Bijlage 6 - Regels ontwerpbestemmingsplan OUD BGB-I
Tekst van het document
Regels Inhoudsopgave Regels HOOFDSTUK 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Agrarisch - Glastuinbouw Artikel 5 Agrarisch - Paardenhouderij Artikel 6 Bedrijf Artikel 7 Bedrijf- Loonbedrijf Artikel 8 Bedrijf - Mijnbouwlocatie Artikel 9 Bedrijf - Nutsvoorziening Artikel 10 Bos Artikel 11 Cultuur en ontspanning Artikel 12 Detailhandel Artikel 13 Groen Artikel 14 Horeca Artikel 15 Maatschappelijk Artikel 16 Maatschappelijk - Zorgboerderij Artikel 17 Natuur Artikel 18 Natuur - IJsselmeer Artikel 19 Natuur - Waterrecreatief medegebruik Artikel 20 Recreatie - Jachthaven Artikel 21 Recreatie - Recreatiebedrijven Artikel 22 Recreatie - Recreatiewoning Artikel 23 Recreatie - Volkstuinen Artikel 24 Sport Artikel 25 Sport - Manege Artikel 26 Verkeer - Railverkeer Artikel 27 Verkeer - Wegverkeer Artikel 28 Water Artikel 29 Wonen Artikel 30 Wonen - Woonboerderij Artikel 31 Leiding - Gas Artikel 32 Leiding - Hoogspanning Artikel 33 Leiding - Hoogspanningsverbinding Artikel 34 Leiding - Riool Artikel 35 Leiding - Water Artikel 36 Waarde - Archeologie 1 Artikel 37 Waarde - Archeologie 2 Artikel 38 Waarde - Beschermd gezicht Artikel 39 Waarde - Cultuurhistorie Stinzen States Buitenplaatsen en Kloosters Artikel 40 Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle lijnen Artikel 41 Waarde - Ecologie Artikel 42 Waarde -
Landschap verkaveling Artikel 43 Waarde - Reliëf Artikel 44 Waterstaat - Waterkering HOOFDSTUK 3 Algemene regels Artikel 45 Anti-dubbeltelregel Artikel 46 Algemene bouwregels Artikel 47 Algemene gebruiksregels Artikel 48 Algemene aanduidingsregels Artikel 49 Algemene afwijkingsregels Artikel 50 Algemene wijzigingsregels
1 3 3 12 15 15 32 35 41 46 50 52 55 57 59 62 65 68 71 74 77 79 81 82 87 88 89 91 95 97 100 103 107 115 117 119 122 124 126 129 133 136 139 141 142 143 144 146 146 147 149 150 157 159
Artikel 51 Overige regels HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotregels Artikel 52 Overgangsrecht Artikel 53 Slotregel Bijlage 1: Verkavelingstekeningen met waardering Bijlage 2: Lijst van aan huis verbonden beroepen en bedrijven Bijlage 3: Lijst met aantal kampeermiddelen, kampeergebouwen en trekkershutten Bijlage 4: Beplantingsplan Koaidyk 11 It Heidenskip Bijlage 5: Staat van Bedrijven Bijlage 6: Karakteristieke bouwwerken en monumenten Bijlage 7: Onherroepelijke Wnb-vergunningen Bijlage 8: Historisch-geografische inventarisatie en waardering Bijlage 9: Adviesboek de Nije pleats in Fryslan Bijlage 10: Historische wegen en paden Bijlage 11: Toetsingskader kleine windmolens
160 161 161 162
HOOFDSTUK 1 Inleidende regels Artikel 1 1.1
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân I' met identificatienummer NL.IMRO.1900.2023BPBGBSWFI-ontw van de gemeente SúdwestFryslân; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
aan-huis-verbonden beroep of bedrijf:
een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de (bedrijfs)woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie, als genoemd in bijlage 2; 1.6
aanleggen:
het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig; 1.7
agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren; 1.8
agrarisch bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van een ruimtelijk plan, zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing, verharding en bijbehorende voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf zijn toegelaten; 1.9
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.10
bêd & brochje:
een overnachtingsmogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. Een bêd en brochje is gevestigd in een (bedrijfs)woning en wordt gerund door de bewoner van de betreffende (bedrijfs)woning. De woonfunctie van de (bedrijfs)woning wordt daarbij niet onevenredig aangetast; 1.11
bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;
1.12
beperkt kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden; 1.13
bestaand:
het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, krachtens een bouwvergunning (vóór 1 oktober 2010) of een omgevingsvergunning voor het bouwen (ná 1 oktober 2010); 1.14
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak; 1.15
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.16
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.17
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.18
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak; 1.19
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping; 1.20
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21
bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel; 1.22
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.23
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.24
cultuur en ontspanningsbedrijven:
een atelier, een bioscoop, een creativiteitscentrum, een dansschool, een museum, een muziekschool, een muziektheater, een sauna, een theater, en/of een naar de aard daarmee gelijk te stellen voorziening ten behoeve van cultuur en ontspanning; 1.25
denkbeeldige rechthoek:
een denkbeeldig vlak dat niet geometrisch is bepaald, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten, met dien verstande
dat de afstand van de denkbeeldige bouwgrens tot woningen (van derden) niet minder mag bedragen dan: 1. 30 meter bij akkerbouw en fruitteelt bedrijven; 2. 50 meter bij grondgebonden veehouderijen; 3. de afstand opgenomen in de Geurverordening d.d. 12-11-2015 dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt; 1.26
denkbeeldige bouwgrens:
de grens van een denkbeeldig bouwvlak; 1.27
detailhandelsbedrijf:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.28
dienstverlenend bedrijf:
een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf (en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen) en een seksinrichting; 1.29
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.30
gebruiksgerichte paardenhouderij:
een paardenhouderij die op een bedrijfsmatige schaal wordt uitgeoefend, niet zijnde een productiegerichte paardenhouderij, en waar het rijden met paarden primair gericht is op de ruiter/amazone/menner inclusief de bijbehorende huisvesting van paarden; hiermee ligt de nadruk op het recreatieve en sportieve aspect van paardrijden; 1.31
geitenhouderij:
het houden van meer dan 50 geiten; 1.32
geluidszoneringsplichtige inrichting:
een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld; 1.33
goede landschappelijke inpassing
van een goede landschappelijke inpassing is sprake als: a. de uitvoering van de landschappelijke inpassing in het kader van het verlenen van de omgevingsvergunning middels het stellen van voorschriften of het stellen van andere voorwaarden wordt gegarandeerd, waarbij in ieder geval voorschriften of andere voorwaarden worden gesteld omtrent: 1
de termijn waarbinnen de landschappelijke inpassing is gerealiseerd;
2
de verplichting tot instandhouding van de goede landschappelijke inpassing;
1.34
groepsaccommodatie:
een (deel van) een gebouw dat bestemd is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf voor groepen, waarbij wordt overnacht in slaapzalen en/of slaapkamers en waar een dagverblijf beschikbaar is waarin de gast(en) mede huishoudelijke werkzaamheden kunnen verrichten; 1.35
groepskampeerterrein:
het houden van een kampeerterrein door een organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard; 1.36
grondgebonden agrarisch bedrijf:
agrarisch bedrijf waarbij het gebruik van agrarische gronden in de omgeving van het bedrijf noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, in de vorm van akkerbouw, vollegronds-tuinbouw, grondgebonden veehouderij, en naar de aard daarmee vergelijkbare bedrijven; 1.37
grondgebonden veehouderij:
een veehouderij waarbij voldoende grond in de omgeving van het bedrijf aanwezig is om overwegend te voorzien in de mestafzet en het benodigde ruwvoer van de veehouderij, inclusief een neventak niet-grondgebonden veehouderij die wat betreft aard en schaal ondergeschikt is aan de grondgebonden bedrijfsvoering; 1.38
hogere grenswaarde:
een maximale waarde voor de geluidsbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder; 1.39
hoofdgebouw:
een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.40
hoofdvorm:
het hoofdgebouw, exclusief bijbehorende bouwwerken; 1.41
horecabedrijf:
een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor verkoop aan het publiek wordt bereid en verstrekt, al dan niet voor consumptie ter plaatse, en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; horecabedrijf categorie 1: een complementair horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag bereiden en verstrekken van (niet of licht alcoholhoudende) dranken en eenvoudige etenswaren aan bezoekers van andere functies, met name functies als centrumvoorzieningen en dagrecreatie, zoals een automatiek, broodjeszaak, cafetaria, croissanterie, koffiebar, lunchroom, ijssalon, petitrestaurant, snackbar, snackkiosk, tearoom, traiteur en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf; horecabedrijf categorie 2: een horecabedrijf met een in het algemeen hoge bezoekersfrequentie gedurende de avond, dat voornamelijk is gericht op het bereiden en verstrekken van maaltijden en/of (alcoholische) dranken, zoals een bar, (grand)café, eetcafé, restaurant, café-restaurant en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf, al dan niet in combinatie met logiesvertrekking of een zalencentrum; horecabedrijf categorie 3: een horecabedrijf, dat voornamelijk is gericht op het ’s avonds en/of
‘s nachts verstrekken van (alcoholische) dranken en waar tevens gelegenheid wordt geboden tot dansen of vergelijkbaar vermaak, zoals een bar-dancing, discotheek, nachtclub en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf;
horecabedrijf categorie 4: een horecabedrijf, dat in hoofdzaak is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van logies, zoals een hotel, motel, pension en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met een restaurant of een café-restaurant; 1.42
horizontale as turbine (HAT type):
een traditionele windturbine met drie wieken aan een horizontale as; 1.43
huishouden:
de bewoning van een woning door: a. één persoon; b. twee of meerdere personen in de vorm van een samenlevingsverband, die een duurzame (gemeenschappelijke) huishouding voeren of willen voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, waaronder geen kamerbewoning begrepen. 1.44
kampeergebouw:
een gebouw, geen kampeermiddel zijnde, van beperkte omvang, dat dient voor het periodiek recreatief nachtverblijf, waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben; 1.45
kampeermiddel:
een mobiel en/of demontabel kampeermiddel dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.46
kleine windturbine
een bouwwerk voor het opwekken van elektrisch vermogen uit wind, met een ashoogte van niet meer dan 15 meter; 1.47
kleinschalig kampeerterrein:
een terrein in een kleinschalige opzet met een beperkt aantal staanplaatsen voor kampeermiddelen ook alleen in het toeristisch seizoen aanwezig zijn; 1.48
kampeermidde
kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risico-afstand is bepaald, die in acht moet worden genomen; 1.49
ligplaats innemen:
het afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dat doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan voor aanleggen; 1.50
loonbedrijf:
een bedrijf dat is op het leveren van diensten aan agrarische bedrijven met behulp zelfstandig bestanddeel van de bedrijfsvoering; 1.51
maatschappelijke voorzieningen:
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.52
manegebedrijf:
van agrarische
paardenhouderij die is gericht op het bieden van paardrijmogelijkheden (inclusief instructie) aan derden, al dan niet in combinatie met stallingsruimte voor paarden van derden alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van het manegebedrijf; 1.53
mestzak:
een zak, geheel of grotendeels gelegen boven het aansluitende terrein, voornamelijk opgebouwd uit kunststoffolies, waarvan de bodemafdichting en afdekking één geheel vormen; 1.54
methodiek Nije Pleats:
een methode van planvorming waarbij een team van deskundigen in een vroeg stadium integraal adviseert over alle aspecten die relevant zijn voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van een concrete ruimtelijke ontwikkeling, zoals de vestiging of uitbreiding van een agrarisch bedrijf of de vestiging of uitbreiding van een recreatieve inrichting; 1.55
mobiel- of demontabel kampeermiddel:
a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan; b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, op een (kleinschalig) kampeerterrein gedurende een periode ten hoogste 3 aansluitende maanden per kampeerseizoen; 1.56
molenbeschermingszone (molenbiotoop)
aangewezen gebied waarbinnen het zicht op de molen en de vrije windtoetreding beschermd worden; 1.57
niet-grondgebonden veehouderij (intensieve veehouderij):
agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals varkens-, pluimvee-, pelsdier-, of vleeskalverhouderij, rundveemesterij, niet grondgebonden geiten-, schapenhouderij, of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden veehouderijen; 1.58
niet- grondgebonden agrarische nevenactiviteit:
een agrarische bedrijfsvoering ondergeschikt aan het grondgebonden agrarisch bedrijf die voornamelijk in gebouwen plaatsvindt; 1.59
nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en electriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen openbare sanitaire voorzieningen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen en zendmasten; 1.60
ondergeschikte tak:
een ondergeschikt bestanddeel van de totale bedrijfsomvang van een agrarisch bedrijf, zoals een intensieve tak veehouderij; 1.61
peil:
de bovenzijde van de afgewerkte begane grondvloer: a. indien deze bovenzijde meer dan 60 cm boven het straatpeil ligt of komt te liggen, is 60 cm + het straatpeil het peil; b. indien deze bovenzijde meer dan 20 m van de straat of weg ligt of komt te liggen én meer dan 10 cm boven het aansluitende terrein ligt of komt te liggen, is 10 cm + het aansluitende terrein het peil; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil of de hoogte van het terrein ter plaatse van de meest nabij gelegen locatie waar het water grenst aan het vaste land;
1.62
plattelandswoning:
een agrarische bedrijfswoning welke is gelegen binnen een agrarisch bouwblok welke 1.63
productiegerichte paardenhouderij:
grondgebonden paardenhouderij die is gericht op het fokken van paarden en het bieden van leefruimte aan opgroeiende paarden, eventueel in combinatie met (en daaraan ondergeschikte) trainingsfaciliteiten ten behoeve van de eigen gefokte paarden; 1.64
recreatiewoning:
een gebouw dat dient als recreatiewoonverblijf, waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben; 1.65
relatie
een figuur dat twee afzonderlijk weergegeven delen van een bouwvlak of denkbeeldige rechthoek met elkaar verbindt, zodanig dat voor toepassing van de regels sprake is van één bouwvlak of denkbeeldige rechthoek; 1.66
rijbak
een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport met of zonder de daarbij behorende voorzieningen; 1.67
risicovolle inrichting:
een inrichting, bij welke het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een veiligheidsafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten; 1.68
seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.69
silo:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient voor het opslaan van mest, veevoeder, graan of andere bulkstoffen ten behoeve van het agrarisch bedrijf; 1.70
staat van bedrijven:
Staat van bedrijven zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regels; 1.71
straatpeil:
de hoogte van de straat of weg op de plaats waar de hoofdtoegang van een bouwwerk aan die straat of weg grenst; 1.72
toename van stikstofdepositie:
a. Er is sprake van een toename van stikstofemissie, wanneer de emissie N/kg/jaar* meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken. b. Indien ondanks een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg/jaar ten opzichte van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken toch sprake is van een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura
gebruikt mag
2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie. c. Als uitzondering op lid a en lid b van deze bepaling geldt het volgende: Er is geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer er sprake is van één van de volgende situaties: 1
de emissie N/kg/jaar afkomstig van het (agrarisch) bedrijf bedraagt niet meer dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het gebruik van de betreffende bouwwerken als bedoeld in lid a of b conform een ‘onherroepelijke natuurtoestemming’ ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan. Onder een ’onherroepelijke natuurtoestemming’ wordt verstaan een onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 en/of artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming, en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt, dan wel een verleende en onherroepelijke omgevingsvergunning die met toepassing van hoofdstuk IX Natuurbeschermingswet 1998 dan wel onder toepassing van artikel 2.2aa onder a Besluit omgevingsrecht juncto artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo is verleend en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt. De bedoelde ‘onherroepelijke natuurtoestemmingen’ zijn als zodanig opgenomen in Bijlage 7 “Onherroepelijke vergunningen op basis van Wet natuurbescherming resp. Natuurbeschermingswet 1998”;
2
de uitbreiding of wijziging van gebruik gelet op de stikstofemissie afkomstig van die betreffende gronden en bouwwerken zoals bedoeld in lid a en b, op zichzelf niet leidt tot enige stikstofdepositie op enig Natura 2000-gebied.
* wanneer in deze regels 'emissie N/kg/jaar' wordt gebruikt, wordt de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter 'N' bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOx 1.73
trekkershut:
een gebouw van een eenvoudige constructie en een beperkte omvang tot maximaal 40m2 ten behoeve van een kortstondig recreatief verblijf; 1.74
vaartuig:
naast het begrip vaartuig in gebruikelijke zin van het woord, een vaartuig zonder waterverplaatsing, een casco, een vaartuig in aanbouw en een vaartuig dat de geschiktheid tot varen of drijven heeft verloren, dan wel overblijfselen daarvan; 1.75
vast kampeermiddel:
een stacaravan, trekkershut of ander recreatief verblijf, welke naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en al dan niet direct steun vindt in of op de grond en daardoor als bouwwerk is aan te merken; 1.76
voorkeursgrenswaarde:
de maximale waarde voor de geluidsbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder; 1.77
watersituatie:
de waarde van een gebied in waterhuishoudkundige zin die wordt bepaald door de waterkwaliteit en waterkwantiteit in een gebied; 1.78
weidevogelkansgebieden:
Gebieden welke als zodanig door de provincie Fryslân is aangewezen als weidevogelkansgebied; 1.79
windmotor:
een type windmolen met veel bladen voor de bemaling van (kleinere) polders;
1.80
windturbine:
bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding; 1.81
wonen:
het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning als bedoeld in artikel 1.81; 1.82
woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden; 1.83
woonschip voor permanent gebruik:
elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting, in hoofdzaak bestemd is tot dag- of nachtverblijf van één of meer personen; 1.84
woonschip voor recreatief gebruik:
elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting, tot recreatief dag- of nachtverblijf van één of meer personen; 1.85
zorgboerderij:
(voormalig) agrarisch bedrijf waar bedrijfsmatig dagbesteding voor mensen met een zorginstelling wordt geïnitieerd en begeleid.
verstandelijke
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: a. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil (en bij woonschepen tot het waterpeil) tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; b. de bebouwde oppervlakte: van een bouwperceel, bebouwingsstrook, bebouwingsvlak of ander terrein wordt gemeten buitenwerk en 1 m boven peil, met dien verstande dat de grondoppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en en andere bouwwerken worden opgeteld; c. de bedrijfsvloeroppervlakte: wordt gemeten binnenwerks, met dien verstande dat de totale vloeroppervlakte van de bouwlagen ten dienste van kantoren en overige verblijfsruimten met inbegrip van de daarbij behorende magazijnen en overige bedrijfsruimten worden opgeteld; d. de breedte van een gebouw: tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels; e. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; f. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; g.
de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; h. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; i.
de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken) as van de windturbine;
j. de lengte, breedte en diepte van een gebouw: tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenkant van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren; k. de goothoogte van een lessenaarsdak: de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald door de hoogte van de goot aan de hoge zijde van het dak;
l.
ashoogte van een windturbine: Vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein peil.
m. de tiphoogte van een windturbine: de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel;
n. de rotordiameter: de diameter wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiamter, gemeten loodrecht op de as;
Bij de toepassing van het bepaalde in het plan ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden afwijkingen ten gevolge van meetverschillen buiten beschouwing gelaten, mits dat meetverschil, mede gelet op de aard en omvang van hierdoor toegelaten of toe te laten (bouw)werken of werkzaamheden, als van zeer beperkte betekenis moet worden aangemerkt. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilaster, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen,
schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels Artikel 3 3.1
Agrarisch
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarische cultuurgronden; b. grondgebonden agrarische bedrijven al dan niet in combinatie met nietgrondgebonden agrarische nevenactiviteiten, waarvan de oppervlakte van de gebouwen ten behoeve van de agrarische nevenactiviteiten niet meer dan 500 m² bedraagt dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer is, uitsluitend ter plaatse van de gronden op en rondom de aanduiding "agrarisch bedrijf"; c. niet-grondgebonden agrarische bedrijven al dan niet in combinatie met grondgebonden agrarische bedrijven, uitsluitend ter plaatse van een bouwvlak met de aanduiding "intensieve veehouderij"; d. grondgebonden agrarisch bedrijven in combinatie met een agrarisch loonbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "agrarisch loonbedrijf"; e. een baggerspeciedepot, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "baggerspeciedepot"; f. opslag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "opslag"; g. mestzak, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarischmestzak'; h. een veldschuur, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur"; i.
bedrijfswoningen;
j. het wonen op een wijze van een plattelandswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning"; k. een boomkwekerij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - boomkwekerij"; l.
een klusbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - klusbedrijf";
m. de verkoop van aanhangwagens en reparatie, tevens ter plaatse van de "aanduiding specifieke vorm van bedrijf - aanhangwagen verkoop en reparatie"; n. een tweede bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning"; o. (landbouw)ontsluitingswegen, p parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; met daaraan ondergeschikt: q. bestaande windturbines, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "windturbine"; r. bestaande mestvergistingsinstallaties; s. een kaasmakerij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kaasmakerij"; t. een webwinkel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - webwinkel"; u. een boerderijwinkel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - boerderijwinkel";
v. een theetuin, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca theetuin"; w. daghoreca onder de voorwaarde dat dranken en etenswaren hoofdzakelijk overdag worden verstrekt, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "horeca"; x. veeartspraktijk uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veearts'; y. uitkijkpunt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitkijkpunt'; z. weegbrug uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch weegbrug'; aa. een rijbak uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'rijbak'; bb. voet-, fiets- en ruiterpaden; cc. water; dd. dagrecreatieve voorzieningen, uitsluitend in de vorm van parkeer- en picknickvoorzieningen, visplaatsen, aanlegplaatsen en naar de aard daarmee gelijk te stellen kleinschalige voorzieningen; ee.
bestaande verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van een kleinschalig kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein", waarbij het aantal staanplaatsen voor mobiele kampeermiddelen is beperkt tot het aantal dat is vastgelegd in bijlage 3 "Lijst met aantal kampeermiddelen, kampeergebouwen en trekkershutten" per aanduidingsvlak, met dien verstande dat in de periode van 1 november tot en met 14 maart van elk kalenderjaar geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn; ff. trekkershutten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - trekkershutten"; gg. openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; en ter plaatse van de aanduiding: hh. "vrijwaringszone - molenbiotoop", tevens voor de bescherming van de windvang van de in het centrum van de molenbiotoop gelegen windmolen; ii. "ijsbaan", tevens voor een natuurijsbaan; jj. "specifieke vorm van agrarisch - opgaande beplanting", tevens voor opgaande beplanting, met dien verstande dat alleen beplanting is toegestaan zoals vastgelegd in het beplantingsplan (bijlage 4 "Beplantingsplan Koaidyk 11, It Heidenskip"); kk. "specifieke vorm van agrarisch - opgaande beplanting", tevens voor opgaande beplanting; ll. 'specifieke vorm van recreatie - recreatieappartementen' tevens voor recreatieappartementen; mm.
"nutsvoorziening", tevens voor een weerstation;
In de bestemming zijn tevens de volgende nevenactiviteiten begrepen: nn. gebruiksgerichte paardenhouderij (paardenpension, geen manegebedrijfsactiviteiten); oo. aan-huis-verbonden beroepen; pp. bêd & brochje, mits het aantal daarvoor beschikbare kamers beperkt blijft tot 2 per bedrijfswoning, met een maximum van 5 slaapplaatsen; qq. stalling en/of opslag van vaartuigen of kampeermiddelen; rr. boerderijwinkel ten behoeve van verkoop van voornamelijk productiegebonden streekproducten met een netto verkoopvloeroppervlakte van ten hoogste 100 m²; ss. theeschenkerij;
tt. maatschappelijke en zorgactiviteiten, met dien verstande dat: 1
deze activiteiten uitsluitend zijn toegestaan als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf;
2
de nevenactiviteiten uitsluitend zijn toegestaan in bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen;
3
ten hoogste 1/3 deel van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen, tot een oppervlakte van ten hoogste 500 m² voor de voornoemde nevenactiviteiten mogen worden gebruikt.
3.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding – monument” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 43.2 van toepassing;
2
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
3
voor zover er een relatie is opgenomen op de verbeelding tussen twee onderdelen van een bedrijf, moeten de bouwregels zo worden gelezen dat voor deze beide onderdelen in gezamenlijkheid (bij elkaar opgeteld) geldt dat ze aan de bouwregels moeten voldoen;
b. Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een denkbeeldige rechthoek van maximaal 1,5 hectare dat gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf" of binnen een bouwvlak ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf" of binnen een bouwvlak met de aanduiding "intensieve veehouderij", met uitzondering van: 1
gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
c. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen ten behoeve van agrarische bedrijven gelden de volgende regels: 1
per denkbeeldige rechthoek of bouwvlak mogen uitsluitend bedrijfsgebouwen ten behoeve van 1 agrarisch bedrijf worden gebouwd, waaronder voor de bedrijven ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" de voor dat doel benodigde gebouwen begrepen;
2
de diepte van een denkbeeldige rechthoek mag ten hoogste 180 m bedragen, gerekend vanaf de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning of bedrijfsgebouwen. De breedte van een denkbeeldige rechthoek mag ten hoogste 140 m bedragen, zodanig dat er wordt gebouwd binnen een denkbeeldige rechthoek;
3
de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan respectievelijk 5 m en 14 m bedragen;
4
de dakhelling van bedrijfsgebouwen mag niet minder dan 15° bedragen, met uitzondering van een oppervlakte van maximaal 100 m² en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende dakhelling' mag de dakhelling minder bedragen dan 15°;
5
het aantal bedrijfswoningen mag niet meer dan 1 dan wel het bestaande aantal per denkbeeldige rechthoek bedragen, tenzij: a. de gronden zijn aangeduid met de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten"; of
b. een voormalige bedrijfswoning is aangeduid als ‘plattelandswoning; waarvoor geldt dat er geen bedrijfswoning mag worden gebouwd; 6
de oppervlakte van een niet-inpandige bedrijfswoning mag niet meer dan 150 m² bedragen;
7
de goot- en bouwhoogte van niet-inpandige bedrijfswoningen mag niet meer dan respectievelijk 5 m en 10 m bedragen, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte als deze hoger is;
8
de dakhelling van niet-inpandige bedrijfswoningen mag niet minder dan 15° bedragen;
9
de afstand van de voorgevel van een bedrijfswoning tot de as van een weg met de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' mag niet minder dan de bestaande afstand bedragen;
d. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1
bijbehorende bouwwerken op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de hoofdvorm mogen worden gebouwd;
2
de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd;
3
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;
5
de bouwhoogte van aan de hoofdvorm gebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, en; − de bouwhoogte van aan de hoofdvorm gebouwde bijbehorende bouwwerken welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
6
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op de overige gronden per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien de bedrijfswoning meerdere woningen omvat, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bestemmingsvlak niet dan 150 m 2 mag bedragen; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 90% van de oppervlakte van de hoofdvorm mag bedragen;
e. In afwijking van sub a en b gelden voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" de volgende regels: 1
gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
2
de goothoogte mag niet meer dan de bestaande goothoogte bedragen;
3
de bouwhoogte mag niet meer dan de bestaande bouwhoogte bedragen.
f. In afwijking van sub a en b gelden voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - beheergebouw" de volgende regels: 1
gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
2
de goothoogte mag niet meer dan de bestaande goothoogte bedragen;
3
de bouwhoogte mag niet meer dan de bestaande bouwhoogte bedragen.
g. In afwijking van sub a en b gelden voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding "opslag" de volgende regels: 1
gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
2
de goothoogte mag niet meer dan de bestaande goothoogte bedragen;
3
de bouwhoogte mag niet meer dan de bestaande bouwhoogte bedragen.
h. Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van een natuurijsbaan gelden de volgende regels:
i.
1
bouwwerken mogen uitsluitend binnen het aanduidingsvlak worden gebouwd;
2
de oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte;
3
de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;
4
de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 10 m.
Voor het bouwen van trekkershutten, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - trekkershutten" gelden de volgende regels: 1
er mogen geen stacaravans/chalets worden geplaatst;
2
de goot- en bouwhoogte van een trekkershut mag niet maar dan 3,5 en 5,5 m bedragen;
3
de dakhelling van trekkershutten mag niet minder dan 40° bedragen;
4
de oppervlakte per trekkershut mag niet meer dan 35 m² bedragen;
5
de trekkershutten moeten gebouwd worden binnen een bouwvlak of denkbeeldige rechthoek van maximaal 1,5 hectare van het agrarisch bedrijf in aansluiting op de bestaande bebouwing;
6
het aantal trekkershutten ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - trekkershutten" mag niet meer bedragen dan het aantal zoals is vastgelegd in bijlage 3 'Lijst met aantal kampeermiddelen, kampeergebouwen en trekkershutten'.
j. Voor het bouwen van bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" gelden de volgende regels: 1
er mogen geen stacaravans/chalets worden geplaatst;
2
de oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van beheervoorzieningen en sanitaire voorzieningen mag maximaal 200m² bedragen;
3
de beheervoorzieningen en sanitaire voorzieningen moeten gebouwd worden binnen een bouwvlak of denkbeeldige rechthoek van maximaal 1,5 hectare van het agrarisch bedrijf in aansluiting op de bestaande bebouwing;
4
voor het overige zijn de regels van artikel 3.2 van toepassing.
k. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding geldt de volgende regel: − l.
de inhoud per gebouw mag niet meer dan 50 m³ bedragen.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend binnen een denkbeeldige rechthoek of bouwvlak, mag niet meer dan 14 m bedragen;
2
de bouwhoogte van torensilo's, uitsluitend binnen een denkbeeldige rechthoek of bouwvlak, mag niet meer dan meer dan 25 m bedragen;
3
sleufsilo's mogen uitsluitend binnen een bouwvlak of een denkbeeldige rechthoek worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van sleufsilo's niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
het bouwen van mestvergistingsinstallaties is niet toegestaan, met uitzondering van bestaande mestvergistingsinstallaties;
5
het bouwen van windturbines is niet toegestaan met uitzondering van een windturbine uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "windturbine", waarbij de bouwhoogte en rotordiameter niet meer mag bedragen dan de bestaande bouwhoogte en rotordiameter;
6
mestzakken mogen uitsluitend binnen een denkbeeldige rechthoek of bouwvlak worden gebouwd/geplaatst dan wel uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – mestzak’
7
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten de denkbeeldige rechthoek of bouwvlak, mag niet meer dan 2 m bedragen.
3.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld;
−
de windvang van een molen,
nadere eisen stellen aan: a. de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een compacte bebouwing binnen een denkbeeldige rechthoek; b. de landschappelijke inpassing van de bebouwing in de omgeving; c. de plaats van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. 3.4 3.4.1
Afwijken van de bouwregels Afwijkingen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 3.2, sub a en b onder 1, voor het bouwen van bouwwerken buiten de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare, mits: 1
de bebouwing ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt gesitueerd binnen een denkbeeldige rechthoek die maximaal 2 ha bedraagt en die gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf";
2
de nieuwe bebouwing aansluitend op de bestaande denkbeeldige rechthoek wordt gesitueerd zodat één bouwensemble op een vergroot bouwperceel wordt verkregen;
3
het agrarisch bedrijf qua ontsluiting zorgvuldig wordt ingepast;
4
het procesmodel Nije Pleats (zie bijlage 9) of een vergelijkbaar procesmodel wordt gevolgd;
5
voor het overige de bouwregels van lid 3.2 van overeenkomstige toepassing zijn.
b. lid 3.2, sub b voor het uitbreiden van de oppervlakte van stalruimte ten behoeve van intensieve veehouderij met ten hoogste 10%, ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" of ten behoeve van een bestaande ondergeschikte tak van intensieve veehouderij, mits: 1
dit noodzakelijk is in verband met de wettelijke eisen op het gebied van dierenwelzijn;
2
het aantal dieren en/of dierplaatsen niet toeneemt;
3
indien sprake is van een ondergeschikte tak van intensieve veehouderij, deze tak ook ondergeschikt blijft na uitbreiding van de stalruimte;
4
voor het overige de bouwregels van lid 3.2 van overeenkomstige toepassing zijn.
c. lid 3.2, sub c, onder 3 tot een goothoogte van niet meer dan 6,5 m, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van de huisvesting van vee en bedrijfswoningen. d. lid 3.2, sub c, onder 3 en 4 voor een afwijkende goothoogte en dakhelling ten behoeve van het bouwen van serrestallen, mits: 1
wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
e. lid 3.2, sub c onder 9 voor het bouwen van de voorgevel van een bedrijfswoning op een afstand van de weg die minder is dan de bestaande afstand, met dien verstande dat, indien de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer meer dan de voorkeursgrenswaarde bedraagt, de omgevingsvergunning slechts wordt verleend in overeenstemming met een verkregen hogere grenswaarde. f. lid 3.2, sub l, onder 4 voor het bouwen van mono-mestvergistingsinstallaties, met dien verstande dat: 1
de installatie uitsluitend wordt gevuld met mest die afkomstig is van het eigen bedrijf;
2
de installatie binnen de denkbeeldige rechthoek of bouwvlak wordt gebouwd;
3
de PR 10-6 contour binnen de denkbeeldige rechthoek moet vallen, dan wel binnen de PR 10-6 contour geen kwetsbare dan wel beperkt kwetsbare objecten zijn gelegen;
4
de bebouwing ondergeschikt is aan de bedrijfsgebouwen;
5
er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.
g. lid 3.2. sub h voor het bouwen van een voetbalkooi op het perceel ter plaatse van de aanduiding "ijsbaan" op het perceel kadastraal bekend Workum, sectie G, nr 587/858, met dien verstande dat: 1
er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
2
de oppervlakte van de voetbalkooi niet meer dan 250m2 mag bedragen;
3
de hoogte van andere bouwwerken niet meer dan 4,5 m mag bedragen;
4
de situering van de voetbalkooi mag geen beperking opleveren voor het gebruik als ijsbaan
5 h. lid 3.2. sub i voor het bouwen van trekkershutten, met dien verstande dat:
i.
1
er mogen geen stacaravans/chalets worden geplaatst;
2
de goot- en bouwhoogte van een trekkershut mag niet maar dan 3,5 en 5,5 m bedragen;
3
de dakhelling van trekkershutten mag niet minder dan 40° bedragen;
4
de oppervlakte per trekkershut mag niet meer dan 40 m2 bedragen;
5
de trekkershutten moeten gebouwd worden binnen een bouwvlak of denkbeeldige rechthoek van maximaal 1,5 hectare van het agrarisch bedrijf in aansluiting op de bestaande bebouwing;
6
het aantal trekkershutten mag niet meer bedragen dan 10.
2
lid 3.2 onder d, sub 1 het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van ) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning;
j. lid 3.2 onder c, sub 6 voor het bouwen van een bedrijfswoning met een oppervlakte >150 m2, mits: 1
er in geringe mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke bebouwing in de vorm van een stelp, kophals-rompboerderij of kop-rompboerderij;
k. lid 3.2 onder l, sub 5 voor het plaatsen van ten hoogste 2 kleine windturbines op of direct op of grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf, mits: 1
de ashoogte van een windturbine ten hoogste 15 meter bedraagt;
2
het op te stellen vermogen moet zijn gericht op het eigen bedrijf;
3
de mogelijkheden voor zonnepanelen moeten zijn verkend;
4
voldaan wordt aan het 'Toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân' bijlage 11 van de regels en indien deze beleidsregel gedurende de planperiode van dit plan wijzigt, rekening wordt gehouden met de wijziging;
5
de aanvraag tevens voor een beoordeling aan de provincie Fryslân wordt voorgelegd.
3.4.2
Toetsingscriteria
a. De in lid 3.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatie mogelijkheden;
−
cultuurhistorische waarden;
−
het landschappelijk beeld,
b. De in lid 3.4.1, sub a, bedoelde omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven wordt uitsluitend verleend indien:
1
3.5
de noodzaak uit oogpunt van een adequate agrarische bedrijfsvoering is aangetoond. Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor nieuwe geitenhouderijen en het bouwen ten behoeve hiervan is niet toegestaan. Hieronder wordt begrepen:
−
1
nieuwvestiging van geitenhouderijen, al dan niet als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf;
2
het uitbreiden van een geitenhouderij, door het aantal met één of meer geiten dat wordt gehouden uit te breiden;
het verbod zoals in lid a. is bepaald, geldt vanaf de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan;
b. het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen, met uitzondering van de bestaande terreinen voor kleinschalig kamperen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein"; c. het gebruik van gronden voor trekkershutten, met uitzondering van de terreinen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - trekkershutten"; d. het gebruik van gronden voor voer- en mestopslag buiten een denkbeeldige rechthoek, met uitzondering van de bestaande vormen van voer- en mestopslag buiten een denkbeeldige rechthoek mits een omgevingsvergunning is verleend; e. het gebruik van de gronden ten behoeve van houtproductie, boomgaarden en boomkwekerijen; f. het gebruik van gebouwen voor het houden van dieren op meer dan één bouwlaag; g. het gebruik van gronden en bouwwerken voor nevenactiviteiten anders dan de in lid 3.1 aangegeven nevenactiviteiten met de bijbehorende voorwaarden; h. het gebruik van gronden ten behoeve van de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond- en bodemspecie, puin en hekkelmateriaal; i.
het gebruik van gronden voor beplantingsstroken, met uitzondering van bestaande beplantingsstroken en beplantingsstroken welke op grond van dit plan dienen te worden gerealiseerd ten behoeve van landschappelijke inpassing;
j. het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige bewoning; l.
het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken.
3.6 3.6.1
Afwijken van de gebruiksregels Afwijkingen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 3.5, sub a, indien uit onderzoek in voldoende mate is gebleken dat gezondheidsrisico’s van personen die verblijven in nabij gelegen functies, zijn uit te sluiten; 1
het bevoegd gezag betrekt bij het al dan niet bij verlenen van de omgevingsvergunning in ieder geval:
−
−
de afstand van de geitenhouderij tot bestaande of geprojecteerde woonfuncties of andere gevoelige verblijfsfuncties; een advies van de GGD of andere onafhankelijke deskundige, zo lang er geen algemene nieuwe inzichten zijn.
b. lid 3.1 voor het gebruik van gronden ten behoeve van rijbakken indien is gebleken dat de aanleg van een rijbak op het erf van een woning dan wel op een agrarisch bouw- of bedrijfsperceel in verband met de beperkte ruimte of de terreininrichting of om andere redenen redelijkerwijs niet mogelijk is, met dien verstande dat: 1
de afstand van de rijbak tot het eigen erf niet meer dan 30 m mag bedragen;
2
de afstand van de rijbak tot het erf van derden ten minste 15 m dient te bedragen;
3
de afstand van de rijbak tot de woning van derden ten minste 30 m dient te bedragen;
4
de oppervlakte per rijbak niet meer dan 1.250 m² mag bedragen;
5
de hoogte van omheiningen niet meer dan 2 m mag bedragen;
6
het aantal lichtmasten niet meer dan 4 mag bedragen;
7
de hoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 5 meter.
c. lid 3.2 en lid 3.5 voor het gebruik van gronden ten behoeve van de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond- en bodemspecie, puin en hekkelmateriaal, ten behoeve van de waterbeheersing, verkeersvoorzieningen en andere civieltechnische en cultuurtechnische werkzaamheden. d. lid 3.2 en lid 3.5 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor niet-agrarische bedrijvigheid: 1
mits de bedrijven zijn opgenomen in categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijven;
2
mits de bedrijven geen grote verkeersaantrekkende werking hebben;
3
mits de bedrijvigheid niet gepaard gaat met opslag en/of stalling buiten bedrijfsgebouwen;
4
met dien verstande dat de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor niet-agrarische bedrijvigheid als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf;
5
met dien verstande dat de niet-agrarische bedrijvigheid uitsluitend is toegestaan in bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen;
6
met dien verstande dat de omgevingsvergunning wordt verleend voor ten hoogste 1/3 deel van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen, tot een oppervlakte van ten hoogste 500 m².
e. lid 3.1 en lid 3.5 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor maximaal 5 recreatieappartementen met een oppervlakte van ten hoogste 100 m² vloeroppervlakte per appartement, met dien verstande dat: 1
de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor recreatieappartementen als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf;
2
ten hoogste 1/3 deel van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen, tot een oppervlakte van ten hoogste 500 m² voor de voornoemde nevenactiviteiten mogen worden gebruikt;
3
de recreatieappartementen uitsluitend zijn toegestaan in bestaande bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen.
f. lid 3.1 en lid 3.5 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor een groepsaccommodatie, met dien verstande dat:
1
de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor een groepsaccommodatie als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf;
2
de groepsaccommodatie uitsluitend is toegestaan in bestaande bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen;
3
de omgevingsvergunning wordt verleend voor ten hoogste 1/3 deel van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen, tot een oppervlakte van ten hoogste 500 m².
g. lid 3.1 en lid 3.5 voor het gebruik van gronden voor de realisatie van een nieuw kleinschalig kampeerterrein dan wel de uitbreiding van een bestaand kleinschalig kampeerterrein met dien verstande dat: 1
per dorps- of stadsgebied binnen de planperiode één is toegestaan; deze beperking geldt niet voor de stads- en dorpsgebieden die in het streekplan zijn aangeduid als 'stedelijk centrum' (Sneek), 'regionaal centrum ' (Makkum en Workum) en de recreatiekernen (Hindeloopen, Koudum en Stavoren);
2
(de uitbreiding van) een kleinschalig kampeerterrein op of in aansluiting bij het erf wordt gerealiseerd;
3
(de uitbreiding van) een kleinschalig kampeerterrein op ten minste 500 m van een bestaand kleinschalig kampeerterrein dient te worden gesitueerd;
4
de omgevingsvergunning niet wordt verleend voor zover de gronden grenzen aan de bebouwde kom of gelegen zijn binnen een afstand van 50 m tot een woon- of een bedrijfsperceel van derden;
5
de omgevingsvergunning slechts wordt verleend indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
6
rond (de uitbreiding van) een kleinschalig kampeerterrein wordt voorzien in een algehele of gedeeltelijke afschermende beplantingsstrook, waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt;
7
het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen ten hoogste 35 mag bedragen;
8
er geen stacaravans mogen worden gebouwd/ geplaatst;
9
in de periode van 1 november tot en met 14 maart van elk kalenderjaar geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn;
10 de oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van beheervoorzieningen en sanitaire voorzieningen ten hoogste 200 m² per kleinschalig kampeerterrein mag bedragen; 11 voor het bouwen van gebouwen de regels uit lid 3.2 overeenkomstig van toepassing zijn. h. lid 3.1 en lid 3.5, al dan niet in combinatie met de omgevingsvergunning als bedoeld in sub e, voor het gebruik van gronden voor de realisatie van een haventje met ligplaatsen ten behoeve van een groepsaccommodatie met dien verstande dat:
i.
1
het aantal ligplaatsen nooit meer dan 25 mag bedragen;
2
de ligplaatsen worden gerealiseerd binnen een haventje, met het oog op het intact laten van de natuurlijke oevers. Hierbij wordt, afhankelijk van de situatie, de oever doorsneden door de haveningang;
3
alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, door de initiatiefnemer overleg is gepleegd met de waterbeherende instantie.
lid 3.1 en lid 3.5 al dan niet in combinatie met de omgevingsvergunning als bedoeld in sub g, voor het gebruik van gronden voor de realisatie van een haventje met ligplaatsen ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein ter plaatse van de
aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein", met dien verstande dat: 1
het aantal ligplaatsen nooit meer dan het aantal kampeermiddelen mag bedragen;
2
de ligplaatsen worden gerealiseerd binnen een haventje, met het oog op het intact laten van de natuurlijke oevers. Hierbij wordt, afhankelijk van de situatie, de oever doorsneden door de haveningang;
3
de ligplaatsen niet mogen worden gebruikt in de periode van 1 november tot en met 14 maart van elk kalenderjaar;
4
alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, door de initiatiefnemer overleg is gepleegd met de waterbeherende instantie.
j. lid 3.1. en lid 3.5. voor het bouwen van maximaal 10 trekkershutten ten behoeve van het kleinschalig kamperen mits: −
de trekkershutten moeten gebouwd worden binnen een bouwvlak of denkbeeldige rechthoek van maximaal 1,5 hectare van het agrarisch bedrijf in aansluiting op de bestaande bebouwing;
−
er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
−
de oppervlakte van een trekkershut niet meer dan 40m2 bedraagt;
−
de goothoogte niet meer dan 3,5 m bedraagt;
−
de bouwhoogte niet meer dan 5,5 m bedraagt
−
de dakhelling van trekkershutten mag niet minder dan 40m² bedragen;
−
de trekkershutten niet voor de voorgevel worden geplaatst;
−
de trekkershutten niet voor permanente bewoning worden gebruikt.
k. lid 3.1 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor een voetbalkooi ter plaatse van de aanduiding "ijsbaan" op het perceel kadastraal bekend Workum, sectie G, nr 587/858, met dien verstande dat: 1
er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
2
de oppervlakte van de voetbalkooi niet meer dan 250m2 mag bedragen;
3
de hoogte van andere bouwwerken niet meer dan 4,5 m mag bedragen;
4
de situering van de voetbalkooi mag geen beperking opleveren voor het gebruik als ijsbaan
3.6.2
Toetsingscriteria
De in lid 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend: 1. mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de hoofdbestemming (indien er meerdere aspecten uit 3.6.1 op het perceel aanwezig zullen zijn);
−
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld,
−
de ecologische waarden, en;
2. wanneer, indien er meerdere nevenactiviteiten op het perceel aanwezig (zullen) zijn, voor de cumulatie van de nevenactiviteit(en) genoemd in 3.6.1 onder d, e en f, geldt dat dit gezamenlijk voor ten hoogste 1/3 deel van voormalige bedrijfsgebouwen en
bedrijfswoningen, tot een oppervlakte van ten hoogste 500 m² wordt gebruikt ten behoeve van de nevenactiviteit(en). 3.7 3.7.1
Wijzigingsbevoegdheid Wijziging