Bijlage 3 - Veel gestelde vragen (oplegger urgentieverordening)
Tekst van het document
Veel gestelde vragen urgentieverordening Versie 16-12-2024 Dit document bevat antwoorden op mogelijke vragen over de urgentieverordening. Het kan handig zijn voor jezelf, maar ook als je vragen krijgt van bijvoorbeeld collega’s, wethouders of raadsleden. Dit is een levend document; laat het ons weten als er aanvullende vragen zijn. We werken de Q&A dan verder bij ten behoeve van iedereen die hier bij betrokken is.
1. Wat verandert er in vergelijking met nu? Momenteel bepaalt de corporatie wie urgent is. Zij hanteren eigencriteria. Die criteria verschillen per corporatie. Voor uitstroom uit Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang gebeurt dit via het Weer-Thuis-convenant en via het Transferpunt. Deze werkwijze is vooral gebaseerd op convenanten en wederzijdse afspraken. Met het van kracht worden van de urgentieverordening gaat het niet meer om wederzijdse afspraken, maar een wettelijk bindende status voor alle betrokkenen. Partijen moeten werken volgens deze werkwijze. Dit betekent ook dat bezwaar en beroep formeel geregeld zijn bij de gemeente en dat iedereen gelijke kansen heeft. Het voorkomt willekeur.
2. Hoe heet de verordening eigenlijk? De officiële naam wordt: Huisvestingsverordening urgent woningzoekenden Fryslân (urgentieverordening). De reden hiervoor is dat het een verordening op basis van de Huisvestingswet betreft. In de praktijk zal het de urgentieverordening worden genoemd.
3. Waarom gaan we werken met huisvestingsvergunningen? Dit is een verplichting volgens de Huisvestingswet. Als je het gebruik van woonruimte wilt reguleren, kan dat alleen via een 'Huisvestingsverordening'. De wet schrijft voor dat in gebruik nemen van een gereguleerde woning alleen met het instrument van een 'huisvestingsvergunning' mogelijk is. In de verplichte urgentieverordening wordt aangegeven wie in aanmerking komt voor zo’n vergunning.
4. Is zo’n vergunning niet veel extra werk? De groep die in aanmerking komt voor een vergunning is heel duidelijk afgebakend. Het gaat om woningzoekenden die een urgentiestatus hebben en een woning toegewezen krijgen. Als zij de woning krijgen, verleent de urgentieorganisatie namens het college een de huisvestingsvergunning. Dit is een administratieve handeling die uitgevoerd wordt als de corporatie aan de urgentieorganisatie doorgeeft dat een woningzoekende de woning heeft gekregen. De werkzaamheden zijn hierdoor tot een minimum beperkt.
5. Waarom regelen we het regionaal? Drie redenen. Ten eerste een eenduidige werkwijze voor alle urgent woningzoekenden. Ten tweede efficiency en effectiviteit in de uitvoering voor corporaties. Ten slotte hoeft hierdoor niet elke gemeente afzonderlijk het wiel opnieuw uit te vinden. Het voordeel voor
1
gemeenten en corporaties zijn de lagere uitvoeringskosten, maar ook het voorkomen dat woningzoekenden gaan ‘shoppen’ tussen gemeenten.
6. We kiezen voor een centrale organisatie voor de uitvoering van de verordening. Waarom doet niet iedere gemeente dit zelf? De uitvoering van de urgentieregeling gebeurt, als gemeenten de verordening vaststellen, in alle Friese gemeenten op dezelfde manier. Het is dan efficiënt om de uitvoering op één plek te regelen. Expertises zijn dan beter beschikbaar, waaronder het dubbele ogenprincipe1. Een berekening van kosten laat in het gunstigste geval minimaal dubbele (soms viervoudige) kosten zien bij uitvoering door elke gemeente afzonderlijk. Bovendien geeft het de woningzoekende een duidelijke plek waar hij urgentie kan aanvragen. Daarbij voorkomt het dat mensen gaan shoppen tussen gemeenten als hun urgentieaanvraag niet gehonoreerd wordt.
7. Waarom is gekozen voor een centrumgemeenteregeling op grond van de Wet gemeenschappelijke regeling (Wgr)? Eén van de uitgangspunten bij de samenwerking voor de Friese urgentieregeling is dat er 1 loket komt voor woningzoekenden en een bestuursovereenkomst waarmee één gemeente coördinerend verantwoordelijk wordt voor de uitvoering van de urgentieregeling. Door te kiezen voor een centrumregeling op grond van artikel 8 lid 4 Wgr wordt recht gedaan aan hiervoor genoemd uitgangspunt. Immers met het construct centrumregeling geven de gastgemeenten mandaat aan de centrumgemeente. Er is hiermee geen sprake van een nieuwe (zelfstandige) rechtspersoon. De mandaat verlenende gemeenten blijven eindverantwoordelijk voor de rechtmatige uitvoering.
8. Raken we als gemeente de grip kwijt doordat gemeente Leeuwarden het uitvoert? De urgentieverordening bevat, op de urgentie voor statushouders na, alleen maar de wettelijke verplichte urgente doelgroepen. De verordening regelt daarmee de wettelijke taken van de gemeente (urgenten + taakstelling statushouders). Het maakt dan weinig uit of je dit zelf uitvoert of elders belegt. Hoogstens is elders beleggen efficiënter. Bovendien is er op dit moment zonder verordening sowieso geen sprake van grip. Wel blijft het zo dat de verantwoordelijkheid voor de gemandateerde uitvoering bij het college ligt. Zij legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
9. Waarom kost het zoveel geld? Is het niet goedkoper om dit lokaal te doen? De uitvoering van de urgentieregeling brengt inderdaad kosten met zich mee, zowel voor het opzetten van de organisatie als voor de uitvoering ervan. Door alles onder te brengen bij één organisatie, worden echter aanzienlijke schaalvoordelen behaald. Gemeenten hoeven daardoor niet ieder afzonderlijk personeel aan te nemen. Gemiddeld genomen zou het minimaal 2 keer en voor sommige gemeenten zelfs 4 keer duurder zijn om dit lokaal te
1 Het doel van het dubbele ogen principe is om de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van controles te verhogen door het
inbrengen van meerdere perspectieven en controlemechanismen. Dit helpt om menselijke fouten te minimaliseren en de algemene kwaliteit en veiligheid van processen en producten te verbeteren.
2
regelen. Tegelijkertijd is het een wettelijke verplichting die we uit moeten voeren. De gekozen uitwerking is binnen die wettelijke verplichting te kenmerken als kosteneffectief.
10. Waarom zetten we zo’n bureaucratisch systeem op? Het is een wettelijke verplichting. We kiezen voor een minimale variant bij de uitwerking van die verplichting, met een zo efficiënt mogelijke organisatie. Er komt wat bureaucratie bij kijken. Aan de andere kant zorgt dit ook voor transparantie en efficiëntie, met gelijke toegang in alle gemeenten. Voor zorgorganisaties betekent dit bijvoorbeeld dat de weg naar urgentie overal hetzelfde is.
11. Levert het Rijk ook een bijdrage? Zij gaan het namelijk verplichten. Het is inderdaad een verplichting vanuit het Rijk. Het wetsvoorstel is echter nog niet definitief. In de Memorie van toelichting bij de wet wordt aangegeven dat er vanuit het Rijk een bijdrage zal worden vertrekt om een deel van de uitvoering van de wet door de gemeenten te bekostigen. Omdat de wet nog niet is vastgesteld / aangenomen, is deze bijdrage nog niet vastgelegd. Uitgangspunt bij de inzet van deze rijksmiddelen is iedere keer geweest dat dit 2/3e deel van de benodigde middelen betreft. Gemeenten vullen aan met het resterende deel (1/3e).
12. Wat als de gemeenteraad niet instemt met de verordening? Nu wordt eerst de ontwerp verordening door de colleges vastgesteld en ter visie gelegd. Een gemeenteraad heeft de bevoegdheid om geen regionale verordening vast te stellen De Huisvestingswet heeft voor deze situatie in een terugvaloptie. Dan moet een gemeente minimaal 15% van de vrijkomende sociale huurwoningen toewijzen aan wettelijk urgenten (daarbij komen dan nog woningen die gelabeld moeten worden voor vergunninghouders). Dit percentage komt overeen met het gemiddelde aandeel wettelijk urgenten in de gekozen benadering van de Friese huisvestingsverordening. In dat geval moeten gemeenten zelf zorgen voor een adequate uitvoering met indicatiestelling van urgenties, afspraken hierover met de corporaties, afstemmen met alle regiogemeenten en het zelf verlenen van huisvestingsvergunningen. Daarnaast moeten dan separaat nog afspraken gemaakt worden over de huisvesting van vergunninghouders. Een gemeente die hiervoor kiest kan niet mee doen aan de uniforme regeling.
13. Waarom staan statushouders in de verordening, terwijl het kabinet het voornemen heeft uitgesproken de voorrang voor hen te verbieden? De huidige Huisvestingswet schrijft nog steeds voor dat statushouders volgens de taakstelling gehuisvest moeten worden en stelt dat de gemeente moet aangeven hoe zij invulling geeft aan die taakstelling als bij het instellen van een urgentieverordening. Het is de makkelijkste manier om dit dan volgens één urgentiestelsel te doen, in plaats van verschillende voorrangssystemen. Dit voorkomt repeterende overleggen op lokaal niveau tussen gemeente en corporaties over de taakstelling. Zolang de wet op deze manier dit regelt, is de toevoeging van vergunninghouders aan de urgentieverordening de makkelijkste weg. Zolang de wetgever het toekennen van urgentie aan statushouders niet heeft verboden, nemen we daarom statushouders op in de urgentieverordening.
14. Wat is de positie van herstructureringsurgenten? 3
In de uitgangspuntennotitie staat dat we vinden dat mensen die vanwege sloop of renovatie gedwongen hun woning moeten verlaten, recht hebben op voorrang bij huisvesting. Hierover is nog steeds brede overeenstemming. Immers een vlotte doorloop draagt bij aan minder leegstand en een snelle modernisering van het sociale huurwoningbezit. Tijdens de uitwerking van de verordening bleek echter dat het juridisch niet haalbaar is de absolute voorrang van deze groep adequaat vast te leggen in de verordening. Het zou vooral veel administratie vragen, doordat voor deze groep wel woningen geselecteerd moeten worden, en voor woningzoekenden een urgentieverklaring en huisvestingsvergunning afgegeven moeten worden. Vanuit efficiency is ervoor gekozen herstructureringsurgenten niet in de verordening op te nemen, maar projectmatig en in prestatieafspraken te zorgen voor een zo gestroomlijnd mogelijk proces van herstructurering.
15. Kan een gemeente ervoor kiezen een extra groep urgent te maken? Dit kan. Wel is het zo dat meer urgentiecategorieën de kansen voor regulier woningzoekenden verlagen. Dat moet de gemeenteraad nadrukkelijk betrekken bij haar afweging. Bovendien voorziet de gemeenschappelijke urgentieorganisatie niet in de ondersteuning bij dit ‘lokale maatwerk’. De gemeente zal dan zelf capaciteit en expertise moeten reserveren voor de uitvoering van minimaal dit deel van de regeling. Daarnaast hebben wettelijk aangewezen groepen absolute voorrang, en zullen lokaal toegevoegde groepen daarna komen.
16. Wat als een persoon niet terug wil of kan naar plaats van herkomst (instroom=uitstroom)? Het uitgangspunt is dat mensen na opname in een instelling terugkeren naar hun oorspronkelijke gemeente (instroom = uitstroom). Soms is dat niet wenselijk. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in situaties van huiselijk geweld of bij personen die uit detentie komen. In die gevallen zoekt de urgentieorganisatie naar een passende plek, soms buiten de oorspronkelijke gemeente. De woningzoekende kan formeel bezwaar maken als de urgentieorganisatie de bestemmingsgemeente vaststelt. Dan zal op basis van de bezwaaren beroepsprocedure uitspraak gedaan worden.
17. Kan een gemeente ook andere instrumenten uit de Huisvestingswet inzetten? Dat kan zeker. De Huisvestingswet biedt gemeenten allerlei instrumenten om te sturen op de samenstelling van de woningvoorraad (opkoopbescherming, splitsing, verkamering etc.) en op woningtoewijzing. Een aantal gemeenten hebben nu ook al een huisvestingsverordening, bijvoorbeeld alle Waddeneilanden (woningtoewijzing sociale huur en betaalbare koop) en de gemeente Leeuwarden (opkoopbescherming en verbod tweede woningen). Deze verordeningen bestaan (en blijven) naast de nieuwe urgentieverordening. Elke gemeente kan dus er altijd voor kiezen om de instrumenten van de Huisvestingswet in te zetten, mits dit niet de werkwijze van de urgentieverordening doorkruist.
18. Hoe zit het met toezicht en handhaving? Hoe wordt gecontroleerd of corporaties zich houden aan de regels van de verordening met betrekking tot de melding van vrijkomende sociale huurwoningen en het quotum voor urgenten? En moet mijn gemeente dan ook boetes uitschrijven?
4
De urgentieorganisatie controleert of alle vrijkomende huurwoningen worden gemeld en dat toewijzing conform de verordening gaat. In het onwaarschijnlijke geval dat een corporatie bewust de regels negeert of anderszins illegaal opereert, dan zal dat in eerste geval bestuurlijk worden besproken. In principe wordt ook de gemeente Leeuwarden gemandateerd om toezicht en handhaving te houden.
19. Hoe werkt het met bezwaar en beroep? Hoe verloopt het bezwaar- en beroepsproces voor woningzoekenden die het niet eens zijn met een beslissing op hun urgentieaanvraag? En welke rol speelt de gemeente in dit proces? Ook hierbij geldt dat dit onder de centrumgemeenteregeling aan de gemeente Leeuwarden wordt gemandateerd. Dus de gemeente Leeuwarden (en daarmee dus de urgentieorganisatie) zijn primair verantwoordelijk om bezwaar en beroep af te handelen.
5