CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - Regels bestemmingsplan BGB-II

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’31.878 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Bouwregels

22.2.1

Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 22.2.2

Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,00 m; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 8,00 m; c. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken geen overkappingen zijnde bedraagt ten hoogste 5,50 m; d. in afwijking van het bepaalde onder c mag de bouwhoogte van verkeersregelende voorzieningen, lichtmasten en geluidswerende voorzieningen maximaal 12,00 meter bedragen. 22.3

Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. de sociale veiligheid; c. de verkeersveiligheid; d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

84

Artikel 23

Verkeer - Railverkeer

23.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Verkeer - Railverkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. spoorwegen, met daarbij inbegrepen bermen, spoorwegovergangen en dergelijke; met de daarbij behorende: b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. groenvoorzieningen; d. nutsvoorzieningen; e. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; f. een toegangsweg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting'; met dien verstande dat: g. de bestemming, afgezien van een plaatselijke verbreding of versmalling, niet voorziet in een wijziging van het aantal spoorbanen. 23.2

Bouwregels

a. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd; b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel: 1

de bouwhoogte mag, gemeten vanaf de bovenkant van de spoorstaaf, niet meer dan 10 m bedragen.

23.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −

het landschappelijk beeld;

−

de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

−

de verkeersveiligheid,

nadere eisen stellen aan: a. de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

85

Artikel 24

Verkeer - Wegverkeer

24.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Verkeer - Wegverkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden; b. verlaadplaatsen voor landbouwproducten; c. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; d. openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; e. parkeer- en picknickplaatsen; f. bruggen en voorzieningen ten behoeve van de bediening van kunstwerken; g. een snellaadstation, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - snellaadstation'; h. een verkooppunt voor motorbrandstoffen inclusief lpg en ondergeschikte detailhandel in bijbehorende accessoires, benodigdheden voor motorvoertuigen en weggebonden artikelen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'; i.

dagrecreatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘dagrecreatie’;

j. opslag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'opslag'. met daaraan ondergeschikt: k. water; l.

groenvoorzieningen;

met dien verstande dat: de bestemming, afgezien van een plaatselijke verbreding of versmalling, niet voorziet in een ingrijpende wijziging van het profiel, waarbij het aantal rijstroken van de A7 niet meer dan 4 mag bedragen en het aantal rijstroken van overige wegen niet meer dan 2 mag bedragen. 24.2

Bouwregels

a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – monument' zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 41.2;

2

ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 41.3;

b. Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van wegverkeer, openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding worden gebouwd, hiervoor gelden de volgende regels: 1

de inhoud per gebouw mag niet meer dan 50 m³ bedragen.

c. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder kunstwerken, gelden de volgende regels: 1

de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer dan 15 m bedragen;

2

de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer dan 10 m bedragen.

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

86

24.3

Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −

de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

−

de milieusituatie;

−

het straat- en bebouwingsbeeld;

−

de verkeersveiligheid;

−

de watersituatie;

−

de (openlucht) recreatiemogelijkheden;

−

het landschappelijk beeld,

nadere eisen stellen aan: a. de plaats van gebouwen; b. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 3 m bedraagt.

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

87

Artikel 25

Water

25.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water en oeverstroken, met een functie voor het scheepvaartverkeer, de waterrecreatie, de natuur en de waterhuishouding; b. bruggen en voorzieningen ten behoeve van de bediening van kunstwerken; c. dagrecreatieve voorzieningen, uitsluitend in de vorm van parkeer-, en picknickvoorzieningen, visplaatsen, aanlegplaatsen en naar de aard daarmee gelijk te stellen kleinschalige voorzieningen; d. een woonschepenligplaats voor permanente bewoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats'; e. recreatieve woonschepen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van water – recreatie-ark; f. ligplaatsen, ter plaatse van de aanduiding 'ligplaats'; g. openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; h. agrarisch medegebruik van kaden en oeverstroken; i.

een aquaduct, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘aquaduct’;

j. kampeer mogelijkheden in combinatie met een Marrekriteligplaats, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - Marrekriteplaats met kampeermogelijkheid’, tevens voor 3 standplaatsen voor kampeermiddelen per aangeduid gebied, met dien verstande dat: 1

de standplaatsen uitsluitend ten behoeve van aanlegplaatsen mogen worden gebruikt;

2

in de periode van 1 november tot en met 14 maart van elk kalenderjaar geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn;

k. een haven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'haven'; l.

een sluis, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'sluis';

m. dagrecreatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'dagrecreatie'. 25.2

Bouwregels

a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – monument' zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 41.2;

2

ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 41.3;

b. Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding worden gebouwd, hiervoor gelden de volgende regels: 1

de inhoud per gebouw mag niet meer dan 50 m³ bedragen.

c. Ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats' gelden de volgende regels: 1

ter plaatse van de aanduiding ‘woonschepenligplaats’ is niet meer dan één woonschip toegestaan;

2

de onderlinge afstand tussen de woonschepen bedraagt minimaal 3 meter;

3

de breedte van de woonschepen bedraagt maximaal 7 meter;

4

de bouwhoogte van de woonschepen bedraagt maximaal 4,6 meter en wordt gemeten vanaf de waterlijn;

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

88

5

uitsluitend de bestaande aanlegvoorzieningen, waaronder steigers, vlonders en oeverbeschoeiingen zijn toegestaan.

d. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water – recreatie-ark' gelden de volgende regels: 1

recreatiewoonschepen zijn uitsluitend toegestaan op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van water – recreatie-ark;

2

ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van water – recreatie-ark' is niet meer dan één recreatiewoonschip toegestaan;

3

de maximale lengte van één recreatiewoonschip mag niet meer bedragen dan de bestaande lengte;

4

de maximale breedte van één recreatiewoonschip mag niet meer bedragen dan de bestaande breedte;

5

de bouwhoogte van een recreatiewoonschip mag niet meer dan 3,5 m bedragen, met dien verstande dat een recreatiewoonschip uit niet meer dan 1 bouwlaag bestaat;

6

bij recreatiewoonschepen mogen geen bijgebouwen worden gebouwd.

e. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder kunstwerken, gelden de volgende regels: 1

de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer dan 15 m bedragen.

2

voor aquaducten ter plaatse van de aanduiding ‘aquaduct’ geldt de bestaande maatvoering;

3

de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding en regeling van het verkeer, mag niet meer dan 10 m bedragen.

25.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −

de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

−

de milieusituatie;

−

het straat- en bebouwingsbeeld;

−

de verkeersveiligheid;

−

de watersituatie;

−

de (openlucht) recreatiemogelijkheden;

−

het landschappelijk beeld;

nadere eisen stellen aan: a. de plaats van gebouwen; b. de doorvaarthoogte en -breedte van bruggen; c. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 3 m bedraagt.

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

89

25.4

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen het innemen van een ligplaats.

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

90

Artikel 26 26.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. het recreatief bewonen van een woning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning'; c. het gebruik van gebouwen ten behoeve van recreatieve activiteiten, zoals pension, expositieregeling, kleinschalige culturele manifestaties en daarmee vergelijkbare recreatieve activiteiten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - recreatief medegebruik’; d. ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' is wonen niet toegestaan; e. een schildersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - schildersbedrijf'; f. een zorgboerderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij'; g. een theetuin, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca theetuin', waarbij voor Wolsumerketting 5 te Wolsum geldt dat hieronder wordt verstaan het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden en (alcoholhoudende) dranken voor het gebruik ter plaatse in de schuur en het terras aan het water conform de verleende exploitatie- en Alcoholwetvergunning van 15 mei 2013; h. een theeschenkerij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van horeca - theeschenkerij'; i.

een hoveniersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'hovenier';

j. bestaande verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van een kleinschalig kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein', waarbij het aantal staanplaatsen voor mobiele kampeermiddelen is beperkt tot het aantal dat is vastgelegd in bijlage 4 'Lijst met aantal kampeermiddelen' per aanduidingsvlak, met dien verstande dat in de periode van 1 november tot en met 14 maart van elk kalenderjaar geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn; k. kanoverhuurbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van recreatie - kanoverhuur'; l.

een architectenbureau ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen architectenbureau';

m. een ‘rijbak’ ter plaatse van de aanduiding 'rijbak'; n. een ‘ecologische verbindingszone’ ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone'. met daaraan ondergeschikt: o. aan-huis-verbonden beroep; p. bêd & brochje, mits het aantal daarvoor beschikbare kamer beperkt blijft tot 2 per woning, met een maximum van 5 slaapplaatsen; q. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; r. openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; s. water; t .parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 46.1; u. groenvoorzieningen; v. tuinen en erven. en met inbegrip van de volgende nevenactiviteiten: w. het hobbymatig houden van vee;

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

91

x. stalling en/of opslag van vaartuigen of kampeermiddelen; y. theeschenkerij. 26.2

Bouwregels

a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – monument' zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 41.2;

2

ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 41.3.

b. Voor het bouwen van een hoofdvorm gelden de volgende regels: 1

het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer dan 1 bedragen dan wel niet meer dan het aantal aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';

2

de oppervlakte per hoofdvorm mag niet meer dan 150 m² bedragen;

3

de goothoogte mag niet meer dan 4,5 m bedragen dan wel de bestaande goothoogte indien deze meer is;

4

de bouwhoogte mag niet meer dan 10,0 m bedragen;

5

de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder dan 3 m bedragen, dan wel de bestaande afstand;

6

de afstand van de voorgevel van een woning tot de as van een weg met de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' mag niet minder dan de bestaande afstand bedragen;

7

de hoofdvorm dient, gezien vanaf de weg, gesitueerd te zijn voor de (bestaande) bijbehorende bouwwerken en overkappingen, danwel de bestaande situering.

c. In afwijking van het bepaalde onder b geldt dat binnen de bebouwde kom van Oudega de volgende bouwregels van toepassing zijn: 1

de hoofgebouwen dienen in het bouwvlak te worden gebouwd;

2

het aantal woningen per bouwvlak mag niet meer bedragen dan het aantal aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';

3

tenminste één zijde van de woning dient in de aangegeven gevellijn te worden gebouwd;

4

de oppervlakte per hoofdvorm mag niet meer dan 150 m² bedragen;

5

ter plaatse van de aanduiding 'minimum en maximum goot- en bouwhoogte (m) en minimum en maximum dakhelling': − bedragen de goot- en bouwhoogte niet minder dan de minimum goot- en bouwhoogte en niet meer dan de maximum goot- en bouwhoogte, en; − bedraagt de dakhelling niet minder dan de minimum dakhelling en niet meer dan de maximum dakhelling; − mogen, in afwijking van sublid 1 en 2, de bestaande goot- en bouwhoogte en dakhelling gehandhaafd blijven, indien deze hiervan afwijken.

d. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een hoofdvorm gelden de volgende regels: 1

bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de hoofdvorm mogen worden gebouwd;

2

de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

92

bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de hoofdvorm waaraan wordt gebouwd; 3

de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;

4

de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;

5

de bouwhoogte van aan de hoofdvorm gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de hoofdvorm gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de hoofdvorm, en − de bouwhoogte van aan de hoofdvorm gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen

6

de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per hoofdvorm niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien de hoofdvorm meerdere woningen omvat, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet dan 150 m2 mag bedragen; − niet meer dan 50% van een bouwperceel mag worden bebouwd; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de hoofdvorm mag bedragen;

e. Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een recreatiewoning ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning' gelden de volgende regels: 1

gebouwen mogen uitsluitend binnen een bestemmingsvlak worden gebouwd;

2

de oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte;

3

de goothoogte mag niet meer dan de bestaande goothoogte bedragen;

4

de bouwhoogte mag niet meer dan de bestaande bouwhoogte bedragen.

f. Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van een rijbak (de rijbak) als hobby bij de woning in het bestemmingsvlak zijn alleen toegestaan als aan alle onderstaande randvoorwaarden wordt voldaan: - de afstand van de rijbak tot het eigen erf niet meer dan 30 m mag bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot het erf van derden ten minste 15 m dient te bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot de woning van derden ten minste 30 m dient te bedragen, en; - de oppervlakte per rijbak niet meer dan 1.250 m² mag bedragen, en; - de hoogte van omheiningen niet meer dan 2 m mag bedragen, en; - het aantal lichtmasten niet meer dan 4 mag bedragen, en; - de hoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 5 meter; g. Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1

de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw mag niet meer dan 1 m bedragen;

2

de bouwhoogte van overige terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

93

3

26.3

de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5,5 m bedragen. Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −

de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

−

de milieusituatie;

−

het straat- en bebouwingsbeeld;

−

de verkeersveiligheid;

−

de watersituatie;

−

de (openlucht) recreatiemogelijkheden;

−

het landschappelijk beeld,

nadere eisen stellen aan: a. de plaats van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. 26.4 26.4.1

Afwijken van de bouwregels Afwijkingen

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. het bepaalde in lid 26.2, sub b, onder 6 voor het bouwen van de voorgevel van een woning op een afstand van de weg die minder is dan de bestaande afstand, met dien verstande dat, indien de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer meer dan de voorkeursgrenswaarde bedraagt, de omgevingsvergunning slechts wordt verleend in overeenstemming met een verkregen hogere grenswaarde; b. het bepaalde in lid 26.2, sub d, onder 1 voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen op minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw. 26.4.2

Toetsingscriteria

a. De in lid 26.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −

de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

−

de milieusituatie;

−

het straat- en bebouwingsbeeld;

−

de verkeersveiligheid;

−

de watersituatie;

−

de (openlucht) recreatiemogelijkheden;

−

het landschappelijk beeld,

b. De in lid 26.4.1, sub a bedoelde omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend worden verleend indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing. 26.5

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor zelfstandige bewoning;

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

94

b. het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning; c. het gebruik van een woonhuis en/of bijbehorende bouwwerken voor recreatieve bewoning; d. het gebruik van gedeelten van een woning, inclusief aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen bij de woning, voor aanhuis-verbonden beroepen, indien de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte in de woning meer bedraagt dan 30% van de begane vloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 50 m²; e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden anders dan logiesverstrekking voor recreatieve bewoning in de woning op de wijze van bêd & brochje ten behoeve waarvan maximaal twee kamers worden ingericht voor ten hoogste 5 logiesgasten.

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

95

Artikel 27 27.1

Wonen - Woonboerderij

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen - Woonboerderij’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; met de daarbij behorende: b. tuinen en erven; c .parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 46.1; d. water; e. bos; met daaraan ondergeschikt: f. bêd & brochje, mits het aantal daarvoor beschikbare kamer beperkt blijft tot 2 per woning, met een maximum van 5 slaapplaatsen; g. aan-huis-verbonden beroep; h. bestaande verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van een kleinschalig kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein', waarbij:

i.

1

het aantal staanplaatsen voor mobiele kampeermiddelen is beperkt tot het aantal dat is vastgelegd in bijlage 4 'Lijst met aantal kampeermiddelen'; en

2

in de periode van 1 november tot en met 14 maart van elk kalenderjaar geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn;

trekkershutten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - trekkershutten', waarbij het aantal trekkershutten niet meer mag bedragen dan het aantal zoals is vastgelegd in bijlage 4 'Lijst met aantal kampeermiddelen';

j. bestaande windturbines, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'windturbine'; k. een kantoor, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor'; l.

opslag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'opslag';

m. een hoveniersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'hovenier'; n. een transportbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'transportbedrijf'; o. een paardenhouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘paardenhouderij’; p. een loodgietersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - loodgietersbedrijf'; q. een plattelandswoning ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen plattelandswoning'; r. een hondenpension, uitsluitend ter plaatse van een aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hondenpension'; s. recreatieappartementen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatieappartement', met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘aantal recreatie appartementen’ het aantal recreatie appartementen niet meer mag bedragen dan het aangegeven aantal; t. een groepsaccommodatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie'; u. het parkeren van vrachtwagens, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - parkeerterrein voor vrachtwagens'; v. een kangoeroewoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - kangoeroewoning';

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

96

w. een dierenartsenpraktijk, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van dienstverlening - dierenartsenpraktijk'; x. een relatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'relatie'; y. stacaravans, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - stacaravans toegestaan'. en met inbegrip van de volgende nevenactiviteiten: z. het hobbymatig houden van vee; aa. stalling en/of opslag van vaartuigen of kampeermiddelen; bb. boerderijwinkel ten behoeve van verkoop van voornamelijk productiegebonden streekproducten met een netto verkoopvloeroppervlakte van ten hoogste 100 m²; cc. theeschenkerij; dd. mestopslag, uitsluitend in de bestaande voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezige mestopslag; met dien verstande dat: 1 de activiteiten als genoemd onder w. t/m z. uitsluitend zijn toegestaan als nevenactiviteit bij de woonfunctie; 2

de nevenactiviteiten uitsluitend zijn toegestaan in voormalige bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen;

3

niet meer dan 1/3 deel van de voormalige bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen, tot ten hoogste een oppervlakte 500 m² voor deze nevenactiviteiten mogen worden gebruikt;

4

in afwijking van 3 geldt de maat van 500 m2 niet voor de stalling en/of opslag van vaartuigen of kampeermiddelen;

5

in afwijking van 2 geldt dat de bestaande caravanstalling op het perceel Hichtumerweg 8 te Bolsward achter de bebouwing is toegestaan.

27.2

Bouwregels

a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – monument' zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 41.2;

2

ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 41.3;

b. Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: 1

het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer dan 1 bedragen dan wel het aantal woningen aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';

2

de oppervlakte per hoofdvorm mag niet meer dan 150m2 bedragen dan wel het bestaande oppervlakte indien deze meer is;

3

de goothoogte van de hoofdvorm mag niet meer dan 4,5 m bedragen, dan wel de bestaande goothoogte indien deze meer is;

4

de bouwhoogte van de hoofdvorm mag niet meer dan 10 m bedragen, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is;

5

de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder dan 3 m bedragen, dan wel de bestaande afstand.

6

de woning dient, gezien vanaf de weg, gesitueerd te zijn voor de (bestaande) bijbehorende bouwwerken en overkappingen, danwel de bestaande situering.

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

97

c. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een woning geldt dat: 1

bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de woning mogen worden gebouwd;

2

de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de woning waaraan wordt gebouwd;

3

de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;

4

de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;

5

de bouwhoogte van aan de woning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de woning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de woning , en; − de bouwhoogte van aan de woning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen

6

de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen op de overige gronden per woning niet meer dan 150 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien de hoofdvorm meerdere woningen omvat, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet meer dan 150 m2 mag bedragen; − niet meer dan 50% van een bouwperceel mag worden bebouwd; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de woning(en) mag bedragen.

d. Voor het bouwen van bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein' gelden de volgende regels: 1

er mogen geen stacaravans/chalets/trekkershutten worden geplaatst;

2

de oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van beheervoorzieningen en sanitaire voorzieningen mag maximaal 200m² bedragen;

3

de bouwwerken moeten gebouwd worden binnen het bestemmingsvlak van de bijbehorende woonboerderij.

e. Voor het bouwen van bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - trekkershutten', gelden de volgende regels:

f.

1

de oppervlakte mag niet meer dan 40m2 bedragen;

2

de goothoogte mag niet meer dan 3,5 m bedragen;

3

de bouwhoogte mag niet meer dan 5,5 m bedragen;

4

de dakhelling van trekkershutten mag niet minder dan 40° bedragen;

5

de trekkershutten moeten binnen het bestemmingsvlak gebouwd worden;

6

het aantal trekkershutten mag niet meer bedragen dan bestaand.

Met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat: 1

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw niet meer dan 1 m mag bedragen;

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

98

2

de bouwhoogte van overige terrein- en erfafscheidingen niet meer dan 2 m mag bedragen;

3 bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van een rijbak (de rijbak) als hobby bij de woning zijn alleen toegestaan als aan alle onderstaande randvoorwaarden wordt voldaan: - de afstand van de rijbak tot het eigen erf niet meer dan 30 m mag bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot het erf van derden ten minste 15 m dient te bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot de woning van derden ten minste 30 m dient te bedragen, en; - de oppervlakte per rijbak niet meer dan 1.250 m² mag bedragen, en; - de hoogte van omheiningen niet meer dan 2 m mag bedragen, en; - het aantal lichtmasten niet meer dan 4 mag bedragen, en; - de hoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 5 meter; 4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, niet meer dan 5,5 m mag bedragen; g. Voor het bouwen van een windturbine, ter plaatse van de aanduiding 'windturbine' gelden de volgende regels: 1

de bouwhoogte van een windturbine mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;

2

de diameter van een windturbine mag niet meer bedragen dan de bestaande diameter.

27.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van: a. lid 27.2 onder c, sub 1 het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdvorm; b. lid 27.2 onder b, sub 2 voor het bouwen van een woning met een oppervlakte >150 m2, mits: 1

er in geringe mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke bebouwing in de vorm van een stelp, kophals-rompboerderij of kop-rompboerderij;

c. lid 27.2 onder c, sub 5 en 6 voor het bouwen van nieuwe bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een woonboerderij, met dien verstande dat: 1

de gezamenlijke oppervlakte van de nieuw te bouwen bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 150 m² bedraagt plus 50% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen, met dien verstande dat de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen nooit meer mag bedragen dan 500 m²;

2

de goothoogte mag niet meer dan 4 m bedragen;

3

de bouwhoogte mag niet meer dan 10 m bedragen;

4

er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

99

d. lid 27.2 onder d voor het bouwen van maximaal 10 trekkershutten ten behoeve van het kleinschalig kamperen mits: 1

de trekkershutten binnen het bestemmingsvlak worden gebouwd;

2

er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;

3

de oppervlakte van een trekkershut niet meer dan 40 m2 bedraagt;

4

de goothoogte niet meer dan 3,5 m bedraagt;

5

de bouwhoogte niet meer dan 5,5 m bedraagt;

6

de dakhelling van trekkershutten mag niet minder dan 40° bedragen;

7

de trekkershutten niet voor de voorgevel worden geplaatst;

8

de trekkershutten niet voor permanente bewoning worden gebruikt.

27.4

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning; b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel en overige bedrijfsactiviteiten anders dan een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf of nevenactiviteit, al dan niet in combinatie met de daarvoor benodigde opslagruimte; c. het gebruik van een woonhuis en of bijbehorende bouwwerken voor recreatieve bewoning. 27.5 27.5.1

Afwijken van de gebruiksregels Afwijkingen

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor bedrijvigheid: 1

mits de bedrijven zijn opgenomen in categorie 1 of 2 van de bij deze regels als bijlage 5 opgenomen Staat van Bedrijven;

2

mits de bedrijven geen grote verkeersaantrekkende werking hebben;

3

mits de bedrijvigheid niet gepaard gaat met opslag en/of stalling buiten gebouwen;

4

met dien verstande dat de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor bedrijvigheid als nevenactiviteit bij de woonfunctie;

5

met dien verstande dat de bedrijvigheid uitsluitend is toegestaan in gebouwen;

6

met dien verstande dat de omgevingsvergunning wordt verleend voor ten hoogste 1/3 deel van de gebouwen, tot een oppervlakte van ten hoogste 500 m².

b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor maximaal 3 woningen ten behoeve van permanente bewoning mits: 1

de woonfunctie uitsluitend gerealiseerd wordt binnen de contouren van de oorspronkelijke boerderijvorm;

2

een toename van het aantal woningen past binnen een goedgekeurd woningbouwprogramma;

3

een hogere grenswaarde is verleend, wanneer de geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer meer dan de voorkeursgrenswaarde bedraagt.

Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13086090/2