CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Reactienota op zienswijzen BGB-II

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’34.362 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Reactienota op ingediende zienswijzen ‘Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân-II’

1. Wartenterp 14, 8617 LD te Abbega Zienswijze natuurbestemming Belanghebbende is eigenaar van een perceel weiland, kadastraal bekend: gemeente Heeg, sectie K, nummer 489, gelegen achter Pikesyl onder Abbega. In de zienswijze wordt aangegeven dat belanghebbende het niet eens is met het feit dat de bestemming van het perceel weiland wordt gewijzigd in de bestemming “Natuur” en verwijt de gemeente dat deze wijziging van de bestemming zonder overleg heeft plaatsgevonden. Belanghebbende geeft aan beperkt te worden in zijn mogelijkheden door de bestemming “Natuur”. Reactie gemeente Op grond van het thans geldende bestemmingplan Buitengebied Wymbritseradiel (2010) geldt voor het perceel weiland deels de bestemming “Natuur” en deels de bestemming “Agrarisch”. Deze bestemming is één op één overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II. Kortom, de situatie blijft ter plaatse ongewijzigd. Door het nieuwe bestemmingsplan vindt geen wijziging in de bestemming plaats van het betreffende perceel weiland. Wij hebben echter geconstateerd dat zich in de tussentijd een wijziging heeft voorgedaan. In de provinciale Verordening Romte (vastgesteld d.d. 15 juni 2011) was meer natuur opgenomen in het gebied dan in de nu geldende Verordening Romte (vastgesteld d.d. 25 juni 2014).

In het ontwerpbestemmingsplan is de situatie uit de Verordening Romte van 2011 opgenomen terwijl de Verordening Romte van 2014 de basis dient te zijn. Daarom zal in het bestemmingsplan de bestemming “Natuur” worden gewijzigd in de bestemming “Agrarisch” en wel overeenkomstig de Verordening Romte van 2014. Dat is ook het feitelijke gebruik. Conclusie De zienswijze zal dus worden overgenomen in die zin dat de verbeelding van het bestemmingsplan zal worden aangepast zoals hiervoor genoemd.

Situering

Ver.Romte 2011

Ver.Romte 2014

BP BG Wymbritseradiel 2010

BP BG SWF-II ontwerp

2. Wieldyk 7, 8611 JK te Gaastmeer Zienswijze recreatieappartementen Belanghebbende vraagt de gemeente een toezegging (brief d.d. 17 mei 2021) na te komen door aan het perceel De Burd 25 te Heeg de bestemming “WonenWoonboerderij” toe te kennen met de aanduiding “specifieke vorm van twee recreatie-appartementen”. Het zou dan gaan om losstaande recreatieappartementen. De gemeente heeft eerder aangegeven dat conform vastgesteld beleid er alleen recreatie-appartementen mogelijk zijn in de voormalige bedrijfsgebouwen en dus geen vrijstaande recreatieappartementen. In die zin zullen dus geen bebouwingsbepalingen worden opgenomen voor vrijstaande recreatieappartementen. Daarmee ontbreekt een inhoudelijke motivering; louter een verwijzing naar beleid zonder dat beleid of vindplaats daarvan met name te noemen. Dit bovendien in de omstandigheid dat met het thans voorliggende bestemmingsplan juist nieuw beleid wordt gemaakt. Reactie gemeente Op basis van de door de gemeenteraad vastgestelde Uitgangspuntennotitie van 3 oktober 2019 is reeds vastgelegd dat nevenactiviteiten ondergeschikt zijn aan de woonfunctie, dat de activiteiten in de regel binnen de bestaande gebouwen plaatsvinden en dat er geen buitenopslag van voorraad gereed product, materieel etc. plaatsvindt. De hiervoor genoemde Uitgangspuntennotitie is vervolgens vertaald in het bestemmingsplan dat nu voorligt.

Specifiek met betrekking tot deze zaak is in het vigerende bestemmingsplan (artikel 18.6 onder a2) maar ook in het ontwerpbestemmingsplan (artikel 27.5.1 onder d) opgenomen dat kan worden afgeweken van de gebruiksregels voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor maximaal 2 recreatie-appartementen met een oppervlakte van niet meer dan 100 m2 vloeroppervlakte per appartement, met dien verstande dat de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor een recreatieappartementen als nevenfunctie bij de woonfunctie en de recreatieappartementen uitsluitend zijn toegestaan in voormalige bedrijfsgebouwen. Vervolgens willen wij nog even ingaan op de brief van 17 maart 2021. De gemeentelijke tekst is hieronder schuingedrukt aangegeven. Verder spreekt u nog over een eventuele recreatiewoning. Binnen de bestemming “Wonen-Woonboerderij” is het mogelijk maximaal 2 recreatieappartementen met een oppervlak van maximaal 100 m2 per stuk te realiseren. Voor deze recreatieappartementen moet wel een losse omgevingsvergunning verleend worden als nevenactiviteit naast de woonfunctie. Binnen de bestemming “Wonen” wordt een recreatiewoning te allen tijde als strijdig beschouwd en is een recreatiewoning dus niet mogelijk.

De gemeente heeft in de brief getracht een verwijzing te maken naar de uitgangspunten die gelden voor de recreatieappartementen in voormalige bedrijfsgebouwen zoals hiervoor aangegeven. Achteraf gezien had dit misschien

duidelijker moeten worden geformuleerd maar het gaat te ver om hier uit te gaan van een toezegging om twee losstaande recreatie-appartementen te kunnen bouwen op het perceel. Bovendien hadden initiatiefnemers ook kennis kunnen nemen van de in het bestemmingsplannen opgenomen regels ten aanzien van recreatieappartementen. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.

3. De Friese Meren Campings Zienswijze kamperen Belanghebbenden geven aan dat de recreatieondernemers/agrariërs een substantiële bijdrage leveren aan de economie, beheer van het landelijk gebied en de leefbaarheid van Fryslân. Als de tak zich niet verder kan ontwikkelen, zullen op termijn mede als gevolg van de grote transitie in het agrarische sector veel combinatiebedrijven (agrarisch met recreatietak) niet blijven bestaan en treedt verpaupering op in het landelijke gebied. Nu is al een trend gaande dat er steeds minder melkveebedrijven (in bedrijf) zijn in combinatie met kampeerplaatsen. Op basis van deze argumenten heeft men bezwaar tegen het ontwerpbestemmingsplan voor het buitengebied. Naar aanleiding van het voorgaande, wordt verzocht het bestemmingsplan niet vast te stellen conform de regels zoals opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Men vraagt het bestemmingsplan zodanig te wijzigen zodat 35-60 kampeermiddelen (maatwerk per bedrijf) worden toegestaan. Verder zouden 10 diverse kleinschalige accommodaties (bovenop het aantal kampeerplaatsen) van maximaal 50 m2 moeten worden gefaciliteerd (oppervlakte en in te stemmen met een behoefteonderzoek zoals de provincie heeft voorgesteld). Reactie gemeente De systematiek in de ruimtelijke ordening is dat het gemeentelijk beleid (bestemmingsplan) zich dient te conformeren aan het provinciale beleid (Verordening Romte).

Daarbij geldt als eerste de vergunde situatie als uitgangspunt maar dat bij nieuwe ontwikkelingen het maximale aantal van 25 kampeermiddelen bij kleinschalig kamperen de grens is. De provincie heeft eerder een opening geboden om het kleinschalig kamperen op te schalen met 10 kampeermiddelen (naar 35). In het ontwerpbestemmingsplan is hierop met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid alvast geanticipeerd. Op 21 juni 2020 heeft de provincie ons het volgende medegedeeld. Provinciale Staten hebben de tussentijdse wijziging met daarin een aantal verruimingen voor kleinschalige recreatie (zoals die in de Omgevingsverordening staan) niet vastgesteld. Dit betekent dat voor nu de vigerende regels in 5.5.1. Verordening Romte gewoon van kracht blijven. Provinciale Staten willen in het najaar een debat houden over kleinschalige recreatie. Ze willen opnieuw bekijken of de verruiming voor kleinschalige recreatie zoals ze in de Omgevingsverordening zijn opgenomen, niet te ver gaan. Dus mogelijk wordt een en ander teruggedraaid. Duidelijk is dus dat nu nog geen gebruik kan worden gemaakt van de verruiming. Onbekend is of per 1 januari 2024 wel gebruik kan worden gemaakt van de verruimingen. Dit betekent dat we nu in principe ook niet kunnen anticiperen op de verruimde regels in de Verordening Romte.

In aansluiting hierop heeft de provincie een zienswijze ingediend die van dezelfde strekking is. Dit betekent concreet dat het faciliteren van kleinschalig kamperen met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid naar 35 kampeermiddelen uit de regels van het bestemmingsplan moet worden geschrapt. Verder gaat het provinciaal beleid uit van maximaal 10 trekkershutten met een maximale oppervlakte van 40 m2. De gemeente heeft geen bewegingsruimte om het aantal/oppervlakte van trekkershutten te vergroten. Binnen bepaalde bestemmingen bestaan mogelijkheden om inpandige recreatieappartementen te faciliteren. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.

4. De Burd 14, 8621 JX te Heeg Zienswijze kamperen Belanghebbenden zijn de mening toegedaan dat het nieuwe bestemmingsplan niet vernieuwend is. Voor de langere termijn is 35 kampeerplaatsen niet realistisch voor een al langer bestaande camping als die van belanghebbenden. Enkele campings in de omgeving hebben een vergunning voor 40 kampeerplaatsen terwijl de kampeerplaats van belanghebbende vastgehouden wordt aan 25 kampeermiddelen. Belanghebbenden vragen verder vijf extra camperplaatsen te faciliteren alsmede 20 kampeerplaatsen die gerelateerd zijn aan haven/ligplaatsen. Er is een duidelijke vorm van precedentwerking ontstaan door het toelaten van inmiddels kleinschalig kamperen bij havens in de bebouwde kommen. Verder wordt gevraagd het winterkamperen toe te staan. Dit beleid is nog gebaseerd op 30 jaar terug toen de campings nog niet landelijk ingepast waren met groen. Steeds meer voortenten zijn vaste voortenten met glazen ramen en geïsoleerd. Verder wordt verzocht de bestemming op het kampeerterrein te wijzigen van “Agrarisch” naar functieaanduiding “kampeerterrein”. Tenslotte wordt gevraagd de naam “trekkershut” te wijzigen in “kleinschalige accommodatie”. Belanghebbenden zien graag een afwijking in het plan of toevoeging al dan niet in combinatie met een onderzoek en bestemmingsplanwijziging.

Naar de provincie toe is dit goed uit te leggen en te onderbouwen met argumenten en afwegingen. Het provinciaal beleid laat uitzonderingen en maatwerk toe! Dit kan de gemeente niet ontkennen of negeren. Reactie gemeente In 2010 is het bestemmingsplan Buitengebied Wymbritseradiel vastgesteld. In dit bestemmingsplan is toen een wijzigingsmogelijkheid opgenomen waarbij een aantal bestaande kampeerterreinen konden worden uitgebreid naar 40 kampeermiddelen. Ook voor het perceel De Burd 14 te Heeg bestond deze mogelijkheid. In 2014 is de nieuwe provinciale Verordening Romte in werking getreden. In deze Verordening werd bij kleinschalig kamperen uitgegaan van maximaal 25 kampeermiddelen. Vanaf dat moment is de mogelijkheid om uit te breiden naar 40 kampeermiddelen uitgesloten. Belanghebbende hebben in de periode 2010-2014 geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen om het aantal kampeermiddelen (naar 40) uit te mogen breiden. Kortom, op het perceel De Burd 14 te Heeg zijn thans op grond van het bestemmingsplan Buitengebied Wymbritseradiel 25 kampeermiddelen toegestaan. De systematiek in de ruimtelijke ordening is dat het gemeentelijk beleid (bestemmingsplan) zich dient te conformeren aan het provinciale beleid (Verordening Romte).

Daarbij geldt als eerste de vergunde situatie als uitgangspunt maar dat bij nieuwe ontwikkelingen het maximale aantal van 25 kampeermiddelen bij kleinschalig kamperen de grens is. De provincie heeft onlangs een opening geboden om het kleinschalig kamperen op te schalen met 10 kampeermiddelen (naar 35). In het ontwerpbestemmingsplan is hierop met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid alvast geanticipeerd.

Op 21 juni 2020 heeft de provincie ons het volgende medegedeeld. Provinciale Staten hebben de tussentijdse wijziging met daarin een aantal verruimingen voor kleinschalige recreatie (zoals die in de Omgevingsverordening staan) niet vastgesteld. Dit betekent dat voor nu de vigerende regels in 5.5.1. Verordening Romte gewoon van kracht blijven. Provinciale Staten willen in het najaar een debat houden over kleinschalige recreatie. Ze willen opnieuw bekijken of de verruiming voor kleinschalige recreatie zoals ze in de Omgevingsverordening zijn opgenomen, niet te ver gaan. Dus mogelijk wordt een en ander teruggedraaid. Duidelijk is dus dat nu nog geen gebruik kan worden gemaakt van de verruiming. Onbekend is of per 1 januari 2024 wel gebruik kan worden gemaakt van de verruimingen. Dit betekent dat we nu in principe ook niet kunnen anticiperen op de verruimde regels in de Verordening Romte. In aansluiting hierop heeft de provincie een zienswijze ingediend die van dezelfde strekking is. Dit betekent concreet dat het faciliteren van kleinschalig kamperen met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid naar 35 kampeermiddelen uit de regels van het bestemmingsplan moet worden geschrapt. Een uitbreiding van het aantal kampeermiddelen (boven de 25) moet worden gezien als een nieuwe ontwikkeling.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de gemeenteraad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de gemeenteraad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Nieuwe ontwikkelingen ten opzichte van het huidige bestemmingsplan kunnen daarom alleen worden meegenomen indien deze nieuwe ontwikkelingen onderbouwd zijn middels een goede ruimtelijke onderbouwing. Wat de effecten van deze nieuwe ontwikkeling zijn zullen onderbouwd moeten zijn om een goede afweging te kunnen maken of dit een wenselijke en aanvaardbare ontwikkeling is. Hierbij zal er op perceel niveau (maatwerk) moeten worden onderzocht of er aan de verschillende (milieu)regels wordt voldaan om te kunnen spreken van een goede ruimtelijke ordening. Nieuwe ontwikkelingen kunnen dus alleen worden meegenomen indien hiervoor reeds een geaccepteerde ruimtelijke onderbouwing (welke derhalve voldoet aan de wet- en regelgeving en aan de gemeentelijke beleidsuitgangspunten) aanwezig is. In alle andere gevallen kan de ontwikkeling niet worden meegenomen aangezien voor deze nieuwe ontwikkeling niet is onderbouwd dat er wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Bijvoorbeeld het effect op de omliggende omgeving en de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Belangrijk is overigens wel hier te constateren dat de gevraagde ontwikkeling in strijd is met provinciaal beleid.

Met betrekking tot het zogenaamde winterkamperen het volgende. Hierboven wordt aangegeven (door de provincie) dat de vigerende regels in artikel 5.5.1. van de Verordening Romte van kracht blijven. In die zin blijven ook de begripsbepalingen van de Verordening Romte van kracht. Onder artikel 1.54 wordt een kleinschalig kampeerterrein als volgt omschreven: een terrein in een kleinschalige opzet met een beperkt aantal standplaatsen voor kampeermiddelen,

niet zijnde stacaravans, inclusief de bij de kampeermiddelen behorende gemeenschappelijke faciliteiten, welk terrein uitsluitend in het toeristische seizoen opengesteld is en op welk terrein de kampeermiddelen ook alleen in het toeristische seizoen aanwezig zijn. De winterperiode maakt geen onderdeel uit van het toeristische seizoen en in die zin kan het zogenaamde winterkamperen op dit moment nog niet worden gefaciliteerd. Overigens, in het geval het winterkamperen gefaciliteerd kan worden, dienen eerst wel de ecologische gevolgen in beeld worden gebracht. Conclusie De zienswijze wordt niet overgenomen.

5. Slachte 8, 8732 EL te Kubaard. Zienswijze stikstof De maatschap exploiteert op de locatie Slachte 8 te Kubaard een melkveehouderijbedrijf. De gemeente Súdwest-Fryslân stelt in de beantwoording van de eerder ingediende inspraakreactie dat de Maatschap een onherroepelijke Wnb-vergunning heeft welke passend is beoordeeld op basis van de PAS. Gelet op bovenstaande en de heersende jurisprudentie wil de gemeente Súdwest-Fryslân deze PAS-vergunning niet opnemen binnen de bijlage 7, zoals de maatschap dat wenst. De feitelijke planologische legale situatie op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan zal leidend zijn voor de vraag of niet een toename is van stikstofdepositie. Dit is voor de praktijk onredelijk en onwerkbaar. De maatschap kan zich verder niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan.

Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7). Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? Daarom wordt verzocht de zienswijze gegrond te verklaren, het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân te heroverwegen, waarbij de planregels ten aanzien van de beperkingen in het kader van stikstof worden aangepast en de bij de gemeente Súdwest-Fryslân bekende onherroepelijk Wnbvergunning alsnog binnen de bijlage 7 wordt opgenomen. Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving.

Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen

onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2).

Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd.

Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend

is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Wij nemen gelet hierop de zienswijze dan ook niet over. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout.

In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt.

In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd

natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan. Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen.

Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan. Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven. De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht. Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen. Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7. In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak. De zienswijze wordt op dit punt niet overgenomen. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te

krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn. Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt. Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is.

In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen.

6. Pikesyl 3 te Abbega Zienswijze stikstof De maatschap kan zich niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan. Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7).

Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? Gevraagd wordt de planregels ten aanzien van de beperkingen in het kader van stikstof aan te passen en de bij de gemeente Súdwest-Fryslân bekende onherroepelijk Wnbvergunning alsnog binnen de bijlage 7 op te nemen. Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet.

Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming

is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming.

Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).

Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan.

Wij nemen gelet hierop de zienswijze dan ook niet over. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied.

Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling.

Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt).

“het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan. Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen. Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan. Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven. De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht. Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen.

Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7. In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak. De zienswijze wordt op dit punt niet overgenomen. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn. Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd

is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt. Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is. In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen.

Zienswijze Agrarische bestemming/Natuurbestemming De maatschap exploiteert op de locatie Pikesyl 3 te Abbega een melkveehouderij. Aan de overzijde van de openbare weg heeft de maatschap gronden in eigendom. Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Wymbritseradiel” (2010) hebben onderhavige gronden de enkelbestemming “Agrarisch”. Het lijkt er sterk op dat (een deel van) de percelen thans een natuurbestemming toegekend hebben gekregen. Aan een natuurbestemming in relatie tot mestwet- en regelgeving hangen veel lagere normen dan bij een reguliere agrarische bestemming van gronden. Deze lagere normen werken negatief door binnen de bedrijfsvoering en -ontwikkeling van het melkveehouderijbedrijf met alle consequenties van dien. Gevaagd wordt om vast te houden aan de agrarische bestemming aan de overzijde van de weg Reactie gemeente Op grond van het thans geldende bestemmingplan Buitengebied Wymbritseradiel (2010) geldt voor het perceel weiland deels de bestemming “Natuur” en deels de bestemming “Agrarisch”. Deze bestemming is één op één overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II. Kortom, de situatie blijft ter plaatse ongewijzigd. Door het nieuwe bestemmingsplan vindt geen wijziging in de bestemming plaats van het betreffende perceel weiland. Wij hebben echter geconstateerd dat er in de tussentijd zich een wijziging heeft voorgedaan.

In de provinciale Verordening Romte (vastgesteld d.d. 15 juni 2011)

was meer natuur opgenomen in het gebied dan in de nu geldende Verordening Romte (vastgesteld d.d. 25 juni 2014). In het ontwerpbestemmingsplan is de situatie uit de Verordening Romte van 2011 opgenomen terwijl de Verordening Romte van 2014 de basis dient te zijn. Daarom zal in het bestemmingsplan de bestemming “Natuur” worden gewijzigd in de bestemming “Agrarisch” en wel overeenkomstig de Verordening Romte van 2014. Hieronder is op de plattegrond in rood het eigendom van belanghebbende opgenomen. Ook zijn de verbeeldingen opgenomen van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Wymbritseradiel (2010) en het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân. Datzelfde geldt voor de Verordening Romte van 2011 en 2014. Conclusie De zienswijze zal dus worden overgenomen in die zin dat de verbeelding van het bestemmingsplan zal worden aangepast zoals hiervoor genoemd.

In rood de percelen van belanghebbende

Vigerend BP BG Wymbritseradiel

Ontwerp BP BG SWF-II

Provinciale Verordening Romte 2011

Provinciale Verordening Romte 2014

7. Greate Wierrum 1 te Lytse Wierrum Zienswijze Stikstof Het melkveebedrijf De Jong exploiteert op de locatie Greate Wierum 1 te Lytsewierrum een melkveehouderijbedrijf. De gemeente Súdwest-Fryslân stelt in de beantwoording van de eerder ingediende inspraakreactie dat de Maatschap een onherroepelijke Wnb-vergunning heeft welke passend is beoordeeld op basis van de PAS. Gelet op bovenstaande en de heersende jurisprudentie wil de gemeente Súdwest-Fryslân deze PAS-vergunning niet opnemen binnen de bijlage 7, zoals de maatschap dat wenst. De feitelijke planologische legale situatie op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan zal leidend zijn voor de vraag of niet een toename is van stikstofdepositie. Dit is voor de praktijk onredelijk en onwerkbaar. Het melkveehouderijbedrijf kan zich verder niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan.

Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7). Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan.

Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan

stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen.

In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684).

Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).

Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Wij nemen gelet hierop de zienswijze dan ook niet over. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”.

Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn.

Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de

onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan. Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen. Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan. Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven. De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht.

Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen. Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7. In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak. De zienswijze wordt op dit punt niet overgenomen. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn.

Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt. Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is. In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch.

En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen. Zienswijze molenbiotoop Daarnaast kan de Melkveehouderij zich niet verenigen met het handhaven van de Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’ nu die qua te vergunnen bouwhoogte een directe impact heeft op het agrarische bedrijf. Het bedrijf is in ieder geval de mening toegedaan dat zij buiten de vrijwaringszone dienen te vallen, nu er al bestaande bebouwing aanwezig is, met een zekere hoogte en de vrijwaringszone bij een windrichting vanuit het noorden door de bestaande bebouwing al geen enkel doel meer treft. Daarnaast is gebleken dat het Wetterskip als eigenaar van de molen in het geheel geen belang heeft bij een goede windvang, nu de molen geen bemalingsfunctie meer heeft. Het Wetterskip zou richting het Melkveebedrijf aangegeven hebben dat minder windvang hen juist goed zou passen met het oog op slijtage en onderhoud/levensduur van de molen. Reactie gemeente De gemeente heeft contact gezocht met de eigenaar (Wetterskip Fryslân) van de windmotor.

Wetterskip Fryslân heeft bij mail van 26 juli 2023 aangegeven dat er geen bezwaar tegen bestaat de beschermingszone te verkleinen naar 150 meter. Daarmee wordt het agrarische bedrijf niet meer beperkt in zijn mogelijkheden.

Conclusie De zienswijze wordt overgenomen in die zin dat op de verbeelding wordt uitgegaan van een beschermingszone van 150 meter. Zienswijze 2e en 3e bedrijfswoning en mestzak Belanghebbende zou graag op de verbeelding opgenomen zien dat er sprake is van een 2e en 3e bedrijfswoning. Dit geldt eveneens voor de binnen het bouwvlak vallende “mestzak”. Hiervoor ontbreekt de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch mestzak” op de verbeelding. Reactie gemeente De constatering van belanghebbende met betrekking tot de drie vergunde bedrijfswoningen op de percelen Greate Wierrum 1, 3 en 3a is juist. Deze bedrijfswoningen zullen als zodanig op de verbeelding worden opgenomen. Conclusie Deze zienswijze zal worden overgenomen in die zin dat er drie bedrijfswoningen aanwezigen zijn ten behoeve van het agrarische bedrijf en als zodanig op de verbeelding worden opgenomen. De betreffende mestzak is gesitueerd binnen het bouwvlak en hoeft dus niet als zodanig te worden opgenomen op de verbeelding. De regels zorgen echter wel voor verwarring nu in artikel 3.1 onder e is aangegeven dat een mestzak, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch-mestzak” mogelijk is. In principe is de hiervoor genoemde aanduiding alleen van toepassing wanneer een mestzak aanwezig is buiten het bebouwingsvlak dan wel buiten een denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare.

Op dat punt zullen de regels van het bestemmingsplan worden aangepast. Conclusie Deze zienswijze zal worden overgenomen in die zin dat de regels zullen worden aangepast zoals hiervoor genoemd.

8. Dorpsbelang Sibrandabuorren Zienswijze aanleg haventje Gevraagd wordt om de aanleg van de ligplaatsen naast de Mienskipskoalle De Legeaën mogelijk te maken in dit bestemmingsplan. Er bestaat een al langer levende behoefte vanuit het dorp voor een aantal openbare ligplaatsen. In Sibrandabuorren kan bij de brug in het centrum geen boot worden aangemeerd voor langere tijd. Daarvoor zijn ook geen mogelijkheden om dat te realiseren aangezien alle oevers in particulier eigendom zijn. Het parkeren zal geen problemen opleveren. Er is voldoende ruimte beschikbaar bij de school en de sporthal. De ligplaatsen zullen vooral lopend en op de fiets benaderd worden door de bewoners. De oude kanosteiger die aan het einde van de sloot lag, is kortgeleden gesloopt door de gemeente. Deze was in zeer slechte staat. Een nieuwe zou ter plaatse van de ligplaatsen eenvoudig opgenomen kunnen worden in het nieuwe plan icm een supsteiger. De school heeft daar ook belang bij. Dat heeft ook een relatie met de bestemming ‘sport’ die er nu al op zit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13086094/2