Bijlage 9 Memo werkgroep Geen megastal in Hemelum (De Roever) d.d. 28-04-21
Tekst van het document
ADVIESMEMO Ruimtelijk relevante milieuaspecten Veehouderij Hemelumer Hoeve, De Soal 4 te Hemelum Bestemd voor Afkomstig van Datum
: mevrouw M.A.C. Paanakker : De Roever Omgevingsadvies, drs. ing. C. den Hertog : 28 april 2021
Adviesvraag Omwonenden, in persoon van mevrouw M.A.C. Paanakker hebben De Roever Omgevingsadvies gevraagd om een beoordeling van de milieuaspecten, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als invulling van een goede ruimtelijke ordening van de voorliggende aanvraag van de veehouderij Hemelumer Hoeve, De Soal 4 te Hemelum. De gemeenteraad van Súdwest-Fryslân heeft eerder besloten het bestemmingsplan dat voorziet in de aangevraagde uitbreiding van de veehouderij niet vast te stellen. Dit besluit is op 24 maart 2021 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd. Omwonenden willen weten of een nieuw weigeringsbesluit (beter) is te onderbouwen. Uitgangspunten De beoordeling gaat in op de relevante milieuaspecten en op de depositie van stikstof. De aan ons overgelegde documenten zijn in de beoordeling betrokken. Samenvatting M.e.r.-plicht Hemelumer Hoeve heeft gemeente Súdwest-Fryslân gevraagd om een Wabo-vergunning te verlenen voor het realiseren van een bedrijfsuitbreiding buiten het geldend bouwvlak. Na bestudering van de aangeleverde stukken bij deze aanvraag is gebleken dat de aanvraag vergezeld had moeten gaan van een MER (milieueffectrapport). Hemelumer Hoeve heeft ten onrechte een deel van de veestapel waarmee het bedrijf van plan is om uit te breiden, aangemerkt als vleesvarkens.
Uit de beoordeling van de door het bedrijf aangeleverde stukken blijkt dat het hier niet gaat om vleesvarkens, maar om opfokzeugen. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage is er sprake is van MERplicht als een bedrijf uitbreidt met meer dan 900 zeugen (waaronder opfokzeugen). De ingediende aanvraag voorziet in een dergelijke uitbreiding met meer dan 900 zeugen. Het bedrijf had dan ook een MER moeten aanleveren bij de aanvraag om Wabovergunning. Omdat geen MER is aangeleverd bij de aanvraag, moet de aanvraag op grond van de Wet milieubeheer buiten behandeling blijven. Nu de raad van Súdwest-Fryslân door het college van burgemeester en wethouders is gevraagd om een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) te verlenen, kan de raad vaststellen dat bij het verlenen van de gevraagde vergunning geen sprake is van een complete aanvraag, waardoor hij geen VVGB mag verlenen.
Pagina 1 van 10
Negatief effect op Natura 2000 Hemelumer Hoeve heeft voor de uitbreiding van haar bedrijfsactiviteiten een Wnbvergunning gevraagd bij provincie Fryslân. De provincie heeft deze vergunning verleend. De aanvraag had vooral betrekking op het beoordelen van de extra stikstofdepositie als gevolg van de geplande bedrijfsuitbreiding. Door de toepassing van emissiebeperkende maatregelen (onder meer de toepassing van een combi luchtwasser) op bestaande en nieuwe stallen was provincie Fryslân van mening dat er geen sprake was van extra stikstofdepositie op voor verzuring en vermesting gevoelige natuurwaarden binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving. De Raad is gehouden een eigen beoordeling te maken van de gevolgen voor Natura 2000-gebieden in de omgeving en is niet gebonden aan een vergunningbesluit van het provinciebestuur (ECLI:NL:RVS:2020:3071). Onderzoek wijst uit dat de vergunning ten onrechte is verleend. De provincie is ten onrechte is uitgegaan van een stikstofreducerend rendement van 85% van de combi luchtwasser. Uit onderzoek van de WUR blijkt dat het reductierendement van het type luchtwasser dat Hemelumer Hoeve wil toepassen, geen 85% maar ten hoogste 59% bedraagt. Wanneer dit rendement in de berekening van de stikstofdepositie met AERIUScalculator wordt ingevuld, blijkt dat de stikstofdepositie op beschermd natuurgebied toeneemt.
Het provinciebestuur had de vergunning niet mogen verlenen. Nu de raad van Súdwest-Fryslân door het college van burgemeester en wethouders is gevraagd om een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) te verlenen, kan hij stellen dat bij het verlenen van de gevraagde vergunning geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wet ruimtelijke ordening vereist. Daarmee is het project niet uitvoerbaar. Geurbelasting Voor het beoordelen van de aanvraag voor het veranderen van de inrichting geldt voor geur vanuit de dierenverblijven de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als toetsingskader. Hierin is voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom standaard een geurnorm van 2,0 ouE/m3 opgenomen. Verder is daarin een regeling opgenomen dat een inrichting uit kan breiden in aantal dieren, mits in dat geval maximaal 50% van de te realiseren geurvermindering wordt gebruikt voor uitbreiding van het bedrijf, terwijl de resterende 50% geurvermindering daadwerkelijk moet worden gerealiseerd (de 50%regel). De Hemelumer Hoeve gaat in de aanvraag uit van toepassing van deze 50%regel. Voor het milieudeel moet echter ook worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT), waarbij mogelijk kan worden afgeweken van de Wgv. Voor het beslissen op de aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van de bestemming, is de Wet geurhinder en veehouderij niet aangewezen als toetsingskader.
In de praktijk wordt wel in eerste instantie uitgegaan van de omgekeerde werking van de milieuregelgeving. Hierbij is het uitgangspunt echter een goed woon- en leefklimaat. Zowel de Wgv als de GGD als op basis van percentages geurgehinderden kan een waarde van 2,0 ouE/m3 als aanvaardbaar geurhinderniveau worden aangemerkt. In de eerdere uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, wordt gesteld dat “de mogelijkheden voor geurreductie die het plan biedt” in de afweging moet worden meegenomen. De in de aanvraag opgenomen aanpassingen aan de bestaande stallen, die tot geurreductie leiden, zijn niet afhankelijk van de bouw van de twee nieuwe stallen (en de ruimte voor mestverwerking). Kortom ook zonder een uitbreiding van het bouwblok zijn er mogelijkheden voor geurreductie. Hiermee zou (bijna) aan de 2,0 ouE/m3 kunnen worden voldaan. Met een goede motivering dat 2,0 ouE/m3 als aanvaardbaar geurhinderniveau wordt aangemerkt, kan de raad van Súdwest-Fryslân de gevraagde VVGB weigeren. Pagina 2 van 10
Beoordeling MER-plicht In de aanvraag stelt het bedrijf dat de uitbreiding ook nodig is om basisfokker te kunnen blijven bij TOPIGS. Onder de tabel waarin de dieraantallen van de aangevraagde situatie zijn opgenomen staat: Opmerking behorende bij stal 1 en 10: Hoewel de Hemelumer Hoeve een opfokbedrijf is, dient bij de hier te houden varkens tot zeven maanden op grond van de toelichting op de site van Kenniscentrum InfoMil “Mestvarken/zeug” gesproken te worden van ‘vleesvarkens’. Volgens de Regeling ammoniak en veehouderij wordt de categorie D 3 als volgt omschreven, “diercategorie vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking”. De Regeling ammoniak en veehouderij kent onder D 3 de diercategorie “vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking”, waarmee voor deze dieren eenzelfde omrekeningsfactor geldt. In het kader van het Besluit milieueffectrapportage is sprake van de activiteit “de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van varkens” (kolom 1). Als sprake is van een geval waarbij die activiteit betrekking heeft op meer dan 900 zeugen, aangeduid met “Rav cat.
D 1.2, D 1.3 en D 3 voor zover het opfokzeugen betreft” (kolom 2), dan is sprake van een verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport (MER), voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om een besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn (kolom 4). Op 11 augustus 2012 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd, in die zin dat voornoemde verwijzing bij zeugen naar “D 3 voor zover het opfokzeugen betreft” aan categorie C 14 is toegevoegd. Deze was al sinds 21 februari 2011 op die manier bij categorie D 14 opgenomen. De jurisprudentie waarnaar de website van InfoMil verwijst is van voor die wijzigingen. Inmiddels is dus eenduidig in het Besluit milieueffectrapportage opgenomen dat voor de toepassing van dat besluit opfokzeugen bij de zeugen moeten worden geteld. De dieren in stal 1 en stal 10 zijn ten onrechte, of in ieder geval het grootste deel daarvan is ten voor de toetsing aan het Besluit milieueffectraportage als vleesvarken en niet als opfokzeug aangemerkt. Uit de voornoemde opmerking onder de tabel wordt eigenlijk door aanvrager zelf al gesteld dat het gaat om varkens tot zeven maanden op een opfokbedrijf, waarbij in de tabel wordt “gesproken .. van ‘vleesvarkens’”. Niet voor niets zet aanvrager de term vleesvarken tussen aanhalingstekens.
Verder wordt gesproken over varkens tot zeven maanden, terwijl vleesvarkens bij (maximaal) 6 maanden worden geslacht (Handboek Varkenshouderij, WUR). De Hemelumer Hoeve B.V. heeft op De Soal 4 een varkensfokkerij. De Hemelumer Hoeve B.V. geeft ook op haar eigen website aan dat het een kernfokbedrijf binnen de fokkerijorganisatie Topigs Norsvin is. Op deze website is aangegeven dat de geproduceerde zeugjes gebruikt worden voor de vervanging van de eigen zeugenpopulatie (raszuivere zeugjes) en verkocht worden aan vermeerderingsbedrijven (kruisingszeugjes Friverdi) (https://www.hemelumerhoeve.nl/friverdi). Ook blijkens de aanvraag omgevingsvergunning is zoals gezegd sprake van een fokbedrijf, een basisfokker bij TOPIGS. Volgens het handboek Varkenshouderij is een basisfokbedrijf een andere benaming voor een kernfokbedrijf.
Pagina 3 van 10
De informatie van de website van het bedrijf komt overeen met de definitie die het handboek Varkenshouderij 2010 geeft aan het doel van kernfok: “Het doel van de kernfokkerij is het in stand houden van rassen of lijnen en het verbeteren van de erfelijke aanleg. Soms worden er nieuwe rassen of lijnen gevormd”. Volgens alle informatie uit de aanvraag, maar ook van de feitelijke situatie overeenkomstig de website, is sprake van een bedrijf dat gericht is op de productie van vermeerderingszeugen. Gelet op het voorgaande zijn de dieren of is het grootste deel van de dieren in de stallen 1 en 10 geen vleesvarken, maar betreft het opfokzeugen. Dit komt overeen met de gangbare situatie op een fokbedrijf (niet zijnde een vermeerderingsbedrijf gericht op de productie van vleesbiggen). De genoemde, in de aangevraagde situatie in stal 1 en 10 aanwezige varkens zijn opfokzeugen ten behoeve van de vervanging van de eigen zeugenpopulatie en voor de verkoop aan vermeerderingsbedrijven. Hierna wordt onderbouwd dat het aantal dierplaatsen in de stallen 1 en 10 past bij deze bedrijfsvoering. Dit is niet exact te bepalen, omdat dat afhangt van de specifieke bedrijfsvoering. Voor de feitelijke situatie zou dit overigens eenvoudig zijn na te gaan aan de hand van een administratief onderzoek naar gegevens uit het managementsysteem en de afleverbonnen van de dieren.
Op een gangbare zeugenhouderij bedraagt het vervangingspercentage van de aanwezige zeugen volgens het Handboek Varkenshouderij 2010 ongeveer 40 %. Uitgaande van deze 40 % zouden op de locatie gemiddeld per jaar (922*40%) 369 zeugen vervangen worden. Het bedrijf geeft aan dat ze hun eigen vervangingszeugen produceren. Uitgaande van een opfokperiode van 150 dagen vanaf 25 kilo zouden er op de locatie ten minste 147 plaatsen voor opfokzeugen aanwezig dienen te zijn om in de vervanging van de eigen zeugen te kunnen voorzien. Dit is een behoudende schatting. Zo gaat Topigs op haar website uit van een optimaal vervangingspercentage op zeugenbedrijven van 50%. Daarnaast worden zeugen tot dekrijpe leeftijd) afgeleverd aan vermeerderingsbedrijven. Uit de onderstaande indicatieve berekening blijkt dat het aantal dierplaatsen in de stallen 1 en 10 hiervoor zeker niet te veel is. Aanvraag: 922 zeugen (kraamzeugen en guste en dragende zeugen) Aanname: 30,2 biggen grootgebracht per zeug per jaar (https://www.agrimatie.nl/binternet.aspx?ID=16&bedrijfstype=5) 922 * 30,2 = 27.844 biggen per jaar 27.844 / 2 = 13.922 vrouwelijke biggen per jaar Uitgaande van een verblijfsperiode van 150 dagen in de opfokstal zouden er als alle opfokzeugen gedurende de gehele periode op de locatie blijven 5.721 opfokplaatsen aanwezig moeten zijn om alle dieren te huisvesten.
Daarvan zal echter al een deel door selectie zijn “afgevallen”. Verder wordt mogelijk een deel op een jongere leeftijd dan 7 maanden afgeleverd aan vermeerderingsbedrijven. In de stallen 1 en 10 zijn in totaal 3.144 dierplaatsen. Dit aantal is wat betreft grootteorde in lijn met het aantal te verwachten benodigde plaatsen voor opfokzeugen voor een fokbedrijf met het aangevraagde aantal zeugen. De dieren in stal 10 worden dan ook gehouden met het oogmerk om af te leveren als slachtrijpe zeug. Ook als een deel daarvan door selectie alsnog naar de slacht wordt afgevoerd, maakt dit niet dat sprake is van vleesvarkens in stal 10. Dit houdt in dat voor de drempelwaarde van 900 zeugen uit kolom 2 (gevallen) van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage wordt overschreden. Er is sprake van het oprichten van een installatie, door uitbreiding in stal 6 (16 zeugen), met stal 9 (586 Pagina 4 van 10
zeugen) en met stal 10 (1.800 opfokzeugen, of in ieder geval meer dan 300 opfokzeugen) met meer dan 900 zeugen. Dit houdt in dat sprake is van een MERplichtige activiteit en niet van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Aanvrager heeft ten onrechte geen MER opgesteld. Op grond van artikel 7.28, eerste lid van de Wet milieubeheer moet een aanvraag om omgevingsvergunning (besluit als bedoeld in kolom 4 besluiten van de bijlage, onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage) buiten behandeling worden gelaten als bij het indienen van de aanvraag geen milieueffectrapport (MER) is overgelegd. Omdat dit formele gebrek niet achteraf is te herstellen, kan en hoeft de aanvrager niet in de gelegenheid te worden gesteld alsnog een MER te overleggen. Negatief effect op Natura 2000 A. Overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 In de directe nabijheid van de bedrijfslocatie is de N2000 zone Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving gelegen, waaronder H7140B - Overgangs- en trilvenen met een KD-waarde van 714 mol. Zie: H.F. van Dobben, R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra-rapport 2397.
Dit stikstofgevoelige natuurtype ligt op een afstand van ca. 1.500 meter van de bedrijfslocatie. De optredende achtergronddepositie overschrijdt ruimschoots die waarde zodat een verdere toename dient te worden voorkomen. De betrokken natuurtypepercelen zijn hieronder weergegeven (bruine percelen, bron: AERIUS-calculator)
Pagina 5 van 10
Feitelijk treedt op een achtergrondwaarde van ruim 1.000 mol bij genoemde natuurtype (zie AERIUS Calculator).
Op de Natura 2000 zone Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving treedt de hoogste depositie op, omdat die het meest dichtbij ligt. Maar ook treden relevante deposities op bij Alde Feanen & Weerribben en de Drents-Friese Wold & Leggelderveld en Van Oordt’s
Pagina 6 van 10
Mersken. Ook in die gebieden liggen ernstig overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden. B. Ammoniakdepositie Veehouderij De Soal 4 te Hemelum 1. De feitelijk gerealiseerde veestallen:
2. Vigerende omgevingsvergunning (omgevingsvergunning 22 december 2009 + melding activiteitenbesluit 27 maart 2020 (realiseren combi LW bij stal 1)
3. Het legaal bestaande gebruik op basis van de Wet natuurbescherming Op de referentiesituatie op 10 juni 1994 (11 juni 1990) Alde Feanen & Weerribben trad vanwege deze veehouderij de volgende emissies op (bron Wnb vergunning 2016). Dit betreft de referentiesituatie van het bestaande bedrijf.
Pagina 7 van 10
4. Vigerende Wnb vergunning 2016 De Raad is gehouden een eigen beoordeling te maken van de gevolgen voor Natura 2000-gebieden in de omgeving, en is niet gebonden aan een vergunningbesluit van het provinciebestuur (ECLI:NL:RVS:2020:3071). De vergunning Wet natuurbescherming, verleend door gedeputeerde staten van Fryslan van 4 maart 2016, gewijzigd 10 mei 2016 voor de veehouderij De Soal 4 te Hemelum heeft betrekking op onderstaand veebestand. Dit is tot op heden deels niet is gerealiseerd zoals vergund. Niet zijn gerealiseerd de stallen 9 en 10.
Pagina 8 van 10
Conclusie: de in 2016 verleende Wnb- vergunning heeft betrekking op een emissie- en depositietoename van 1.743 kg naar 3.732 kg NH3 ten opzichte van het legaal bestaande gebruik. Die toename is in 2016 vergund op basis van externe saldering. 5. Onzekere emissies combi luchtwassers De in 2016 vergunde bedrijfsvoering omvat een drietal stalgebouwen met combi luchtwassers (stallen 1, 9 en 10). De milieuprestaties van de combiluchtwassers zijn onzeker. Zie - Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen; Deel 1: Oriënterend onderzoek naar werking gecombineerde luchtwassers en verschillen tussen geurlaboratoria, (rapport 1081) - Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen; Deel 2: Steekproef rendement luchtwassers in de praktijk, (rapport 1082) Ook de bestuursrechter plaatst twijfels bij de betrouwbare werking van de combi luchtwassers. Zie: ECLI:NL:RBGEL:2021:758. Meer in het algemeen bestaat bij de bestuursrechter twijfel over de betrouwbaarheid van emissiearme stallen. Zie ECLI:NL:RBNNE:2021:810. De meetuitkomsten van de WUR laten een reductie van 59 % zien in plaats van 85%. Zie tabel hieronder, afkomstig uit WUR onderzoek deel 2. Zie vijfde kolom.
Dit betekent dat ca. 40 % emissies resteert in plaats van 15 %. Kortom, ruim 2,5 maal hogere emissies. Toegepast op de stallen 1, 9 en 10 betekent dit een emissie van 2,5 x 1.948 kg = 4.870 kg. Pagina 9 van 10
Rekening moet worden gehouden met een extra emissie van 4.870 - 1.948 = 2.922 kg, vanwege de onderschatting. Dat betekent dat rekening moet worden gehouden met een totale bedrijfsemissie van 3.732 (Wnb vergund) + 2.922 (onderschatting vanwege combi luchtwassers) = 6.654 kg. Dit is fors hoger dan de legaal bestaande emissie (1.743 kg, zie punt 3) maar ook fors hoger dan de nu feitelijk aanwezige emissies (4.234 kg, zie punt 2). 6. Conclusie: De zekerheid ontbreekt dat met het bouwplan de stikstofbelastingen op de Natura 2000gebieden niet toenemen ten opzichte van de legaal gerealiseerde bedrijfsvoering in een reeds overbelaste situatie. Zonder zekerheid dat geen negatieve gevolgen optreden door het bedrijfsplan voor stikstofoverbelaste Natura 2000-zones kan geen VGBB worden afgegeven. Geur Voor het beoordelen van de aanvraag voor het veranderen van de inrichting geldt voor geur vanuit de dierenverblijven de Wet geurhinder en veehouderij als toetsingskader. Hierin is voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom een geurnorm van 2,0 ouE/m3 opgenomen.
Een vergunning voor het veranderen van een inrichting wordt niet geweigerd als de geurbelasting hoger is dan deze norm, maar voor de inrichting met een hogere geurbelasting eerder vergunning is verleend en er geurbelastingreducerende maatregelen worden getroffen die voor maximaal de helft weer mogen worden gebruikt voor de uitbreiding (de zogenaamde 50%-regeling). Voor het beslissen op de aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van de bestemming, is de Wet geurhinder en veehouderij niet aangewezen als toetsingskader. In de praktijk wordt wel in eerste instantie uitgegaan van de omgekeerde werking van de milieuregelgeving. Uit de Wgv blijkt dat voor de bebouwde kom de norm van 2,0 ou E/m3 alsnog juist aanvaardbaar wordt geacht. In nieuwe situaties wordt de vergunning voor een inrichting geweigerd als de geurbelasting hoger is dan die norm. De gemeente heeft geen geurverordening vastgesteld, zodat er vooralsnog van uit wordt gegaan dat zij voor het beschikken op aanvragen van inrichtingen (milieudeel omgevingsvergunning) geen andere grenswaarde hanteren dan de standaard norm uit de Wgv. De GGD heeft volgens de uitspraak van de 24 maart 2021 aangegeven dat de veehouderij moet streven naar het bereiken van de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3. In die uitspraak wordt ook gesproken van de mogelijkheden voor geurreductie die het plan biedt.
Ten opzichte van de feitelijke situatie wordt stal 2 voorzien van een (biologische) luchtwasser. Verder worden er enkele relatief beperkte technische aanpassingen (bijvoorbeeld hogere dakkokers) op de bestaande stallen aangebracht. Deze aanpassingen, die tot geurreductie leiden, zijn niet afhankelijk van de bouw van de twee nieuwe stallen (en de ruimte voor mestverwerking). Kortom ook zonder een uitbreiding van het bouwblok zijn er mogelijkheden voor geurreductie. Sterker nog, de geurreductie zal dan groter zijn, omdat de nieuwe stallen 9 en 10 ook een (zeer relevante) bijdrage aan de geurbelasting veroorzaken. Dit zou uiteraard verder met berekeningen kunnen worden uitgewerkt. Alles afwegend kan de gemeente een waarde van 2,0 ouE/m3 als aanvaardbaar geurhinderniveau hanteren.
Pagina 10 van 10