Bijlage 5 - Inhoud beroepschrift tegen bestemmingsplan BGB-II
Tekst van het document
DOORNE Jachthavenweg 121 1081 KM Amsterdam Postbus 75265 1070 AG Amsterdam
AANGETEKEND EN PER GEWONE POST Jan van der Grinten Advocaat vandergrinten@vandoorne.com t 020 678 93 10 m 06 2247 4493
Tevens per fax vooruit (zonder bijlagen) Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Postbus 20019 2500 EA 's Gravenhage
Griffierecht ten laste van rekening-courant Van Doorne
Datum Onze ref. Inzake
20 december 2023 Oosterhuis I gemeente Súdwest-Fryslân I 250915007 Beroep tegen het besluit van 28 september 2023 van de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân tot vaststelling van bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II (publicatie Gemeenteblad 2023, 475537), terinzagelegging 10 november 2023
Hoogedelgestreng college, Namens de heer R. Oosterhuis, en zijn kinderen de heer W.H. Oosterhuis, mevrouw I.J.S. Oosterhuis en mevrouw K.J. Oosterhuis eigenaren van het perceel nabij 9A Sandfirden, (hierna: appellanten of de familie Oosterhuis) kadastraal bekend gemeente Heeg, sectie G nrs. 444 en 556, voor deze zaak woonplaats kiezende aan ons kantooradres, stellen wij hierbij beroep in tegen bovenvermeld besluit van de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân (hierna: de raad). Bij het bestreden besluit is het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân-ll gewijzigd vastgesteld. Een kopie van de bekendmaking van het vaststellingsbesluit gaat hierbij als bijlage 1. Hierna zullen wij namens appellanten eerst een korte inleiding met een overzicht van de procedure geven. Vervolgens zullen wij de gronden van beroep uiteen zetten. Dit beroepschrift eindigt met een conclusie. 1
INLEIDING
1.1
De familie Oosterhuis is sinds 2011 eigenaar van een terrein in Sandfirden, een dorp in de gemeente Súdwest-Fryslân, in de provincie Friesland. De heer R. Oosterhuis is de vader van de overige appellanten en door hen gemachtigd om hen te vertegenwoordigen in deze zaak.
1.2
De raad heeft op 28 september 2023 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld dat van toepassing zal zijn op bovenstaande gronden, namelijk het bestemmingsplan 'Buitengebied Súdwest-Fryslân Iľ (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan is op 10 november 2023 ter inzage gelegd. De familie Oosterhuis is het niet eens met gedeelten van de Ínhoud van dit bestemmingsplan.
Van Doorne N V. is gevestigd te Amsterdam en ingeschreven in het handelsregister onder nummer 34199342. Van Doorne N V. is de enige opdrachtnemer van alle werkzaamheden. Op deze werkzaamheden en alle rechtsverhoudingen met derden zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden van Van Doorne N.V. en haar dochtermaatschappijen, waarin een beperking van aansprakelijkheid is opgenomen Deze Voorwaarden die zijn gedeponeerd ter griffin van de rechtbank te Amsterdam, kunnen worden geraadpleegd op www.vandoorne.com en worden op verzoek toegezonden.
Van Doorne N.V has its registered offices in Amsterdam and is registered with the Commercial Register under number 34199342. Van Doorne N.V. is the exclusive contracting party in respect of all commissioned work. This work and all relations with third parties shall be governed by the General Terms of Van Doorne N.V. and its subsidiaries which include a limitation of liability. These Terms, which have been filed with the District Court at Amsterdam, may be consulted at www.vandoorne.com and will be forwarded upon request.
DOORNE pagina 2
De familie Oosterhuis heeft achtereenvolgens een inspraakreactie op het voorontwerp en een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan ingediend (bijlage 2, de inspraakreactie is als bijlage bij de zienswijze gevoegd). De raad heeft met een reactienota op de zienswijze gereageerd (bijlage 3). Hieruit blijkt dat hij van mening is dat het gebezigde gebruik van het perceel in strijd is met de regels van het geldende bestemmingsplan. De gronden zijn gelegen binnen de grenzen van het thans nog vigerende bestemmingsplan Buitengebied Wymbritseradieľ (hierna: het vigerende bestemmingsplan) dat door de raad is vastgesteld in zijn vergadering van 31 augustus 2010. Aan de gronden is de bestemming 'Natuur - Waterrecreatief medegebruik' toegekend. Tevens is een gedeelte van de percelen op de plankaart aangeduid als kampeerterrein en daarnaast is een gedeelte aangeduid als ligoever op grond waarvan het ligplaats innemen van vaartuigen is toegestaan. Voor een uiteenzetting van de procedure, het feitenrelaas en de gronden van bezwaar verwijzen appellanten in de eerste plaats naar de inspraakreactie van 23 september 2022 en de zienswijze van 6 juli jl. (bijlage 2). De ínhoud van die beide documenten dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd ter aanvullende onderbouwing van dit beroepschrift. De beroepsgronden zullen hierna uiteen worden gezet.
BEPERKING VAN GEBRUIKSRECHTEN Allereerst wordt ingegaan op de beperking die het nieuwe bestemmingsplan met zich meebrengt ten aanzien van het gebruik van het terrein van appellanten. Zoals uitvoerig uiteen is gezet in zowel de inspraakreactie als de zienswijze bevinden zich op het perceel reeds lange tijd een schaftwagen en drie tot zes andere kampeermiddelen. Hieronder wordt toegelicht dat het bestemmingsplan zowel het aantal kampeermiddelen als de periode waarin de kampeermiddelen aanwezig mogen zijn ten onrechte beperkt. Situatie onder het vigerende bestemmingsplan Kampeerterrein en kampeermiddelen Op basis van artikel 10.1 van de planregels van het vigerende bestemmingsplan zijn de voor 'Natuur - Waterrecreatief medegebruik' aangewezen gronden, voor zover gelegen ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein’ bestemd voor 1 standplaats voor kampeermiddelen. Onder kampeermiddel valt volgens artikel 1 onder aa van het vigerende bestemmingsplan: “Een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan, mits, o
deze is voorzien van een as-A/vieienstelsel en een dissel;
o
deze bestaat uit één geheel (dus geen gekoppelde caravans en geen aangebouwde uitbreidingen);
o
deze is voort te bewegen als aanhanger;
o
deze een maximale hoogte heeft van 3,5 m en een maximale oppervlakte heeft van 55 m2;
'A' DOORNE pagina 3
enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, mits deze een maximale hoogte heeft van 3,5 m en een maximale oppervlakte heeft van 55 m2, één en ander voorzover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel often dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.”
De raad stelt in zijn reactienota dat volgens de begripsbepaling een kampeermiddel een onderkomen, geen gebouw zijnde, is dat verplaatsbaar dan wel makkelijk te verwijderen is. Verder stelt de raad dat in artikel 10.1 onder f staat aangegeven dat ter plaatse van deze aanduiding 1 kampeermiddel is toegestaan. Zoals hierboven weergegeven staat echter in artikel 10.1 onder f aangegeven dat de grond bestemd is voor 1 standplaats voor ''kampeermiddelen". Uit het gebruik van de meervoudsvorm kan worden afgeleid dat ter plaatse meerdere kampeermiddelen zijn toegestaan. Een beperkter uitleg zou in strijd zijn met de rechtszekerheid. Zoals hierna nog aan de orde zal komen, bestaat daarnaast een aanspraak op gebruik ten behoeve van meerdere kampeermiddelen op grond van het overgangsrecht. Op het perceel bevindt zich jaarrond een kampeermiddel in de vorm van een schaftwagen. Naast deze schaftwagen staan er inmiddels al 35 jaar drie tot zes andere kampeermiddelen op de percelen. De gronden worden dus al lange tijd daadwerkelijk gebruikt als kampeerterrein. De relevantie hiervan wordt hieronder verder besproken. Periode waarin kampeermiddelen aanwezig mogen zijn In het vigerende bestemmingsplan is geen beperking opgenomen voor wat betreft de periode waarin de kampeermiddelen aanwezig mogen zijn.
Tussenconclusie Volgens appellanten past de bestaande situatie geheel binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Het nieuwe bestemmingsplan bevat zoals aangegeven een beperking van hun gebruiksrechten, waar hieronder verder op in zal worden gegaan. Voor zover discussie zou kunnen bestaan over de vraag of volgens het vigerende plan de bestaande situatie past in de planregels van de huidige bestemming geldt dat die in ieder geval ook door het overgangsrecht wordt beschermd. Dat zal hierna worden toegelicht aan de hand van (het overgangsrecht van) het vigerende bestemmingsplan en het bestemmingsplan dat van toepassing was vóór het vigerende bestemmingsplan. Overgangsrecht voorgaande bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan vormt een herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied 1991’, van de gemeente Wymbritseradiel (hierna: het voorgaande bestemmingsplan).
A DOORNE® pagina 4
2.10
2.11
Hierboven is een uitsnede van de plankaart van het voorgaande bestemmingsplan weergegeven, waarin door middel van een rood kader de relevante gronden zijn aangewezen. Daarnaast worden de bestemmingen en de aanduidingen weergegeven. Een kopie van de plankaart is bijgevoegd als bijlage 4.
2.12
Destijds is aan de gronden de bestemming 'agrarische doeleinden’ toegekend, met de aanduiding grasland.
2.13
In het voorgaande bestemmingsplan is het volgende artikel met betrekking tot het overgangsrecht van het gebruik opgenomen (artikel 18 lid 2 onder a): "Ten aanzien van de in het plan begrepen gronden geldt dat: indien en voor zover het gebruik afwijkt van de in het plan gegeven bestemming op het tijdstip, dat het bestemmingsplan rechtskracht verkreeg, zij slechts mogen worden gebruikt voor de doeleinden, waartoe zij op dat moment dienden, behoudens wijzigingen in gebruik, welke niet leiden tot een grotere afwijking van het bestemmingsplan. ”
VA DOORNE pagina 5
2.14
Bovenstaande betekent dat wanneer de gronden vóór inwerkingtreding van het voorgaande bestemmingsplan werden gebruikt als kampeerterrein, dit gebruik ook onder het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. Dit werkt vervolgens door onder het overgangsrecht van het vigerende bestemmingsplan. In artikel 33.2 onder a van dat plan staat namelijk: “Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezeť
2.15
De gronden waren in de periode vóór 2010 al in gebruik als kampeerterrein. In het vigerende bestemmingsplan is dit gebruik door de gemeente positief bestemd door het opnemen van de functieaanduiding ‘kampeerterrein’.
2.16
Naar aanleiding van een gesprek in 2011 tussen de heer De Jong (ambtenaar bij de gemeente) en de familie Reitsma, destijds nog de eigenaar, heeft De Jong bericht dat de eigenaar moest aantonen dat het perceel langdurig in gebruik is geweest voor meerdere kampeermiddelen, waarbij gedacht moest worden aan een periode van 10 tot 15 jaar.1 De eigenaar heeft daartoe meerdere verklaringen overgelegd, waaruit blijkt dat in 2011 al meer dan 25 jaar ter plekke met meerdere kampeermiddelen werd gerecreëerd. Deze verklaringen zijn bijgevoegd in bijlage 5. De foto’s die deze verklaringen ondersteunen, zijn bijgevoegd als bijlage 6. Tussenconclusie
2.17
Uit de verklaringen blijkt dus dat de gronden al ruim 35 jaar - en dus ook vóórdat het voorgaande bestemmingsplan in werking trad - als kampeerterrein gebruikt worden voor meerdere standplaatsen en kampeermiddelen. Op basis van het overgangsrecht concluderen appellanten daarom dat het gebruik van de gronden als kampeerterrein voor meerdere standplaatsen en kampeermiddelen niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan.
2.18
Dit is relevant, aangezien het nieuwe bestemmingsplan het gebruik van de gronden (verder) beperkt. Hierna zal daar nader op in worden gegaan. Beperkingen in het nieuwe bestemmingsplan
2.19
In het nieuwe bestemmingsplan is aan het perceel van appellanten de bestemming 'Natuur Waterrecreatief medegebruik’ toegekend. Daarnaast krijgt een deel van hun terrein de functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein’. Kleinschalig kampeerterrein: aantal kampeermiddelen en periode waarin de kampeermiddelen aanwezig mogen zijn
2.20
In het nieuwe bestemmingsplan is een ‘kleinschalig kampeerterrein’ gedefinieerd als: “een terrein in een kleinschalige opzet met een beperkt aantal staanplaatsen voor kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, inclusief de bij die kampeermiddelen behorende
1 Zie ook randnummer 9 van de zienswijze.
DOORNE pagina 6
gemeenschappelijke faciliteiten, welk terrein uitsluitend in het toeristische seizoen opengesteld is en op welk terrein de kampeermiddelen alleen in het toeristisch seizoen aanwezig zijn." 2.21
De bestemming ‘Natuur - Waterrecreatief medegebruik’ verwijst naar bijlage 4 'Lijst met aantal kampeermiddelen, kampeergebouwen en trekkershutten' bij het nieuwe bestemmingsplan. Hieruit volgt dat op de percelen Sandfirden, HEE04G, nummer 444 en HEE04G, nummer 556, 1 kampeermiddel is toegestaan.
2.22
Appellanten verzetten zich allereerst tegen het aantal op hun perceel toegelaten kampeermiddelen genoemd in bijlage 4 en daarnaast tegen de beperking van de aanwezigheid van kampeermiddelen tot het toeristische seizoen. Op grond van het feit dat reeds voor de inwerkingtreding van het voorgaande bestemmingsplan het hiervoor beschreven gebruik van het terrein aan de orde was en dat dit gebruik tot de dag van vandaag voortduurt, volgt dat onder het overgangsrecht meerdere kampeermiddelen zijn toegestaan. Dit bestaande legale gebruik zal onder het nieuwe plan worden voortgezet en er is geen enkele aanwijzing dat het binnen de planperiode zal worden beëindigd. Het gebruik van het perceel voor tenminste zes kampeermiddelen die daar gedurende het hele jaar mogen staan, dient dan ook positief te worden bestemd.
2.23
Zoals hiervoor is opgemerkt is zowel ten aanzien van de periode waarin de kampeermiddelen aanwezig mogen zijn als het aantal kampeermiddelen, een beperking in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. In de uitspraak van uw Afdeling van 8 april 2020 is uiteengezet dat legaal gebruik in beginsel als zodanig in het bestemmingsplan dient te worden bestemd.2 De raad heeft niet beargumenteerd waarom dat hier niet het geval zou moeten zijn en lijkt zich geen rekenschap te hebben gegeven van de inspraaknotitie en zienswijze van appellanten. Het bestemmingsplan is dan ook niet met de benodigde zorgvuldigheid voorbereid en doet geen recht aan de rechten en belangen van appellanten. Het bestemmingsplan is dan ook in strijd met de artikelen 3:2, 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld en zeker in het licht van de zienswijze van appellanten niet deugdelijk gemotiveerd. Daarnaast blijkt de onzorgvuldigheid uit het feit dat het bestemmingsplan geen recht doet aan het contact dat appellanten hebben gehad met de gemeente zoals uitvoerig beschreven in de inspraaknotitie en de zienswijze van appellanten.
2.24
Het voorgaande geldt niet alleen op grond van het feit dat het huidige gebruik onder het vigerende bestemmingsplan positief is bestemd, maar ook, als daar anders over zou worden geoordeeld, op grond van het overgangsrecht van zowel het voorgaande als het vigerende bestemmingsplan. Volgens vaste rechtspraak van uw Afdeling kan het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van bestaand legaal gebruik alleen onder bijzondere omstandigheden aanvaardbaar zijn. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is hier geen sprake.3 Ook om die reden geldt dat de raad het legale gebruik positief had moeten bestemmen in het nieuwe bestemmingsplan.
3
CONCLUSIE
3.1
Het wegbestemmen/beperken van de gebruiksmogelijkheden van de percelen van de familie Oosterhuis in het nieuwe bestemmingsplan is in strijd met meerdere algemene beginselen van
2 ABRS 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1030, r.o. 10.4. 3 ABRS 16 februari 2022, ECL!:NL:RVS:2022:512, r.o. 6.3.
DOORNE pagina 7
behoorlijk bestuur geschied. Primair is dat het geval nu de gronden op dit moment legaal worden gebruikt als kampeerterrein voor meerdere kampeermiddelen die jaarrond aanwezig mogen zijn. De raad had dat gebruik op basis van vaste jurisprudentie positief dienen te bestemmen in het nieuwe bestemmingsplan. 3.2
Wanneer de Afdeling echter zou oordelen dat het gebruik in strijd is met of niet (geheel) positief bestemd is in het vigerende bestemmingsplan, geldt subsidiair dat het gebruik onder het overgangsrecht valt van het voorgaande in onderling verband met het vigerende bestemmingsplan, wat eveneens betekent dat de raad dit gebruik in het nieuwe bestemmingsplan positief had dienen te bestemmen. Ook dan kan de conclusie slechts zijn dat de gemeente het bestemmingsplan niet met de benodigde zorgvuldigheid heeft voorbereid en de rechten en belangen van appellanten heeft miskend.
3.3
Appellanten verzoeken de Afdeling daarom het beroep gegrond te verklaren en voorts de raad op te dragen de bovengenoemde omissies in het bestemmingsplan te herstellen. Dit houdt in dat de gronden volgens het nieuwe bestemmingsplan gebruikt zullen mogen worden voor meerdere kampeermiddelen die daar jaarrond aanwezig mogen zijn. appellanten de Afdeling om de raad te veroordelen in de proceskosten.