen. Indien een kleine windturbine buiten de cirkel wordt gerealiseerd, heeft de plaatsing van de windturbine geen negatief effect op de veilige ligging en de goede werking van de gasinfrastructuur. Hoogspanningsleidingen Figuur 4 geeft aan waar in de gemeente Súdwest-Fryslân hoogspanningsverbindingen zijn. Het gaat om een hoogspanningsverbinding tussen trafostation 'Bolsward' en trafostation 'Herbayum’ (gemeente Waadhoeke) en een hoogspanningsverbinding tussen trafostation 'Bolsward' en ‘Sneek’, van ‘Sneek’ naar ‘Raerd’ en van ‘Raerd’ naar ‘Oudehaske’ (gemeente Heerenveen) en van Bolsward naar Oudehaske. De eigenaar van de hoogspanningsleidingen, TenneT, bepaalt de afstand die moet worden aangehouden tussen eigendommen van TenneT en kleine windturbines op basis van door haar vastgesteld beleid.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

13

Figuur 4

Uitsnede netkaart Friesland 2021 (zwart 110 kV, groen: 220 kV)

De eigenaar van de hoogspanningsleidingen, TenneT, bepaalt de afstand die moet worden aangehouden tussen eigendommen van TenneT en windturbines op basis van het ‘Handboek risicozonering Windturbines’. Omdat geen eis voor certificering is opgenomen en omdat de veiligheidsmaatregelen bij kleine windturbines afwijken van de grote exemplaren bestaat vanuit TenneT het verzoek om rekening te houden met de maximale werpafstand bij tweemaal nominaal toerental, tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand. De gemeente Súdwest-Fryslân houdt rekening met deze voorwaarden door in de beleidsregel ‘toetsingskader kleine windturbines SúdwestFryslân' te stellen dat de kleine windturbines op zijn minst op de maximale werpafstand moeten worden geplaatst van hoogspanningsleidingen bij twee keer het maximale toerental van de kleine windturbine. Anders gezegd: de voorgeschreven afstand tussen een kleine windturbine en een hoogspanningsleiding, is de afstand die een rotorblad kan afleggen bij het losschieten van de wieken (turbinebladen) van de kleine windturbine als deze een keer zo snel draait dan maximaal mogelijk (nominaal toerental). Omdat de beleidsregel het toetsingskader is voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een windturbine, zoals door dit bestemmingsplan geboden, voldoet dit bestemmingsplan aan de gestelde eisen.

Conclusie Tijdens de toetsing van een aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van een kleine windturbine moet bekeken worden of er redenen zijn om op grond van externe veiligheid, bijvoorbeeld de aanwezigheid van een hogedruk gasleiding of een hoogspanningsverbinding, de omgevingsvergunning niet te verlenen of te verlenen onder voorwaarden. Op basis van het bovenstaande is de conclusie dat het milieuaspect externe veiligheid op voorhand geen belemmering opwerpt. Zodoende kan het planologische voornemen als uitvoerbaar worden geacht.

3.6

Cultuurhistorie inclusief archeologie

Tot cultuurhistorie worden gebouwde monumenten inclusief beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologie en cultuurlandschap gerekend. Voor het plangebied van dit paraplubestemmingsplan geldt dat er, verspreid over de hele gemeente, sprake is van cultuurhistorische waarden. Deze zijn voldoende beschermd middels bestaande cultuurhistorische dubbelbestemmingen en aanduidingen zoals beschermd gezicht, karakteristiek en rijksmonument.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

14

Om de impact op het landschap te beperken moet de turbine een ruimtelijke eenheid vormen met de overige bebouwing en beplanting op het perceel. Voor een initiatief dient een landschappelijk inpassingsplan opgesteld te worden. Dit gebeurt in overleg met: initiatiefnemer, de gemeentelijke stedenbouwkundige, de welstandsen monumentencommissie Hus en Hiem en de provincie. Maatwerk is belangrijk, want elke locatie, elk project is anders. Voor plaatsen bij monumenten of karakteristieke panden is in principe altijd een positief advies van een onafhankelijk deskundige op het gebied van landschap en stedenbouw een vereiste bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een kleinschalige windturbine. Een Rijks- of gemeentelijk monument en/of karakteristiek pand is beeldbepalend in zijn omgeving en heeft een bijzonder karakter, hetzelfde geldt voor plaatsing in een beschermd gezicht. Dit beeld moet niet verstoord worden door het plaatsen van een kleinschalige windturbine, hierdoor is een zwaardere motivering noodzakelijk. Voor andere locaties kan worden volstaan met een reguliere welstandstoets. Doordat de windturbines a. enkel bij agrarische bedrijven geplaatst mogen worden, b. een beperkte hoogte (15 m) mogen hebben, waardoor ze niet veel hoger zijn dan de maximale nokhoogte (14 m) van de gebouwen, c. landschappelijk ingepast moeten worden, en d.

in het bouwvlak of de nabijheid van de bebouwing moet worden geplaatst, hebben ze relatief weinig impact op een beschermd gezicht qua ruimtelijk effect. De maat en schaal zal dan ook nooit het agrarisch ensemble kunnen gaan domineren op basis van deze uitgangspunten. Hiermee blijven ook thans (niet-agrarisch bebouwde) cultuurhistorische elementen als de Pingjumer Gulden Halsband en onbebouwde terpen automatisch gevrijwaard van kleine windturbines. In het plangebied is sprake van verschillende archeologische archeologische (verwachtings)waarden, die doorgaans zijn beschermd middels een dubbelbestemming. Op basis van deze bestaande regels wordt bepaald of er een archeologisch onderzoek nodig is of eventueel dat plaatsing op de betreffende plek ongewenst is. De bodemverstoring echter door het realiseren van een kleine windturbine is echter zo minimaal dat ze doorgaans binnen de gestelde vrijstellingsgrensvallen qua te verstoren oppervlakte. Vanwege de beperkte 'footprint' van kleinschalige windturbines zal er naar verwachting in veel gevallen vanuit archeologie geen beperking zijn. Conclusie De cultuurhistorische waarden zijn voldoende geborgd middels de bestaande regelingen van dubbelbestemmingen en aanduidingen in combinatie met de maatwerkaanpak.

Qua archeologische waarden zal de plaatsing van kleine windturbines doorgaans qua bodemverstoring binnen de gestelde vrijstellingsgrenzen blijven. Aanvullende regelingen in dit paraplu bestemmingsplan afgezien van een goed inpassingsplan (maatwerk) zijn derhalve niet noodzakelijk. Dit bestemmingsplan kan derhalve op het aspect cultuurhistorie als uitvoerbaar worden geacht. In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van toevalvondsten van kracht (artikel 5.10, lid 1 Erfgoedwet). Concreet houdt dit in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

15

3.7

Ecologie

In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden moet men beoordelen in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. De wettelijke grondslag hiervan ligt per 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming (Wnb) en in het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. De Wnb regelt onder andere de soortenbescherming van planten en dieren, dit betreft de in het wild voorkomende vogels onder de vogelrichtlijn, de dier- en plantensoorten onder de habitatrichtlijn. Dier- en plantensoorten die in de bijlage van de wet genoemd worden vallen ook onder de beschermde soorten, op deze lijst mogen provincies een ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (artikel 3.11 Wnb). In de Wnb is eveneens de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000gebied.

Omdat het op voorhand niet mogelijk is om voor het plangebied in kaart te brengen wat de eventuele gevolgen zullen zijn voor ecologie, wordt dit niet nu maar ten tijde van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een kleine windturbine gedaan. De beleidsregel ‘Toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân' bevat de eis dat de gemeente Súdwest-Fryslân een aanvraag voor een omgevingsvergunning onder andere toetst aan de regels van de Wet natuurbescherming. De gemeente Súdwest-Fryslân zal dus bij elke aanvraag afwegen of de bouw van een windturbine ter plaatse leidt tot onevenredige gevolgen voor de beschermde natuurwaarden in dat gebied. Het is dus nodig om een ecologische quickscan uit te voeren als onderdeel van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Zo bezien, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen en kan het op dit onderdeel als uitvoerbaar worden geacht.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

16

HOOFDSTUK 4 Juridische vormgeving 4.1

Algemeen

Dit hoofdstuk licht de juridische systematiek van het bestemmingsplan toe. De planologische regeling voor kleine windturbines is juridisch vormgegeven als een paraplubestemmingsplan. Dat wil zeggen dat de regels niet rechtstreeks zijn verwerkt in de onderliggende bestemmingsplannen, maar dat het plan slechts een deel van deze onderliggende plannen herziet. Het paraplubestemmingsplan herziet zowel bestaande digitale als bestaande niet digitale bestemmingsplannen. De eerste categorie bestaat uit plannen die zijn opgesteld conform IMRO 2008 of IMRO 2012 standaaarden en digitaal ter inzage zijn gelegd als ontwerp. De tweede categorie bestaat uit de plannen die als ontwerp ter inzage zijn gelegd voor 1 januari 2010. Conform artikel 8.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de eisen op het gebied van elektronische beschikbaarstelling en vaststelling niet van toepassing op deze tweede categorie. De gemeente heeft er echter voor gekozen één paraplubestemmingsplan te maken, dat voor alle genoemde bestemmingsplannen geldt. Omdat bij de tweede categorie plannen het analoge plan leidend is, wordt het plan ook fysiek bij de gemeentelijke balie ter inzage gelegd. Het paraplubestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart), planregels en deze plantoelichting. De verbeelding en planregels vormen samen het juridische deel van het bestemmingsplan.

Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden en bebouwing. Het bestemmingsplan is opgesteld in aansluiting op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.

4.2

Opzet en toelichting Planregels

In deze paragraaf wordt de algemeen gehanteerde indeling van de bestemmingsregels aan de orde gesteld. Deze ziet er als volgt uit: • • •

Inleidende regels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Dit hoofdstuk bestaat uit de inhoudelijke begripsbepalingen die van belang zijn voor de toepassing van het paraplubestemmingsplan. Deze regeling heeft zijn eigen begrippen. Deze begrippen worden daarom toegevoegd of vervangen de bestaande begrippen uit de geldende bestemmingsplannen. Het begrip kleine windturbine is toegevoegd om aan te even wat hieronder wordt verstaan. Het begrip sluit aan op het begrip uit de Verordening Romte 2014.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

17

Artikel 2 Wijze van meten Teneinde interpretatieverschillen over het bepalen van de hoogte van een windturbine te voorkomen, wordt gemeten vanaf de ashoogte. Bij de wijze van meten is aangegeven wat hieronder wordt verstaan. Artikel 3 Van toepassing verklaring Dit artikel geeft aan op welke gebieden het paraplubestemmingsplan betrekking heeft. De regels in dit bestemmingsplan zijn van toepassing op de in bijlage 1 opgenomen bestemmingsplannen. In deze bestemmingsplannen wordt met de nieuwe regeling binnen de bestemmingen “Agrarisch’, ‘Agrarisch – Glastuinbouw’, ‘Agrarisch – Agrarisch Bedrijf’, ‘Agrarisch – Cultuurgrond’, ‘Agrarische doeleinden’, Agrarische gebied’ en ‘Agrarisch – Stadsboerderij’ het plaatsen van kleine windturbines via een afwijkingsbevoegdheid mogelijk gemaakt. De overige regels binnen de vigerende bestemmingsplannen blijven onverkort van toepassing. Hoofdstuk 2 Algemene regels In dit hoofdstuk is de afwijkingsbevoegdheid opgenomen (artikel 6) om met een omgevingsvergunning kleine windturbines te bouwen binnen of net buiten een agrarisch bouwperceel. De voorwaarden, voorzien van een toelichting, die aan het verlenen van de omgevingsvergunning voor een windturbine worden gesteld zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân’.

Mocht die beleidsregel worden vervangen door een nieuwe beleidsregel met eenzelfde onderwerp, dan geldt de nieuwe beleidsregel. De beleidsregel bevat een toetsingskader waaraan de gemeente Súdwest-Fryslân een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een kleine windturbine toetst. Door het toetsingskader te scheiden van het bestemmingsplan ontstaat een flexibel systeem om af te wegen of een kleine windturbine mogelijk is. Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotregels De overige artikelen in dit paraplubestemmingsplan zijn opgenomen omdat dat op basis van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht is.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

18

4.3

Procedure

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staan de regels voor de bestemmingsplanprocedure. De procedure bestaat uit de volgende onderdelen: Voorbereiding - De gemeente bekijkt de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in het gebied waarvoor het bestemmingsplan geldt. - Er wordt een nieuw voorontwerpbestemmingsplan gemaakt. - Het voorontwerp wordt toegestuurd aan diverse besturen en diensten, zoals het Rijk, de Provincie en het Waterschap. Zij kunnen hun reactie geven op het bestemmingsplan. - Het bestemmingsplan wordt eventueel ook voor inspraak ter inzage gelegd. Iedereen kan dan binnen zes weken een reactie geven. - Burgemeester en wethouders (B&W)geven een reactie op de overleg- en inspraakreacties. Ontwerp - B&W verwerken de overleg- en inspraakreacties in een ontwerpbestemmingsplan. - Het ontwerpbestemmingsplan wordt zes weken ter inzage gelegd. Iedereen kan dan een zienswijze indienen. - B&W geven een reactie op de ingediende zienswijzen in een zienswijzennota. Vaststelling De gemeenteraad stelt de zienswijzennota en het ontwerpbestemmingsplan, met of zonder wijzigingen, vast. Dit moet binnen een periode van ten hoogste 12 weken na de termijn van inzage van het ontwerp gebeuren.

Beroep - Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan zes weken ter inzage. - Als de Provincie of het Rijk een zienswijze heeft ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen, of als de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, moet de bekendmaking en terinzagelegging binnen zes weken na vaststelling gebeuren. - Uiterlijk zes weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS). - Wanneer het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en gehoor is gegeven aan zienswijzen van de Provincie en/of het Rijk, wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad bekendgemaakt en het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Dit moet binnen twee weken gebeuren. Terinzagelegging Bij de onderdelen Ontwerp en Beroep moet het plan ter inzage worden gelegd. Voor een voorontwerpbestemmingsplan is dit niet verplicht en kan het dus voorkomen dat deze niet ter inzage wordt gelegd. Voor de bekendmaking van een plan plaatsen B&W een publicatie. Dit gebeurt in het Gemeenteblad en/of de Staatscourant. Hierin staat onder andere vermeld óf en binnen

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

19

welke periode er gereageerd kan worden en waar deze reactie naartoe gestuurd moet worden. De publicaties staan op de website www.officielebekendmakingen.nl. Op de gemeentelijke website www.gemeentesudwestfryslan.nl. staat ook een link naar deze website.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

20

HOOFDSTUK 5 Uitvoerbaarheid 5.1

Omgevingsaspecten

Dit bestemmingsplan bestaat uit enkele aanvullingen en aanpassingen van de bestaande regels die in het kader van het bestemmingsplan vooraf geen toetsing aan de diverse omgevingsaspecten zoals water, milieu en natuur vragen. Bij het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning zal worden beoordeeld in hoeverre deze aspecten van invloed zijn. De Keur van het Wetterskip Fryslân en de Wet natuurbescherming zijn onverkort van kracht.

5.2 5.2.1

Economische uitvoerbaarheid Algemeen

Dit plan heeft uitsluitend als doel om het beleidskader voor kleine windturbines te vertalen naar de bestemmingsplannen waarop dit paraplubestemmingsplan van toepassing is verklaard. De kosten voor dit bestemmingsplan komen voor rekening van de gemeente. Het oprichten van kleine windturbines is alleen toegestaan na het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bestemmingsregels. De kosten voor de gemeente betreffen het beoordelen van deze aanvragen. Deze kosten worden door middel van leges gedekt. De economische uitvoerbaarheid ligt in handen van initiatiefnemers. Dit bestemmingsplan bevat geen aangewezen bouwplan. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet aan de orde. 5.2.2

Planschade

Artikel 6.1 van de Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders een belanghebbende die als gevolg van een bepaling van een bestemmingsplan (of een ander ruimtelijk besluit) schade lijdt, in de vorm van inkomensderving of waardevermindering van een onroerende zaak, op zijn verzoek een tegemoetkoming in de schade toekennen. Daarbij geldt dat de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en dat een tegemoetkoming op een andere wijze niet is verzekerd. Bij het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid (zoals aangegeven in 5.1.1) wordt een planschadeovereenkomst gesloten met de betreffende aanvrager. Hiermee komen eventuele planschadekosten voor rekening van de aanvrager. Dit geldt voor alle afwijkingen van het bestemmingsplan en dus ook voor kleine windturbines.

5.3 5.3.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de wettelijke overlegpartners. Er zijn inhoudelijke reacties ontvangen. In de Reactienota zijn deze reacties voorzien van een gemeentelijk antwoord. De reactienota is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting.

5.3.2

Zienswijzen

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

21

Het ontwerpbestemmingsplan zal zes weken ter visie worden gelegd. Binnen deze termijn kan een ieder een zienswijze kenbaar maken.

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

22

BIJLAGE 1 Reactienota vooroverleg

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

23

Súdwest-Fryslân – kleine windturbines Ontwerpbp

24

REACTIENOTA WETTELIJK OVERLEG PARAPLUBESTEMMINGSPLAN SUDWESTFRYSLAN – KLEINE WINDTURBINES

vastgesteld door B&W d.d.: @@@@@@@@ naam bestemmingsplan: Súdwest-Fryslân – kleine windturbines planidentificatienummer: NL.IMRO.1900.2020PPklturbinesSWF-vont

INHOUDSOPGAVE

blz

1.

INLEIDING

3

1.1 1.2 1.3

Doel bestemmingsplan Procedure Inhoud nota

3 3 3

2.

REACTIES EX ARTIKEL 3.1.1 BRO

4

3.

INSPRAAKREACTIES

5

3.1 3.2

Schriftelijke inspraakreactie Inspraakreacties inloopavond

5 6

Pagina 2 van 5

1.

INLEIDING

1.1 Doel bestemmingsplan Het paraplubestemmingsplan ‘Súdwest Fryslân – kleine windturbines’ maakt het plaatsen van windturbines met een maximale ashoogte van 15 meter mogelijk bij agrarische bedrijven in de gemeente Súdwest-Fryslân. Aan de bouw van de windturbines worden een aantal voorwaarden gekoppeld. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân’. 1.2 Procedure In het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan verzonden naar verschillende (overheids)instanties. 1.3 Inhoud nota Brandweer Fryslân en de provinsje Fryslân hebben een inhoudelijkereactie In het kader van het overleg ex. art. 3.1.1. Bro heeft Wetterskip Fryslân een inhoudelijke reactie gegeven. In deze nota worden deze reacties samengevat weergegeven en voorzien van een gemeentelijk antwoord.

Pagina 3 van 5

2.

REACTIES EX ARTIKEL 3.1.1 BRO

Artikel 3.1.1. Bro schrijft voor dat in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet worden gepleegd met diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan ‘Workum – scholen Weverswei’ toegezonden aan de de Gasunie, KPN, Ministerie I&M/energie, Ministerie van Defensie, Provincie Fryslân, Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Rijkswaterstaat Midden-Nederland, Rijkswaterstaat Noord-Nederland, Liander, Vitens Fryslân en Wetterskip Fryslân. Er zijn twee inhoudelijke reacties ontvangen, van Brandweer Fryslân en de provinsje Fryslân. De overige instanties hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben en/of te kunnen instemmen met het voorontwerp-bestemmingsplan óf hebben helemaal niet gereageerd. De reacties van Brandweer Fryslân en de provinsje Fryslân zijn hieronder samengevat weergegeven en beantwoord.

2.1 Reactie Brandweer Fryslân Opmerking Geadviseerd wordt de gestelde eisen in het Activiteitenbesluit en Besluit externe veiligheid inrichtingen/buisleidingen te gebruiken bij het opstellen van een omgevingsvergunning. Beantwoording In hoofdstuk 2.5 van de beleidsregel ‘Toetsingskader kleine windturbines SúdwestFryslân’ is de bepaling opgenomen dat kleine windturbine altijd moeten voldoen aan alle relevante wet- en regelgeving. Dat betekent ook dat een aanvraag omgevingsvergunning voor een kleine windturbine moet voldoen aan de eisen die worden gesteld in het Activiteitenbesluit en het Besluit externe veiligheid inrichtingen/buisleidingen. Is dit niet het geval dan kan de omgevingsvergunning niet worden verleend. Opmerking Geadviseerd wordt rekening te houden met zowel andere risicobronnen als (beperkt) kwetsbare objecten in de nabijheid van een windturbine; Beantwoording In hoofdstuk 2.4 onder 6 wordt bepaald dat de gemeente Súdwest-Fryslân nadere eisen kan stellen aan de plaats, omvang en het gebruik van de kleine windturbine te behoeve van risico’s voor gevoelige of (zeer)kwetsbare objecten (sub e). Er wordt een aanvullende bepaling opgenomen (sub f) dat dit ook geldt voor risicovolle bronnen. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het advies. Opmerking We willen graag betrokken worden in het vergunningsproces ten aanzien van windturbines.

Pagina 4 van 5

Beantwoording Daar waar externe veiligheid een rol speelt zal de brandweer betrokken worden in het vergunningenproces.

2.2

Reactie provinsje Fryslân

Opmerking De voorwaarden die in de verordening Romte worden gesteld voor de plaatsing van kleine windturbines staan niet in het bestemmingsplan, maar in de beleidsregel. Het verzoek is deze voorwaarden ook op te nemen in het bestemmingsplan omdat bij een eventuele wijziging de betrokkenheid van de provincie geborgd is. Beantwoording De regels van het bestemmingsplan zijn aangevuld.

Pagina 5 van 5

REGELS Inhoudsopgave REGELS HOOFDSTUK 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Van toepassing verklaring HOOFDSTUK 3 Algemene regels Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Artikel 5 Algemene bouwregels Artikel 6 Algemene afwijkingsregels HOOFDSTUK 4 Overgangsrecht en slotregel Artikel 7 overgangsrecht Artikel 8 slotregel

Súdwest-Fryslân - kleine windturbines ontwerp

1 2 2 2 4 4 5 5 5 5 6 6 7

1

HOOFDSTUK 1 Inleidende regels Artikel 1

Begrippen

1.1 plan: het Súdwest-Fryslân - kleine windturbines van de gemeente Súdwest-Fryslân; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met identificatienummer NL.IMRO.1900.2020PPklturbineSWF-ontw met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 horizontale as turbine (HAT - type): een traditionele windturbine met drie wieken aan een horizontale as; 1.4 kleine windturbine: een bouwwerk voor het opwekken van elektrisch vermogen uit wind, met een ashoogte van niet meer dan 15 m.

Artikel 2

Wijze van meten

2.1 ashoogte van een windturbine: Vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein peil.

2.2 de tiphoogte van een windturbine de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel;

Súdwest-Fryslân - kleine windturbines ontwerp

2

2.3 de rotordiameter: De diameter wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as;

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Súdwest-Fryslân - kleine windturbines ontwerp

3

HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Van toepassing verklaring De regels in dit bestemmingsplan zijn van toepassing op de bestemmingsplannen en de daarin aangehaalde artikelen, zoals opgenomen in bijlage 1 van de Regels.

Súdwest-Fryslân - kleine windturbines ontwerp

4

HOOFDSTUK 3 Algemene regels Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 5 Algemene bouwregels Het bouwen van kleine windturbines is niet toegestaan, met uitzondering van: a. Windturbines waarvan de bouw wordt toegestaan in de regels van een bestemmingsplan dat is genoemd in de tabel van artikel 3 (van toepassingverklaring) van dit plan.

Artikel 6 Algemene afwijkingsregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de regels van een bestemmingsplan dat is genoemd in de tabel van artikel 3 (van toepassingverklaring) van dit plan ten behoeve van het plaatsen van ten hoogste 3 kleine windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf, mits: a. de ashoogte van een turbine ten hoogste 15 m bedraagt; b. voldaan wordt aan het toetsingskader uit de beleidsregel ‘Toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân’ zie bijlage 2 van de regels en indien deze beleidsregel gedurende de planperiode van dit plan wijzigt, rekening wordt gehouden met de wijziging; c. de aanvraag tevens voor een beoordeling aan de provincie Fryslân wordt voorgelegd.

Súdwest-Fryslân - kleine windturbines ontwerp

5

HOOFDSTUK 4 Overgangsrecht en slotregel Artikel 7

overgangsrecht

7.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1 gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2 na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10%. c. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

7.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaand gebruik; b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Sublid a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11115996/1