CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage II - Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest

Raadsvergadering 23 december 2021, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2022’6.104 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2022 Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De cliënt staat centraal in deze wet. Wat kan redelijkerwijs verwacht worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Daarna zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden: • om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen; • om de beperkingen van de cliënt in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie gedetailleerd in kaart te brengen; • om vast te stellen welke ondersteuning in aard en omvang nodig is om deze beperkingen te verminderen of weg te nemen; • om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren; • om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is; • of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. De nadere uitwerking vindt plaats in nadere regels. Het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen. Er is nu een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure.

Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is (maatwerk). Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3 voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de Gemeente Súdwest-Fryslân is dit beleidsplan “Veerkracht in het sociaal domein”, deze verordening kan daar niet los van worden gezien.

In dit beleidsplan is het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.

Artikelsgewijs Alleen indien bepalingen nadere toelichting behoeven wordt dat hieronder gedaan.

Artikel 1 Begripsbepalingen Het aantal definities van artikel 1 is beperkt, omdat de wet (artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Het gaat dan bijvoorbeeld om definities van centrale begrippen als ‘cliënt’, ‘persoonsgebonden budget’ en ‘gebruikelijke zorg’. In de verordening gebruiken we de begrippen overeenkomstig de wet. Wat door de gemeente precies verstaan wordt onder ‘gebruikelijke zorg’ wordt verder gedefinieerd in de nadere regels. In artikel 1, onder b wordt beschreven onder welke voorwaarden een voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Gelet op artikel 2.3.5 lid 3 van de wet is het college niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken indien de beperkingen in de zelfredzaamheid en

participatie die de cliënt ondervindt naar het oordeel van het college kunnen worden verminderd of weggenomen met een algemeen gebruikelijke voorziening. De genoemde voorwaarden zijn afgeleid uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (o.a. CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535). Het komt er kort samengevat op neer dat een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt indien het aannemelijk is dat de cliënt ook over deze voorziening zou beschikken als hij geen beperkingen had en de kosten van de voorziening kunnen worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Een inkomen op minimumniveau is een inkomen ter hoogte van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (zie artikel 20, 21, 22 en 23 van de Participatiewet). Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals ‘aanvraag’ en ‘beschikking’. Artikel 2 Melding, onderzoek en aanvraag Artikel 2.1 Melding Dit artikel bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de cliënt de gemeente om hulp vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de Wmo 2015.

De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de cliënt geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de cliënt zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure. Het is echter ook mogelijk dat de cliënt na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. Lid 1 en lid 2 Hier wordt beoogd duidelijk te maken dat de melding vormvrij is. De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bijvoorbeeld op locatie bij het gebiedsteam. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. Lid 3 Deze bepaling maakt het mogelijk dat een melding voor een taxipas, een enkelvoudige eenvoudige woningaanpassing of hulp bij het huishouden kan worden aangemerkt als een aanvraag. Er is een formulier ontwikkeld dat door de cliënt kan worden ingediend. lid 10 In deze bepaling wordt de meldingsprocedure voor hulp bij het huishouden beschreven. Het belangrijkste verschil is dat de cliënt zich voor hulp bij het huishouden kan melden bij de zorgaanbieder. De melding is ook hier vormvrij.

Meldt een cliënt zich met alleen een hulpvraag op het gebied van hulp bij het huishouden bij het gebiedsteam dan wordt de melding doorgezonden naar de zorgaanbieder nadat de cliënt hierover is geïnformeerd. Artikel 2.2 Onderzoek Bij het onderzoek zal in samenspraak met de cliënt en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemene voorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een maatwerkvoorziening. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de cliënt (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger) wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de cliënt en de thuissituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de cliënt (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger). In deze verordening wordt hierop een uitzondering gemaakt als het gaat om een taxipas of een enkelvoudige eenvoudige woningaanpassing.

Het feit dat de cliënt een beperking heeft wordt voldoende geacht om aan te nemen dat er behoefte is aan deze voorziening.

Uit de rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2018:819) volgt dat een zorgvuldig onderzoek het doorlopen van de volgende stappen vereist. Bij sommige van deze stappen zal waar nodig onafhankelijk advies worden gevraagd: Stap 1 - inventariseer de hulpvraag Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek gedetailleerd in kaart Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast Als de problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving.

Stap 4 - breng in kaart of de cliënt alleen of met hulp over eigen mogelijkheden beschikt om de problemen op te lossen Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de wet in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Stap 5 – stel vast of er nog problemen zijn waar geen oplossing voor gevonden is en welke voorziening er getroffen kan worden om hiervoor een passende oplossing te bieden. Slechts voor zover die eigen mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Er kan worden volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Artikel 2.3 Onderzoek hulp bij het huishouden Uit artikel 2.1 lid 10 van de verordening volgt dat de cliënt zich kan melden bij de zorgaanbieder als de hulpvraag enkel ziet op hulp bij het huishouden. De zorgaanbieder verricht vervolgens ook het onderzoek en maakt hierbij gebruik van het door het college vastgestelde HHM-normenkader.

Het normenkader is als bijlage opgenomen bij de Nadere regels Wmo 2015 en bevat normen/tijdsindicaties voor werkzaamheden die nodig zijn om bijvoorbeeld tot het resultaat van een schoon en leefbaar huis te komen. De zorgaanbieder legt de bevindingen van het onderzoek vast in een uitvoeringsplan dat als advies wordt toegezonden aan het college. Nadat het college heeft vastgesteld dat het advies zorgvuldig tot stand gekomen is neemt het college een besluit conform het advies. Artikel 2.4 Verslag onderzoek Nadat het onderzoek is verricht worden de bevindingen van het onderzoek door het college vastgelegd in een ondersteuningsplan. Ook het verslag met de brede vraagverheldering (gespreksverslag) en het persoonlijk plan van de inwoner wordt in het ondersteuningsplan verwerkt. In het ondersteuningsplan wordt het hierboven beschreven stappenplan doorlopen zodat duidelijk wordt welke voorziening het college moet treffen om in de ondersteuningsbehoefte van de cliënt te voorzien. Het ondersteuningsplan wordt, voorzien van een begeleidende brief en een retourenveloppe, toegestuurd aan de cliënt. In de begeleidende brief wordt uitgelegd dat de cliënt het ondersteuningsplan ondertekend retour moet sturen aan het college.

Ook als de cliënt zich niet kan vinden in de conclusie die volgt uit de bevindingen van het onderzoek dient het ondersteuningsplan (voor gezien) ondertekend retour te worden gestuurd. In de begeleidende brief en tijdens het eerder gevoerde gesprek wordt de cliënt hierover geïnformeerd. De cliënt kan toelichten waarom hij het niet eens is met de conclusie van het onderzoek. Het college betrekt deze toelichting bij het te nemen besluit.

2.5 Aanvraag De Algemene wet bestuursrecht vereist dat een aanvraag wordt voorzien van een handtekening. Door het ondersteuningsplan als aanvraag aan te merken en van de cliënt te verwachten dat het ondersteuningsplan, akkoord of niet akkoord/voor gelezen, ondertekend retour wordt gestuurd kan het ondersteuningsplan als aanvraag worden aangemerkt. De cliënt krijgt op deze wijze ook inzage in de wijze waarop het besluit tot stand is gekomen, waardoor het besluitvormingsproces transparant is. Artikel 2a Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen Deze bepaling is opgenomen om een kader en grondslag te bieden voor de door het college uit te werken procedureregels ten aanzien van de wijze waarop wordt vastgesteld of een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen of opvang. Dit kader en de te stellen procedureregels kunnen gezien worden als de op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet verplichte uitwerking hiervan. Artikel 3 Criteria voor een maatwerkvoorziening In dit artikel zijn de algemene criteria beschreven die gelden om een maatwerkvoorziening te kunnen krijgen. Allereerst moet duidelijk zijn dat sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie of, bij een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, van problemen bij het zich handhaven in de samenleving.

Daarnaast moet duidelijk zijn dat oplossingen die de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, niet toereikend zijn om de beperkingen te verminderen of weg te nemen. Deze algemene criteria bieden handvatten, maar het verstrekken van een maatwerkvoorziening blijft maatwerk. Op basis van lid 1 kan het college er bijvoorbeeld voor kiezen om het primaat van verhuizing te hanteren als een maatwerkvoorziening voor woningaanpassing dermate kostbaar is dat verhuizen naar een geschikte woning goedkoper is. Artikel 4 Weigeringsgronden Lid 1 onder b Deze bepaling heeft betrekking op de voorzienbaarheid. Van een cliënt mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een cliënt gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Deze bepaling biedt dan een grond om geen woonvoorziening toe te kennen. Lid 1, onder c Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet.

Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer waarvoor het college een voorziening moet treffen. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening. Lid 1, onder d Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is.

Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter

uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. De zorgverzekeringswet gaat bij een duur tot 6 maanden, eenmaal te verlengen tot 9 maanden, in principe uit van kortdurend. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. Lid 1, onder e Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Súdwest-Fryslân en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening in verband met beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Een uitzondering hierop is de persoon die nog in een andere gemeente woont en wil gaan verhuizen naar een nieuw aan te passen woning in de gemeente Súdwest-Fryslân.

Voor deze persoon is het juist vereist dat hij zich voordien (dus nog voordat hij ingezetene is) meldt bij de gemeente SúdwestFryslân. Lid 2, onder a Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek. Lid 2, onder b Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen. Wel moet de gemeente in deze situaties een passende bijdrage bieden aan het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding.

Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBARN:2008:BH0126 en ECLI:NL:RBROE:2010:BM6304). Lid 2, onder c Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Om een passende bijdrage te leveren aan het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Lid 2, onder d Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.

De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen.

Lid 2, onder e Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van cliënt meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO e.a.

Artikel 5 Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. Artikel 6 Regels voor persoonsgebonden budget Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd aan de hand van een persoonlijk plan aanvraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie‐eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). In de volgende leden wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamer- stukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.

39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Het tarief voor pgb is lager dan het tarief voor zorg in natura, omdat de zorgaanbieder die op basis van een pgb werkt lagere overheadkosten heeft. Het tarief voor een pgb middels informele ondersteuning is lager dan voor een pgb middels formele ondersteuning, omdat aan informele ondersteuning lagere deskundigheidsen kwaliteitseisen worden gesteld. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden.

Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege in- koopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers‐ of opvangvoorzieningen. In het zevende lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de besteding van het persoonsgebonden budget. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan. Ten aanzien van het vijfde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale

netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo‐ praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maat- regelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doel- treffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). In het achtste lid wordt omschreven dat de gemeente de besteding van pgb’s steekproefsgewijs controleert.

Artikel 7 Financiële tegemoetkoming De definitie van een maatwerkvoorziening in de wet biedt de mogelijkheid om aan cliënten die door hun beperkingen of problemen genoodzaakt zijn om bepaalde (meer)kosten te maken ondersteuning in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken. De tegemoetkoming moet een passende bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, maar hoeft niet kostendekkend te zijn. De tegemoetkoming kan in elk geval worden verstrekt voor de genoemde voorzieningen/kosten, maar deze opsomming is niet limitatief. Voor een aantal meerkosten die chronisch zieken en gehandicapten maken kan ook bijzondere bijstand worden verleend. Als er bijzondere bijstand is verstrekt voor bepaalde meerkosten dan komt de cliënt niet meer in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van dit artikel. De tegemoetkoming heeft veel overeenkomsten met het pgb, maar het kenmerkende verschil is dat de SVB niet betrokken is bij de uitbetaling van de tegemoetkoming. Belangrijk punt is dat de cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd is over de financiële tegemoetkoming die wordt verstrekt op grond van dit artikel. Artikel 8 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s Dit artikel gaat over het abonnementstarief. Dit is de bijdrage in de kosten die een cliënt verschuldigd is voor één of meerdere maatwerkvoorziening of pgb’s.

De hoogte van deze bijdrage bedraagt € 19,00 per maand en is niet hoger dan de kostprijs. In lid 2 is een afzonderlijke bepaling opgenomen over de hoogte van de bijdrage in de kosten voor het vervoer. De bijdrage hiervoor bedraagt € 0,24 per kilometer. Reden voor deze uitzondering is dat er bij vervoer per rit lage prijzen worden gevraagd en het gebruik in veel gevallen incidenteel is. In lid 4 wordt beschreven in welke gevallen de cliënt een lagere of geen eigen bijdrage verschuldigd is. Het zevende lid is een uitwerking van artikel 2.1.5, eerste lid van de wet. Artikel 9 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3 van de wet waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen kunnen ook betrekking hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering stelt dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v.

van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Artikel 10 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college heeft hiervoor op grond van artikel 6.1 van de wet toezichthouders aangewezen.

Artikel 11 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Met dit artikel wordt de landelijk vastgestelde Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) toegepast, waarin per 1 juni 2017 geregeld wordt dat een reële kostprijs gehanteerd wordt bij de inkoop vanuit Wmo. De AMvB is ingevoerd ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst en de continuïteit in de hulpverlening tussen de cliënt en de hulpverlener. Artikel 12 Voorkoming en bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet. Daarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Om misbruik of oneigenlijk gebruik voorafgaand aan de verstrekking van de voorziening te voorkomen informeert het college cliënten via de beschikking over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.

Daarnaast geldt voor pgb dat een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Tevens kan de berekende geldswaarde van een voorziening worden teruggevorderd zodra het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken. Artikel 13 Meldingsregeling calamiteiten en geweld Dit artikel bepaalt dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen (eerste lid) en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. Artikel 14 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening plicht in artikel 2.1.6 van de wet.

Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald dat het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maat- werkvoorziening of persoonsgebonden budget, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Het college stelt nadere regels over de inhoud van de jaarlijkse waardering voor mantelzorgers. In de nadere regels wordt onder andere opgenomen welke mantelzorgers aanspraak kunnen maken op de jaarlijkse waardering. Artikel 15 Klachtregeling In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3 van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2 van de wet).

In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. In het derde lid is de verplichting van een klachtregeling van de gemeente vastgelegd. Klachten over de handelwijze van de gemeente worden via het bestaande klachtrecht ingevolge de Algemene wet bestuursrecht behandeld. Artikel 16 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.

In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2 van de wet). In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 17 Inspraak en medezeggenschap Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 van de wet. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraak- verordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Artikel 18 Right to challenge Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 19 Evaluatie Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal niveau plaatsvindt (zie paragraaf 5 van de wet), maar kan wel de daarin verzamelde gegevens benutten. Bepaald wordt dat de evaluatie minimaal eenmaal per twee jaar plaatsvindt.

Dit biedt uiteraard de ruimte om de verordening vaker te evalueren. Artikel 20 Overgangsrecht Dit artikel spreekt voor zich. Daarnaast bevat de wet nog overgangsrecht voor de doelgroep beschermd wonen (zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de wet). Artikel 21 Mogelijkheden om af te wijken Deze hardheidsclausule maakt het mogelijk om in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt af te wijken van de bepalingen in de verordening en bepaalt dat het college beslist in gevallen waarin de verordening niet voorziet. Artikel 22 Intrekken oude verordening Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 23 inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10842233/1