Bijlage 5 - Reactienota; document met reactie van het college op de reactie van de Adviesraad Sociaal Domein over de verordening Jeugdhulp gemeente Súdwest-Fryslân 2025
Tekst van het document
Onderwerp Aan Datum Van
Reactienota Naar aanleiding van de opmerkingen van de Adviesraad Sociaal Domein bij de concept Verordening gemeente Súdwest-Fryslân 24-09-2024, ontvangen op 8 oktober 2024 en 30/31-10-2024 Adviesraad gemeente Súdwest-Fryslân, werkgroep jeugd 18 maart 2025 College van burgemeester en wethouders gemeente Súdwest-Fryslân
Toevoeging februari 2025: Het college heeft in januari 2025 recente ontwikkelingen nader bestudeerd en dit heeft geleid tot aanpassing van de artikelen 3 en 22. Door de aanpassing van artikel 3, namelijk het handhaven van de oude tekst, komt dit tegemoet aan het advies van de adviesraad bij dit artikel. Bij artikel 22 is een nieuw lid toegevoegd. In dit lid geeft de gemeente nadrukkelijk aan welke verordening van kracht is. Dit geeft meer duidelijkheid in eventuele procedures. Zie ook de uitleg in was/wordt lijst 25-2-2025 bij beide aanpassingen. Artikel 2 lid 2 Waarom wordt ADHD in dit lid niet genoemd. In de praktijk komt het voor dat dit probleem bij een kind pas na vele medische onderzoeken wordt geconstateerd. Een zorgvuldige behandeling is hier belangrijk.
In artikel 2 lid 2 wordt aangegeven welke vormen van algemene voorzieningen en individuele voorzieningen er beschikbaar zijn. Dit gaat niet over oorzaken of diagnoses die ten grondslag kunnen liggen aan een hulpvraag. Vandaar dat ADHD hier niet is opgenomen.
Artikel 3 lid 3 In de oude verordening staat dat de beslissing tot toekennen of afwijzen altijd wordt vastgelegd in een beschikking. In de nieuwe verordening staat dat deze vastlegging in een beschikking alleen plaatsvindt als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken. Deze aanpassing wordt onderbouwd met: “Aangepast omdat in de praktijk geen beschikking wordt gestuurd, behalve als daar om gevraagd wordt. Het oude artikel suggereerde dat altijd een beschikking gestuurd werd.”
Sturen van een beschikking is wezenlijk anders dan het vastleggen in een beschikking. Wij bepleiten om, zoals in de vorige verordening is opgenomen, het besluit van een aanvraag in een beschikking vast te leggen. Een beschikking heeft een formele status in de praktijk. In artikel 7 van de nieuwe verordening wordt heel duidelijk aangegeven wat allemaal in een beschikking moet worden opgenomen. Voor de aanvrager geeft dit duidelijkheid en de gemeente geeft die informatie aan de aanvrager die hij/zij nodig heeft. Voor de aanvrager is het al een emotionele situatie om een aanvraag bij de gemeente in te dienen. Vaak wordt dan vergeten welke procedure men moet kiezen. Een beschikking is duidelijk.
Het advies is om de oude tekst te handhaven. Wijziging februari 2025: Dit advies wordt gevolgd, de oude tekst wordt niet gewijzigd. Standaard stuurt de gemeente een brief bij een verwijzing via een huisarts. In die brief staat onder andere dat jeugdhulp toegekend wordt en dat de gemeente de noodzakelijk persoonlijke gegevens hiervoor opneemt in het systeem. Door in deze brief ook een bezwaarclausule op te nemen, is dit een beschikking. En wordt voldaan aan dit artikel in de verordening.
Artikel 3 lid 7: bedoeld wordt waarschijnlijk artikel 6 lid 7 In dit artikel wordt gesteld: “Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het
kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.”
“Eventueel deels” suggereert dat ook dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp wordt verstrekt. Als dat zo is dan graag een nadere omschrijving van wat met “eventueel deels” wordt bedoeld.
Bij nadere lezing kan dat inderdaad wel verwarrend zijn, wat is ‘eventueel deels’. Gedacht wordt aan een situatie waarin bijvoorbeeld het sociaal netwerk kan ondersteunen (voor de ouders danwel voor het kind). Omdat we dit niet heel duidelijk kunnen omschrijven, halen we de woorden ‘eventueel deels’ uit artikel 6 lid 7.
Artikel 4 lid 2 De gemeente attendeert de aanvrager op de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een onafhankelijke clientondersteuner. De gemeente denkt hier aan het belang van de aanvrager. Heel goed. Artikel 5 lid 7 Waarom wordt de beschikking pas na 8 weken aan de aanvrager gestuurd en niet na 6 weken conform het Bestuursrecht? In de Algemene wet bestuursrecht staat dat er binnen een redelijke termijn een besluit genomen moet worden op een aanvraag en dat deze termijn in ieder geval na 8 weken is verstreken (artikel 4:13 Awb). Wij sluiten daarbij aan in onze verordening.
Wanneer er een ondersteuningsplan is dat als aanvraag wordt ingediend, dan is het in beginsel mogelijk om sneller een beslissing te nemen. Er is dan al onderzoek gedaan. In de gevallen dat er een aanvraag is zonder dat er al een ondersteuningsplan gemaakt is, dan moet er nog zorgvuldig onderzoek gedaan worden. Acht weken is dan de redelijke termijn wat in de Awb is opgenomen. Voor alle duidelijkheid, de bezwaartermijn is 6 weken.
Artikel 6 lid 3 In de eerste zin wordt gesproken over gebruikelijke hulp. Naar de inhoud van lid 3 zou dit boven gebruikelijke hulp moeten zijn.
Volgens ons klopt de term gebruikelijke hulp in de eerste zin van artikel 6 lid 3 wel. De eerste stap is namelijk het bepalen van gebruikelijke hulp. Lid 2 en 3 stellen vast wat gebruikelijke hulp is en wat in beginsel van ouders mag worden verwacht dat zij dit zelf doen. En wat dus ook van de gemiddelde ouder mag worden verwacht. Tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, dan kan je tijdelijk een voorziening toekennen (lid 4).
Lid 5 e.v. gaat meer in op bovengebruikelijke hulp. Het is dan hulp voor het kind die niet meer gebruikelijk is wanneer je het kind vergelijkt met andere leeftijdsgenoten. Maar dat er sprake is van bovengebruikelijke hulp wil niet zeggen dat er ook een voorziening moet worden toegekend. Om te toetsen of er sprake is van bovengebruikelijke hulp waarvoor een voorziening moet worden verstrekt neem je o.m. de factoren in lid 7 mee in deze afweging. Lid 3 is dus wel juist.
Artikelen 17 en 18 Deze artikelen spelen in op de afstemming van de toegang tot voorzieningen voor volwassenen, waarmee jongeren bij de overgang van 18- naar 18+ worden geconfronteerd. Verheugend dat hier wordt ingespeeld op een wijze die noodzakelijk is om de (veelal kwetsbare) jongeren een goed begeleide start te geven in een nieuwe levensfase. Artikel 21 Lid 1 van het oude artikel (14) is in de nieuwe verordening vervallen. Dit artikel hield in dat het college beslist in gevallen waarin de verordening niet voorziet en in lid 2 wordt vervolgens de het afwijken van de verordening genoemd. In de nieuwe verordening wordt alleen het afwijken van de verordening benoemd. “Niet voorzien” betekent inhoudelijk iets anders dan “afwijken”. De vraag is dan ook of de nieuwe tekst in artikel 22 van de nieuwe verordening het vervallen van lid 1 van het oude artikel (14) voldoende dekt. In lid 1 van artikel 14 oud was inderdaad opgenomen dat het college kon beslissen in gevallen waarin deze verordening niet voorziet. Het is gebleken dat dit eigenlijk in strijd is met het recht, omdat het college dan een zogenoemde blanco delegatie heeft. Dat is in strijd met artikel 156 lid 1 van de Gemeentewet. De bevoegdheid van het college om af te wijken van een verordening moet gekaderd zijn.
Daarom is aangesloten bij de tekst zoals dat wordt voorgeschreven in het boek van de VNG ‘100 ideeën voor de gemeentelijke regelgever’. Door deze nieuwe formulering voldoen wij nu onzes inziens aan de regels.
Artikel 22 Het valt op dat niet alleen lid 4 van het oude artikel (15) is verwijderd in de nieuwe verordening, maar ook lid 3. Dit meegegeven als aandachtspunt, aangezien een nieuwe tekst kennelijk nog volgt. Toelichting verwijderd lid 3: Dit artikel ging specifiek over de situatie in 2024 waarin we met een overgang zaten van de oude inkoop naar de nieuwe inkoop per 1 januari 2024. We zaten toen met indicaties op basis van de oude inkoop die tot 1 juli 2024 mochten doorlopen. In dit artikel staat hoe die overgang geregeld is. Omdat van deze situatie (overgang oude naar nieuwe inkoop) nu geen sprake meer is, is dit artikel verwijderd. Toelichting verwijderd lid 4 en toelichting nieuw lid 3: Het uitgangspunt van toetsing in bezwaar is ex nunc. Dat wil zeggen dat het recht (en beleid) moet worden toegepast zoals dat geldt tijdens de beoordeling ervan in bezwaar. Tenzij er sprake is met strijd met het rechtzekerheidsbeginsel. Daarvan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als iemand op basis van een oude verordening recht heeft op 10 uur en
bij de nieuwe verordening 5 uur. Het is dan wel in strijd met de rechtszekerheid als je het aantal uren dan direct aanpast naar 5 uur. Maar dat kan je dan in beginsel per casus toetsen of er sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De huidige wijziging van de verordening is op hoofdlijnen technisch. Een aantal onderwerpen worden beter opgenomen in onze verordening n.a.v. jurisprudentie en wetgeving. Bijvoorbeeld het nieuwe artikel 6 over eigen kracht en (boven)gebruikelijke hulp. De Centrale Raad van Beroep heeft aangegeven dat gemeenten in hun verordening beter moeten opnemen wat daaronder wordt verstaan. Door de Centrale Raad van Beroep en bij rechtbanken worden nu uitspraken gedaan dat er sprake is van een motiveringsgebrek, omdat het ontbreekt in de verordening. Het college moet dan een nieuwe beslissing op het bezwaar nemen, maar moet dan wel eerst de verordening aanpassen. Naar aanleiding van de aangepaste verordening kan het college een nieuwe beslissing op het bezwaar nemen. Dat betekent dus dat er in dit soort situaties ex nunc wordt getoetst. Het is dan niet juist dat artikel 15 lid 4 wordt overgenomen in de nieuwe verordening. Wijziging februari 2025: Nieuw lid 3 Wel wordt een nieuw artikel 3 toegevoegd. Daarin staat welke verordening van kracht is.
Het wordt verstandig geacht dit te doen omdat bij de behandeling van een zaak bij de Centrale Raad van Beroep in december 2024, de gemeente expliciet gevraagd of er overgangsrecht opgenomen was. Toelichting verwijderd lid 5: De tekst van dit artikel is ingewikkeld en voegt juridisch niets toe.
Algemene opmerking Voor de aanvrager zou eigenlijk een toelichting op deze nieuwe verordening dienen te worden gemaakt. Eens, hier wordt ook aan gewerkt.
Op 24 oktober 2024 is een aangepaste versie van de verordening gestuurd naar de Adviesraad met verzoek om advies. De wijziging betrof de artikelen 10, 22 en 23. Op 30 en 21 oktober 2024 heeft de Adviesraad Sociaal Domein (werkgroep jeugd) hierop een reactie gestuurd. Hieronder per artikel de reactie van de Adviesraad Sociaal Domein en het antwoord daarop van het college. Art. 10: In het tabel tarieven wordt voor het PCB tarief specialistische begeleiding informeel een vergoeding vastgesteld van € 20,--. Is dit bedrag voldoende omdat ter zake specialistische begeleiding wordt ingezet? Bij een persoonsgebonden budget maken we onderscheid in formele en informele hulp, zie artikel 9 van de nieuwe verordening. De connectie van de persoon die de hulp biedt met degene die de hulp ontvangt, weegt zwaarder dan het type hulp dat die persoon biedt. Is het een bloed of aanverwant, dan is er altijd sprake van informele hulp. Bij informele hulp is het tarief op € 20,00 vastgesteld. We zijn verplicht het minimumloon te betalen bij informele hulp. Per 1 juli is dit € 13,68 per uur. Het tarief van € 20,00 ligt daar ruim boven.
Art. 22: Akkoord.
Wel wordt een nieuw artikel 3 toegevoegd. Daarin staat welke verordening van kracht is. Het wordt verstandig geacht dit te doen omdat bij de behandeling van een zaak bij de
Centrale Raad van Beroep in december 2024, de gemeente expliciet gevraagd of er overgangsrecht opgenomen was.
Art. 23: wat is de betekenis van de terugwerkende kracht in artikel 23 lid 2 m.b.t. artikel 3 van de verordening? Wijziging februari 2025 Artikel 23 lid 2 is verwijderd omdat we de tekst van artikel 3 lid 3 niet wijzigen.