CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 - Bijlage bij regels BGB-II - Adviesboek De Nije Pleats in Fryslan

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’19.426 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Groei van het bedrijf

Schematische weergave indeling bouwperceel melkveehouderij en akkerbouw

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

!

!

36

Het boerenerf krijgt steeds meer een industrieel karakter. De oorspronkelijke boerderij was zijn functionele waarde voor het agrarisch bedrijf al lang verloren, maar lijkt nu ook zijn beeldbepalende waarde op het boerenerf te verliezen. De erven van bedrijven na een schaalsprong vormen wederom een nieuwe entiteit in het buitengebied; niet alleen vanwege de grootte van de bouwpercelen en gebouwen, maar juist ook vanwege de uitstraling. Opvallend is dat bij nieuwbouw van stallen in veel gevallen de oude stallen niet worden gesloopt. Voor de oude bebouwing wordt vaak wel een nieuwe functie gezocht [bijvoorbeeld als jongveestal] maar sloop van deze bebouwing zou een kwaliteitsslag voor het boerenerf kunnen betekenen. Bovendien zou het erf in dat geval efficiënter voor de boer kunnen worden ingericht. Met name de bouw van een nieuwe stal heeft ruimtelijke gevolgen. De oude stal wordt nog maar marginaal gebruikt.

3.2.3.

Grootte van gebouwen

Melkveestallen Melkveestallen worden steeds groter. Niet alleen de toename van het aantal dieren op een melkveehouderij noodzaakt daartoe. Ook aspecten op het gebied van dierenwelzijn spelen daarbij een grote rol, alsmede de logistiek binnen de stal. Zo is de afgelopen 10 tot 15 jaar de gemiddelde oppervlakte per koe in de stal toegenomen met 25% [tot 10 m" per koe]. De moderne boer streeft uit dierwelzijnsoverwegingen naar een be-

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

zettingsgraad van 80% in plaats van de gangbare 120%. Dit komt de rust van de koe ten goede en dat heeft direct zijn weerslag op de melkproductie. Ook zijn de looppaden in de loop van de tijd breder geworden, zodat er meer rust in de stal heerst. Figuur: meer ruimte per koe

De grootte van melkveestallen is een afgeleide van de lengte en de breedte. De breedte is voornamelijk afhankelijk van de indeling van de stal [interieur] terwijl de lengte afhankelijk is van het aantal te huisvesten dieren. De melkveestallen worden steeds breder. Naast de genoemde dierwelzijnsmotieven moeten er in het licht van de schaalvergroting steeds meer dieren worden gehuisvest. Een bredere stal biedt in dat geval de mogelijkheid om de stal aan de binnenkant efficiënter in te richten. Logistieke lijnen zijn daarbij van wezenlijk belang. Om meer dieren te kunnen huisvesten worden de stallen ook langer. Per meter extra lengte kunnen nu minstens 6 koeien extra gehuisvest worden, terwijl dat voorheen bij smallere stallen om slechts 2 extra koeien ging.

!

!

37

Binnen het huidige economische klimaat wordt zoals gezegd veel in stallen geïnvesteerd. Enerzijds worden veel nieuwe stallen gebouwd op het bestaande [maar vergrote] erf. Anderzijds worden bestaande stallen verlengd of verbreed. Waar voorheen de stal met één of twee spantvakken werd uitgebreid wordt momenteel vaak de stal verdubbeld. In een later stadium wordt de stal geleidelijk gevuld met extra vee [door aankoop of aanfok]. Uit de analyse van de bouwaanvragen van de afgelopen 1,5 jaar die bij hûs en hiem zijn beoordeeld blijkt dat de nieuwe gebouwde stallen een gemiddelde omvang hebben van 40 bij 80 meter [3.200 m"]. Bij een verlenging van bestaande stallen gaat het vaak om 25/ 30 bij 80/100 meter. In stallen met een dergelijke omvang kunnen 250-300 melkkoeien worden gehuisvest. De grootste nieuwe melkveestal van de afgelopen 2 jaar betreft een stal van 40 bij 120 meter, waarin 500 koeien gehuisvest worden. Melkveehouders konden lange tijd uit de voeten met stallen met een goothoogte van zo’n 2,5 meter en een nokhoogte van 6-7 meter. Uit oogpunt van dierenwelzijn en productieoptimalisatie is het steeds meer gewenst om stallen met een grotere goot- en nokhoogte te realiseren. Bovendien worden de zijwanden steeds vaker opengewerkt. Beide ontwikkelingen hebben tot doel om licht en lucht de stal in te krijgen, zodat een optimaal stalklimaat voor de melkkoeien ontstaat.

Uit de eerder genoemde analyse blijkt dat de nieuwe stallen gemiddeld een goothoogte van 4 meter hebben en een nokhoogte variërend van 10,5 tot 15 meter.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

Bij stallen die aan of achter bestaande stallen worden gebouwd wordt vaak nog wel aangesloten bij de gooten bouwhoogte van de bestaande stal. Dergelijke vergrotingen van stallen vallen relatief minder op in het landschap omdat de vorm en de situering van gebouwen op het erf nauwelijks verandert. Gebouwen ten behoeve van akkerbouw In de akkerbouw is de kwaliteit van de producten van groot belang. Steeds meer akkerbouwers investeren daarom in zogenaamde koelloodsen. Waar voorheen collectief producten werden gekoeld, wordt dit steeds vaker door de individuele akkerbouwer gedaan, zeker in het licht van de schaalvergroting. Koelloodsen hebben een gemiddelde omvang van ongeveer 800 m". Akkerbouwloodsen zijn de afgelopen jaren steeds hoger geworden. Het toenemende heftruck gebruik biedt de mogelijkheid om kuubskisten te stapelen tot 3 of 4 hoog. Een goothoogte van minimaal 6 meter is daarom gewenst voor deze loodsen. De bouwhoogte blijft daarbij doorgaans beperkt tot 8 tot 10 meter.

3.2.4.

Vormgeving van gebouwen

De vormgeving van gebouwen wordt zowel in de melkveehouderij als de akkerbouw grotendeels bepaald door de functionaliteit en de bouwkosten. Slechts zelden wordt voor de bouw van een melkveestal of akkerbouwloods een architect ingeschakeld. De gebouwen zijn doorgaans traditioneel gebouwd in 1 bouwlaag met zadeldak. De dakhelling is doorgaans klein.

!

!

38

3.2.5.

Overige zaken

Naast gebouwen zijn er op het boerenerf bouwwerken die een ruimtelijke impact hebben. Eerder zijn al de mestvergistingsinstallaties genoemd. Deze installaties bestaan uit een grote ronde mestsilo [of meerdere mestsilo’s] met een doorsnee van ongeveer 20 meter en een hoogte van zo’n 6-8 meter. Daarnaast is een unit gesitueerd waarin de warmtekracht-koppeling is geplaatst. Hierin wordt de energie omgezet in elektriciteit.

Het materiaal en kleurgebruik wordt evenals de vormgeving bepaald door de functionaliteit en de bouwkosten. Gevels van gebouwen worden doorgaans opgebouwd uit damwandprofielplaten,al dan niet met een gemetselde plint. De daken zijn veelal van golfplaten. Melkveehouders neigen er steeds meer toe om de zijgevels open te werken. Dit wordt gedaan middels “gordijnen” van windbreekgaas. Ook is er een tendens om daken niet meer van lichtplaten te voorzien. Warmte komt de melkgift van koeien niet ten goede, dus direct zonlicht door lichtplaten wordt zoveel als mogelijk voorkomen. Akkerbouwers willen hun loodsen graag voorzien van witte daken om zo zoveel mogelijk zonnewarmte te kunnen weerkaatsen. Dit wordt vaak door gemeentelijke wetgeving niet mogelijk gemaakt en verschijnen er loodsen met grijze of groene daken.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

Melkveehouders plaatsen ook steeds vaker sleufsilo’s voor de opslag van ruwvoer. Deze sleufsilo’s worden opgebouwd uit betonelementen en zijn doorgaans 2 tot 3 meter hoog. Vaak wordt er een aarden wal tegen de betonelementen aangelegd, waardoor de ruimtelijke impact afneemt. De lengte van deze sleufsilo’s varieert van 20 tot 80 meter.

Statements 1. volwaardige agrarische bedrijven die doorgroeien [± 150 NGE] kunnen ruimtelijk ontwikkelen binnen een bouwperceel van 1,5-2 ha; bedrijven die een schaalsprong maken, hebben vaak een bouwperceel nodig > 2 ha; 2. bedrijven groter dan 500 NGE hebben een groter agrarisch bouwvlak nodig; dit zijn echter uitzonderingen waarvoor maatwerk moet worden geleverd; 3. bouwvlakken zijn doorgaans voor 50% bebouwd/verhard; 4. bij een melkveehouderij is de verhouding tussen bebouwd en verhard 1:1;

!

!

39

5. bij een akkerbouwbedrijf is de verhouding tussen bebouwd en verhard 2:1; 6. melkveehouderijen hebben doorgaans een groter agrarisch bouwvlak in gebruik dan akkerbouwers; 7. bij compleet nieuwe bedrijven [of na sloop van overtollige bebouwing] is er sprake van efficiënter ruimtegebruik. Het aandeel verhard/bebouwd loopt hier op to 60-70%; 8. nieuwe ligboxstallen zijn breder en langer. Doorgaans worden nieuwe stallen gebouwd van 40 bij 80 meter. Die stallen geven ruimte aan zo’n 250 tot 300 melkkoeien; 9. ligboxenstallen worden ook hoger. De goothoogte loopt op tot 4 meter en de bouwhoogte tot 15 meter; 10. akkerbouwloodsen worden vooral hoger. Met name een goothoogte van 6 meter is hierbij geen uitzondering; 11. de vorm van gebouwen wordt bepaald door functionaliteit en bouwkosten. Er komt bij het ontwerp geen architect te pas; 12. het materiaalgebruik wordt bepaald door functionaliteit en bouwkosten; 13. nieuwe elementen zoals mestvergisters en sleufsilo’s bepalen mede de ruimtelijke impact van het boerenerf;

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

3.3.

Effecten op woon- en leefomgeving

De schaalvergroting in de landbouw heeft ontegenzeggelijk invloed op het woon- en leefmilieu. Niet zelden gaat juist dáárover de maatschappelijke discussie. De maatschappelijke discussie gaat ook over dierenwelzijn, maar daarop wordt in deze paragraaf niet nader ingegaan. Er wordt wel ingegaan op de aspecten met een ruimtelijke dimensie: milieu, nabijheid, visuele hinder en infrastructuur, steeds in de relatie “bron versus ontvanger”. Deze aspecten spelen een belangrijke rol bij de landschappelijke inpassing van de schaalvergroting/schaalsprongen in de landbouw. Voorliggende paragraaf is met name bedoeld als voeding voor de ontwerpfase.

3.3.1.

Milieu

Milieuaspecten worden beoordeeld in de directe relatie tussen de veroorzaker van milieuhinder [de bron] en degene die er hinder van ondervindt [ontvanger]. Om te kunnen bepalen in hoeverre een agrarisch bedrijf hinder veroorzaakt voor zijn omgeving [in casu: de omwonenden] wordt het begrip milieu uiteengerafeld in geurhinder, geluidhinder, hinder van stof en toename van verkeer. Afhankelijk van het type bedrijf zijn één of meerdere van deze aspecten maatgevend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten [VNG] heeft de notitie Bedrijven en Milieuzonering [2007] uitgebracht waarin voor alle typen bedrijven is vastgelegd binnen welke zone rondom het bedrijf zij hinder kunnen veroorzaken. De notitie wordt gebruikt voor de beoordeling van de planologische inpasbaarheid van bedrijven in

!

!

40

het algemeen. Maatwerk kan worden geleverd op basis van milieuvergunningen. In de genoemde notitie is aangeven dat melkveehouderijen een afstand van tenminste 100 meter tot de omliggende woning[en] moeten aanhouden. Daarbij is de factor geur maatgevend. Voor akkerbouw geldt een maatgevende afstand van 30 meter, waarbij geluid de bepalende factor is. Voor intensieve veehouderijen geldt een afstand van 100 meter [geur is maatgevend] en voor paardenhouderijen een afstand van 50 meter [geur is maatgevend]. De richtafstanden uit de VNG-notitie maken geen onderscheid in grootte van de agrarische bedrijven, zoals dat voor andere bedrijfstakken wel wordt gedaan. Het is niet ondenkbaar dat de schaalvergroting/schaalsprongen in de landbouw de hinderzones onder druk zetten. Er moet rekening gehouden worden met een

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

mogelijke oprekking van deze zones naar 100 meter of meer voor de grootschalige landbouw.

3.3.2.

Nabijheid

De gevolgen van de nabijheid van een agrarisch bedrijf zijn niet alleen in maten vast te leggen. Daarbij spelen subjectieve maatstaven een net zo belangrijke rol. Het in voorgaande paragraaf gegeven toetsingskader biedt daarvoor niet voldoende houvast. Als bewoner van het buitengebied moet men er zich van bewust zijn dat het buitengebied in ontwikkeling is. Het gaat om perceptie binnen een context. Vinden we binnen de stad de situering van een flatgebouw aan de andere kant van de straat geen probleem; we kijken in het landelijk gebied niet graag aan tegen een megastal op 100 meter afstand.

!

!

41

Naast het visuele aspect [waarop in de volgende paragraaf nader wordt ingegaan] spelen aspecten als geur, geluid, maar ook de dynamiek die een agrarisch bedrijf met zich meebrengt een belangrijke rol. Zo zal bij de groei van een agrarisch bedrijf het aantal trekkerbewegingen toenemen, zal er vaker mest uitgereden worden en zullen toeleveranciers en afnemers vaker het bedrijf bezoeken. In de autonome groei van een agrarisch bedrijf worden deze aspecten doorgaans voor lief genomen. Die situatie kan veranderen wanneer bedrijven een schaalsprong nemen, waardoor de aspecten van nabijheid in een ander perspectief komen te staan. De acceptatie van de nabijheid van een agrarisch bedrijf wordt momenteel vooral gestuurd door de bovengenoemde milieuafstanden die in acht moeten worden genomen. Afstanden die daarbij gehanteerd worden, zullen wellicht ook onder druk van de nabijheidsaspecten opgerekt moeten worden.

3.3.3.

Visuele hinder

Visuele hinder kan op twee schaalniveaus ontstaan. Enerzijds op het niveau van de direct omwonende[n], waarbij het nieuwe element [zoals een stal] afbreuk doet aan het uitzicht van de omwonende[n]. Dit niveau sluit aan bij de hierboven omschreven nabijheid. Anderzijds kan visuele hinder ontstaan op het regionale niveau, waarbij een nieuwe stal afbreuk doet aan de landschappelijke kwaliteit. Op het lokale niveau van de direct omwonende[n] speelt afstand tot een nieuwe stal een belangrijke rol.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

De vraag daarbij is, bij welke afstand een nieuwe stal als hinderlijk wordt ervaren. Vraag is ook of afschermende beplanting of een andere situering van het gebouw op het erf de situatie kan verbeteren. Op regionaal niveau kan een nieuwe stal afbreuk doen aan het landschap doordat deze zonder respect voor kavelstructuren, bebouwingsstructuren en andere landschapsstructuren is geplaatst. De mogelijke hinder is afhankelijk van het landschapstype waarin de nieuwe stal wordt gerealiseerd.

3.3.4.

Infrastructuur

Agrarische bedrijven genereren verkeersbewegingen. Grondstoffen worden aangevoerd en agrarische producten worden afgevoerd. Daarnaast vinden nog vele verkeersbewegingen plaats ten behoeve van de productie. De eerste categorie verkeersbewegingen betreft voornamelijk vrachtverkeer. De tweede categorie verkeersbewegingen betreft met name landbouwvoertuigen. Verkeersbewegingen vinden gedurende de hele dag plaats, met een kleine druk in de randen van de dag. Schaalvergroting in de landbouw heeft een tweeledig effect op het verkeer op en rondom een agrarisch bedrijf. In de eerste plaats neemt de omvang van machines toe. Om arbeidsefficiënt te kunnen werken, worden de machines steeds groter. Dit wordt in de hand gewerkt door de steeds groter wordende percelen. In de tweede plaats neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het agrarisch bedrijf toe. Wanneer er meer geproduceerd wordt, zijn er meer grondstoffen nodig en zullen er meer producten worden afgevoerd.

!

!

42

Te denken valt hierbij aan diesel, veevoer en mest aan de ene kant en melk, kaas, bieten, aardappelen etc. aan de andere kant.

het type en de aantallen verkeersbewegingen in het landelijk gebied. Die rek is er bijna uit. Steeds vaker worden bermen kapot gereden of moeten wegen worden verbreed met stroken verharding. Bovendien is de fundering van deze wegen niet berekend op de steeds groter en zwaarder wordende machines. Aanpassing van infrastructuur is beperkt mogelijk en haalbaar. Door de fijnmazigheid van de plattelands infrastructuur, de aard van de infrastructuur én van de verkeersbewegingen, alsmede de omvang van de verkeersbewegingen ontstaat bij schaalvergroting/ schaalsprongen een druk op de agrarische bedrijven om zich te oriënteren op plekken die wél aan geschikte infrastructuur zijn gelegen.

Naast deze ontwikkelingen speelt ook het loonwerk een steeds prominentere rol in het agrarisch bedrijf. Schaalvergroting betekent ook een ander ondernemerschap voor de boer. Hij wordt meer manager en zal in die rol steeds meer werkzaamheden uitbesteden. Ook dit werkt het aantal verkeersbewegingen van een agrarisch bedrijf in de hand. Het extra én extra grote verkeer maakt gebruik van de openbare wegen. Boerderijen zijn van oorsprong gelegen in het landelijk gebied. De wegenstructuur in het landelijk gebied wordt gevormd door een fijnmazig netwerk van landbouwweggetjes. Het wegprofiel van deze wegen is decennia lang toereikend geweest voor

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

!

!

43

Statements

3.4.

Aanvullend op de statements uit paragraaf 3.2 vormen onderstaande statements eveneens “voeding” voor de ontwerpfase: 14. schaalsprongen / schaalvergroting kunnen er toe leiden dat afstanden tussen agrarische bedrijven en omwonenden vanwege de nabijheidsaspecten en visuele hinder moeten worden opgerekt tot 100-200 meter; 15. schaalvergroting / schaalsprongen leggen druk op de infrastructuur die er toe kan leiden dat agrariërs bij schaalvergroting/schaalsprongen een locatiekeuze moeten overwegen waarbij geschikte infrastructuur een belangrijke keuzefactor is;

De landschappelijke kwaliteiten van de provincie Fryslân vormen [naast de ontwikkelingen in de landbouw] een tweede belangrijk vertrekpunt voor het onderzoek. De opgave van het te verrichten onderzoek is immers om vanuit draagkracht en kwetsbaarheid van de verschillende landschappen te kijken naar de mogelijkheden voor schaalvergroting in de landbouw. In deze paragraaf komen eerst de hoofdlandschapstypen uit het provinciale Streekplan 2007 aan de orde. Daarna wordt ingegaan op de verdiepingsslag die door de provincie is uitgevoerd. Tot slot wordt ingegaan op de vanuit landschap relevante aanknopingspunten voor de ontwerpfase.

3.4.1.

Landschap

Hoofdlandschapstypen

In het Streekplan Fryslân 2007 worden 8 hoofdlandschapstypen onderscheiden. De blijvende herkenbaarheid van de kernkwaliteiten van deze landschapstypen zou een richtinggevende rol moeten spelen in de totale belangenafweging bij ruimtelijke ontwikkelingen op alle schaalniveaus. De volgende landschapstypen worden onderscheiden: • Kleigebied • Laagveengebied • Merengebied • Gaasterland • Noordelijke Wouden • Bekengebied/Zuidelijke Wouden • IJsselmeergebied • Waddeneilanden

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

!

!

44

Indeling in hoofdlandschapstypen Streekplan Fryslân 2007

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

!

!

45

Kernkwaliteiten kleigebied

Kernkwaliteiten merengebied

•

•

• • •

open en grootschalig met structurerende elementen als dijken, kwelderwallen, slenken, terpen, paden, eendenkooien, vaarten; onregelmatige blokverkaveling met plaatselijk bijzondere verkavelingsvormen [mozaïek-, radiair- en strengenverkaveling]; beplanting puntvormig geconcentreerd rondom boerderijen en dorpen, langs hoofdontsluitingswegen, kwelderwallen en randen van de Middelzee; aanwezigheid van grasland in lagere delen en akker- en tuinbouw op de kwelderwallen.

Kernkwaliteiten laagveengebied

• • • • • • •

grootschalige open ruimten begrensd door bebouwings- en beplantingslinten langs wegen, vaarten en plaatselijke beeklopen; nadrukkelijke aanwezigheid van lineaire structuren van beeklopen, wegdorpen, vaarten en dijken; opstrekkende strokenverkaveling haaks op ontginningsassen, vaak in een waaiervormig patroon; incidentele groene verdichtingen door moerasgebieden, boselementen en verlande petgaten; verspreide bebouwing langs wegen en vaarten; aanwezigheid van overwegend open graslanden, grazige natuurgebieden en petgaten; opvallende aanwezigheid van hoogteverschillen in maaiveld en waterniveaus.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

• • • • • • •

grootschalige openheid en weidsheid, met een grote afwisseling tussen overwegend grasland, natuur en water van gevarieerde omvang; water met oeverbegroeiing [rietkragen] langs meren, vaarten en kanalen; ondergeschikte puntvormige verdichtingen [vaart]dorpen, [agrarische] bebouwing met erfbeplanting; onregelmatige, opstrekkende strokenverkaveling; stelsel van mied- en opvaarten en instekende miedwegen; patroon van hemdijken en slaperdijken; herkenbaarheid van ingepolderde boezemlanden met binnendijken; aanwezigheid van grasland.

Kernkwaliteiten Gaasterland

• •

• • •

besloten kleinschalig, deels half-open tot open landschap met plaatselijk grootschalige vergezichten op het IJsselmeer; afwisseling van reliëf en schaal, en verscheidenheid aan structurerende elementen als bos, beplantingen, aardkundige elementen [stuwwallen en klifkusten], wegen, paden, kanalen, vaarten en dijken; contrast tussen hoger gelegen beboste en de lager gelegen open delen [polders en IJsselmeer]; aanwezige esstructuren; afwisseling van grasland, akkerbouw en plaatselijk tuinbouw.

!

!

46

en vaartdorpen, wegen en paden met laanbeplanting.

Kernkwaliteiten Noordelijke Wouden

•

• • • • • •

kleinschalig patroon van lintbebouwing, houtwallen [hege dyken], elzensingels met geleidelijke overgangen naar open enclaves daartussen [mieden en hooilanden] en plaatselijk esgronden; relatief dicht netwerk aan houtwallen en elzensingels; afwisseling van schaal en [beperkt] reliëf; opstrekkende stroken met gevarieerde lengtebreedte verhoudingen van gemiddeld 4:1 à 5:1 tot [plaatselijk on]regelmatige blokverkaveling; structurerende elementen als beplantingen, aardkundige elementen [pingoruïnes, dobben], lintdorpen, wegen en paden met laanbeplanting; specifieke vormen van esstructuren.

Kernkwaliteiten waddeneilanden

•

•

•

Kernkwaliteiten Bekengebied / Zuidelijke Wouden

•

•

•

• • • • •

afwisseling van open, half-open tot besloten landschap; hoofdstructuur bepaald door overwegend open brede beekdalen in de midden- en benedenlopen met parallel daaraan de zandruggen met bebouwing en met van beplanting voorziene hoofdwegen; verkavelingrichting haaks op de hoofdwegen, veelal van beplanting voorzien; afwisseling van rationele regelmatige structuren en plaatselijk onregelmatige structuren; plaatselijke reliëfverschillen; specifieke vormen van kleinschalige esstructuren; structurerende elementen als bossen/ natuurterreinen, beken, vaarten, wijken, landgoederen, [hout]wallen, houtsingels, bosstroken, pingoruïnes, lint-

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

zeer grootschalig open, open, half-open tot besloten landschap met plaatselijk grootschalige vergezichten op de Waddenzee, de Noordzee, en de kust van de vaste wal; grote afwisseling van reliëf en schaal, en grote verscheidenheid van natuurlijke en cultuurhistorische structuren/ elementen als duinen, kwelders, slenken, strand, bossen, poldergebieden en binnenduinrand op een relatief klein oppervlak; opvallende contrasten tussen natuurlijke elementen als duinen, kwelders, strand en slenken, en cultuurelementen als landbouwpolders, nederzettingen, dijken en recreatieve voorzieningen; structurerende elementen: duincomplexen, lineaire stuifdijken elzensingels, [hout]wallen, [mied]dijkjes, verkavelingstructuur polders, restanten van slenken en waterlopen, dorpskommen, bossilhouet, eendenkooien.

Kernkwaliteiten IJsselmeergebied

• •

•

zeer grootschalig open landschap met weidse horizon, lange zichtlijnen en markante oriëntatiepunten langs de kust; afwisselend kustbeeld van waterkeringen, [ondiepe] voorlanden, waardevolle stedelijke waterfronten, oude zeeweringen, klifkusten en vergezichten op achterland; contrasten tussen dynamisch beeld bij recreatieve plaatsen en concentratiepunten, en meer ingetogen

!

!

47

•

landelijk beeld daarbuiten, tussen strakke lijnen van Afsluitdijk/ Noordoostpolder en glooiende lijnen van oude Zuiderzeekust, en tussen groene dijken en grilliger klifkusten bij Gaasterland; structurerende elementen: open water, kwelders, zandplaten en waarden, rietlanden, groene dijken, kliffen, strandjes, de strakke Afsluitdijk met als oriëntatiepunten Kornwerderzand en Breezanddijk, en silhouetten van kenmerkende bebouwing [zoals [kerk]torens, Woudagemaal, badpaviljoen Hindeloopen].

3.4.2.

Verdiepingsslag

In het kader van de uitvoering van het Streekplan is een verdiepingsslag uitgevoerd, waarbij de hoofdlandschapstypen nader zijn onderscheiden in sublandschapstypen. Deze verdieping houdt in dat per hoofdlandschapstype meerdere sublandschapstypen zijn aangeduid. Daarnaast zijn de kernkwaliteiten voor die sublandschapstypen nader uitgewerkt en gebiedsspecifiek gemaakt voor die landschapstypen. De figuur op blz. 49 geeft de verschillende sublandschapstypen weer. Voor een 11-tal landschapstypen is naast de typering van de kernkwaliteiten een voorbeeldgebied schetsmatig uitgetekend en zijn ontwerpuitgangspunten opgesteld als eerste oriëntatie voor het ontwerpen op regionale schaal ten behoeve van inpassing van grootschalige agrarische nieuwbouw.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

Veenweidegebied Voorbeeldgebied: Omgeving Akmarijp Zeer grootschalig, openheid en weidsheid. Aanwezigheid meeroevers [riet, beplanting]. Hoofdgrondgebruik vrijwel uitsluitend grasland en natuurgebieden. Structuurbepalende waterlopen als Boorne, Prinses Margriet Kanaal en frequent voorkomen van brede vaarten en opvaarten. Sporadisch voorkomen van dorpen. Zeer verspreid voorkomen van [beplante] agrarische erven. Langs relatief schaars voorkomende wegen zeer incidenteel voorkomen van beplanting. Opstrekkende verkaveling in verschillende verkavelingsblokken. In het noorden regelmatige blokverkaveling. Ontwerpaanknopingspunten Nieuwe boerderijen aan linten koppelen vanwege het vasthouden en het gaaf houden van de open ruimten en op enige afstand van het lint situeren in de opstrekkende verkaveling, waardoor de schaal/korrel van het lint gehandhaafd blijft. Afstand tot het lint is lokaal maatwerk waarbij de relatie van met het bestaande lint uitgangspunt is. Kwelderwallen Voorbeeldgebied: Oosterbierum/KloosterLidlum Lineair enigszins verhoogde ligging van veelal evenwijdig aan elkaar gelegen kwelderwallen, lengterichting benadrukt door wegen en beplanting. Hierop bebouwing [terpdorpen], wegen en beplanting geconcentreerd. Grote variatie aan kwelderwallen; van zeer smal [enkele honderden meters] tot zeer brede [1 tot 2 kilometer].

Kwelderwal veelal als akkerbouw en [glas]tuinbouw in gebruik, plaatselijk grasland.

!

!

48

Plaatselijk aanwezigheid oude dijken. Regelmatige blokverkaveling. Ontwerpaanknopingspunten Op de brede kwelderwallen [circa 1000 m] aanhaken bij de lineaire structuren zoals de Hearewei. Richting van de bebouwing in de richting van de verkaveling [hoofdrichting]. Nieuwe boerderijen los van het dorp afhankelijk van de maat en schaal van de terpdorpen.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

Streven naar een verspreide bebouwing in een los en luchtig lint. Op de smalle kwelderwal [< circa 500 m] doet grootschalige agrarische bebouwing inbreuk op de maat, schaal en korrel van de bouwkundige en landschappelijke elementen van deze kwelderwallen. Overwogen zou kunnen worden op uitgekiende plaatsen boerderijbouw in de kweldervlakte toe te staan met het doel de openheid van de kweldervlakte te garanderen. Bij voorkeur insteekwegen in de kweldervlakte.

!

!

49

lijk van de lokale onregelmatigheden. Kweldervlakte Voorbeeldgebied: Zuidermiedenpolder Open tot zeer open gebieden met een dominante lengterichting, sporadische aanwezigheid bebouwing, veelal beplanting rondom. Aanwezigheid grote vaarten [lengterichting], opvaarten vaak haaks hierop. Grasland gebruik bepalend voor het landschapsbeeld. Aanwezige wegen voornamelijk onbeplant. Regelmatige blokverkaveling. Ontwerpaanknopingspunten In principe open houden. Zie voorgaande over ‘smalle kwelderwallen’, onder “kwelderwallen”. Gaasterlân Voorbeeldgebied: Nijemirdum Opbouw van het landschap is kleinschalig. Lineaire structuren van beplante bewoningslinten en concentraties van dorpen, op de overgang van beboste gebieden enerzijds en de open polders richting weidse meren anderzijds. Relatief veel voorkomen van boselementen. Aanwezigheid van es structuren. Regelmatige blokverkaveling tot strokenverkaveling. Ook verspreid voorkomende bebouwing aanwezig. Voorkomen van zowel grasland als akkerbouw. Gevarieerde ontginningsstructuur en aanwezigheid reliëf. Voorkomen van kleinere landgoederen. Ontwerpaanknopingspunten Nieuwe bebouwing aan de half open linten koppelen. Essen open houden en vrijhouden van bebouwing. Onregelmatige situering van nieuwe bebouwing afhanke-

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

Veenpolders Voorbeeldgebied: veenpolder van Echten Door veendijken en poldervaarten omsloten middenschalige tot grootschalige gebieden. Aanwezigheid van lintbebouwing [van boerderijen en woningen] en lintdorpen. Plaatselijk met moerasbos verlande restanten van veenderijen [petgaten]. Verspreide aanwezigheid van boselementen. Aanwezigheid vaarten, brede poldersloten, gemalen en molens kenmerkend. Opstrekkende verkaveling. Beplanting komt voor rond boerderijen en erven. Onregelmatig voorkomen van beplante wegen. Grondgebruik vrijwel uitsluitend grasland. Ontwerpaanknopingspunten Gebieden met “bovenlanden” [restveengebieden, veelal met daarop lintbebouwing] vrijwaren van grootschalige bebouwingen. Aanhaken bij de recentere wegstructuren. In tweede instantie kan gedacht worden aan het aanhaken achter de lintbebouwing op de bovenlanden. De afstandbepaling is maatwerk. Marneslenk Voorbeeldgebied: Pingjum [Achlum] Bebouwing voornamelijk geconcentreerd op kwelderwallen, zowel geconcentreerd in terpdorpen als verspreid. Beplanting rond boerderijen. Bosbeplanting op voormalige stinzenlocaties. Opstrekkende verkaveling vanuit de kwelderwal. Insteek wegen vanuit de kwelderwal, aanwezigheid vaarten in lengterichting slenk. Herkenbare laag gelegen slenk [open]. Aanwezigheid historische dijken [Pingjumer gulden Halsband]. Akker-

!

!

50

bouw en [glas]tuinbouw op de kwelderwallen, grasland op de lager delen. Afsluitende hoge zeedijk. Ontwerpaanknopingspunten Slenk vrijhouden van bebouwing. Aansluiten op de lineaire structuur van de kwelderwal. Richting van de bebouwing in de richting van de verkaveling [hoofdrichting]. Nieuwe boerderijen los van het dorp afhankelijk van de maat en schaal van de terpdorpen. Streven naar een verspreide bebouwing in een los en luchtig lint. Noordelijke Wouden Voorbeeldgebied: omgeving Drogeham Zeer kleinschalig landschap. Kenmerkende strokenverkaveling begrensd door dicht patroon van elzensingels en houtwallen. Kenmerkende lengte-breedte verhouding variërend van 5:1 tot bijna vierkante percelen. Zowel akkerbouw als grasland komt voor. Voornamelijk grote eenheden van lintbebouwing en lintdorpen en bebouwingsconcentraties. Incidenteel voorkomen van verspreid gelegen [heidedorp]bebouwing. Frequent voorkomen van pingoruïnes. Kenmerkende gradiënten in de overgang van besloten naar open gebieden. Voorkomende wegen veelal voorzien van boombeplanting. Ontwerpaanknopingspunten In eerste instantie aansluiten bij de grotere ontsluitingswegen van het gebied zodat de lokale schaal [plattelandsweg, zandpad] de bestaande verbanden en de maximale beleving van de kleinschaligheid gehandhaafd blijft. Situering nieuwe bebouwing in opstrekkende verkaveling.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

Stroomgebieden [Middenloop] Voorbeeldgebied: omgeving Oldeholtpade Middenloop - Lineaire midden- tot kleinschalige open ruimtes rond de beken. Plaatselijk zeer besloten door bos- en of moerasvorming. Natuurlijke beekkarakter veelal afwezig door kanalisatie tot zelfs plaatselijk kanaalkarakter b.v. Tjonger. Vrijwel afwezigheid van bebouwing. Sporadisch kruisende wegen. En plaatselijke aanwezigheid van zijvaarten, opvaarten en gemalen. Bovenlopen Tjonger door kronkelend verloop karakteristiek. Beperkte aanwezigheid beekdal begeleidende landschapselementen. Ontwerpaanknopingspunten De dalen van de stroomgebieden zoveel mogelijk vrij houden van [grootschalige] bebouwing. Situering grootschalige agrarische vestigingen op de randen van de dalen langs de primaire of secundaire lineaire wegen langs de beekdalen. Door het agrarisch grondgebruik kunnen de beekdalen zelf open gehouden worden. Situering van agrarische gebouwen in opstrekkende richting op variabele afstand tot de weg. Zuidelijk Woudontginningen Voorbeeldgebied omgeving Oldeberkoop Midden- tot kleinschalig besloten landschap. Evenwijdig aan de beken gelegen zandruggen met daarop lineaire wegstructuur [met voornamelijk eikenbeplanting] waarlangs lintvormige bebouwing en dorpen. Haaks op deze wegstructuur is de opstrekkende verkaveling voorzien van houtsingels en plaatselijk boselementen.

!

!

51

Ontwerpaanknopingspunten Situering agrarische nieuwbouw koppelen aan lineaire linten, haaks op deze wegstructuur[opstrekkende verkaveling] op variabele afstand van de weg Waddeneilanden Polders voorbeeldgebied Hoorn Terschelling Open tot zeer open grootschalige ruimten plaatselijk versmallend tot enkele honderden meters, begrensd door hoge zeedijk aan de zuidzijde en een met beplanting ,bebouwing met erfbeplanting aan de noordzijde. Nauwelijks tot beperkte aanwezigheid van bebouwing verschillend per eiland. Grondgebruik voornamelijk grasland. Verspreide aanwezigheid eendenkooien als vrijliggende groene elementen. Een raster van evenwijdig aan de zeedijk en binnenduinrand gelegen wegen met wegen haaks vanuit de binnenduinrand naar zee vormen de ontsluiting. Plaatselijk aanwezigheid van restanten van kreken. Sporadisch aanwezigheid en restanten van mieddijkjes rond de dorpen. Verkaveling onregelmatig blokvormig.

in de polder mogelijk bijdraagt aan handhaving van de openheid van de polder. Middelzeepolder [Noord] voorbeeldgebied Weidum Open grootschalig gebied. Boerderijen en bebouwing [en beplanting en terpdorpen aan randen kwelderwallen. Opstrekkende verkaveling en ontsluiting, vaarten en opvaarten, aanwezigheid dwarsdijken. Beplante agrarische erven, voornamelijk grasland. Ontwerpuitgangspunten Situering van grootschalige nieuwbouwboerderijen bij voorkeur op de rand van de kwelderwal of net tot 100 tot 200m de Middelzee in waarbij de openheid van de Middelzee zoveel mogelijk bewaard blijft en oof vanaf de belevingslijn op de kwelderwal zelf zichtbaar blijft. Enige gepaste afstand tot kwetsbare bestaande bebouwing en kleine terpdorpen is wenselijk.

3.4.3. Ontwerpuitgangspunten Polder zoveel mogelijk vrijhouden van bebouwing en nieuwbouw aansluiten bij massa [bebouwing en beplanting] van binnenduinrand. Bij incidentele nieuwbouwlocaties die onvermijdelijk in de polder moeten plaatsvinden aansluiten op bestaand wegenpatroon, en voorkomen dat bestaande en nieuwe bebouwing samen als lint gaat werken ten koste van openheid in de polder. Concentratie van de massa heeft dan de voorkeur. Zoveel mogelijk afstand tot de zeedijk bewaren. Bij meerdere nieuwbouw locaties nagaan of situering van grootschalige nieuwbouw op uitgekiende plaatsen

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

Aanknopingspunten voor de ontwerpfase

Voor de ontwerpfase was de vraag hoe de informatie over het Friese landschap zou kunnen worden benut voor de vraagstelling in de ontwerpfase. Die vraag is tweeledig. Allereerst moet voorgaande analyse van het landschap leiden tot een gebiedsdekkende vertrekpunt voor de ontwerpfase. Ten tweede moet er een toetsingskader voor inpassing ontstaan. Voor dat laatste kunnen de hiervoor genoemde ontwerpaanknopingspunten dienen. Om het eerste deel van de vraag te beantwoorden is eerst in beeld gebracht hoe boerenerven

!

!

52

zich in het landschap kunnen manifesteren. Daarbij zijn drie hoofdkenmerken onderscheiden die door de landschappen heen lopen:

De onderstaande foto's verbeelden de verschillen tussen een agrarisch bedrijf in een open en in een besloten landschap.

1. Is er sprake van een open of besloten landschap? 2. Aan welk occupatiepatroon is de ruimtelijke schaalvergroting gebonden: "punt in de ruimte", "groep van punten" of "aan een lint"? 3. In welk verkavelingspatroon vindt schaalvergroting plaats?

open landschap

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

!

!

53

besloten landschap

Het occupatiepatroon wordt getoond in de onderstaande figuur: Boerenerven in 4 occupatiepatronen

Opvallende verschillen in verkavelingspatroon zijn zichtbaar in een strokenverkaveling en een mozaïekverkaveling.

strokenverkaveling

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

!

!

54

De hoofdkenmerken samen leveren het volgende provinciedekkende schema op dat als input voor de ontwerpfase heeft gediend:

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 3 Analyse!

!

!

55

4. Ontwerp

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

57

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

58

4.1.

Inleiding

De informatie uit de analyse vormde de grondslag voor de ontwerpateliers. In deze ateliers is aan de hand van een gerichte vraagstelling met betrokken partijen naar oplossingen gezocht voor de [landschappelijke] inpassing van grootschalige landbouw. Daarbij hebben niet alleen landschappelijke argumenten een rol gespeeld, maar ook aspecten van woon- en leefomgeving hebben hun stempel gedrukt op de ateliers. Het was niet alleen een zoektocht naar inhoudelijke oplossingen, maar ook een zoektocht naar de werkvorm, waarbij alle aspecten van de dynamiek van grootschalige landbouw aan de orde zijn gekomen. Kortom, het ging niet alleen over de inhoud, maar ook over het proces. Die zoektocht heeft plaatsgehad in een viertal ontwerp ateliers: Ontwerpatelier 1 hierbij stond de landschappelijke inpassing op lokaal niveau centraal. Het ging om de ruimtelijke ontwikkeling op het boerenerf en de wijze waarop ruimtelijk-landschappelijk met [grootschalige] uitbreidingen van agrarische bedrijven kan worden omgegaan. Ontwerpatelier 2 dit had de titel "regionale inpassing". Het uitgangspunt hiervoor was de verplaatsing of inplaatsing van een agrarisch bedrijf. Vanuit verschillende vertrekpunten en motieven is, binnen de gegeven landschapstypen, de beste plek gezocht voor een grootschalig agrarisch bedrijf.

Ontwerpatelier 3 de resultaten van de ontwerpateliers 1 en 2 zijn nog eens voorgelegd aan de deelnemers, om over de

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

uitkomsten daarvan van gedachten te wisselen. Daarnaast heeft "het proces" centraal gestaan. In de eerste bijeenkomsten werd duidelijk, dat de vraagstelling niet alleen beantwoord kan worden door naar de inhoud te kijken, maar dat het proces van minstens evenveel belang is. Ontwerpatelier 4 dit betrof de bebouwing op het agrarisch bouwperceel. Alle dimensies van de bebouwing op het erf – volumes, hoogte, dakvorm, architectuur, kleur- en materiaalkeuze – zijn de revue gepasseerd. In dit deel wordt verslag gedaan van de ontwerpateliers. Eerst worden de vertrekpunten gegeven, daarna de vraagstelling en organisatie en ten slotte de uitkomsten van de ontwerpateliers.

4.2.

Vertrekpunten voor de ontwerpateliers

Wat zijn de belangrijkste vertrekpunten geweest voor de ontwerpateliers? In het onderstaande wordt achtereenvolgens ingegaan op de Friese landbouw en de toenemende impact daarvan op het woon- en leefmilieu en op het Friese landschap.

Landbouw De belangrijkste conclusie uit de analysefase is dat het onderzoek zich in Fryslân niet zou moeten richten op “megastallen”, maar primair op de ruimtelijke schaalvergroting in de melkveehouderij, welke van een ande-

!

!

59

re grootte-orde is. Er wordt dan ook liever gesproken over “De Nije Pleats in Fryslân”. De ontwikkelingen in de landbouw wijzen er op dat de komende 10 jaar zo’n 1500 agrarische bedrijven zullen verdwijnen. Er zullen ongeveer 4000 agrarische bedrijven overblijven. Verreweg het grootste deel daarvan [ruim 90%] is melkveehouder. Van de melkveehouders kan de helft gerekend worden tot de kleine boeren [minder dan 70 NGE]. De andere helft [1700 bedrijven] behoort tot de volwaardige agrarische bedrijven die in de nabije toekomst in meer of mindere mate mee zullen gaan in de schaalvergroting. De vraag is of deze boeren in stapjes zullen doorgroeien of dat zij ineens een schaalsprong zullen nemen. Stoppers

Stoppers

Volwaardige bedrijven 100120 nge

Volwaardige bedrijven 150 nge

Volwaardige bedrijven 300 nge

Beide vormen van schaalvergroting [doorgroeien en schaalsprong] hebben een ruimtelijke impact op het agrarisch bouwperceel van deze melkveehouders. Doorontwikkeling betekent doorgaans het vergroten van de bestaande stallen in de lengte of in de breedte. Vaak betekent dit een verlenging van de stal van 20 of zelfs 40 meter. Bij een schaalsprong gaat het juist om de bouw van een compleet nieuwe stal op het

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

boerenerf. De afmetingen van deze nieuwe stallen bedragen in de meeste gevallen zo’, 40 bij 80 of zelfs 100 meter. De grote vraag bij deze schaalsprongen is dan ook: wat gebeurt er met de bestaande stallen en is nieuwbouw van zo’n stal op die locatie wel voor de handliggend? Aspecten van woon- en leefmilieu worden namelijk bij de verdergaande schaalvergroting en bij schaalsprongen in het bijzonder steeds belangrijker. Daarbij gaat het om de nabijheid van dergelijke bedrijven voor de omwonenden, de visuele hinder, de impact op infrastructuur en milieuhinder. Hoe groter de bedrijven, hoe meer impact zij hebben op het woon- en leefmilieu.

Landschap De in het Streekplan Fryslân onderscheiden landschappen zijn het vertrekpunt geweest voor de landschappelijke beoordeling van de ruimtelijke inpassing. Het Streekplan geeft per landschap de kernkwaliteiten aan. Op deze landschapstypen is een nadere analyse uitgevoerd, die zicht geeft op de invloed van de ruimtelijke schaalvergroting. De beoordeling van de effecten van de ruimtelijke schaalvergroting is gekoppeld aan drie hoofdkenmerken, die door de landschapstypen heen lopen. • Is er sprake van een open of besloten landschap? • Aan welk occupatiepatroon is de ruimtelijke schaalvergroting gebonden: punt in de ruimte, groep van punten of aan het lint? • In welk verkavelingspatroon vindt de schaalvergroting plaats? Daarna zijn per landschapstype nog ontwerpuitgangspunten gegeven, waaraan de ruimtelijke schaalvergroting is getoetst.

!

!

60

Vraagstelling en organisatie ontwerpateliers De input uit de analysefase en de opgave van het onderzoek [vanuit draagkracht en kwetsbaarheid van het landschap kijken naar de mogelijkheden om de schaalvergroting van agrarische gebouwencomplexen landschappelijk inpassen] hebben geleid tot de vraagstelling voor de ontwerpateliers. Die vraagstelling is in de inleiding al voor het voetlicht gebracht. Kort gezegd richtten de vragen zich op de lokale inpassing, de regionale inpassing, het proces en de bebouwing op het boerenerf.

sing van nieuwe ligboxenstallen en inplaatsing van nieuwe melkveehouderijen. De ontwerpateliers [3 van de 4] zijn gehouden op een inspirerende locatie die voor het onderwerp zeer actueel was, namelijk de proefboerderij Nij Bosmazathe van de Animal Sciences Group van de Wageningen Universiteit in Goutum. De deelnemers aan de ontwerpateliers werden door deze entourage van een grootschalige melkveehouderij geprikkeld, met beide benen op de grond gezet en op dit praktijkcentrum min of meer gedwongen tot een praktische instelling in de discussies. Om uiteindelijk tot een zo breed mogelijk gedragen advies te kunnen komen, zijn voor de ontwerpateliers zoveel mogelijk belangrijke partijen uitgenodigd. Deze partijen zijn globaal in te delen in: de landbouw, natuur en landschap, stedenbouw en architectuur en stallenbouwers. De deelnemerslijst zag er als volgt uit:

De vraag voor de organisatie van de ontwerpateliers was: hoe krijgen we voor het advies zoveel mogelijk inhoudelijke aanknopingspunten die breed zijn bediscussieerd en worden gedragen door alle partijen? De ontwerpateliers zijn daarom inhoudelijk door de “materiedeskundigen” voorbereid. Zij hebben de input geleverd voor de inhoudelijke discussie over de inpas-

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

Landbouw • Dhr. Jurjen Kingma, LTO-Noord • Dhr. Jan Galema, LTO-Noord • Dhr. Johannes van Sinderen, Dienst Landelijk Gebied • Dhr. Durk Durksz, Animal Sciences Group, Wageningen UR, Hoofd Praktijkcentrum Nij Bosma Zathe Natuur en landschap • Mevr. Hilde Koosterziel, provincie Fryslân • Dhr. Bertus de Jong, provincie Fryslân • Mevr. Els van Loon, Landschapsbeheer Friesland

!

!

61

• •

Mevr. Carolien Reynders, Landschapbeheer Friesland Dhr. Edo Gies, Alterra, Wageningen Universiteit

Architectuur en stedenbouw • Dhr. Jelle de Jong, Jelle de Jong Architecten • Mevr. Sandra van Assen, Sterke Stedenbouw • Dhr. Gerrit Boschloo, hûs en hiem • Dhr. Ap Timmermans, hûs en hiem • Mevr. Hennie Bruynzeel, hûs en hiem • Dhr. Anne Dorenbos, Architectenbureau Jan Dorenbos Stallenbouwers • Dhr. Jan Lycklama à Nijeholt, Wilaard Operations • Dhr. Gerhard Noordhof, Simmer stallenbouw • Dhr. Ico Boersma, DLV De ontwerpateliers zijn steeds in vier onderdelen verdeeld. In het eerste deel is ingegaan op de resultaten van de analysefase waarbij de ontwikkelingen en de dynamiek binnen de landbouw voor het voetlicht kwamen. Daarna is en inhoudelijk inleiding op de opgave van het ontwerpatelier gegeven door de ”materiedeskundigen” . Met de input uit deze beide inleidingen zijn de deelnemers in groepen aan de slag gegaan met de opgaven. Tot slot is over de resultaten van de groepen gezamenlijk gedebatteerd.

zen en gezamenlijk tot breed gedragen conclusies kwamen.

4.3.

Ontwerpatelier 1: Lokale inpassing

In dit ontwerpatelier is gezocht naar mogelijkheden om de ruimtelijke schaalvergroting van agrarische bedrijven een plek te geven op het bouwperceel. Daarbij was het landschap vooral richtinggevend. Ook is gezocht naar een logische ordening van de bebouwing op het erf. Hierna wordt de essentiële informatie die is gebruikt voor het atelier beschreven, wordt het werkproces getoond en worden de "lessen" uit het eerste ontwerpatelier geformuleerd. Bij de start van het ontwerpatelier is de volgende informatie geleverd:

Om discussie uit te lokken tussen de verschillende partijen, zijn de groepen zodanig ingedeeld dat in iedere groep van elke partij een vertegenwoordiging zat. Dit leverde de beoogde interdisciplinaire discussie op waarbij de deelnemers elkaar aanvulden, terecht we-

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

62

Het boerenerf kent een duidelijke voor- en achterkant. Er wordt op ieder erf gewoond en gewerkt op een relatief beperkte ruimte. De boerin is verantwoordelijk voor het woongedeelte en de boer voor het bedrijfsgedeelte. Zij ondersteunen elkaar bij die verantwoordelijkheden. Je kunt geen twee kapiteins op één schip hebben, de taakverdeling is efficiënt en krijgt zijn weerslag in de indeling van het erf en in de bebouwing. “Voor” wordt gekenmerkt door ramen en “achter” door deuren. De scheiding tussen rode en blauwe pannen op menige stelp geeft dit verschil eveneens aan. De aanduiding “voor” en “achter” zegt dus niets over de ligging van het erf ten opzichte van de weg, maar zegt iets over het kenmerkende organisatiepatroon van een boerenbedrijf. De boerderij stond van oorsprong midden op het erf en de scheidslijn tussen voor en achter lag niet midden op het erf. Het woongedeelte was altijd kleiner. “ De voortuin “ is in principe functioneel naar binnen gericht, met van ouds de moestuin en boomgaard en later met de siertuin. Het uitstralen van de allure van het erf bevond en bevindt zich vooral aan deze zijde. Het beheer van de voorkant vraagt meer tijd[ onkruid wieden of gras maaien], dan die van de achterkant van het erf. “Het achtererf “ heeft een functionele relatie met de omgeving [koeien in de weide]. De grote veranderingen spelen zich op het achtererf af.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

63

De basisopzet van een boerenerf is in het open of besloten landschap was steeds dezelfde. Alleen is de setting verschillend. In het open landschap was een windsingel noodzakelijk. Ter bescherming van de gebouwen en gewassen in de moestuin en boomgaard, maar ook voor een aangenamer klimaat voor de bewoners [ buitenshuis en binnenshuis]. De randbeplanting versterkte de rechthoekige erfopzet en zo ontstonden groene eilanden in het open landschap. De meeste erven werden ook nog door een gracht omgeven. De beplanting was in de eerste plaats functioneel maar men kon er zich ook mee onderscheiden, het gaf allure aan de erven. In de door houtsingels besloten landschappen was deze beschutting reeds aanwezig, hier ontbreekt dan ook een windsingel [ en gracht]. De erven vulden niet volledig “de kamers”. Dit wezenlijke onderscheid in situering van een boerenerf in het open of besloten landschap komt prominent naar voren toen de bedrijven gingen uitbreiden in en na de 70er jaren van de vorige eeuw. In het besloten landschap was dat binnen de landschappelijke kaders van de elzen- of eikensingels mogelijk. De ruimtelijke kwaliteit nam wel iets af omdat het achtererf meer zichtbaar werd, maar het effect werd in het open landschap veel groter. In dit landschap werd bij de uitbreiding van het bedrijf buiten het oorspronkelijke omkaderde erf gebouwd en voer en mest opgeslagen.

De beplanting werd meestal niet aangevuld, mede omdat een windsingel niet meer noodzakelijk is. Dit heeft een veel grotere impact op het landschapsbeeld. Eerder negatief, dan positief. En dat terwijl maar liefst 60% van het Friese landschap open is.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

64

De informatie was gegeven. Daarna was het de beurt aan de deelnemers om in groepjes aan het werk te gaan. De opdracht was: Plaats in elk van de landschapstypen en occupatiepatronen op een boerenerf een stal van 40 bij 80 meter, rekening houdend met een evenzo grote oppervlakte verharding/[sleuf]silo's en met toekomstige uitbreidingsplannen. Denk ook na over de [nieuwe] erfbeplanting.

Elk groepje kreeg dus 6 opgaven. Voor elke opgave was een bord op A3-formaat beschikbaar met de locatie weergegeven op een luchtfoto [schaal 1:1000]. Voor de beeldvorming van de deelnemers waren ook borden beschikbaar [op A1-formaat] met daarop diezelfde locaties op schaalniveau 1:5000 zodat de locaties in hun omgeving konden worden beoordeeld én een bord [A1formaat] met daarop de locaties op schaalniveau 1:15.000] zodat in één oogopslag duidelijk was in welk type landschap de locaties zich bevonden.

De groepjes kregen daarvoor borden ter beschikking waarop de locaties stuk voor stuk waren weergegeven in de vorm van een luchtfoto. Op basis van de eerder genoemde opgavematrix [ordeningsprincipes] zijn de locaties vooraf vastgesteld. Het ging daarbij om de volgende locaties:

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

65

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

66

De resultaten van deze ontwerpsessies waren verbluffend. Na het groepswerk werden plenair de resultaten door de verschillende groepjes aan elkaar gepresenteerd. Het debat wat hierop volgde was boeiend. Uit dit debat en uit het eerste ontwerpatelier in zijn geheel werden een paar belangrijke lessen worden geleerd. LESSEN Kwetsbaarheid open landschap Allereerst bleek de enorme kwetsbaarheid van het open landschap. Juist bij dit landschapstype [meer dan 60% van het friese grondgebied] vergt het inpassen van nieuwe ligboxenstallen grote zorgvuldigheid en kundigheid. Woon/boerderijerf [friese identiteit] versus bedrijfserf [internationale identiteit] Het overgrote deel van de boerenerven in Fryslân hebben aan de voorzijde nog die waardevolle Friese identiteit. Hiermee wordt het oorspronkelijke boerderij bedoeld op het oorspronkelijke erf. Daarnaast ontwikkelt zich achter die Friese identiteit een erf van een geheel andere orde; het bedrijfserf. Het is van belang om bij de [verdere] ontwikkeling van het bedrijfserf zorgvuldig met de Friese identiteit om te gaan. Trots! Een boer is trots op zijn boerenerf. Die trots heeft niet alleen betrekking op de Friese identiteit van het boerenerf, maar juist ook op het nieuwe bedrijfserf!

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

Een boer wil zijn vooruitgang laten zien. [botst met de landschappelijke afscherming] Nadenken over de fase ná de nieuwbouw Het blijkt van groot belang bij de inpassing van een nieuwe ligboxenstal dat er vroegtijdig wordt nagedacht over uitbreidingen van het bedrijf in de ver[de]re toekomst. Alleen dan kan de nieuwe stal op de juiste plaats terechtkomen, zonder dat toekomstige uitbreidingen onmogelijk of onlogisch worden gemaakt. Het blijkt dat vooral het "terugredeneren" van belang is. Hiermee wordt bedoeld dat een nieuwe ligboxenstal nu op een grotere afstand van het oorspronkelijke erf wordt gerealiseerd en dat toekomstige uitbreidingen [door wellicht afbraak van de verouderde gebouwen] tussen die nieuwe stal en de oorspronkelijke boerderij kunnen worden gerealiseerd. Landschappelijk kader als grens Een bebouwingsvlak in een bestemmingsplan is vaak niet een logische begrenzing van een boerenerf. Vaak werkt dit bebouwingsvlak juist belemmerend voor de ruimtelijke kwaliteit omdat boeren juist proberen binnen dát kader hun bedrijf uit te breiden, terwijl het landschappelijke kader daarbij veel belangrijker is. Hoekpunten Tijdens de ontwerpsessie bleek dat de hoekpunten van een erf in belangrijke mate het landschappelijk kader bepalen. Beplanting op de hoekpunten is dus een eerste vereiste.

Tussen de hoekpunten zal eveneens beplanting moeten komen, maar dat is een kwestie van lokaal maatwerk.

!

!

67

De hierna volgende beeldenreeks laat het werkresultaat zien van het eerste ontwerpatelier. Het geeft aan welke kenmerken opgepakt moeten worden en welke stappen gezet moeten worden om de ruimtelijke schaalvergroting een logische plek te geven op het bouwperceel.

Keuze: scheidt het oorspronkelijk erf ruimtelijk van het nieuwe erf en versterk beide. Het oorspronkelijke erf met de karakteristieke boerderij en een zo gaaf mogelijke beplanting geeft aan dat het erf in Fryslân staat en het nieuwe deel geeft het internationale aspect aan.

In het besloten landschap wordt de ruimte van het erf bepaald door de verkaveling. Aan het erf een volgende slag toevoegen is geen punt, mits er kavelgrensbeplanting is of weer komt en er voldoende afstand wordt gehouden tot die beplanting. Aan de straatzijde toont het erf zijn trotse kant.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

68

In het open landschap is groei in de dwarsrichting minder gewenst dan naar achteren, omdat het het oorspronkelijke erf ontkent. In de werkelijkheid zal het zoeken zijn naar een balans tussen beiden. De verkavelingsrichting en zo compact mogelijk ontwikkelen spelen eveneens een rol. Er is een ruim landschappelijk kader nodig om er één geheel van te maken. Dit kader zorgt voor het versterken van het erf als punt in de ruimte.

Ontwikkel het erf van verderaf naar dichtbij [wanneer de koeien en het jongvee in de nieuwe stallen staan, kan de oude stal worden gesloopt]. Dit is goed mogelijk binnen het groene, ruime kader. Maak twee inritten. Laat de trotse kant van het nieuwe erf uitkomen waar dit het beste kan.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

69

Bebouwing in het open landschap komt het beste tot zijn recht als er in ieder geval beplanting op de hoeken staat. Enkel de hoeken is niet genoeg. Ook tussen deze hoeken is beplanting nodig. Dit kan bestaan uit een combinatie tussen bomen en struiken, enkel bomen of enkel struiken. In verband met de ventilatie in de stal is het planten van bomen op een afstand van 10 tot 20 meter geen enkel punt.

Hetzelfde erf, maar nu met een andere wijze van beplanten. De hoekpunten blijven de ankerpunten

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

70

Hetzelfde erf, maar nu is op enige afstand een kavelgrensbeplanting aangebracht. In verband met de afleesbaarheid van het landschap past hier geen beplanting met bomen. Buiten de erven staan enkel bomen alleen langs wegen.

In het besloten landschap is er een verschil tussen kavelgrensbeplanting met eiken en struiken of eikenlanen en het landschap met elzensingels. Bouwen op voldoende afstand betekent bij eiken [20 tot 25 meter hoog] meer afstand dan bij elzen. Bij de elzensingels [12 tot 18 meter hoog] is het noodzakelijk dat ze dicht is en blijft, want de bebouwing zal boven deze bomen uit kunnen komen.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

71

Op hoofdlijnen kan uit het eerste ontwerpatelier het volgende worden geconcludeerd:

• • •

grootschalige landbouw is inpasbaar binnen een goed landschappelijk kader; lokaal maatwerk is noodzakelijk; lokaal maatwerk vereist invloed op het proces!

4.4.

Ontwerpatelier 2: Regionaal schaalniveau

Dit ontwerpatelier had een heel ander vertrekpunt. De eerste sessie had duidelijk gemaakt, dat ruimtelijke schaalvergroting op locatie niet altijd de goede oplossing biedt. Dit kan te maken hebben met de landschappelijke situatie of met de nabijheid van bijvoorbeeld natuurgebied. Vaak was die conclusie ook een gevolg van de beoordeling van effecten op woon- en leefomgeving. Vooral milieuaspecten en de infrastructurele situatie spelen daarbij een belangrijke rol. Voor dit tweede ontwerpatelier was het vertrekpunt: de verplaatsing of inplaatsing van een agrarisch bedrijf. Er is in verschillende landschappelijke situaties gekeken naar de mogelijkheden om een te verplaatsen agrarisch bedrijf een andere plek te geven. In het ontwerpatelier is eerst informatie gegeven, daarna heeft het werkproces plaatsgehad en ten slotte zijn de resultaten besproken. Hierbij een kort verslag. Vooraf is een toelichting gegeven op de aspecten die van belang zijn in de zoektocht naar een nieuwe plek voor een grootschalig agrarisch bedrijf.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

Belangrijke aspecten zijn: grond is er voldoende grond rond de inplaatsingslocatie beschikbaar voor het bedrijf; Ontsluiting [PVVP/GVVP] niet elke weg kan een vestiging van een nieuwe melkveehouderij verdragen. Aanknopingspunten worden gezocht in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan. Ecologische hoofdstructuur/Natura2000 de aanwezigheid van natuurgebieden kan een belemmering vormen voor de vestiging van een nieuwe melkveehouderij. Bestaande bebouwing een melkveehouderij veroorzaakt mogelijk overlast voor omwonenden. Bij nieuwvestiging is het daarom noodzakelijk om afstand te houden tot bebouwingsconcentraties. Ontwerpaanknopingspunten per landschapstype; De vraag is of de in het Analysedocument geformuleerde ontwerpaanknopingspunten voor de verschillende landschapstypen voldoende houvast bieden voor de inplaatsing van een nieuwe melkveehouderij. Na de toelichting op deze onderwerpen wordt de deelnemers informatie gegeven over de opgave-locaties. Er zijn drie voorbeeldlocaties geselecteerd, te weten • Kwelderwallen/ -vlakte, locatie bij Menaldum/Slappeterp • Noordelijke Wouden, locatie nabij Kollumerzwaag • Zuidelijke Wouden, locatie nabij Nijeholtpade

!

!

72

Vervolgens zijn de deelnemers aan de beurt om in groepjes aan het werk te gaan. De opdracht was: Plaats een nieuwe melkveehouderij [300 NGE] in met een agrarisch bouwvlak van 2 ha en een benodigde oppervlakte cultuurgrond van circa 150 ha op de drie voorbeeldlocaties, waarbij rekening houdend met de afstand tot woningen en natuurgebieden en met de ontsluitingsmogelijkheden. De groepjes kregen ook in dit geval de beschikking over borden [A1-formaat] van de drie voorbeeldlocaties in een schaal 1:5000. Tevens kregen zij een rood vierkantje wat het 2 ha bebouwingsvlak verbeelde én drie witte/transparantie stukjes papier van elk 50 ha. Met die attributen gingen de groepjes aan de slag. Na het groepswerk werden plenair de resultaten door de verschillende groepjes aan elkaar gepresenteerd.

Adviesboek De Nije Pleats in Fryslân - Hoofdstuk 4 Ontwerp!

!

!

73

Het debat wat hierop volgde was wederom boeiend. Uit dit debat en uit het tweede ontwerpatelier zijn opnieuw een paar belangrijke lessen voortgekomen. LESSEN Ontsluiting leidend De ontsluiting van het boerenerf, maar ook die van de landerijen is als leidend bij inplaatsing beschouwd. Bij het zoeken naar een nieuwe locatie werd vooral gekeken naar de ontsluitingsmogelijkheden van die locatie. Heel belangrijk is dat een goede en veilige ontsluiting wordt geboden. Dat is een ontsluiting, die is berekend op de vervoerscapaciteit en op het type vervoer dat bij een agrarisch bedrijf plaatsvindt. Daarnaast moet de ontsluiting niet door geconcentreerde woonbebouwing lopen. Grondpositie centraal Tijdens het knippen en plakken met de 150 ha cultuurgrond bleek al snel dat het een enorme opgave is om zo'n oppervlakte in bestaand gebied in te kunnen plaatsen. Er moet nogal wat grond beschikbaar zijn om een nieuwe melkveehouderij met deze omvang in te plaatsen. Je plakt al gauw over de eigendommen van zo'n 10 verschillende boeren heen! Gebiedsontwikkeling Volgend uit voorgaande lessen, blijkt dat bij inplaatsing van een melkveehouderij van een dergelijke omvang [kleinschalige] gebiedsontwikkeling moet plaatsvinden, waarbij herverkaveling en wellicht de aanleg van nieuwe wegen aan de orde komen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13086232/3